Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:385

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-04-2020
Datum publicatie
26-05-2020
Zaaknummer
19/01911
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1010, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Onrechtmatige overheidsdaad. Na aanhouding verdachte, inbeslagneming goederen en persbericht op website politie, wordt zaak geseponeerd. Vergoeding van materiële en immateriële schade? Reputatieschade. Onschuldpresumptie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0398
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01911

Zitting 17 april 2020

CONCLUSIE

F.F. Langemeijer

In de zaak

[eiser]

tegen

Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid)

Een dag na de aanhouding van een verdachte, de doorzoeking van diens woning en de inbeslagneming van goederen heeft de politie een persbericht gepubliceerd. Na een aanvankelijke vervolging is de zaak later geseponeerd. In cassatie gaat het om de vraag of met de inhoud van het persbericht het beginsel van de onschuldpresumptie (art. 6 lid 2 EVRM) is geschonden.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die het hof in het bestreden arrest heeft vermeld onder 2.2 - 2.6. Deze houden het volgende in.

(i) Eiser tot cassatie is op 18 maart 2013 in zijn woning aangehouden op verdenking van heling van autoradio’s en aanverwante elektronica. Na de aanhouding is zijn woning op dezelfde dag doorzocht. De doorzoeking heeft geleid tot inbeslagname van 65 dozen aan elektronica.

(ii) Een dag later, op 19 maart 2013, heeft de politie naar aanleiding van de actie op haar website het volgende bericht (hierna: het persbericht) gepubliceerd:

“Politie neemt grote partij autoradio’s in beslag, 47-jarige [eiser] aangehouden

[plaats] – Met de aanhouding van een 47-jarige [eiser] verwacht de politie een einde te hebben gemaakt aan heling en of diefstal van autoradio’s.

De politie kwam de man op het spoor nadat [slachtoffers] slachtoffer waren geworden van een inbraak in auto. Zij meenden later op een verkoopsite op internet hun goederen te herkennen die te koop werden aangeboden door de 47-jarige [eiser] en melden dit bij de politie. De politie [plaats] startte in februari een onderzoek naar deze verdenkingen. Maandagochtend 18 maart werd hij in zijn woning aangehouden. In zijn woning vond de politie een omvangrijke hoeveelheid autoradio’s en andere apparatuur. De recherche nam enkele honderden autoradio’s, CD spelers, navigatiesystemen en toebehoren aangetroffen in beslag.

Verdachte is inverzekering gesteld

De verdachte zit nog vast. Hij wordt de komende dagen gehoord over de herkomst van de partij autoradio’s. Daarnaast doet de recherche onderzoek naar de herkomst van de inbeslag genomen goederen. De politie onderzoekt of deze spullen van diefstal afkomstig zijn en welke rol de 47-jarige [eiser] daarin dan heeft gehad.

Stijging diefstal uit auto’s

De politie van [plaats] constateerde de eerste maanden van dit jaar een forse stijging van het aantal auto-inbraken. Zo deden de afgelopen week 30 gedupeerden aangifte van diefstal uit auto. De afgelopen vier weken bleek dat zelfs te zijn gestegen van 75 naar 125 aangiften. (…)”

(iii) Op 19 maart 2013 heeft eiser afstand gedaan van een radio, twee boxen, een autoradio en een navigatiesysteem. Deze goederen bleken van diefstal afkomstig.

(iv) Eiser is gedagvaard voor de politierechter ter zake van schuldheling. De politierechter heeft de dagvaarding nietig verklaard, omdat de dagvaarding onvoldoende feitelijk was.

(v) De officier van justitie heeft de advocaat van eiser bij bericht van 5 maart 2014 laten weten de zaak wegens onvoldoende belang te seponeren.

1.2

Op 14 december 2015 heeft eiser verweerder in cassatie (hierna: de Staat) doen dagvaarden voor de rechtbank Den Haag. Hij heeft gevorderd de Staat te veroordelen tot vergoeding van door hem geleden materiële schade van € 25.275,- en immateriële schade van € 15.000,-, te vermeerderen met rente en kosten. Aan zijn vorderingen heeft eiser allereerst ten grondslag gelegd dat de Staat jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door de in beslag genomen goederen niet aan hem terug te geven en in plaats daarvan op voorhand te vernietigen. Eiser heeft verder gesteld dat hij gederfde levensvreugde ondervindt als gevolg van de aanhouding, de doorzoeking van zijn woning, het persbericht van de politie dat door andere websites is overgenomen en het wegvallen van zijn dagelijkse levensinvulling, het sleutelen en opknappen van tweedehands autoradio’s.

1.3

Bij eindvonnis1 van 21 september 2016 heeft de rechtbank de Staat veroordeeld om aan eiser een bedrag van € 6.145,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Dit bedrag viel uiteen in een vergoeding voor geleden materiële schade (€ 4.370,- voor de vernietigde autoradio’s en € 275,- voor gemaakte taxatiekosten) en een vergoeding van € 1.500,- voor geleden immateriële schade. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd en heeft het meer of anders gevorderde afgewezen.

1.4

De toegewezen immateriële schadevergoeding had uitsluitend betrekking op de schade die eiser heeft geleden door het persbericht van de politie van 19 maart 2013. Dienaangaande overwoog de rechtbank het volgende (rov. 4.12 - 4.15)2:

- Bij de gebruikmaking van de bevoegdheid om via een persbericht publieke bekendheid te geven aan lopende onderzoeken en de aanhouding van een verdachte die in dat kader heeft plaatsgevonden, dient de politie rekening te houden met de belangen van de verdachte. In het bijzonder dient meegewogen te worden dat het een feit van algemene bekendheid is dat voor de meeste burgers de omstandigheid dat de politie publiek bekend maakt dat hij of zij verdacht wordt van een strafbaar feit leidt tot een aantasting van zijn of haar eer en goede naam. Verder dient de politie er rekening mee te houden dat het publiek over het algemeen een grote betrouwbaarheidswaarde toekent aan berichtgeving afkomstig van de politie. Dit maakt dat de politie bij het opstellen van persberichten een grote zorgvuldigheid dient te betrachten en enkel die feiten in haar publicatie kan vermelden waarvoor het tot dan toe beschikbare politiedossier op dat moment voldoende houvast biedt (rov. 4.12).

- De inhoud van het persbericht van de politie is voor degenen die kennis hebben genomen van de doorzoeking van de woning van eiser en zijn aanhouding rechtstreeks herleidbaar tot eiser. Van de tekst van het persbericht, en in het bijzonder de inleidende tekst: “Met de aanhouding van een 47-jarige [eiser] verwacht de politie een einde te hebben gemaakt aan heling en of diefstal van autoradio’s”, gaat een sterke suggestie uit dat er een verband bestaat tussen het toegenomen aantal auto-inbraken in [plaats] , de in beslag genomen autoradio’s en de (sturende) rol van eiser bij dat alles. Gesteld noch gebleken is dat op dat moment, maar ook na afronding van het politieonderzoek, het dossier voldoende steun bood voor deze verstrekkende uiting. De Staat heeft de urgentie en de noodzaak om het persbericht op 19 maart 2013 om 8.00 uur te publiceren onvoldoende aannemelijk gemaakt (rov. 4.14).

- Door deze omstandigheden moet de handelwijze van de politie jegens eiser als onrechtmatig worden aangemerkt. De politie heeft bij het opstellen van het persbericht onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van eiser. Dat eiser reputatieschade heeft opgelopen is voldoende aannemelijk geworden. Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat gesteld noch gebleken is dat de kring van personen die kennis heeft genomen van de inval in de woning van eiser groter is dan de kring van straatgenoten. Dit is echter wel de kring van personen die in de directe woonomgeving van eiser woont (rov. 4.15).

1.5

De Staat heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. De grieven van de Staat keerden zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de perspublicatie.

1.6

Bij eindarrest3 van 15 januari 2019 heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank vernietigd voor zover daarbij de vordering tot vergoeding van immateriële schade was toegewezen tot een bedrag van € 1.500,-. Het hof heeft, opnieuw rechtdoende, de vordering van eiser tot vergoeding van immaterieel nadeel afgewezen en het heeft eiser veroordeeld om al hetgeen de Staat terzake onverschuldigd heeft voldaan, aan de Staat terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling. Het hof heeft eiser veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

1.7

Het hof heeft samengevat overwogen:

- Als uitgangspunt geldt dat de politie de bevoegdheid heeft om persberichten te publiceren. De publicatie van persberichten door de politie is echter onrechtmatig indien het een inbreuk vormt op het door art. 6 lid 2 EVRM gewaarborgde recht dat eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Uit de onschuldpresumptie volgt dat bij perspublicaties de benodigde terughoudendheid en zorgvuldigheid moet worden betracht en dat niet de indruk mag ontstaan dat iemand schuldig is, voordat hij door een rechter is veroordeeld (rov. 5.1).

- De politie heeft in dit geval met het persbericht het beginsel van de onschuldpresumptie niet geschonden. Voorlichting over de huiszoeking en aanhouding was, met name gelet op de onrust in [plaats] , voor de hand liggend, terwijl transparantie over de aard van de (voor de directe omgeving kenbare) huiszoeking mede in het belang was van eiser. De politieactie had immers kunnen leiden tot speculatie bij buurtgenoten dat sprake was van een ernstiger verdenking dan (schuld)heling. Deze mogelijke speculatie is door de perspublicatie in de kiem gesmoord (rov. 5.2).

- De herleidbaarheid tot eiser bij zijn straatgenoten vindt zijn oorzaak in het rechtmatige politieoptreden. In ieder geval is er geen enkele aanwijzing dat, los van de (rechtmatig bevonden) huiszoeking en aanhouding, de identiteit van eiser was af te leiden uit de omschrijving in het persbericht “47-jarige [eiser] ”. Hierbij verdient opmerking dat [plaats] een stad is met een groot aantal inwoners. De mededeling in het persbericht dat de politie verwacht met de aanhouding een einde te hebben gemaakt aan heling en of diefstal van autoradio’s, is in dit geval voldoende terughoudend van inhoud en toonzetting (rov. 5.3).

1.8

Eiser heeft - tijdig - beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van 15 januari 2019. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping. Vervolgens heeft de Staat zijn standpunt schriftelijk laten toelichten.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

De onschuldpresumptie

2.1

Het vermoeden van onschuld is neergelegd in art. 6 lid 2 EVRM, art. 14 lid 2 IVBPR en art. 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie4. Het tweede lid van art. 6 EVRM bepaalt dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Deze bepaling vormt een bijzondere toepassing van het eerste lid, waarin het fair trial-beginsel is neergelegd. Een inbreuk op de onschuldpresumptie kan daarom, afhankelijk van de omstandigheden, ook een schending opleveren van het eerste lid van art. 6 EVRM.5 Art 6 lid 2 EVRM is alleen van toepassing op de procedure in strafzaken. Dit blijkt reeds uit de aanhef: “Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld (…).”

2.2

Het vermoeden van onschuld heeft verschillende aspecten. Allereerst dat van de bewijslastverdeling: van de verdachte in een strafzaak kan niet worden gevergd dat hij bewijs levert van zijn onschuld. Ook het onder dwang moeten meewerken aan de eigen veroordeling kan in strijd zijn met het onschuldvermoeden. Voorts brengt de onschuldpresumptie mee dat een verdachte niet mag worden bejegend als ware hij reeds door de strafrechter schuldig verklaard: uit de bejegening mag geen bevooroordeeldheid blijken.6 Tot dit laatste aspect behoort ook de normering van het optreden van de autoriteiten in de publiciteit en in hun contact met de media.7 Ook andere publieke autoriteiten dan de deelnemers aan het strafproces, zoals politiediensten, dienen de onschuldpresumptie te respecteren.8

2.3

In het arrest Allenet de Ribemont/Frankrijk9 heeft het EHRM overwogen dat freedom of expression, zoals gegarandeerd door art. 10 EVRM, het recht waarborgt om informatie door te geven en te ontvangen, hetgeen betekent dat het publiek door de autoriteiten moet kunnen worden geïnformeerd over strafprocessen (par. 38). Art. 6 lid 2 EVRM “requires that they do so with all the discretion and circumspection necessary if the presumption of innocence is to be respected”, zo vervolgt het Hof. In de zaak die tot dit arrest heeft geleid hadden hoge politiefunctionarissen de klager “without any qualification or reservation” aangeduid als “one of the instigators of a murder and thus an accomplice in that murder”. Het EHRM oordeelde in par. 41: “This was clearly a declaration of the applicant’s guilt which, firstly, encouraged the public to believe him guilty and, secondly, prejudged the assessment of the facts by the competent judicial authority.” Van zorgvuldigheid (discretion) en behoedzaamheid (circumspection) was geen sprake. Zodoende was sprake van schending van art. 6 lid 2 EVRM.

2.4

In latere arresten heeft het EHRM nadere criteria geformuleerd voor de beoordeling van het optreden van de autoriteiten in de media. Onder verwijzing naar eerdere arresten overwoog het EHRM in de zaak Khuzhin/Rusland:

“93. The Court reiterates that Article 6 § 2, in its relevant aspect, is aimed at preventing the undermining of a fair criminal trial by prejudicial statements made in close connection with those proceedings. The presumption of innocence enshrined in paragraph 2 of Article 6 is one of the elements of the fair criminal trial that is required by paragraph 1 (see Allenet de Ribemont v. France, (…), § 35). It prohibits the premature expression by the tribunal itself of the opinion that the person “charged with a criminal offence” is guilty before he has been so proved according to law (see Minelli v. Switzerland, judgment of 25 March 1983, Series A no. 62) but also covers statements made by other public officials about pending criminal investigations which encourage the public to believe the suspect guilty and prejudge the assessment of the facts by the competent judicial authority (see Allenet de Ribemont, (…), § 41; Daktaras v. Lithuania, no. 42095/98, §§ 41-43, (…) and Butkevičius v. Lithuania, no. 48297/99, § 49 (…).

94. It has been the Court’s consistent approach that the presumption of innocence will be violated if a judicial decision or a statement by a public official concerning a person charged with a criminal offence reflects an opinion that he is guilty before he has been proved guilty according to law. It suffices, even in the absence of any formal finding, that there is some reasoning suggesting that the court or the official regards the accused as guilty. A fundamental distinction must be made between a statement that someone is merely suspected of having committed a crime and a clear declaration, in the absence of a final conviction, that an individual has committed the crime in question. The Court has consistently emphasised the importance of the choice of words by public officials in their statements before a person has been tried and found guilty of a particular criminal offence (see Böhmer v. Germany, no. 37568/97, §§ 54 and 56, 3 October 2002, and Nešták v. Slovakia, no. 65559/01, §§ 88 and 89, 27 February 2007).” (cursivering toegevoegd).

2.5

Volgens het EHRM moet dus onderscheid worden gemaakt tussen een mededeling dat iemand wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit en, anderzijds, de stellige verklaring dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd, indien op dat moment nog geen sprake is van een veroordeling door de strafrechter ter zake van dat feit. Het EHRM benadrukt, mede daarom, dat de woordkeuze van de autoriteit die de uitlating doet van groot belang is.

2.6

In het arrest Paulikas/Litouwen10 heeft het EHRM deze lijn in de rechtspraak bevestigd. Daarbij overwoog het EHRM voorts:

“49. The Court also reiterates that the freedom of expression guaranteed by Article 10 of the Convention includes the freedom to receive and impart information, including, to a certain extent, the right to seek and access information (see Maygar Helsinki Bizottság v. Hungary [GC], no. 18030/11, §§ 155-156, 8 November 2016). Article 6 § 2 cannot therefore prevent the authorities from informing the public about criminal investigations in progress, but it requires that they do so with all the discretion and circumspection necessary if the presumption of innocence is to be respected (see Allenet de Ribemont, cited above, § 38, and Karakaş and Yeşilirmak v. Turkey, no. 43925/98, § 50, 28 June 2005). The Court has previously considered that in a democratic society it is inevitable that information is imparted when a serious charge of misconduct in office is brought or where an applicant was an important political figure at the time of the alleged offence. However, this circumstance cannot justify every possible choice of words by officials in interviews with the press (see Butkevičius, cited above, § 50; Arrigo and Vella v. Malta (dec.), no. 6569/04, 10 May 2005; and Fatullayev, cited above, § 161). Nevertheless, judging whether a statement by a public official is in breach of the principle of the presumption of innocence must be determined in the context of the particular circumstances in which the impugned statement was made (see Daktaras, cited above, § 43; Böhmer v. Germany, no. 37568/97, § 60, 3 October 2002; and Peša, cited above, § 141).”

2.7

In deze overweging bevestigt het EHRM zijn eerdere jurisprudentie dat de beoordeling of een bepaalde uitlating schending van de onschuldpresumptie oplevert, plaatsvindt in de context van de specifieke omstandigheden van het geval waarin die uitlating werd gedaan.

2.8

In zijn arrest in de zgn. Clickfonds-zaak11 heeft de Hoge Raad overwogen dat aan de hand van alle omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of sprake is van een inbreuk op het in art. 6 lid 2 EVRM gewaarborgde recht. De Hoge Raad overwoog vervolgens:

“Ten aanzien van het antwoord op de vraag wanneer die inbreuk kan worden aangenomen, heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zijn vaste rechtspraak als volgt samengevat:

‘(…) respect for the presumption of innocence requires that the authorities use all the necessary discretion and circumspection (…). Article 6 § 2 will be violated if a statement of a public official concerning a person charged with a criminal offence reflects an opinion that he is guilty before he has been proved so according to law. It suffices, even in the absence of any formal finding, that there is some reasoning to suggest that the official regards the accused as guilty. In this respect, the Court has emphasised the importance of the choice of words by public officials in their statements to the press before a person has been tried and found guilty of an offence (…).’ (EHRM 10 mei 2005, nr. 6569/04).

Deze rechtspraak heeft bevestiging gevonden in de Aanbeveling aan de lidstaten van het Comité van Ministers van de Raad van Europa met betrekking tot het verstrekken van informatie via de media in verband met strafzaken (Recommendation of the Committee of Ministers to member states on the provision of information through the media in relation to criminal proceedings (Recommendation Rec(2003)13)) van 10 juli 2003. Daarvan beklemtoont ‘principle’ 2 het in acht nemen van de onschuldpresumptie:

‘Principle 2 - Presumption of innocence

Respect for the principle of the presumption of innocence is an integral part of the right to a fair trial. Accordingly, opinions and information relating to on-going criminal proceedings should only be communicated or disseminated through the media where this does not prejudice the presumption of innocence of the suspect or accused.’

Het in acht nemen van de onschuldpresumptie bij het doen van mededelingen aan de media heeft nadere regeling gevonden in de volgende ‘gedragslijn’ in de destijds voor het openbaar ministerie geldende en als recht in de zin van art. 79 RO te beschouwen ‘Richtlijnen informatieverstrekking strafzaken aan media door politie en Openbaar Ministerie’ (vastgesteld door de vergadering van Procureurs-Generaal van 6 mei 1992, nr. 92-126, Stcrt. 1992, 86 - hierna: de Richtlijnen van 1992):

‘Bij informatieverstrekking en voorlichting aan de media door de politie en het openbaar ministerie dient de vereiste objectiviteit van de berichtgeving steeds te worden gehandhaafd, en dient deze gekenmerkt te worden door een zakelijke toonzetting.’

Dat hier mede de handhaving van de onschuldpresumptie wordt beoogd, wordt bevestigd doordat in de ‘Richtlijn voorlichting opsporing en vervolging’ van het College van Procureurs-Generaal van 26 november 1997 (Stcrt. 1998, 17, i.w.tr. 1 februari 1998), welke de genoemde Richtlijnen van 1992 verving, aan de desbetreffende ‘vuistregel’ is toegevoegd:

‘Zo moet steeds worden benadrukt dat met een aanhouding er slechts sprake is van verdenking en dat eerst de rechter een oordeel over de schuld van de verdachte(n) kan geven.’

Hetzelfde is terug te vinden in het desbetreffende ‘aandachtspunt’ in de ‘Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging’ van het College van Procureurs-Generaal van 2 juli 2002 (Stcrt. 25 juli 2002, 140) waarbij de Richtlijn van 1998 is vervangen:

‘Bij persvoorlichting door de politie en het OM dient de vereiste objectiviteit steeds te worden gehandhaafd en dient deze te worden gekenmerkt door een zakelijke toonzetting. Zo moet steeds worden benadrukt dat (bij bijvoorbeeld een aanhouding of een dagvaarding) er slechts sprake is van een verdenking.’”

2.9

De genoemde Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging van het College van Procureurs-Generaal van 2 juli 2002 is later vervangen. Op 1 mei 2012 is de Aanwijzing in werking getreden die thans nog geldt (hierna: de Aanwijzing). Deze gold ook ten tijde van het uitbrengen van het persbericht in 2013 in de onderhavige zaak.12 In deze Aanwijzing, die is te beschouwen als recht in de zin van art. 79 RO13, staat onder meer het volgende (voetnoten weggelaten in het citaat):

“(…) Kader

(…) De politie is primair verantwoordelijk voor de woordvoering over de feitelijke taakuitoefening door de politie en heeft hierin een eigen taak en verantwoordelijkheid. Het OM is de eindverantwoordelijke voor het voorlichtingsbeleid van zowel OM als politie. (…)

Openheid

De maatschappelijke opdracht van OM en politie brengt niet alleen de verantwoordelijkheid mee om in de invulling van hun taak een effectieve bijdrage te leveren aan een veilige en rechtvaardige samenleving. Deze taakstelling vereist ook dat interventies zichtbaar, merkbaar en herkenbaar zijn voor slachtoffers, daders en hun omgeving, en dat OM en politie open zijn over hun afwegingen en fouten. De burger heeft het recht goed en tijdig te worden geïnformeerd over ontwikkelingen in concrete onderzoeken en strafzaken.

Het communicatiebeleid is gericht op het verstrekken van informatie zowel over actuele onderzoeken en strafzaken als over de prioriteiten bij de aanpak van criminaliteit. Transparantie vergroot het vertrouwen in de rechtsstaat. Dit is in het belang van de opsporing. (…)

Privacybescherming en onderzoeksbelang

Bij de voorlichting over strafzaken is van groot belang dat de juiste balans gevonden wordt tussen openheid en transparantie enerzijds en de belangen van een eerlijke procesgang en de privacy van de betrokkenen anderzijds. Het OM heeft toe te zien op een eerlijke procesgang waarbij respect wordt getoond voor de positie van de rechter en de verdediging, waarbij recht wordt gedaan aan de verdachte en het slachtoffer en waarbij de privacy van verdachten, (nabestaanden van) slachtoffers en getuigen gewaarborgd is. In beginsel worden geen persoonsgegevens verstrekt wanneer deze verstrekking kan leiden tot identificatie van de persoon en schending van diens privacy. Verstrekking van persoonsgegevens aan de pers die kunnen leiden tot identificatie dient altijd afgestemd te worden met de onderzoeksleiding.

Daarnaast moet ook de balans in het oog gehouden worden tussen enerzijds openheid en transparantie en anderzijds het belang van het onderzoek. Het uitgangspunt hierbij is: openheid waar het mogelijk is, terughoudendheid waar het nodig is. Bij de opsporing en vervolging is de waarheidsvinding het uiteindelijke doel van OM en politie. Het verstrekken van informatie aan de pers kan het onderzoek naar de ware toedracht van een zaak schaden. Daarom kan onderzoeksbelang een reden zijn bepaalde informatie niet te verstrekken.

Informatieverstrekking

1. Beleid: actief en proactief

Actieve communicatie door OM of politie begint veelal met het uitbrengen van een persbericht of een tweet. De politie meldt dagelijks in persberichten en tweets een veelheid aan incidenten en aanhoudingen. (…) Grote belangstelling voor een bepaalde zaak en onjuiste berichtgeving in de media kunnen reden zijn een persbericht uit te brengen. (…)

Ook wanneer het OM of de politie de media achteraf gezien (deels) onjuist heeft geïnformeerd, met als gevolg onjuiste berichten in de media, wordt hiervan zo spoedig mogelijk melding gemaakt aan de media. (…)

De maatschappelijke taak van het OM vraagt om een OM dat zichtbaar, merkbaar en herkenbaar gericht is op de dader en staat voor het slachtoffer. Het persbeleid sluit daarbij aan en draagt bij aan het verwezenlijken van deze ambities. Als strafrechtelijk handhaver van de rechtsorde wil het OM een bijdrage leveren aan de maatschappelijke veiligheid. (…)

Persvoorlichting wordt actief ingezet om samenhang tussen praktijk en beleid te tonen. Concrete zaken worden zoveel mogelijk in de context geplaatst waarbij ook aandacht wordt geschonken aan de lokale of landelijke beleidsprioriteiten. (…)

(…) Gezien de grote hoeveelheid zaken is het praktisch gezien niet mogelijk alle acties van OM en politie te melden. Er zal dus altijd een zekere selectie moeten worden gemaakt. Bij de selectie zal met name de maatschappelijke onrust die een zaak teweeg brengt of kan brengen leidend zijn. (…)

2 Privacywetgeving

Het juridisch kader voor de voorlichting over opsporing en vervolging wordt bepaald door de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).

2.1

Verdachten

Gegevens die direct of indirect redelijkerwijs tot de identificatie van een persoon als verdachte of dader kunnen leiden zijn strafrechtelijke persoonsgegevens en als zodanig bijzondere persoonsgegeven in de zin van de Wbp. Ingevolge art. 10, eerste lid Wob j° art. 16 Wbp blijft het verstrekken van dergelijke gegevens achterwege tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer.

In het kader van de voorlichting aan de pers betekent dit dat OM en politie strafrechtelijke persoonsgegevens niet mogen verstrekken wanneer deze verstrekking direct of in combinatie met informatie uit andere bronnen kan leiden tot de identificatie van de verdachte of dader. Bij gegevensverstrekking houden OM en politie in ieder geval rekening met openbare bronnen en met de informatie waarvan het OM of de politie in het concrete geval redelijkerwijs kan aannemen dat de journalist daarover beschikt.

Ook gegevens met betrekking tot godsdienst, levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven en lidmaatschap van een vakvereniging van de verdachte zijn bijzondere persoonsgegevens in de zin van de Wbp en mogen uitsluitend openbaar gemaakt worden indien de verstrekking kennelijk geen inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer.

Wordt een verdachte niet langer als verdachte aangemerkt en heeft over de verdenking in een eerder stadium actieve voorlichting plaatsgevonden, dan dient dit - eventueel in overleg met de verdachte of diens raadsman - actief te worden gemeld. (…)

3 Verstrekking van persoonsgegevens

Informatie over personen kan worden verstrekt tenzij daardoor de identiteit van de verdachte bekend wordt. In beginsel wordt volstaan met het verstrekken van geslacht, leeftijd en woonplaats. Bij verstrekking van nadere persoonsgegevens zal steeds per geval worden afgewogen of het belang van de verstrekking in redelijke verhouding staat tot het belang van de betrokkene, in het bijzonder diens recht op bescherming van persoonlijke levenssfeer. (…)

4 Berichtgeving in onderzoeken en strafzaken

4.1.1

Verdeling in voorlichtingszaken

Totdat sprake is van de voorgeleiding van een verdachte aan de rechter-commissaris is de berichtgeving in beginsel aan de politie, daarna is de woordvoering aan het OM. Het OM kan besluiten de woordvoering in een eerder stadium over te nemen in verband met het procesrisico of in verband met het ingeschatte afbreukrisico. De politie beperkt zich in alle gevallen tot het verstrekken van operationele informatie over/uit de dagelijkse politiepraktijk. (…)

4.2.

Communicatiemomenten in het strafproces

(…)

4.2.1.

Berichtgeving over incidenten en aanhoudingen

De politie informeert de pers over incidenten en aanhoudingen, zolang het operationele informatie betreft over/uit de dagelijkse politiepraktijk. Indien de berichtgeving risico’s voor het strafproces mee kan brengen, overlegt de politie met het OM. Ook als de verwachting is dat een bericht in de media veel aandacht zal krijgen, vindt er overleg plaats met het OM. Zaaksgerelateerde informatie wordt pas aan de pers verstrekt als de informatie is geaccordeerd door de zaaksofficier. (…)”

Het cassatiemiddel

2.10

Onderdeel 1, onder het kopje “Belangenafweging”, houdt in dat het hof bij zijn oordeel in rov. 5.1 en 5.2 ten onrechte niet heeft betrokken of voorafgaand aan de beslissing om al dan niet tot perspublicatie over te gaan, een belangenafweging moet plaatsvinden. Volgens het middelonderdeel was deze vraag wel aan het hof voorgelegd.14 Ter toelichting op deze klacht is aangevoerd dat op grond van de Aanwijzing (onder het kopje “Privacybescherming en onderzoeksbelang”) en de jurisprudentie15 die belangenafweging op voorhand moet plaatsvinden. Volgens eiser blijkt niet dat een voorafgaande belangenafweging heeft plaatsgevonden, zodat het oordeel dat de Staat jegens eiser niet onrechtmatig heeft gehandeld blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is zonder een nadere motivering.

2.11

Anders dan het hierna te bespreken onderdeel 2, gaat de klacht onder 1 niet uitdrukkelijk in op de inhoud van het persbericht van 19 maart 2013 en het oordeel van het hof daaromtrent. De klacht verwijst naar een grief van de wederpartij in dit geding (de Staat). In grief 1 had de Staat gewezen op de vooropstelling in rov. 4.12 van het vonnis van de rechtbank dat de politie in het kader van haar voorlichtende taak de bevoegdheid heeft om in voorkomende gevallen via een persbericht publieke bekendheid te geven aan lopende onderzoeken en aan de aanhouding van een verdachte, hetgeen in lijn is met de door het EHRM ontwikkelde jurisprudentie. Volgens de Staat was de rechtbank ten onrechte van deze maatstaf afgeweken door vervolgens uit te gaan van een belangenafweging tussen enerzijds het belang van de politie en anderzijds het belang van de verdachte. In grief 1 had de Staat niet, zoals het middelonderdeel aanneemt, aan het hof de rechtsvraag voorgelegd of voorafgaand aan de uitgifte van het persbericht een belangenafweging moet plaatsvinden. Het middelonderdeel maakt bovendien niet duidelijk welke relevante belangen volgens eiser bij die belangenafweging een rol hadden (moeten) spelen, in welk verband zij hadden moeten worden beoordeeld en waarom de afweging tekort zou schieten. Evenmin verwijst het middel naar vindplaatsen van stellingen van eiser dienaangaande in de processtukken van de procedure in hoger beroep. In zoverre voldoet de klacht niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel worden gesteld.

2.12

Op grond van de hierboven aangehaalde rechtspraak moet de vraag of een uitlating van de autoriteiten een schending van de onschuldpresumptie oplevert, worden beantwoord in de context van de specifieke/relevante omstandigheden waarin die uitlating werd gedaan. Dat is een andere norm dan de eisen van zorgvuldigheid en (voorafgaande) belangenafweging die de artikelen 3:2 – 3:4 Algemene wet bestuursrecht aan de totstandkoming en de inhoud van besluiten van bestuursorganen stellen.

2.13

De klacht faalt bovendien omdat uit de bestreden overwegingen genoegzaam blijkt dat het hof van oordeel is dat de politie bij de beslissing om een persbericht te publiceren, derhalve vóóraf, mede rekening heeft gehouden met de belangen van eiser. Het hof overweegt in rov. 5.2 dat, gelet op de onrust in [plaats] , voorlichting over de huiszoeking en de aanhouding voor de hand lag. Verder heeft het hof meegewogen dat transparantie over de aard van de − voor de directe omgeving kenbare − huiszoeking mede het belang van eiser diende: de politieactie, zo overweegt het hof, had kunnen leiden tot speculatie bij buurtgenoten dat sprake was van een ernstiger verdenking dan (schuld)heling. Die mogelijke speculatie is door de perspublicatie in de kiem gesmoord. De slotsom is dat onderdeel 1 niet tot cassatie leidt.

2.14

Onderdeel 2, onder het kopje “Exacte woordkeuze”, is subsidiair voorgedragen en neemt tot uitgangspunt dat het hof in rov. 5.2 en 5.3 achteraf toepassing heeft willen geven aan de in onderdeel 1 verlangde belangenafweging. Onder verwijzing naar een passage uit de ontvankelijkheidsbeslissing van het EHRM inzake Arrigo en Vella/Malta16 wordt geklaagd dat het hof in dat geval miskent dat op grond van vaste jurisprudentie van het EHRM in geval van een perspublicatie de exacte woordkeuze van de betreffende de Staat vertegenwoordigende ambtenaar uiterst relevant is. Het onderdeel klaagt dat de volgende oordelen berusten op een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn:

(i) het oordeel dat speculatie door buurtgenoten door de perspublicatie is voorkomen (rov. 5.2); en

(ii) het oordeel dat de mededeling in de perspublicatie dat de politie verwacht met de aanhouding een einde te hebben gemaakt aan heling en/of diefstal van autoradio’s, voldoende terughoudend is van inhoud en toonzetting (rov. 5.3),

gelet op (a) “het onnodige machtsvertoon” tijdens de aanhouding van eiser en de doorzoeking van zijn huis en (b) de inhoud van het persbericht met de bijgevoegde foto’s die genomen zijn in het huis van eiser17.

2.15

Uit de hiervoor weergegeven rechtspraak blijkt inderdaad dat het EHRM “has consistently emphasised the importance of the choice of words by public officials in their statements before a person has been tried and found guilty of a particular criminal offence”. Het benadrukken hiervan heeft te maken met het in alinea 2.4 hiervoor gecursiveerde onderscheid tussen een verdenking en de vaststelling dat de verdachte een hem ten laste gelegd strafbaar feit heeft begaan. Dat onderscheid heeft het hof niet uit het oog verloren. Voor zover de klacht anders inhoudt, mist zij feitelijke grondslag.

2.16

In reactie op het standpunt van de Staat dat eiser in het persbericht niet met name is genoemd en dat de aanduiding “een 47-jarige [eiser] ” onvoldoende was om eiser te kunnen identificeren, had eiser aangevoerd dat zijn buurtgenoten de politieactie hebben kunnen waarnemen en zelf verband kunnen leggen met het persbericht.18 Daarop ziet de overweging van het hof in rov. 5.2 dat de politieactie had kunnen leiden tot speculatie bij buurtgenoten dat sprake was “van een ernstiger verdenking dan (schuld)heling”, en dat “deze mogelijke speculatie” door de perspublicatie in de kiem is gesmoord. Dat oordeel berust op een waardering van de feiten en is op zich niet onbegrijpelijk. Het onderdeel maakt niet duidelijk waarom dat oordeel van het hof in strijd met de aangehaalde rechtsnorm (over zorgvuldigheid bij de woordkeuze in een persbericht over een lopend strafrechtelijk onderzoek) zou zijn. Evenmin kan worden volgehouden dat het oordeel onbegrijpelijk is in licht van de in alinea 2.14 onder (ii) genoemde aspecten. De rechtbank had geoordeeld dat eisers stelling dat de doorzoeking ‘met groot machtsvertoon’ heeft plaatsgevonden, onvoldoende steun vindt in de feiten, en besliste dat de doorzoeking niet disproportioneel was (rov. 4.11 Rb). De stelling, genoemd in alinea 2.14 onder (ii-b), is onvoldoende gespecificeerd om te nopen tot een andere beslissing.

2.17

Het oordeel dat de mededeling in het persbericht (dat de politie met de aanhouding van een 47-jarige [eiser] verwachtte een einde te hebben gemaakt aan heling en/of diefstal van autoradio’s) voldoende terughoudend is naar inhoud en toonzetting, is feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk. Van een stellige verklaring van de politie dat eiser schuldig is aan heling en/of diefstal is in het persbericht geen sprake. De in het persbericht tot uitdrukking gebrachte verwachting berustte op feiten en omstandigheden, namelijk dat het aantal aangiften van diefstal uit auto’s in de weken vóór de aanhouding fors is gestegen en dat verschillende slachtoffers op een verkoopsite op internet hun goederen meenden te herkennen. Daarnaast stond in dit geding vast dat eiser op de dag van de publicatie van het persbericht afstand heeft gedaan van aantal goederen die van diefstal afkomstig bleken te zijn (rov. 2.4). De slotsom is dat onderdeel 2 niet tot cassatie leidt.

2.18

Onderdeel 3, onder het kopje “Ontbreken rectificatie”, houdt in dat het hof ten onrechte niet in zijn oordeel heeft betrokken dat de Staat heeft verzuimd zo spoedig mogelijk te publiceren dat eiser niet langer als verdachte werd aangemerkt. Het onderdeel verwijst in dat verband naar de Aanwijzing, hiervoor geciteerd in alinea 2.9. Ter toelichting op deze klacht is aangevoerd dat een zoekopdracht op 15 april 2019, na het sepot, nog steeds treffers opleverde van berichtgeving die dateerde van vóór het sepot, waaronder het persbericht in kwestie. Volgens het onderdeel volgt daaruit dat het effect van het onrechtmatig handelen van de Staat jegens eiser onverminderd voortduurt.

2.19

Voor zover ik kan nagaan, is dit argument een ontoelaatbaar nieuwe stelling (‘novum’) in cassatie; in elk geval verwijst het middelonderdeel niet naar plaatsen in de gedingstukken waar eiser dit zou hebben aangevoerd. Reeds daarom treft deze klacht geen doel.

2.20

Onderdeel 4 bouwt uitsluitend voort op de voorgaande onderdelen en bevat geen klacht die afzonderlijke bespreking behoeft. Toepassing van art. 81 lid 1 RO wordt in overweging gegeven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 Bij tussenvonnis van 20 april 2016 had de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Deze heeft plaatsgevonden op 24 juni 2016.

2 Rov. 4.13 ontbreekt in het vonnis.

3 ECLI:NL:GHDHA:2019:8. Bij tussenarrest van 14 februari 2017 had het hof een comparitie van partijen gelast. Deze heeft plaatsgevonden op 16 mei 2017.

4 Zie ook: Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PbEU L65), art. 3.

5 P. De Hert, M. Colette en K.C.J. Vriend, SDU-Commentaar EVRM, art. 6, par. C.10.

6 Zie: P. De Hert, M. Colette en K.C.J. Vriend, SDU-Commentaar EVRM, art. 6, par. C.10.

7 Zie over de berichtgeving in strafzaken: D. Voorhoof, ‘Mediaberichtgeving in strafzaken: Raad van Europa wil soberder gerechtsjournalistiek’, Mediaforum 2003-11/12, blz. 358 - 362; L. Stevens, ‘Strafzaken in het nieuws. Over ontsporende media en de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie’, NJB 2010/545; L. van Lent, Externe openbaarheid in het strafproces (diss. Universiteit Utrecht 2008), par. 5.3.2.4; L. van Lent, ‘Media en strafproces: eisen en grenzen ingevolge art. 6 EVRM, Strafblad 2013/35, blz. 350 – 359; A. Nieuwenhuis, ‘Tussen verdachtmaking en vergetelheid. Grondrechtelijke grenzen aan de berichtgeving over misdrijven’, Mediaforum 2013-3, blz. 70 - 79. Zie over het onderscheid tussen ‘trial’- en ‘pre-trial’-publiciteit: E.J. Dommering in zijn noot onder NJ 1997/523 en meer in algemene zin: J.H.B. Bemelmans, Totdat het tegendeel is bewezen. De onschuldpresumptie in rechtshistorisch, theoretisch, internationaalrechtelijk en Nederlands strafprocesrechtelijk perspectief (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2018, blz. 397 – 410.

8 Zie: P. De Hert, M. Colette en K.C.J. Vriend, SDU-Commentaar EVRM, art. 6, par. C.10.4, onder verwijzing naar EHRM 10 februari 1995 (Allenet de Ribemont/Frankrijk, nr. 15175/89), NJ 1997/523 m.nt. E.J. Dommering en EHRM 23 oktober 2008 (Khuzhin/Rusland, nr. 13470/02), rov. 93. Vgl. art. 4 van de reeds aangehaalde EU-Richtlijn 2016/343.

9 EHRM 10 februari 1995 (Allenet de Ribemont/Frankrijk, nr. 15175/89), NJ 1997/523 m.nt. E.J. Dommering.

10 EHRM 24 januari 2017 (Paulikas/Litouwen, nr. 57435/09).

11 HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3161, NJ 2007/505 m.nt. E.A. Alkema (rov. 3.5.3). Zie nadien: HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3627, NJ 2016/31.

12 Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging van 27 april 2012, Stcrt. 2012, 8161.

13 In rov. 3.5.3 van het Clickfonds-arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat de Richtlijnen van 1992 als recht in de zin van art. 79 RO zijn te beschouwen. Deze Richtlijnen zijn nadien vervangen door de Richtlijnen 1998. Aangezien laatstgenoemde Richtlijnen op hun beurt in 2002 zijn vervangen door de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging, en de huidige Aanwijzing uit 2012 een opvolger is van de Aanwijzing 2002, kan genoegzaam worden aangenomen dat ook de Aanwijzing 2012 kan worden beschouwd als recht in de zin van art. 79 RO.

14 Het onderdeel verwijst naar de memorie van grieven, par. 4.1 en 4.2 (grief 1), en rov. 4.3 van het bestreden arrest.

15 Het onderdeel verwijst naar het arrest van de Hoge Raad in de hiervóór genoemde Clickfonds-zaak, rov. 5.3.

16 EHRM 10 mei 2005, (Arrigo en Vella/Malta, nr. 6569/04), par. 2.

17 Het onderdeel verwijst voor de in dat verband ingenomen stellingen naar de inleidende dagvaarding, punten 25 - 31, en naar de memorie van antwoord van eiser, punten 10 - 17.

18 Zie het proces-verbaal van comparitie en rov. 4.14 in het vonnis van de rechtbank.