Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:397

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-03-2020
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
18/03852
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:716
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging tot seksueel verleiden van minderjarige meisjes d.m.v. van chat- en whatsappberichten en geven van sommen geld en andere giften door (voormalig) lid van Europees Parlement, art. 248a Sr. 1. Uos dat verklaringen van één van de aangeefsters dusdanig onbetrouwbaar zijn dat deze niet tot bewijs kunnen worden gebezigd. 2. Bewijsklachten. Motivering bewezenverklaring, strafbare poging en verwerping verweren. 3. Verbeurdverklaring blocnote en handgeschreven brief. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03852

Zitting 10 maart 2020

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 7 augustus 2018 door het gerechtshof Den Haag wegens onder 1, 2 en 3, telkens “poging tot het door giften of beloften van geld of goed en misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht een persoon, waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van hem te dulden, meermalen gepleegd” en onder 4. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, een en ander met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen, nog niet teruggegeven, voorwerpen.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

    “hij op tijdstippen in de periode van 22 december 2013 tot en met 28 februari 2014 te Den Haag, althans in Nederland, en/of in Frankrijk en/of in België,

    ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door giften en beloften van geld en goed en misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1997, waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk te bewegen ontuchtige handelingen te plegen en/of zodanige handelingen van verdachte te dulden, te weten seksuele handelingen te verrichten en/of seksuele handelingen van hem te dulden,

    bestaande dat uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht uit onder meer:

    - een groot leeftijdsverschil tussen hem, verdachte en die [slachtoffer 1] en

    - de status en de functie van hem, verdachte, en

    - een zeer groot verschil in inkomen en vermogen tussen hem, verdachte en die [slachtoffer 1],

    met dat opzet:

    - maandelijks aan die [slachtoffer 1] een contant geldbedrag van 200 euro heeft gegeven en

    - kleding voor die [slachtoffer 1] heeft gekocht en

    - alcoholische drank en sigaretten voor die [slachtoffer 1] heeft gekocht en

    - die [slachtoffer 1] mee uit eten heeft genomen en

    - taxikosten voor die [slachtoffer 1] heeft betaald en

    via het internet, Whatsapp en Facebook meermalen chatgesprekken/schriftelijke gesprekken heeft gevoerd met die [slachtoffer 1] en daarin die [slachtoffer 1]:

    - via gesprekken op Facebook meermalen zakgeld heeft aangeboden, te weten wekelijks een geldbedrag van 50 euro en maandelijks een geldbedrag van 200 euro, en heeft aangeboden haar taxikosten te betalen als zij naar hem, verdachte, toe gaat en haar vakantie te betalen en te gaan shoppen/winkelen met haar en eten en drank en sigaretten voor haar te kopen en

    - in een chatgesprek van 23 februari 2014 heeft getracht te bewegen om samen met hem, verdachte, een avond bij hem thuis door te brengen en haar daarbij geschreven dat zij dan extra zakgeld, althans een extra geldbedrag, van hem, verdachte, kan krijgen en

    - in een chatgesprek op 21 februari 2014 cocaïne, heeft aangeboden, althans haar heeft gevraagd of het iets voor haar is en haar geschreven dat je er gelukkig van wordt en dat het gebruik ervan een heerlijk gevoel geeft en

    - in een chatgesprek op 23 februari 2014 heeft aangeboden met hem in een luxe hotel te verblijven met jacuzzi, champagne en ontbijt op bed en

    - in een chatgesprek op 24 december 2013 heeft geschreven dat haar jurkje heel sexy stond en haar vervolgens meermalen, in chatgesprekken op 25 december 2013 en/of 30 december 2013, heeft gevraagd of hij een foto van haar in haar gouden jurkje mag krijgen en

    - die [slachtoffer 1] in een chatgesprek op 20 januari 2014 heeft gevraagd of zij mooie lingerie tekort komt en

    - in een chatgesprek op 13 februari 2014 heeft geschreven dat hij haar mooie dingen kan leren en dingen die zij nog nooit heeft meegemaakt en dat jongens van 18 zoals hij, verdachte, er niet zijn en dat die niet bezig zijn om een vrouw te verwennen en dat hij, verdachte, haar meer kan leren dan een puppy/een jongen van 18 jaar die maar aan één ding denkt en

    - in een chatgesprek op 21 februari 2014 heeft geschreven dat hij haar sexy vindt en

    - in een chatgesprek op 23 februari 2014 heeft geschreven dat hij 150 euro voor haar heeft liggen en dat zij een avond met een echte man heeft als ze dit geld komt halen en met een big smile naar huis gaat en dat hij, verdachte, opgewonden raakt bij het idee dat die [slachtoffer 1] een avond bij hem, verdachte, thuis doorbrengt en dat hij fantaseert over wat er dan zal gaan gebeuren en aan die [slachtoffer 1] heeft geschreven dat hij ongecompliceerd met haar wil knuffelen en dat hij haar lief en mooi vindt en dat ze een perfect lichaam en heerlijke billen heeft en dat ze 400 euro had kunnen krijgen in plaats van 75 euro zakgeld en

    - in een chatgesprek op 28 februari 2014 heeft geschreven dat die [slachtoffer 1] bij hem, verdachte, thuis mag douchen en dat hij dan naar haar lichaam zal moeten kijken en dat hij, verdachte, belooft niet te bedenken hoe zij er onder de douche uit ziet en hoe zij zich insmeert,

    terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

    2:

    hij op tijdstippen in de periode van 2 september 2012 tot en met 18 februari 2014 te Den Haag, althans in Nederland, en/of in Frankrijk en/of in België,

    ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door giften en beloften van geld en goed en misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 1997, waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, opzettelijk te bewegen ontuchtige, handelingen te plegen en/of zodanige handelingen van verdachte te dulden, te weten seksuele handelingen te verrichten en/of seksuele handelingen van hem te dulden,

    bestaande dat uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht uit onder meer:

    - een groot leeftijdsverschil tussen hem, verdachte en die [slachtoffer 2] en

    - de status en de functie van hem, verdachte, en

    - een zeer groot verschil in inkomen en vermogen tussen hem, verdachte en die [slachtoffer 2], en

    - dat verdachte, het gezin van die [slachtoffer 2] financieel ondersteunt/ondersteunde,

    met dat opzet:

    - veelvuldig (contante) geldbedragen heeft gegeven aan die [slachtoffer 2] en

    - meermalen alcoholische drank en sigaretten voor die [slachtoffer 2] heeft gekocht en

    - meermalen die [slachtoffer 2] mee uit eten heeft genomen en

    - meermalen kleding voor die [slachtoffer 2] heeft gekocht en

    - meermalen taxikosten voor die [slachtoffer 2] heeft betaald en

    via het internet, Whatsapp, meermalen chatgesprekken/schriftelijke gesprekken heeft gevoerd met die [slachtoffer 2] en daarin die [slachtoffer 2]:

    - meermalen, waaronder in een chatgesprek van 2 september 2012 en van 14 november 2012 en 30 november 2012, heeft geschreven dat hij, verdachte, haar “sugardaddy” is en dat zij mooi en knap en prachtig en lief is en dat zij hem, verdachte, altijd kan bellen als zij geld nodig heeft en

    - meermalen, waaronder in een chatgesprek van 3 december 2012 en 9 december 2012, heeft getracht te bewegen om iedere maand bij hem thuis te slapen samen met een vriendin en haar daarbij geschreven dat zij dan iedere maand 150 euro, althans een extra geldbedrag, van hem, verdachte, kan krijgen en dat zij 100 euro extra kan verdienen als een vriendin van die [slachtoffer 2] 's avonds met hem, verdachte, mee naar boven gaat en

    - meermalen, waaronder in een chatgesprek op 3 december 2012 en 9 december 2012 en 11 februari 2013, heeft geschreven dat hij, verdachte, ontzettend gek op haar is en ontzettend veel van haar houdt en/of

    - meermalen, waaronder in een chatgesprek van 6 april 2013 en 13 april 2013, een afbeelding van bankbiljetten heeft toegestuurd en

    - in een chatgesprek op 18 februari 2013 heeft gevraagd of zij een Iphone 5 wil en zich haar suikeroompje heeft genoemd en heeft gezegd dat hij wel een leuk bedankje van haar verwacht en dat zij dan wel weer eens gezellig langs moet komen en dat zij dan een leuke avond hebben en zij dan haar fooi kan krijgen en dat zij niks tegen haar moeder mag zeggen en

    - in een chatgesprek van 10 maart 2013 heeft gevraagd wanneer er iets voor hem, verdachte, in zit en dat hij aan haar over laat wat dat is en dat zij dondersgoed weet wat hij bedoelt en dat hij niks daarover gaat zeggen op de app en dat hij niets voor haar gaat uitspellen en

    - in een chatgesprek op 12 maart 2013 heeft geschreven dat hij extra geld aan haar heeft overgemaakt als zij belooft er lingerie voor te kopen en

    - meermalen, waaronder in een chatgesprek op 16 maart 2013 en 18 maart 2013, heeft geschreven dat hij, verdachte, haar wil helpen met geld en dat zij een geleend geldbedrag niet terug hoeft te betalen maar dat hij, verdachte, er dan ook wel eens iets voor terug wil en in dat chatgesprek van 16 maart 2013 heeft geschreven dat hij haar goddelijk mooi en prachtig vindt en

    - in een chatgesprek op 31 oktober 2013 heeft geschreven dat zij eenmaal per maand zo 50 euro kan krijgen en/of dat als zij meer geld wil, hij, verdachte, een gezellige avond wil en

    - in een chatgesprek op 17 januari 2014 heeft laten weten dat die [slachtoffer 2] moet wennen aan intimiteit en een prachtig lichaam, billen, benen, borsten en dijen heeft en

    - in een chatgesprek op 18 februari 2014 heeft gevraagd of hij de 150 euro die zij van hem, verdachte, heeft geleend, kan omwisselen voor drie minuten tongen,

    terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

    3:

    hij op tijdstippen in de periode van 12 januari 2013 tot en met 16 maart 2013 te Den Haag, althans in Nederland, en/of in Frankrijk en/of in België,

    ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door giften en beloften van geld en goed en misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum] 1997, waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk te bewegen ontuchtige handelingen te plegen en/of zodanige handelingen van verdachte te dulden, te weten seksuele handelingen te verrichten en/of seksuele handelingen van hem te dulden,

    bestaande dat uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht uit onder meer:

    - een groot leeftijdsverschil tussen hem, verdachte en die [slachtoffer 3] en

    - de status en de functie van hem, verdachte, en

    - een zeer groot verschil in inkomen en vermogen tussen hem, verdachte en die [slachtoffer 3],

    met dat opzet,

    - meermalen een contant geldbedrag aan die [slachtoffer 3] heeft gegeven en

    - kleding voor die [slachtoffer 3] heeft gekocht

    en

    via het internet, Whatsapp, meermalen

    chatgesprekken/schriftelijke gesprekken heeft gevoerd met die [slachtoffer 3] en daarin die [slachtoffer 3]:

    - in een chatgesprek van 12 januari 2013 heeft geschreven dat wanneer zij 16 jaar is geworden hij, verdachte, legaal kan vertellen wat hij van haar lichaam vindt en dat ze een toptijd gaan hebben als zij 16 jaar is en dat hij 150 euro geeft voor haar verjaardag en

    - in een chatgesprek op 8 maart 2013 heeft getracht te bewegen om bij hem, verdachte te blijven slapen en daarbij geschreven dat zij dan 200 euro, althans een geldbedrag(en), van hem, verdachte zal krijgen en dat hij niets overmaakt zonder tegenprestatie en heeft gevraagd of hij het haar moet uitspellen en heeft geschreven dat zij in een avond genoeg kan verdienen en dat niemand er ooit van zal weten en dat zij dan nooit meer geldproblemen zal hebben en dat hij wel een taxi voor haar wil regelen en dat hij wel 60 euro naar haar overmaakt omdat ze zo’n lieverd is en

    - in een chatgesprek op 8 maart 2013) heeft gevraagd om een spannend fotootje van haar zodat hij, verdachte, een idee heeft waarom hij zoveel geld aan haar uitgeeft en heeft geschreven dat zij volgende week maar langs moet komen voor een gezellige avond en dat zij vervolgens samen in bed kruipen en

    - in een chatgesprek op 16 maart 2013 heft getracht te bewegen om bij hem, verdachte, thuis te komen en daarbij geschreven dat zij dan 400 euro, althans een geldbedrag van hem, verdachte, zal krijgen,

    terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

    4:

    hij op tijdstippen in de periode van 20 augustus 2013 tot en met 30 mei 2014 te Den Haag en Rotterdam telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel klaagt dat het hof in strijd met art. 359 tweede lid, tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat de uitlatingen van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) zoals opgenomen in een proces-verbaal van 9 april 2015 dusdanig onbetrouwbaar zijn dat deze niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

4.2.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen. In de toelichting op het middel wordt naar de volgende onderdelen van die pleitaantekeningen verwezen:1

“11. De meisjes geven herhaald aan dat de verdenkingen aan het adres van cliënt - in mijn woorden - echt niet kloppen, dat zij nooit iets hoefden te doen voor het geld of de cadeaus dat/die zij kregen en dat hij wel eens stomme/ongepaste/rare of irritante grapjes of opmerkingen maakte, die ze niet altijd konden waarderen, maar dat hij dat niet serieus bedoelde en dat zij dat niet serieus namen. Zij leggen ook uit waarom ze dat zeggen, en [slachtoffer 2] geeft aan dat hij dan dronken is, dat hij er niets mee doet en het niet meent (p. 2042). Ook dit lijkt voor de verbalisanten en uiteindelijk de OvJ niet interessant, terwijl dit voor de beoordeling natuurlijk wel heel relevant is.

12. De meisjes proberen zich fel te verzetten tegen de insinuaties en maken duidelijk dat zij niet het gevoel hebben dat zij werden verleid of dat cliënt daadwerkelijk uit was op seks/seksuele handelingen. Ondanks de ongepaste opmerkingen of grapjes die hij wel eens maakte. Desondanks blijven de verhoorders hen confronteren met hoe zij de berichtjes lezen en opvatten en wat zij daarvan vinden.

13. Voor [slachtoffer 2] geldt dat zij tijdens het verhoor zo geïrriteerd raakt, dat zij opstaat en weg wil gaan. De enige reden waarom zij blijft, is dat de verhoorders haar zeggen dat zij dan een andere keer weer terug moet komen. [slachtoffer 3] en haar moeder weigeren zelfs om überhaupt hun medewerking te verlenen. [slachtoffer 1] is tweemaal gehoord. Ook uit haar verhoren volgt dat zij hier helemaal niet op zit te wachten. De tweede keer wordt zij gehoord in aanwezigheid van haar stiefvader, terwijl dit in strijd is met de destijds geldende Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik en hij bovendien op dat moment al aangifte had gedaan. Dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die afwijking van de Aanwijzing rechtvaardigen, is gesteld noch gebleken. Het belang van een verhoor zonder vertrouwenspersoon aanwezig is in de Aanwijzing duidelijk omschreven:

“Het is van het grootste belang dat een aangifte professioneel, adequaat en zorgvuldig wordt opgenomen (...). Het werken met verhoorkoppels draagt bij aan een kritische beschouwing, aangezien opsporingsambtenaren elkaar aan kunnen vullen, het meer gelegenheid geeft tot observatie en het de kans op beïnvloeding van de aangever door de verhoorder verkleint.

Uit oogpunt van waarheidsvinding, objectiviteit en neutraliteit is een vertrouwenspersoon niet aanwezig bij het inhoudelijke deel van het opnemen van de aangifte. In uitzonderlijke gevallen kan na toestemming van de officier van justitie een vertrouwenspersoon aanwezig zijn bij het inhoudelijk deel van het opnemen van de aangifte. Bij de start en afronding van de aangifte, waarbij algemene informatie wordt besproken, kan eventueel een vertrouwenspersoon aanwezig zijn.”

(…)

16. De afwezigheid van een kritische beschouwing en oog voor de belangen van ook de verdachte blijkt misschien nog wel het sterkst uit het proces-verbaal van 9 april 2015. Daaruit volgt dat [betrokkene 1] en [slachtoffer 2] een jaar na hun verhoren, waarin zij zeer positief waren over cliënt en alle beschuldigingen aan zijn adres fel en ver van zich wierpen, plotseling iets volstrekt anders zeggen.

17. Deze radicale, gezamenlijke omslag roept een heleboel vragen op, die evident van belang zijn voor de beoordeling van de (betrouwbaarheid van de) verklaringen en het tenlastegelegde. Dan is het op zijn zachtst gezegd opvallend dat niet blijkt dat aan hen ook maar één kritische vraag is gesteld, noch dat zij zijn geconfronteerd met (onderdelen van) hun andersluidende verklaringen.

18. De verdediging moet uit het requisitoir in eerste aanleg de kennelijke reden voor de omslag van [slachtoffer 2] halen. In één zin wordt aangegeven: “(..) deze dochter nam verdachte eerst in bescherming in verband met haar moeder die voor hem werkte”. Ik acht het niet juist dat dit niet in het p-v zelf is opgenomen. Maar belangrijker nog, de genoemde reden kan gelet op de verklaring van [slachtoffer 2] niet overtuigen. Hoe verhoudt dit zich tot het feit dat zij zelf verklaarde dat de verdenking onzin was, “Anders zou ik niet elke dag bij hem zitten”, en dat zij – nadat haar telefoon in beslag was genomen – [verdachte] wilde zien en langs wilde gaan, en dat cliënt dit zelf heeft afgehouden.

19. Daarnaast is er geen onderzoek naar gedaan, wat op zichzelf al verbaast bij zo een omslag. Was dit wel gedaan, dan had dit uitgewezen dat een negatieve verklaring geen enkel effect had gehad of kunnen hebben op de baan van [betrokkene 1]. Zij had een tijdelijk contract en haar dienstverband eindigde hoe dan ook per juli 2014, het einde van het mandaat. Dit had [betrokkene 1] ook al met het UWV geregeld. Ook arbeidsrechtelijk gezien had cliënt haar nooit zomaar kunnen ontslaan op grond van een onwelgevallige verklaring. Na de verkiezingen op 22 mei 2014 was bovendien duidelijk dat cliënt ook in de toekomst geen baan meer zou hebben voor [betrokkene 1]; waarom is er toen niet naar voren getreden, maar kennelijk gewacht tot de uitnodiging van de OvJ een jaar later?

(…)

26. In deze zaak is door de OvJ een p-v opgemaakt over de toepassing van het hoorrecht. Hieruit blijkt dat de OvJ op 5 maart 2015 de minderjarigen per brief heeft uitgenodigd om hun mening te geven over de feiten en de vervolging. Op deze brief heeft alleen [betrokkene 1], de moeder van [slachtoffer 2], gereageerd. Op 9 april 2015 vond er een gesprek plaats tussen [betrokkene 1], [slachtoffer 2] en de OvJ. Zoals ik hiervoor al kort aanstipte, staat dit gesprek in alle opzichten haaks op de verklaringen die [betrokkene 1] en [slachtoffer 2] een jaar eerder hadden afgelegd.

27. Uit haar verklaring van 23 april 2014 blijkt dat [betrokkene 1] precies wist waarvan cliënt werd verdacht, dat cliënt de meisjes wel eens meenam shoppen, dat ze (dure) Uggs kregen en uit eten gingen, dat hij dit altijd van te voren overlegde, en dat ook haar zoon mooie cadeaus van hem kreeg, net als zijn eigen familie. Ook wist ze van het boodschappen doen door [slachtoffer 2] en het samen koken en eten, ze wist van het etentje met [slachtoffer 1] op kerstavond en dat cliënt een aanbetaling had gedaan voor de vakantie van [slachtoffer 1]. Als zij wordt gevraagd naar de bewoordingen die [betrokkene 2] en [slachtoffer 2] gebruiken om hun waardering voor cliënt duidelijk te maken, dan antwoordt ze:

“Van alles. We zijn altijd van: “Lieverd, schotje, ik hou van jou Dat wordt de hele dag bij ons gezegd. [verdachte] en ik onderling ook. Gewoon je affectie laten zien en je genegenheid uitspreken. Dat is bij ons heel normaal.”

28. Ze verklaart dat [verdachte] en [slachtoffer 2] persoonlijk, telefonisch, via Whatsapp en via Facebook contact hebben, dat zij hem ziet als haar grote broer en dat hij een groot vertrouwen geniet; dat zij niet makkelijk met haar moeder praat. Daarnaast geeft zij een aantal keren aan dat zij en [slachtoffer 2] niets snappen van de beschuldigingen, dat cliënt [slachtoffer 2] zou hebben willen ‘verleiden’. Ze verklaart onder meer:

“Zij kennen hem [cliënt, LH] sinds 2008. Er is altijd openheid en eerlijkheid geweest. Mij[n] jongste dochter [slachtoffer 2] is erg direct fel bijna agressief dus als er iets niet zou bevallen dan is zij maar ook [betrokkene 2] niet een meisje wat de kaas van het brood laat eten.” (dossierp. 80)

“(..) [slachtoffer 2] snapt daar niets van. [slachtoffer 2] zou zijn kop eraf gebeten hebben bij wijze van spreken. Als er iets zou zijn geweest wat haar niet zou bevallen dan zou ze dat eerst aan hem hebben laten weten en dan aan mij. (...) als er iets gebeurd zou zijn en [slachtoffer 2] zou zich niet veilig voelen dan zou [slachtoffer 2] daar echt nooit meer komen. Ik zou dat geweten hebben.” (dossierp. 83) en

29. Ook verklaart ze nog expliciet dat cliënt geïnteresseerd is in vrouwen van zijn eigen leeftijd tot 3 of 4 jaar jonger: “Ik heb nooit gemerkt aan iets dat dat anders zou zijn”, aldus [betrokkene 1].

30. [slachtoffer 2] verklaarde op 28 april 2014 gelijkluidend: ze ziet [verdachte] als familie, ze kan over alles met hem praten, ze gaat een paar keer per week naar hem toe, ze doen veel leuke dingen - ook toen zijn vriendin er nog bij was en met haar zusje, ze zegt tegen hem dat ze van hem houdt, als er iets is dan is zij er ook voor hem, ze vindt deze zaak onzin en ze vindt het onzin dat ze nu niet bij hem langs kan gaan. Ze had hem nog geappt om te vragen of ze langs mocht komen (dossierp. 2037). Als haar wordt gevraagd of ze weet waar de zaak over gaat, dan zegt ze:

“Ja over minderjarige meisjes en seks voor geld en dat soort onzin. Dat is niet waar. Anders zou ik niet elke dag bij hem zitten.” (dossierpag. 2038)

31. Hij wil niks van haar, alleen dat ze gelukkig is. Als ze elkaar zien en bij het weggaan geven ze elkaar altijd een knuffel. [slachtoffer 2] wordt ook expliciet gevraagd naar het berichtje van cliënt waarin hij een opmerking maakt over ‘tongen’. Het mag duidelijk zijn: cliënt had dit natuurlijk nooit moeten zeggen en dat zegt hij zelf ook. Het was ongepast, hij meende het niet en hij stuurde er (daarom) ook meteen achteraan: hahahahaha. Een zeer ongepaste grap onder invloed van (veel te) veel alcohol. [slachtoffer 2] verklaarde hier destijds al precies hetzelfde over:

“Dan heeft hij een bakkie op. Zo is hij. Daar doe je niks aan. Ik was echt pissig. De dag erna zegt hij dan wel weer sorry of zo. Hij doet er nooit wat mee. Hij zou het ook niet menen. Ik zou ook niet elke dag bij hem komen.

Als jij nou eens niet zo pissig zou worden.

Dan meent hij het nog niet. Hij is gewoon dronken.

(...)

Dronken mensen en kinderen zeggen ze wel eens:...die spreken de waarheid.

Nee hij echt niet .” (dossierpag. 2042)

32. [slachtoffer 2] is stellig over haar band met [verdachte], er is geen verband tussen wat zij kreeg en die ene opmerking over ‘tongen’, hij valt niet op minderjarige meisjes, maar op mensen van zijn eigen leeftijd, ze drinkt niet als ze bij hem is en hij drinkt dan evenmin. Als [verdachte] niet in haar leven zou zijn, dan zou ze – financieel gezien – wat langer moeten doorsparen voor dingen, meer niet, en verder betekent hij heel veel voor haar, net als haar moeder.

33. Zoals gezegd: de strekking van deze verklaringen staat in schril contrast met die van het proces-verbaal m.b.t. art. 167a Sv. Dat [betrokkene 1] geschrokken was van sommige berichtjes, dat ze boos was en/of vragen had, kan de verdediging zich absoluut voorstellen, maar de inhoud van het p-v van 9 april 2015 (en de slachtofferverklaring in eerste aanleg) is van een geheel andere orde. Juist in een dergelijke situatie is het aan het OM om emoties en feiten gescheiden te houden. Het p-v getuigt echter van een volstrekt andere instelling, waardoor de belangen van cliënt zijn geschaad.

(…)

101. Ik vang aan met een bespreking van feit 2, de poging tot verleiding van [slachtoffer 2], omdat zij een bijzondere positie heeft. Zoals ik al aangaf, probeer ik herhaling te voorkomen. Uit de verklaringen van [slachtoffer 2], [betrokkene 1] en cliënt blijkt dat zij een bijzondere, sterke band hadden. Zij hadden al jaren, sinds 2008, intensief contact. Zoals [slachtoffer 2] verklaarde: “We hebben samen gewoon heel veel leuke dingen gedaan. Ook toen zijn vriendin er nog bij was en met mijn zusje.” en op de vraag van de verbalisanten waarin het contact verder gaat dan als vrienden, antwoordde zij: “Wet als met mijn zus. Maar ik begrijp niet waarom [ik, LH] er zo over moet praten. Ik bespreek ook alles met vriendinnen. En dat bespreek ik ook met hem. Dat is hetzelfde. Omdat hij zo oud is zie ik hem als broer. Ik ga niet zeggen: he dit is mijn vriend [verdachte]. Ik zeg dit is mijn broer of oom”. [slachtoffer 2] kwam wel drie tot vier keer per week bij hem.

102. Ze noemden elkaar lieverd, schatje, mooi, knap etc. en ze spraken naar elkaar uit dat ze van elkaar hielden. Ze knuffelden elkaar altijd als zij elkaar zagen en bij het weggaan. [slachtoffer 2] ging alleen naar hem toe en hield cliënt vaak gezelschap door samen te eten of tv te kijken. Die band, die familiair aanvoelde, was er, daar was iedereen van op de hoogte. Ze kreeg af en toe geld en cadeaus van hem, maar daar verwachtte hij niets voor terug. Hij wilde alleen dat ze gelukkig was, aldus [slachtoffer 2].

103. Cliënt heeft uitgebreid verteld hoe [slachtoffer 2] zo een belangrijk deel werd van zijn (sociale) leven. Zijn privé- en familieleven stond op een laag pitje. Hij was erg eenzaam, had eigenlijk alleen maar professionele contacten en stond constant onder hoogspanning. Hij was niet verliefd op haar en had geen enkele seksuele bedoelingen. Hij verklaarde:

“(...) het contact met [slachtoffer 2] (en [betrokkene 2] etc.) was laagdrempelig en ongecompliceerd; we hadden het gezellig en we hadden het over alledaagse onderwerpen en over haar vriendjes en school en werk en uitgaan en shoppen. Niet te moeilijk en te hoogdravend, iets waar ik in mijn professionele leven al constant mee te maken had. Het was voor mij bijna de enige ontspanning die ik had. En haar moeder en [betrokkene 3] wisten van ons contact en dat ze zoveel bij mij over de vloer kwam. Ik was dan ook enorm blij met [slachtoffer 2] en enthousiast over haar en heb geen moment het idee gehad dat ik me op glad ijs zou kunnen begeven.”

104. Dat dit een opmerkelijke situatie was, is cliënt pas later gaan beseffen. Op dat moment heeft hij daar nooit bij stilgestaan, ook omdat [betrokkene 1] overal van wist en dit voor hen dus een heel normale situatie was. Hierdoor kwam het ook regelmatig voor dat [slachtoffer 2] (en [betrokkene 2]) vriendinnen meenam(en) naar zijn huis – waar [betrokkene 1] ook van wist – of dat hij hen ontmoette op verjaardagen. Dat was voor die meiden mooi, want dan konden ze direct door naar de stad en ze kregen nog wat geld mee ook, want zo was cliënt. Geld om te gaan stappen of voor de taxi of nieuwe kleren.

(…)

107. Hierbij moet tevens acht worden geslagen op de eerder aangehaalde verklaring van [slachtoffer 2], dat ook zij die opmerkingen niet serieus nam en dat zij wist dat cliënt dit echt niet meende; dat hij dit zei onder invloed van alcohol.

108. Ik verzoek U in dit verband uitdrukkelijk om de in het p-v van 9 april 2015 vervatte ‘uitlatingen’ van [slachtoffer 2] (en [betrokkene 1]) buiten beschouwing te laten, nu die – gelet op haar eerdere verklaringen en de kennelijke invloed van haar moeder – dusdanig onbetrouwbaar zijn dat die niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

109. De ontkenning van cliënt vindt steun in het dossier. [slachtoffer 2] verklaarde al dat hij zo een opmerking alleen maakte als hij dronken was, en dat cliënt een alcoholverslaving had en medicijnen gebruikte, wordt ondersteund door de overgelegde stukken (bijlagen bij eigen verklaring 10 augustus 2017), de brieven van [betrokkene 4] en het rapport van het NIFP (psychologisch onderzoek). Ook is uit het psychologisch onderzoek naar voren gekomen dat cliënt geen (seksuele) voorkeur heeft voor minderjarige meisjes. Het dossier bevat ook onnoemelijk veel berichten waaruit blijkt dat cliënt er niet op uit was om alleen met [slachtoffer 2] te zijn: [betrokkene 2] of vriendinnetjes die mee-eten (onder meer p. 2063), een reisje alleen na akkoord van [betrokkene 1] (p. 2062), verzoek aan [slachtoffer 2] om voor 18 uur weg te zijn, zodat hij kan rusten als hij thuiskomt (p. 2074) etc..

110. Het is voorts van belang de berichten die ten laste zijn gelegd te beoordelen in het licht van de wijze waarop zij met elkaar omgingen. Berichten die voor een vreemde in eerste instantie wellicht vragen oproepen, waren normaal voor cliënt en [slachtoffer 2]. Cliënt heeft in zijn verklaring van 10 augustus 2017 per bericht aangegeven wat hij daar wel / niet mee bedoelde en hoe een en ander tot stand is gekomen. Ik verzoek Uw Hof dit deel van zijn verklaring (gevoegd als bijlage 2) als hier herhaald en ingelast te beschouwen (bij afwijzing zal ik dit voordragen).

111. Voor de berichten waarin cliënt haar mooi, knap en prachtig noemde en waarin hij aangeeft dat ze hem kan bellen als ze geld nodig heeft (eerste gedachtestreepje), geldt dat deze niet zien op seks/seksuele handelingen. Zij gingen op deze manier met elkaar om, zo praatten zij altijd met elkaar (zie o.m. verklaringen van cliënt, [slachtoffer 2] en [betrokkene 1]); cliënt probeerde niet daarmee haar te bewegen tot seks. Hetzelfde geldt voor de berichten onder de gedachtestreepjes 3, 4, en 10. De berichten waarop wordt gedoeld in 2, 5, 7, 8 en 9 behelzen geen poging om [slachtoffer 2] te bewegen tot het plegen/dulden van ontuchtige handelingen, maar een (soms ongepaste) manier om aanspraak, gezellig menselijk gezelschap, te “kopen”.”

4.3.

Het Promis-arrest vermeldt het volgende over hetgeen [slachtoffer 2] heeft verklaard:

“[slachtoffer 2] heeft verklaard dat ze het geld goed kon gebruiken, maar dat het haar duidelijk was dat de berichten van de verdachte over seks of seksuele handelingen gingen en dat de verdachte dat met haar wilde. [slachtoffer 2] wilde dit niet, maar de verdachte ging toch door met het sturen van deze berichten en het aanbieden van geld.17”

Voetnoot 17: “Los proces-verbaal van de officier van justitie B. Lijnse, Den Haag d.d. 9 april 2015”.

4.4.

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat aan de uitlatingen van [slachtoffer 2], zoals opgenomen in het proces-verbaal van de officier van justitie B. Lijnse van 9 april 2015, geen geloof kan worden gehecht omdat deze onbetrouwbaar zijn. Het hof is in zijn arrest van dat standpunt afgeweken door het in het middel bedoelde proces-verbaal tot het bewijs te bezigen. De in dat proces-verbaal opgenomen uitlatingen wijken volgens de steller van het middel wezenlijk af van de eerder afgelegde politieverklaring die het hof in haar geheel eveneens tot het bewijs heeft gebezigd.

4.5.

Het hof heeft geen afzonderlijke bewijsoverweging gewijd aan de betrouwbaarheid van de in dat proces-verbaal opgenomen uitlatingen. Kennelijk heeft het hof – ondanks de lengte van het in deze gevoerd pleidooi – het ingenomen standpunt niet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv met betrekking tot de betrouwbaarheid van de aangehaalde verklaring aangemerkt. Dat lijkt mij niet onbegrijpelijk. In de kern komt het op het punt van de betrouwbaarheid aangevoerde er naar ik meen slechts op neer dat de opeenvolgende verklaringen van de aangeefster ([slachtoffer 2]) op een aantal punten verschillen. Dat zulks ‘kennelijk’ door de invloed van de moeder van de aangeefster zou zijn ingegeven is niet nader ingevuld. Wat dan nu de laatste verklaring van 9 april 2015 onbetrouwbaar doet zijn valt uit die argumenten niet af te leiden. Daar komt nog bij – en dat raakt ook het belang in cassatie – dat de verklaringen naar het mij voorkomt onderling slechts afwijken op het punt van de appreciatie door de [slachtoffer 2] van de toenaderingen van de kant van de verdachte. De feitelijke ondergrond daarvan – met name blijkend uit de ook voor het bewijs gebruikte WhatsApp berichten – wordt daardoor niet aangetast. Zodoende valt – anders dan in de schriftuur wordt aangevoerd – ook te begrijpen dat het hof naast de verklaring van 9 april 2015 ook de eerder door de aangeefster afgelegde politieverklaring voor het bewijs heeft gebezigd. In de toelichting op het middel wordt niet verwezen naar waar het hof de eerder afgelegde politieverklaring van [slachtoffer 2] gebruikt, maar ik vermoed dat zij doelt op voetnoot 5. De overweging van het hof luidt als volgt:2

“In de in feit 2 genoemde periode, die loopt van 2 september 2012 tot en met 18 februari 2014, heeft de verdachte veelvuldig contact gehad met [slachtoffer 2] via diverse communicatiemiddelen en hebben zij regelmatig samen tijd doorgebracht. De verdachte heeft [slachtoffer 2] in de periode zoals ten laste gelegd veelvuldig (contante) geldbedragen gegeven. Ook heeft hij alcoholische drank5 en sigaretten voor haar gekocht, heeft hij haar mee uit eten genomen, heeft hij kleding voor haar gekocht en heeft hij taxikosten voor haar betaald.”

Voetnoot 5: “Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 2] d.d. 28 april 2014, p. 2034-2049.”

4.6.

Gelet op de context waarin het hof naar de eerdere verklaring verwees, zie ik in op dit punt in de bewijsvoering van het hof geen tegenstrijdigheden.

4.7.

Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel komt met meerdere deelklachten op tegen het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde. De eerste deelklacht ziet op de motivering van de bewezenverklaring van deze feiten. De tweede deelklacht behelst de klacht dat het oordeel dat sprake was van een strafbare poging, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Tot slot wordt geklaagd dat ‘de desbetreffende verweren’ ten onrechte, dan wel ontoereikend of onbegrijpelijk gemotiveerd, zijn verworpen.

5.2.

De eerste deelklacht richt zich op de motivering van de bewezenverklaring, in het bijzonder wat betreft (a) de pleegplaats, (b) het opzet op het bewegen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige c.q. seksuele handelingen, (c) het verband tussen de aangewende middelen en het (beoogde) gevolg en dat er sprake is van (d) misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht.

5.3.

Het oordeel van het hof luidt voor zover relevant voor de bespreking van dit middel:3

Misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht

Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de verdachte een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht had op [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3].

Deze feitelijke verhoudingen bestonden in de eerste plaats uit het grote verschil in leeftijd tussen de verdachte enerzijds en de drie meisjes anderzijds: de verdachte was ten tijde van de ten laste gelegde feiten tussen de 31 en 33 jaar oud. [slachtoffer 1] was 16 jaar, [slachtoffer 2] was tussen de 14 en 16 jaar en [slachtoffer 3] was tussen de 15 en 16 jaar oud. Daarnaast bestonden de feitelijke verhoudingen uit de status van de verdachte en zijn functie als lid van het Europees Parlement, alsmede zijn inkomen en vermogen. De verdachte heeft een universitaire rechtenstudie afgerond en was in de eerder genoemde periodes een Europarlementariër die veel reizen maakte en een riant salaris genoot. Deze meisjes waren daarentegen jonge-MBO-studentes met bijbaantjes. Voor wat betreft [slachtoffer 2] verdient nog opmerking dat verdachte met enige regelmaat heeft bijgedragen aan het financieel onderhouden van haar familie.

Aan zijn maatschappelijke en financiële positie heeft de verdachte in zijn chat- en/of WhatsApp-gesprekken met [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] herhaaldelijk gerefereerd, zodat naar het oordeel van het hof tevens sprake is van misbruik van dat uit die feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht. Dat mogelijk sprake was van een bepaalde mate van mondigheid van (een van) de meisjes, doet hier niet aan af.

De intenties van verdachte

Chat- en WhatsApp-gesprekken tussen de verdachte en [slachtoffer 1]

(…)

WhatsApp-gesprekken tussen de verdachte en: [slachtoffer 2]

(…)

WhatsApp-gesprekken tussen de verdachte en [slachtoffer 3]

(…)

De verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3]

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat het haar duidelijk was wat de intenties van de verdachte waren. Zij heeft aangevoeld waar de verdachte op uit was en dat de verdachte zinspeelde op seks was voor haar duidelijk. [slachtoffer 1] ervoer de verdachte op een bepaald moment als stalkend, omdat hij de hele tijd naar haar appte en haar foto’s bekeek. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat ze het geld goed kon gebruiken, maar dat het haar duidelijk was dat de berichten van de verdachte over seks of seksuele handelingen gingen en dat de verdachte dat met haar wilde. [slachtoffer 2] wilde dit niet, maar de verdachte ging toch door met het sturen van deze berichten en het aanbieden van geld. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij een keer bij de verdachte thuis zou slapen, met [slachtoffer 2], waarvoor zij dan geld zouden krijgen. Toen [slachtoffer 2] voordeed ziek te zijn om naar huis te gaan maar wel het geld op te strijken, had de verdachte tegen [slachtoffer 3] gezegd dat zij € 200,- zou krijgen van hem als zij in haar eentje bij hem zou blijven slapen.

Het oordeel van het hof

Het hof komt op grond van de inhoud van de hiervoor aangehaalde chat- en/of WhatsApp-gesprekken, in onderling verband en samenhang met de door [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] afgelegde verklaringen bezien, tot het oordeel dat de verdachte onmiskenbaar de intentie heeft gehad om zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te bewegen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen met hem, verdachte, en overweegt hiertoe nader als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de contacten met de minderjarige meisjes nooit iets met seksualiteit te maken hebben gehad. De contacten met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] moeten worden bezien in de vriendschappelijke sfeer en het contact met [slachtoffer 2] was familiair van aard, aldus de verdachte.

Naar het oordeel van het hof houdt deze lezing van de verdachte geen stand. Nog afgezien van het feit dat het hof gezien de inhoud van de chatberichten niet kan meegaan in de lezing van verdachte, geldt ten aanzien van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] nog dat een vriendschappelijke verhouding met deze meisjes reeds op grond van de korte duur van hun contact met de verdachte en het grote verschil in leeftijd en achtergrond niet goed voorstelbaar is. Dat de verdachte binnen zeer korte tijd na het eerste contact met deze meisjes is overgegaan tot het geven van geld en goederen en het doen van beloftes sterkt het hof in zijn oordeel dat hieraan andere dan louter vriendschappelijke motieven ten grondslag hebben gelegen. Ook ten aanzien van [slachtoffer 2] is het hof van oordeel dat gelet op de inhoud van de hiervoor aangehaalde chat- en/of WhatsApp-gesprekken niet kan worden volgehouden dat deze gesprekken slechts in een familiaire context moeten worden bezien. Zo schrijft verdachte op 18 februari 2014 aan [slachtoffer 2] dat hij € 150,- wil omwisselen voor 3 minuten tongen en [slachtoffer 2] geeft ook zelf in het WhatsApp-gesprek aan dat je ‘toch zo niet met je zusje omgaat’. De bewoordingen zoals die door de verdachte hier en in de andere hiervoor aangehaalde gesprekken zijn gebezigd, kunnen, gelet op de gehele context in het geheel van feiten en handelingen, niet anders worden gelezen dan dat zij een seksuele lading hebben. Aan dit oordeel draagt bij dat de verdachte in meerdere chat- en/of WhatsApp-gesprekken met de meisjes heeft benadrukt dat zij niets tegen hun moeder, ouders, zus, vriend of vriendinnetje mogen zeggen.

Opmerking verdient voorts dat de verdachte zich juist ten aanzien van enkele in het oog springende chat- en/of WhatsApp-gesprekken waarin hij van de meisjes een tegenprestatie verlangt en die vragen om een nadere uitleg van zijn kant, bij de politie op zijn zwijgrecht heeft beroepen, terwijl hij op bijna alle andere vragen van de verbalisanten wel antwoord heeft gegeven. De verdachte heeft pas tijdens de procedure in hoger beroep een reactie gegeven op deze chat- en/of WhatsApp-gesprekken. Als de intenties van de verdachte niet seksueel van aard waren geweest, dan zou het logisch zijn geweest dat de verdachte, zodra hij de kans kreeg om over zijn intenties bij het versturen van de berichten te verklaren, deze kans ook direct had benut.

Het hof leidt uit de chat- en/of WhatsApp-gesprekken voorts af dat de verdachte zich bij zijn handelwijze zonder meer bewust is geweest van hetgeen strafrechtelijk wel en niet is toegestaan als het gaat om seksuele handelingen en minderjarigen. Dit volgt immers uit de inhoud van het WhatsApp-gesprek op 12 januari 2013, waarin hij schrijft dat wanneer zij, [slachtoffer 3], 16 jaar is geworden hij, verdachte, legaal kan vertellen wat hij van haar lichaam vindt en dat ze een toptijd gaan hebben als zij 16 jaar is. Ook dit sterkt het hof in zijn oordeel dat de chat- en/of WhatsApp-gesprekken – gegeven de (overeenkomstige) bewoordingen, bezien in onderlinge samenhang en gelet op de uitleg die de desbetreffende meisjes eraan geven – een seksuele lading hebben en dat de verdachte hiermee de meisjes heeft willen bewegen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen met hem.

Poging tot verleiding

De vraag waarover het hof zich vervolgens dient uit te spreken is of de verdachte in de gegeven omstandigheden ook daadwerkelijk heeft gepoogd om de meisjes tot die seksuele handelingen te verleiden.

Om te kunnen spreken van een strafbare poging is vereist dat het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Gedragingen vormen een begin van uitvoering als bedoeld in artikel 45, eerste lid Sr, wanneer zij naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. De vraag is derhalve of de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht zijn geweest op de voltooiing van het delict of dat enkel sprake is geweest van het kennelijke voornemen hiertoe, hetgeen niet voldoende is om aan te kunnen nemen dat sprake is van een begin van uitvoering.

Het oordeel van het hof

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de verdachte een begin van uitvoering heeft gemaakt, nu hij gedragingen heeft verricht die naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het door verdachte voorgenomen misdrijf. Deze gedragingen zien op het meermalen geven van geldbedragen, het kopen van kleding, sigaretten, drank en eten voor de meisjes en het betalen van taxikosten, niet zelden voor het vervoer van en naar zijn woning. Uit de chat- en/of WhatsApp-gesprekken leidt het hof af dat de verdachte hiermee inspeelde op de financiële behoefte van de tienermeisjes. Naar het oordeel van het hof kunnen de geldbedragen en de andere giften niet worden los gezien van de hiervoor besproken seksueel getinte chat- en/of WhatsApp-gesprekken. De chat- en/of WhatsApp-gesprekken maken duidelijk dat de verdachte daar in veel gevallen een tegenprestatie voor verwachtte of meer aanbood als er een tegenprestatie zou komen. De verdachte is daarover een aantal malen concreet geweest door aan te geven dat hij wilde dat de meisjes één keer per maand bij hem zouden blijven slapen, door te zeggen dat hij opgewonden raakt van de gedachte dat de meisjes langskomen of door te zeggen dat aan het eind van de avond hij met een van de meisjes zijn bedje in wil duiken. Andere keren heeft verdachte zich omzichtiger maar dwingender uitgelaten, bijvoorbeeld door op te merken dat ‘niets voor niets is’, dat hij ‘een gezellig avondje wil wat hij via de app niet gaat spellen’, dat hij geen ‘fucking monnik’ is, dat hij ‘een bedankje’ wil, dat ‘als [slachtoffer 2] een vriendinnetje meeneemt die zorgt dat hij een leuke avond heeft, zij daar goed geld aan kan verdienen’, dat ‘gratis geld niet bestaat’ en dat ‘hij een man is en zij een vrouw en dat hij niet gaat uitbeelden wat hij daarmee bedoelt omdat zij dat best weet’. Deze opmerkingen, in combinatie met het aanbieden of geven van geld en andere giften alsmede de door verdachte gemaakte beloftes, brengen het hof tot het oordeel dat sprake is van voldoende geconcretiseerde handelingen en tevens dat een genoegzaam verband bestaat tussen deze handelingen en het voornemen tot het bewegen van die meisjes tot ontuchtige handelingen om te kunnen spreken van uitvoeringshandelingen als bedoeld in artikel 45, eerste lid, Sr. Het hof wordt in dit oordeel gesterkt door het feit dat de verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] nog maar zeer kort kende toen hij is overgegaan tot het geven van geld en goederen en het maken van beloftes. Dat geen van de meisjes uiteindelijk is ingegaan op de seksuele verlangens van de verdachte, doet aan de pogingen van verdachte om die verlangens gerealiseerd te krijgen niet af.

Conclusie ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat er een begin van uitvoering is geweest van het voornemen van de verdachte om [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te bewegen tot het plegen dan wel dulden van ontuchtige handelingen door het geven van geld en goederen, het maken van beloftes en het misbruik maken van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht van verdachte op de meisjes. Het hof acht een poging tot verleiding ten aanzien van alle drie de meisjes dan ook wettig en overtuigend bewezen.”

5.4.

De tenlastelegging van de feiten 1, 2 en 3 is toegesneden op art. 248a (jo. art. 45) Sr, dat in de ten laste gelegde periode luidde:

“Hij die door giften of beloften van geld of goed, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding een persoon waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk beweegt ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van hem te dulden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.”

5.5.

De onderdelen (a) en (d) bespreek ik gezamenlijk. Deze middelonderdelen omvatten de klacht dat het hof heeft nagelaten in het Promis-arrest naar bewijsmiddelen te verwijzen omtrent (a) de pleegplaats en (d) de feiten en omstandigheden waarop het baseert dat de verdachte een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht had op de meisjes, meer specifiek (i) het grote verschil in leeftijd, (ii) de status van de verdachte en zijn functie als lid van het Europees Parlement, (iii) verdachtes studie en inkomen (iv) dat de meisjes ‘jonge MBO-studentes met bijbaantjes’ waren, (v) het door de verdachte met enige regelmaat bijdragen aan het financieel onderhouden van haar familie en (vi) de chat- en/of WhatsApp-gesprekken met de meisjes waarin de verdachte herhaaldelijk heeft gerefereerd aan zijn maatschappelijke en financiële positie.

5.6.

Het hof heeft zijn bewijsoverwegingen vooraf doen gaan door een algemene inleiding, die aldus aanvangt:

“De in deze inleiding opgenomen feiten en omstandigheden kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen en omdat deze door de verdediging ook niet zijn betwist als vaststaand worden aangemerkt en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.”

5.7.

Deze aangehaalde frase wordt vaak gebezigd bij Promis-vonnissen en die voorkomt dat de als ‘lopend betoog’ bedoelde bewijsoverwegingen op elk detail van voetnoten moeten worden voorzien, ook als daarmee geen enkel redelijk doel is gediend. Dat is met name het geval als de vermelde gegevens op eenvoudige wijze uit de daarna (wel) voetnootsgewijs aangehaalde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid of van algemene bekendheid zijn en daarom ingevolge art. 339 lid 2 Sv geen bewijs behoeven. Kennelijk heeft het hof de aangevallen overweging onder genoemde algemene noemer ‘vaststaande feiten’ willen laten vallen, zodat de daarin genoemde feiten en omstandigheden niet of niet nogmaals van voetnoten zijn voorzien.4 Geheel zonder risico is dat niet, want de niet-betwisting in feitelijke aanleg verhindert niet – of niet zonder meer – dat bijvoorbeeld in cassatie alsnog wordt geklaagd over de als ‘vaststaand’ aangemerkte feiten en omstandigheden. Dat kan over de band van de eisen die de Hoge Raad stelt aan de bewijsmotivering in Promis-zaken. In HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387 m.nt. Buruma overwoog de Hoge Raad onder 5.5.2: “De werkwijze die het Hof in de onderhavige zaak heeft gevolgd ten aanzien van de bewijsmotivering, komt erop neer dat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de beslissing steunt dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, in een terstond uitgewerkt arrest zijn vermeld in een bewijsredenering waarbij het Hof heeft volstaan met een verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend. In beginsel is die werkwijze niet in strijd met art. 359, derde lid, Sv. Een dergelijke bewijsredenering kan de inzichtelijkheid van de door de rechter gevolgde gedachtegang bevorderen, terwijl niet wordt tekortgedaan aan een andere wezenlijke functie van de bewijsmotivering, namelijk dat de rechter op controleerbare wijze zich ervan vergewist dat de beslissing dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, steunt op daartoe redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan wettige bewijsmiddelen.”

5.8.

Die overweging, waarmee de Promis-praktijk als het ware werd goedgekeurd door de Hoge Raad, laat de Hoge Raad echter wel vergezeld gaan van een waarschuwing: “5.6.2. Terzijde zij hier opgemerkt dat een bewijsmotivering in de vorm van een bewijsredenering als de onderhavige het gevaar in zich bergt dat niet alle onderdelen van de bewezenverklaring genoegzaam worden gemotiveerd, doordat die redenering te zeer wordt afgestemd op hetgeen de verdachte tegen het hem gemaakte verwijt heeft ingebracht. Zo is in het onderhavige geval de bewezenverklaring van het letsel niet van enige motivering voorzien. Het middel klaagt daarover evenwel niet.”

5.9.

Welnu, in de onderhavige zaak wordt in het middel wel geklaagd over het ontbreken van een voldoende bewijsmotivering. Maar ook in cassatie hoeft naar ik meen niet op elke slak zout te worden gelegd. Naar mijn mening doet het middel dat op dit punt wel, oftewel, het zoekt spijkers op laag water.

5.10.

Ik merk daarover het volgende op. Uit de processen-verbaal en de daaraan gehechte stukken van het hof maak ik op dat de verdachte wist waartegen hij zich kon verweren en dat bijvoorbeeld de pleegplaats niet ter discussie heeft gestaan – waarbij ik nog opmerk dat de bewezenverklaring op dat punt veel ruimte laat. Ook leid ik uit die stukken niet af dat de andere opgesomde feiten en omstandigheden ter discussie hebben gestaan. In tegendeel, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 juli 2018 heeft de verdachte zelf daar uitgebreid over verklaard, waarbij hij bijvoorbeeld heeft verklaard heel goed te hebben geweten dat de betreffende meisjes nog geen 18 jaar waren. Dat namens de verdachte wordt geklaagd dat niet uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij lid was van het Europees Parlement is in mijn ogen een overstrekking van de functie van de bewijsmotivering – dat is vragen naar de voor de verdachte bekende weg. Onder die omstandigheden voert het te ver om dergelijke details van voetnoten te voorzien. Niet is gesteld dat dat de pleegplaats en de overige opgesomde feiten en omstandigheden niet uit het in het dossier voorhanden bewijs kunnen volgen. De steller van het middel heeft het belang in cassatie bij deze deelklachten op geen enkele manier aangetoond, waardoor de deelklachten reeds daarom moeten falen.

5.11.

De steller van het middel heeft voorts betoogd – en dat is de meer inhoudelijk georiënteerde klacht – dat uit de hierboven genoemde omstandigheden niet blijkt dat er ook sprake was van (misbruik van) overwicht op de minderjarigen. Uit de in de bewijsvoering genoemde omstandigheden heeft het hof niet onbegrijpelijk kunnen afleiden dat de verdachte een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht had op de meisjes. Het hof heeft blijkens zijn bewijsvoering vastgesteld dat de verdachte aan zijn maatschappelijke en financiële positie in chat- en/of WhatsApp-gesprekken met de meisjes herhaaldelijk heeft gerefereerd. Gelet op onder meer de in het arrest opgenomen WhatsApp-gesprekken, getuigt het oordeel van het hof dat sprake is van misbruik van dat uit die feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Evenmin onbegrijpelijk is de overweging van het hof dat de omstandigheid dat mogelijk sprake was van een bepaalde mate van mondigheid van (een van) de meisjes, aan dat oordeel niet afdoet.

5.12.

Ad (b) en (c): opzet op het bewegen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige c.q. seksuele handelingen en het verband tussen de aangewende middelen en het (beoogde) gevolg. De steller van het middel betoogt, met verwijzing naar HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1002, dat het bewezenverklaarde opzet op het bewegen van de minderjarigen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen ontoereikend is gemotiveerd. In die zaak had het hof vastgesteld dat de verdachte en haar medeverdachte hun gedragingen hadden verricht met het doel de kinderen te laten zien dat een SM-relatie liefdevol kan zijn, dat zij veilig waren bij de medeverdachte en niet bang voor hem hoefde te zijn. Het hof beantwoordde de vraag of een ‘ontuchtig oogmerk’ als bedoeld in art. 248d Sr aanwezig was, ontkennend, hoewel weliswaar "alle fatsoensnormen" en "een sociaal-ethische grens" waren overschreden. De Hoge Raad liet dat oordeel in stand. Art. 248a Sr vereist echter geen ‘ontuchtig oogmerk’. Voorzover de steller van het middel met een beroep op dit arrest wil betogen dat ook in de onderhavige zaak het opzet op het bewegen ontuchtige handelingen te plegen of te dulden dat art. 248a Sr vereist zou ontbreken, begrijp ik niet welke kant de steller van het middel hiermee op wil gaan. Ik heb niet gelezen dat de verdachte heeft gesteld dat zijn gedragingen een educatieve insteek hadden.

5.13.

Het hof komt op grond van de inhoud van de in het arrest aangehaalde chat- en/ WhatsApp-gesprekken, in onderling verband en samenhang met de door de meisjes afgelegde verklaringen bezien, tot het oordeel dat de verdachte onmiskenbaar de intentie heeft gehad om de meisjes tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen met de verdachte. Het hof heeft blijkens zijn bewijsvoering onder meer vastgesteld dat de verdachte aan [slachtoffer 2] heeft geschreven dat hij € 150 wil omwisselen voor drie minuten tongen, hij in chat- en WhatsApp-gesprekken met de meisjes benadrukte dat zij niets tegen hun moeder, ouders, zus, vriend of vriendinnetje mogen zeggen en hij aan [slachtoffer 3] heeft geschreven dat wanneer zij zestien jaar is geworden, hij kan vertellen wat hij van haar lichaam vindt en dat ze een toptijd gaan hebben als zij zestien jaar is. Mede gelet hierop geeft het oordeel van het hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is het niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. In de toelichting op het middel is gesteld dat een contra-indicatie voor de aanwezigheid van opzet is “het feit dat verzoeker (…) nooit aanstalten heeft gemaakt seksuele handelingen met hen te plegen”. Ik volg de steller van het middel daarin niet. Het ten laste gelegde feit betreft immers een poging tot verleiding. Mocht de verdachte wel de genoemde aanstalten hebben gemaakt, dan leverde dat mogelijk weer een ander strafbaar feit op. Anders dan in de toelichting op deze klacht wordt betoogd, heeft het hof uit de door hem gedane vaststellingen wel degelijk kunnen afgeleiden dat de verdachte giften, beloften van geld en goed en misbruik van uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft aangewend met het opzet de minderjarigen te bewegen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen.

5.14.

De eerste deelklacht faalt derhalve.

5.15.

De tweede deelklacht houdt in dat het hof niet met voldoende mate van nauwkeurigheid heeft aangegeven waaraan de relevant geachte omstandigheden voor de bewezen verklaarde poging aan zijn ontleend en de door het hof vastgestelde gedragingen niet kunnen worden aangemerkt als naar hun uiterlijke verschijningsvorm te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf.

5.16.

Ook hier klaagt de steller van het middel over het niet voldoende nauwkeurig verwijzen naar bewijsmiddelen in voetnoten. Ik meen dat het hof kon volstaan met het opnemen van onderdelen uit WhatsApp-gesprekken met [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. Het hof behoefde niet ieder detail van voetnoten te voorzien.

5.17.

Blijkens de bewijsvoering van het hof is onder meer vastgesteld dat de verdachte meermalen geldbedragen en goederen aan de meisjes heeft gegeven, dat uit seksueel getinte chat- en/of Whatsapp-gesprekken volgt dat de verdachte daar in veel gevallen een tegenprestatie voor verwachtte of meer aanbood als er een tegenprestatie zou komen. De verdachte heeft in chat- en WhatsApp-gesprekken onder meer gezegd dat ‘niets voor niets is’, dat hij ‘een gezellig avondje wil wat hij via de app niet gaat spellen’, dat hij geen ‘fucking monnik’ is, dat hij ‘een bedankje’ wil, dat ‘als [slachtoffer 2] een vriendinnetje meeneemt die zorgt dat hij een leuke avond heeft, zij daar goed geld aan kan verdienen’, dat ‘gratis geld niet bestaat’ en dat ‘hij een man is en zij een vrouw en dat hij niet gaat uitbeelden wat hij daarmee bedoelt omdat zij dat best weet’. Die opmerkingen, in combinatie met het aanbieden of geven van geld en andere giften alsmede de door verdachte gemaakte beloftes, hebben het hof tot het oordeel gebracht dat sprake is van voldoende geconcretiseerde handelingen en tevens dat een genoegzaam verband bestaat tussen deze handelingen en het voornemen tot het bewegen van die meisjes tot ontuchtige handelingen om te kunnen spreken van uitvoeringshandelingen als bedoeld in art. 45 lid 1 Sr.

5.18.

Gelet op deze vaststellingen geeft het oordeel van het hof dat de bewezen verklaarde gedragingen van de verdachte een strafbare poging opleveren omdat zij naar de uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het delict – dat bestaat in het opzettelijk bewegen van personen waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt, tot het plegen van ontuchtige handelingen of zodanige handelingen van hem te dulden – en dat die gedragingen dus moeten worden aangemerkt als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf van art. 248a Sr, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel ook toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd.5

5.19.

Het oordeel van het hof dat aan zijn oordeel niet afdoet dat geen van de meisjes uiteindelijk is ingegaan op de seksuele verlangens van de verdachte, getuigt evenmin van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Dan zou het immers geen poging meer zijn.

5.20.

Ook deze deelklacht faalt.

5.21.

Het middel faalt daarmee in al zijn onderdelen.

6 Het derde middel

6.1.

Het middel klaagt over de motivering van de verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen, te weten ‘een blocnote met diverse aantekeningen’ en ‘een handgeschreven briefje van [betrokkene 5]’.

6.2.

Het hof heeft als volgt beslist omtrent de in beslag genomen voorwerpen:

“De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze zijn vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een Iphone, een blocnote met diverse aantekeningen en een handgeschreven briefje van [betrokkene 5], zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen betreffen met behulp waarvan het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde is begaan.

Het hof zal daarom deze voorwerpen verbeurdverklaren. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

(…)

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- iPhone (KVI 1407220715.IBN)

- Blocnote met div. aantekeningen (IBN.01.01.007)

- Handgeschreven briefje van [betrokkene 5] (IBNB.01.04.001).”

6.3.

De steller van het middel vindt het oordeel dat de bewezen verklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan, niet zonder nadere motivering begrijpelijk.

6.4.

Het hof heeft de verbeurdverklaring naar mijn mening wel degelijk gemotiveerd. De reden voor verbeurdverklaring is namelijk dat het voorwerpen betreft met behulp waarvan het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde is begaan. De steller van het middel voert niet aan waarom dat verband er niet zou kunnen zijn. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

7. Alle middelen falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ik laat voetnoten achterwege.

2 Ik laat overige voetnoten achterwege.

3 Ik laat voetnoten achterwege.

4 Vgl. par. 2.4.4 van het rapport Promis Best Practice (De verdieping), december 2009.

5 Vgl. HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:579, NJ 2017/290 m.nt. Mevis en HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1736.