Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:407

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-03-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
17/03292
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:758
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 17/03292

Zitting 10 maart 2020

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 26 juni 2017 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, waarbij het hof van oordeel is dat de onder 1 bewezen verklaarde uitvoer van harddrugs in Nederland (het met bestemming naar het buitenland vervoeren tot aan de Nederlandse grens) telkens in eendaadse samenloop is gepleegd met het onder 2 bewezen verklaarde vervoer van diezelfde harddrugs in Nederland” en 3. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met bijzondere voorwaarden als in het arrest vermeld, met aftrek van het voorarrest.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 17/03249, 17/03256 en 17/03328. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, aangezien de stukken van het geding niet tijdig naar de griffie van de Hoge Raad zijn verzonden.

  5. Namens de verdachte is op 7 juli 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 1 februari 2019 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn van acht1 maanden met bijna elf maanden is overschreden. Desondanks ben ik van oordeel dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Uit bestendige rechtspraak van de Hoge Raad volgt namelijk dat een cassatieberoep met art. 80a RO wordt afgedaan indien dat enkel ertoe strekt te klagen dat als gevolg van het instellen van het cassatieberoep na de bestreden uitspraak de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.

6. Ik merk nog op dat in de toelichting op het middel, onder verwijzing naar de vragen die het EHRM aan Nederland heeft gesteld in de zaak Nelissen, wordt betoogd dat deze rechtspraak van de Hoge Raad aanpassing behoeft. Dat betreft echter een andere situatie. De vragen die het EHRM heeft gesteld in de zaak Nelissen zijn namelijk terug te voeren op de afdoeningspraktijk bij redelijke termijnklachten in het geval er meerdere klachten zijn aangevoerd.2 Dat geval doet zich in deze zaak niet voor.

7. Ik kom tot de slotsom dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, zodat het met toepassing van art. 80a RO kan worden afgedaan.

8. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de toelichting op het middel wordt gesteld dat in de strafzaak tegen de verdachte het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, zodat zou moeten worden uitgegaan van een inzendtermijn van zes maanden. Aan de stukken van het geding zijn daarvoor echter geen aanwijzingen te vinden, terwijl de verdachte evenmin in voorlopige hechtenis verkeerde.

2 Vgl. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:951, onder 8.7) voor HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1635.