Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:38

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-01-2020
Datum publicatie
21-01-2020
Zaaknummer
18/04339
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:572
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG in strafzaak over SNS Property Finance (SNS PF). Groep personen die was ingehuurd door SNS PF sprak onderling af dat zij de uurvergoeding die ze ontvingen deels doorbetaalden aan de personen die hen hadden aangebracht bij SNS PF, zonder dat te melden aan SNS. In hoger beroep is verdachte o.m. veroordeeld voor niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en witwassen. Middelen klagen o.m. over de uitleg die het hof heeft gegeven aan het begrip ‘lasthebber’ in de zin van art. 328ter Sr en het oordeel van het hof dat door de verdachte ontvangen gelden uit misdrijf afkomstig zijn. De AG adviseert de Hoge Raad de bestreden uitspraak ten aanzien van de veroordeling wegens witwassen te vernietigen en voor het overige het cassatieberoep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/04339

Zitting 21 januari 2020

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

  1. De verdachte is bij arrest van 6 juni 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, vrijgesproken van het hem onder 1., 4., 5., 6., 9 en 11 ten laste gelegde, ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van het onder 13 bewezen verklaarde voorhanden hebben en/of verwerven en veroordeeld wegens 2. en 7. telkens “het doen van een gift of belofte aan iemand die, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan dan wel zal doen, van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift of belofte in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn lastgever, meermalen gepleegd”, 3., 8. en 12. telkens “opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”, 10. “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, 13. “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” en 14. “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek overeenkomstig art. 27(a) Sr.

  2. De onderhavige zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (18/03558), [medeverdachte 2] (18/04341 en 18/04342 P), [medeverdachte 3] (18/04344 en 18/04345 P), [medeverdachte 4] (18/04967), [medeverdachte 5] (18/04968), [medeverdachte 6] (18/04971 P en 18/04974) en [medeverdachte 7] (18/04972). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Zowel het openbaar ministerie als de verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld. Uit de herstelakte cassatie volgt dat het beroep van de verdachte niet is gericht tegen de beslissingen tot vrijspraak van het onder 1, 4, 5, 6, 9 en 11 ten laste gelegde en de beslissing tot ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 13 bewezen verklaarde, voor zover betrekking hebbend op het verwerven en voorhanden hebben.

  4. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 31 januari 2019 verzonden aan het openbaar ministerie. Art. 437, eerste lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen een maand na verzending van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, door het openbaar ministerie een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, eerste lid, Sv is geen schriftuur bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep.

  5. Namens de verdachte hebben mr. D. Bektesevic en mr. A.E. van der Wal, advocaten te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld. Voor de bespreking van de middelen zal ik een andere volgorde aanhouden dan de schriftuur.

De zaak

6. De zaak tegen de verdachte vloeit voort uit een onderzoek naar strafbare feiten in verband met werkzaamheden voor SNS Property Finance (hierna: SNS PF), de vastgoedtak van SNS Bank. Het betreft een groep verdachten die werkzaamheden verrichtten voor SNS PF en onderling betaalafspraken maakten, terwijl anderen binnen de SNS Bank van die afspraken niet op de hoogte waren. Verschillende natuurlijke personen en rechtspersonen waren bij de zaak betrokken. Met het oog op de leesbaarheid van de conclusie schets ik hierna kort de rollen van de betrokken verdachten, zoals die blijken uit de vaststellingen van het hof in de arresten tegen de verschillende verdachten.

7. [betrokkene 1] – die geen beroep in cassatie heeft ingesteld tegen het arrest van het hof in zijn zaak – was door SNS PF aangetrokken en liet zich door externen betalen die (mede) door hem werden ingehuurd.1 [verdachte] en [medeverdachte 1] brachten externen bij SNS PF aan en lieten zich daar eveneens voor betalen. Deze externen, onder wie [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] , worden “de Groningers” genoemd. [betrokkene 1] contracteerde deze externen om werkzaamheden te verrichten voor SNS PF. Daarbij werd afgesproken dat een gedeelte van het uurtarief dat de Groningers bij SNS PF in rekening brachten, zou worden afgedragen. Het ging om zogenoemde ‘bemiddelingsfees’, of ‘kickbackbetalingen’. Daarbij gaat het om vergoedingen die worden betaald aan bepaalde personen binnen een organisatie in ruil voor een voordeel. In dit geval betrof het vergoedingen die de Groningers betaalden omdat zij door tussenkomst van [betrokkene 1] , [verdachte] en [medeverdachte 1] door SNS waren gecontracteerd om bepaalde werkzaamheden te verrichten. Zo werd met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] de afspraak gemaakt dat zij een uurtarief van € 225,- ontvingen en € 75,- daarvan afdroegen aan [medeverdachte 1] . Dit bedrag van € 75,- werd verdeeld tussen [betrokkene 1] , [medeverdachte 1] en [verdachte] . [medeverdachte 4] droeg op zijn beurt [betrokkene 2] en [betrokkene 3] aan om werkzaamheden te verrichten. Ook met hen werden afspraken gemaakt om een deel van hun uurtarief af te dragen. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] deelden in deze opbrengst, omdat [medeverdachte 4] [betrokkene 3] en [betrokkene 2] had aangedragen. Binnen SNS PF waren deze ‘bemiddelingsfees’ / ‘kickbackbetalingen’ niet bekend. Het openbaar ministerie heeft in hoger beroep aangevoerd dat SNS PF geen verplichtingen zou zijn aangegaan als het op de hoogte was geweest van deze ‘kickbackbetalingen’.

8. De werkzaamheden en de facturering daarvan verliepen via de verschillende bv’s van de verdachten. [medeverdachte 5] voerde zijn werkzaamheden uit vanuit [A] en factureerde via [medeverdachte 6] . [medeverdachte 4] maakte gebruik van [medeverdachte 7] , van welke bv hij enig aandeelhouder en bestuurder was. [verdachte] is enig aandeelhouder en bestuurder van [medeverdachte 3] , welke vennootschap enig aandeelhouder en bestuurder is van [medeverdachte 2] . Ook tegen verschillende van deze bv’s is een strafrechtelijke vervolging ingesteld. Het hof heeft bewezen verklaard dat in het kader van de betaalstromen werd gebruikgemaakt van valse facturen.

9. Het hof maakt in zijn uitspraken onderscheid tussen ‘niveau 1’ en ‘niveau 2’. In niveau 1 staat [betrokkene 1] centraal. Daarbij gaat het om betalingen aan (bv’s van) [betrokkene 1] door externen die [betrokkene 1] bij SNS PF heeft aangedragen. In het kader van niveau 2 spelen betalingen via (bv’s van) [verdachte] een hoofdrol.

10. De verdachte in de onderhavige zaak is veroordeeld wegens niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift, het voorhanden hebben van valse geschriften, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie. Hem wordt onder meer verweten dat hij [betrokkene 1] heeft omgekocht. Ook wordt hem verweten dat de facturen die hij verstuurde respectievelijk voorhanden had valselijk zijn opgemaakt, omdat deze in wezen bemiddelingskosten / ‘kickbackbetalingen’ betroffen, maar de omschrijving op deze facturen anders was, zodat de werkelijke aard van de betalingen werd verhuld.

Bespreking van de cassatiemiddelen

11. Het eerste middel komt met twee deelklachten op tegen de bewezenverklaring van het onder 2 en 7 ten laste gelegde.

12. Ten laste van de verdachte is onder 2 en 7 bewezen verklaard dat:

“2 (niveau 1):

hij in de periode van 22 februari 2011 tot en met 4 juni 2012 in Nederland telkens aan iemand, te weten [betrokkene 1] , die anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber van SNS Property Finance BV (in de functie van directieadviseur en/of lid van de directie en/of Chief Restructuring Officer), naar aanleiding van hetgeen deze [betrokkene 1] bij de uitvoering van diens last heeft gedaan en/of zou doen, telkens een belofte, te weten de toezegging/instemming om een vast gedeelte/bedrag per gewerkt/te declareren uur aan [betrokkene 1] en/diens bedrij(f)(ven) te betalen en giften, te weten geldbedragen tot een totaal bedrag van circa Euro 142.500,- (exclusief btw) heeft gedaan van dien aard en onder zodanige omstandigheden dat hij, verdachte, redelijkerwijs moest aannemen dat die [betrokkene 1] deze beloften en giften in strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegenover diens lastgever;

7 (niveau 2):

hij omstreeks de periode van 30 december 2010 tot en met 21 mei 2012 in Nederland, en/of op Curaçao, (telkens) aan iemand, te weten [betrokkene 1] , die anders dan als ambtenaar, werkzaam optredend als lasthebber van SNS Property Finance BV (in de functie van directieadviseur en/of lid van de directie en/of Chief Restructuring Officer), naar aanleiding van hetgeen deze [betrokkene 1] bij de uitvoering van diens last heeft gedaan en/of zou doen telkens een belofte, om een vast percentage van de door [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [betrokkene 3] en [betrokkene 2] aan hem, verdachte, en/of zijn bedrij(f)(ven) te betalen vaste gedeelten/bedragen per gewerkt/te declareren uur, te betalen aan [betrokkene 1] en/of diens bedrij(f)(ven) en giften, te weten geldbedragen tot een totaalbedrag van circa Euro 374.576,50 (exclusief/zonder btw) heeft gedaan van dien aard en onder zodanige omstandigheden dat hij, verdachte, redelijkerwijs moest aannemen dat die [betrokkene 1] deze belofte en giften in strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegenover zijn lastgever”.

13. Het hof heeft de bewezenverklaring, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, als volgt gemotiveerd2:

“7.3.1. Voorafgaande opmerkingen

De verdediging heeft in de door hen gevoerde verweren nadruk gelegd op de ereschuld die tussen [verdachte] en [betrokkene 1] zou bestaan en heeft uitvoerig betoogd waarom het begrip lasthebber niet op [verdachte] en [betrokkene 1] van toepassing zou zijn. Het hof overweegt hierover als volgt.

7.3.2. Ereschuld

De verdediging heeft aangevoerd dat de betalingen die door [verdachte] aan [betrokkene 1] werden gedaan zagen op een ereschuld. Deze ereschuld zou zijn ontstaan voordat [betrokkene 1] en [verdachte] bij SNSPF werkzaam waren en de betalingen zouden dan ook geen betrekking hebben op hun relatie bij SNSPF.

[betrokkene 1] heeft aangevoerd dat hij [verdachte] in de jaren 2006 tot en met 2009 heeft bijgestaan bij zijn ondernemingen [B] en (later) [C] . [betrokkene 1] heeft de financierings-, kapitaal- en corporate governance structuur van [B] vormgegeven en andere financiers voor [B] aangetrokken en is intensief betrokken geweest bij de verkoop van [B] aan TomTom. Daarnaast heeft [betrokkene 1] twee commissariaten in de houdstermaatschappijen van [B] en [C] vervuld. Omdat [B] en [C] zogenaamde startups waren, waren er geen financiële middelen om [betrokkene 1] voor zijn werkzaamheden te betalen. Daarom heeft [verdachte] in juli 2010 aangeboden om tijdelijk een gedeelte van zijn inkomsten van SNSPF af te staan aan [betrokkene 1] ter aflossing van zijn “ereschuld”.

7.3.2.1 Overweging hof

Op 21 november 2010 stuurt [betrokkene 1] de volgende mail aan [verdachte] :

[verdachte] ,

Ik zit een beetje de admin te doen en wil even de volgende zaken afstemmen.

Ik stuur vanuit de nieuwe BV een nota voor ons gezamenlijk project voor een bedrag van 23262,50 ex btw (dit is tot en met october)

Tevens stuur ik twee nota's een vanuit [D] en een vanuit [E] .

[D] omschrijving ,slottermijn TT transactie en de [E] nota "corporate finance advies [C] ”.

Laat even weten of je het hier mee eens bent en of de bedragen qua berekening klopt!

Ik bel je tussen 7 en acht uur ergens of zie je mail wel eerder verschijnen.

Ik weet ook niet meer zeker hoever we prive bij zijn.

[betrokkene 1] .

[verdachte] antwoord daar het volgende op:

[betrokkene 1] ,

Ben net thuis en er even in gedoken.

1ste is t/m oktober € 22.723,75 ex BTW (verschil met jouw is verdeling [betrokkene 3] / [betrokkene 2] denk ik)

rest is aug, sept okt. Totaal +/- 30k. Verdeling naar BV's up to you.

Ik bel je zo.

groet,

[verdachte]

Het hof leidt uit deze email af dat [betrokkene 1] en [verdachte] op 21 november 2010 reeds samen de betalingen van de “Groningers” (zoals [betrokkene 3] en [betrokkene 2] ) aan het verrekenen waren, hetgeen niet aansluit bij de verklaringen dat het om een ereschuld zou gaan.

In het zesde verhoor verklaart [verdachte] dat hij in het kader van de “ereschuld” nooit met [betrokkene 1] over concrete bedragen heeft gesproken. Het initiatief tot betalen en stoppen lag bij hem. Ook hebben zij geen aflossingsschema afgesproken.

Voorts wordt [verdachte] geconfronteerd met het feit dat de navolgende bedragen aan zijn vennootschappen zijn gefactureerd door [betrokkene 1] :

aan [F] € 321.559,--

aan [G] € 159.000, --

aan [H] € 52.916,32

aan [I] € 55.112.35 +

Totaalbedrag € 618.587,67.

[verdachte] heeft daarover verklaard dat het wel heel veel geld is en dat hij het op enig moment wel genoeg vond. Hij wist niet hoe hoog het bedrag toen was.

Tegenover de FIOD heeft [betrokkene 1] verklaard dat de betalingen van [verdachte] aan hem tweeledig waren. Op 19 maart 2013 heeft [betrokkene 1] verklaard dat een deel van deze betalingen zag op een nivelleringsfee. In de schriftelijke verklaring van 21 maart 2013, die [betrokkene 1] samen met zijn raadsman heeft opgesteld, verklaart [betrokkene 1] : “De achtergrond van deze kickback is tweeledig. Enerzijds dat [verdachte] dit bedrag mij gunde omdat hij zijn job via mij had gekregen, anderzijds omdat ik hem actief adviseerde over zijn ondernemingen [C] en [B] .

Het hof stelt vast dat [betrokkene 1] pas na zijn invrijheidstelling - en nadat hij kennis heeft kunnen nemen van onder meer de verklaringen van [verdachte] - verklaart dat de betalingen van [verdachte] geheel zagen op de ereschuld die tussen hen bestond.

Daarnaast stelt het hof vast dat niet alleen over de reden van de betalingen verschillend wordt verklaard door [betrokkene 1] en [verdachte] maar ook over de hoogte van de ereschuld wordt niet gelijkluidend verklaard. In eerste instantie verklaart [betrokkene 1] weinig concreet; volgens hem ziet een deel van de betalingen op het feit dat hij “misschien nog wel iets te goed had van [verdachte] ”. [verdachte] vond de genoemde “ereschuld” eindig. Hij had een bedrag in zijn hoofd. [verdachte] heeft aangegeven dat hij niet meer precies weet hoe hoog dat bedrag was, ergens tussen de € 200.000 en € 400.000. [betrokkene 1] verklaart eerst dat hij niet weet hoe hoog de schuld van [verdachte] aan hem is. Later verklaart [betrokkene 1] - op 27 augustus 2014, dus zo’n anderhalf jaar na zijn voorlopige hechtenis - dat de ereschuld ziet op een bedrag van ongeveer € 600.000

Het hof stelt voorop dat het niet twijfelt aan het feit dat [betrokkene 1] de door hem gestelde werkzaamheden, waaronder het bemiddelen bij het aantrekken van kapitaal, heeft verricht ten behoeve van [B] en [C] . Dat is ook de reden dat het hof niet is overgegaan tot het horen van getuigen op dit punt. Niet onderbouwd is dat de getuigen iets kunnen zeggen over afspraken tussen [betrokkene 1] en [verdachte] op dit punt, hooguit zouden zij iets kunnen zeggen over de voor dergelijke werkzaamheden gebruikelijke vergoedingen.

Allereerst is het al opmerkelijk dat [verdachte] in verband met [B] stelt een ereschuld aan [betrokkene 1] te hebben. Zowel [verdachte] als [betrokkene 1] bezaten al snel na de kapitaaluitbreiding bij [B] slechts een zeer gering aandeel in het kapitaal van [B] . Door een derde zou in totaal (in tranches) ongeveer 17 miljoen euro aan kapitaal zijn ingebracht. Er is slechts één provisienota van [betrokkene 1] (dan wel één zijner vennootschappen) voor het aantrekken van kapitaal aangetroffen en die was gericht aan [B] . Het is het hof niet duidelijk waarom [verdachte] (of zelfs een aan hem gelieerde vennootschap) gehouden zou zijn uit eigen zak de provisie aan [betrokkene 1] (laat staan aan een aan [betrokkene 1] gelieerde vennootschap die niets met de kapitaalbemiddeling te maken had) te betalen.

Het hof vindt het daarnaast opmerkelijk dat van deze ereschuld niets schriftelijk is vastgelegd. Zo is de hoogte van het bedrag dat [verdachte] aan [betrokkene 1] verschuldigd niet vastgelegd, hetgeen opvallend is gelet op de concrete werkzaamheden die aan de schuld van [verdachte] ten grondslag zouden liggen. Dit is nog opmerkelijker nu [betrokkene 1] en [verdachte] beiden verschillend verklaren over de hoogte van de schuld, maar tussen hen niet is afgesproken welk bedrag zou worden afbetaald en hoelang [verdachte] door zou moeten gaan met het afbetalen van de schuld. [verdachte] heeft gesteld dat hij stopte met betalen aan [betrokkene 1] omdat hij het bedrag dat hij betaald had wel genoeg vond.

Ook de getuigen die over dit onderwerp zijn gehoord hebben verklaard niets te weten over het bestaan van een ereschuld tussen [verdachte] en [betrokkene 1] . Zelfs de medewerkers van de accountantskantoor [J] hebben pas in maart 2013 (dus ná de aanhouding van [betrokkene 1] ) voor het eerst van het bestaan van deze ereschuld gehoord.

Gelet op het feit dat [betrokkene 1] en [verdachte] in november 2010 reeds samen bespraken hoe de betalingen van de “Groningers” moesten worden verdeeld, de wisselende verklaringen over de hoogte van de ereschuld en het ontbreken van ook maar enige objectieve ondersteuning voor het bestaan van die ereschuld, is het hof van oordeel dat een begin van aannemelijkheid voor het bestaan van een ereschuld niet is aangetroffen. Het hiertoe strekkende verweer wordt daarom verworpen.

Daarbij komt - ten overvloede - het volgende: indien er al sprake zou zijn van een ereschuld, dan staat dat nog niet in de weg aan het oordeel dat de door [verdachte] aan [betrokkene 1] verrichte betalingen door [betrokkene 1] zijn aangenomen “naar aanleiding van hetgeen hij in strijd met zijn plicht in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten” In dit verband is het van belang dat er een duidelijke relatie is tussen het aantal uren dat een externe voor SNSPF werkt en het bedrag dat [betrokkene 1] ontvangt. De bewering van [betrokkene 1] dat hij aan [verdachte] overliet wat hij (zogenaamd ter delging van de ereschuld) aan [verdachte] kon factureren, is volstrekt ongeloofwaardig gezien de hierboven aangehaalde emailwisseling.

7.4 Nadere bewijsoverwegingen

(…)

Het hof kan zich vinden in de navolgende overwegingen die de rechtbank in haar vonnis met betrekking tot het bewijs heeft opgenomen en hieronder cursief zijn weergegeven. Het hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne.

7.5 Overwegingen met betrekking tot het bewijs

"Niveau 1: (...)

[betrokkene 1] en SNSPF

[betrokkene 1] is sinds de oprichting in 2006 enig aandeelhouder van [K] welke vennootschap enig aandeelhoudster is van [L] sinds de oprichting in 2006 en van [E] sinds de oprichting op 21 september 2010 (hierna respectievelijk: [K] , [L] en [E] ). (…) [betrokkene 1] is bestuurder van de drie vennootschappen.

Op 25 juni 2009 sluiten SNS Property Finance BV (hierna: SNSPF), [M] en [L] , vertegenwoordigd door [betrokkene 1] , een overeenkomst tot opdracht waarbij [betrokkene 1] wordt aangesteld als directieadviseur. Bij addendum van 27 oktober 2011 is het contract verlengd en [betrokkene 1] aangesteld als “Lid van de Directie, Chief Restructuring Officer" (CRO).

(…)

[betrokkene 1] was als externe medewerker werkzaam op de afdeling Restructuring & Recovery van SNSPF (…).

(…)

Tot zover de overwegingen van de rechtbank waarmee het hof zich verenigt.

7.6 Actieve niet-ambtelijke omkoping

Aan [verdachte] is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij -samen met zijn vennootschappen- [betrokkene 1] heeft omgekocht met geld dat hij declareerde bij SNSPF (feit 2 - niveau 1) en met geld dat hij ontving van degenen die hij had aangebracht bij SNSPF (feit 7 - niveau 2).

7.6.1 Lasthebber

Door de verdediging wordt betoogd dat geen sprake kan zijn van niet ambtelijke omkoping aangezien [betrokkene 1] werkzaam was op een overeenkomst van opdracht en niet in dienstbetrekking noch als lasthebber (als bedoeld in artikel 7:418 BW).

Het hof overweegt allereerst dat voor interpretatie van begrippen in het Wetboek van Strafrecht niet altijd aansluiting hoeft te worden gezocht bij de definities uit het civiele recht. Aan begrippen die in het strafrecht voorkomen, dient juist zoveel mogelijk een autonome betekenis te worden gegeven welke tegemoet komt aan de strekking van het betreffende strafbare feit. Daarbij is van belang dat de wetgever het beschermd belang van deze bepaling niet uitsluitend heeft beperkt tot de relatie tussen werkgever en werknemer, maar ook oog had voor de publieke moraal en de openbare orde. Het vertrouwen dat in de werknemer of lasthebber wordt gesteld krijgt meer inhoud naarmate bevoegdheden worden gedelegeerd en de specialisatie binnen de onderneming voortschrijdt.

In de ten laste gelegde periode(n) (16 augustus 2010 tot en met 1 december 2012) gold de tekst van art. 328ter Sr als gewijzigd per 1 april 2010, inhoudende:

(…)

Met de wetswijziging van 1 januari 2015 is de tekst aangepast en luidt sindsdien:

(…)

Uit de Memorie van toelichting bij deze wetswijziging valt expliciet af te leiden dat een lasthebber degene is die zelfstandig diensten verleent, waaronder dus zzp’ers en freelancers vallen. Ook accountants, advocaten of medici zijn niet uitgesloten.

In de Nota naar aanleiding van het verslag is onder meer opgenomen: "De leden van de SP-fractie vroegen mij om meer voorbeelden te geven van private omkoping die op dit moment niet, maar met de verruimde strafbaarstelling wél strafbaar zijn. Het voorstel behelst een verruiming van de strafbaarstelling van private omkoping door anders dan thans het geval, het handelen in strijd met de plicht door een werknemer of lasthebber centraal te stellen in de delictsomschrijving. Hiermee worden ook andere oneigenlijke gedragingen in de private sector strafbaar naast het in strijd met de goede trouw verzwijgen van een gift, belofte of dienst, waartoe de werkingssfeer van artikel 328ter Sr zich thans beperkt. Door de verbreding van het toepassingsgebied van de delictsomschrijving komen bijvoorbeeld gedragingen als het aannemen van giften om te handelen in strijd met de beroepsregels die van toepassing zijn voor een bepaalde branche onder de reikwijdte van de strafbaarstelling. Te denken valt aan accountants die zich laten betalen om bij hun onderzoek van boeken gebleken onjuistheden door de vingers te zien, advocaten die zich laten betalen om stukken te antedateren of medici die geld aannemen om een bepaald medicijn voor te schrijven. "

Ook het oorspronkelijke wetsvoorstel (dossiernummer 8437-65) maakt - meer impliciet - melding van een van het civiele recht afwijkend begrip lasthebber in het strafrecht: “Vele andere leden verklaarden vervolgens, dat ook zij het in dit wetsontwerp gekozen uitgangspunt, waarbij niet de oneerlijke mededinging doch de schending van de vertrouwensrelatie tussen opdrachtgever en ondergeschikte of lasthebber op de voorgrond is geplaatst, konden aanvaarden.” En “Het al of niet verzwijgen van de gift of van de belofte tegenover de werkgever of de opdrachtgever is, zo meenden zij, voor een omkoper in menig geval van weinig of geen betekenis; het gaat hem er immers in de eerste plaats om, door middel van een schenking iets te bereiken.”

In het verslag van de commissie niet-ambtelijke omkoping (bijlage bij de memorie van toelichting op wetsvoorstel 8437 valt geen aanknopingspunt te vinden dat voldoende grond zou kunnen vormen voor twijfel aan een ruim begrip lasthebber, afwijkend van het civiele recht.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 april 2007 onder 3.6 en 3.8 het volgende overwogen:

"3.6 (...) Ook een tussenpersoon als bedoeld in de art. 7:425-427 die een eigen belang bij de totstandkoming van de overeenkomst heeft gekregen nadat hij de met zijn opdrachtgever overeengekomen bemiddelingswerkzaamheden heeft verricht, of die nadat hij zelf een zodanig eigen belang heeft gekregen geen bemiddelingswerkzaamheden voor zijn opdrachtgever meer verricht, is ingevolge art. 7:418 lid 1 verplicht de opdrachtgever van dat belang in kennis te stellen, zodat deze kan beoordelen of zich een belangenconflict voordoet dat zijn belangen zou kunnen schaden. Dat geldt ook indien, zoals [....] stelt dat hier het geval was, de afspraak tussen opdrachtgever en tussenpersoon meebrengt dat deze reeds aanspraak op loon heeft voor het enkele in contact brengen van de opdrachtgever en de derde. Het oordeel van het hof dat art. 7:418 in dit geval van toepassing is, getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het behoefde ook geen nadere motivering, zodat ook de motiveringsklachten van het onderdeel falen. "

"3.8 (...) Opmerking verdient hierbij nog dat het antwoord op de - veelal niet met een redelijke mate van zekerheid te beantwoorden - vraag hoe groot de kans is dat de lastgever door belangenverstrengeling aan de zijde van de lasthebber wordt benadeeld, bij de toepassing van art. 7:418, anders dan het onderdeel kennelijk veronderstelt, geen rol speelt.”

Tot slot onderschrijft het hof de - ruime - opvatting van het begrip lasthebber in het civiele vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 april 2017:

Artikel 7:424 lid 1 BW vereist immers niet dat de bevoegdheid waarvan het artikellid spreekt, een uitsluitende bevoegdheid van de desbetreffende vertegenwoordiger is. Dat zou ook niet stroken met de ratio van dat artikellid en van artikel 7:418 BW, welke ertoe strekt de opdrachtgever op de hoogte te brengen van directe of indirecte eigen belangen van de vertegenwoordiger bij de desbetreffende rechtshandelingen, opdat de opdrachtgever zich zal kunnen beraden omtrent de vraag of zich een belangenconflict voordoet.

Gelet op het bovenstaande en de strekking van en de toelichting op deze strafbepaling is het hof van oordeel dat [betrokkene 1] (en zijn vennootschappen) in zijn relatie met SNSPF als lasthebber te beschouwen is. Juist het grote vertrouwen dat in [betrokkene 1] werd gesteld en de verregaande bevoegdheden die aan hem en andere externe medewerkers werden toegekend, maken dat zij -gelet op de Memorie van Toelichting- onder het bereik van dit artikel vallen.”

14. DDe eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat onaannemelijk is dat sprake is van betalingen vanwege een “ereschuld” van de verdachte jegens [betrokkene 1] , mede gelet op het namens de verdachte in hoger beroep naar voren is gebracht, onbegrijpelijk is.

15. Het hof heeft in zijn hiervoor weergegeven bewijsoverwegingen uitgebreid gerespondeerd op het verweer dat de betalingen die door de verdachte aan [betrokkene 1] werden gedaan, betrekking hadden op een “ereschuld”. Het hof heeft het door de verdediging gepresenteerde scenario onaannemelijk bevonden. Dit feitelijk oordeel kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.

16. Het oordeel kan die toetsing doorstaan. Het hof heeft uit de tot het bewijs gebezigde mailwisseling tussen [betrokkene 1] en [verdachte] van november 2010 kunnen afleiden dat zij toen reeds contact hadden over het verdelen van de betalingen van de “Groningers”. Het hof heeft daarbij mede betrokken dat de verdachte onder meer heeft verklaard dat hij in het kader van de “ereschuld” nooit met [betrokkene 1] over concrete bedragen heeft gesproken, dat het initiatief tot betalen bij hem lag en dat zij geen aflossingsschema hadden afgesproken. In het licht van de in paragraaf 7.3.2 van het bestreden arrest weergegeven verklaringen van de verdachte en [betrokkene 1] over de hoogte van de ereschuld en de reden van de betalingen is het oordeel van het hof dat zij daarover wisselend hebben verklaard niet onbegrijpelijk. Daarbij komt dat het hof erop heeft gewezen dat [betrokkene 1] pas na zijn invrijheidstelling – en nadat hij kennis had kunnen nemen van de verklaringen van de verdachte – heeft verklaard dat de betalingen betrekking zouden hebben op een “ereschuld”.

17. Aan zijn oordeel dat het ontbreekt aan objectieve ondersteuning voor het bestaan van die ereschuld heeft het hof ten grondslag gelegd dat van de beweerde ereschuld niets schriftelijk is vastgelegd, dat getuigen die hierover zijn gehoord hebben verklaard niets te weten over het bestaan van een ereschuld tussen de verdachte en [betrokkene 1] en dat medewerkers van het accountantskantoor pas na de aanhouding van [betrokkene 1] voor het eerst over het bestaan van de ereschuld hebben gehoord. Gelet hierop komt het oordeel van het hof mij niet onbegrijpelijk voor, ook niet in het licht van hetgeen namens de verdachte is aangevoerd. Voor het overige stuit de klacht af op de selectie- en waarderingsvrijheid van het hof.

18. De eerste deelklacht faalt.

19. De tweede deelklacht houdt in dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de term 'lasthebber' als bedoeld in art. 328ter Sr, althans dat zijn oordeel dat [betrokkene 1] ‘lasthebber’ was in de zin van art. 328ter Sr onbegrijpelijk is. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat aan het begrip ‘lasthebber’ niet een autonome betekenis moet worden gegeven, maar dat aansluiting moet worden gezocht bij de betekenis van het begrip ‘lasthebber’ in art. 7:414 BW. Ingevolge het eerste lid van die bepaling is lastgeving de overeenkomst van opdracht waarbij de ene partij, de lasthebber, zich jegens de andere partij, de lastgever, verbindt voor rekening van de lastgever één of meer rechtshandelingen te verrichten.

20. Bij de beoordeling van de klacht moet worden vooropgesteld dat begrippen die ook voorkomen in het civiele recht in de strafrechtelijke context een eigen invulling kunnen krijgen. De betekenis hoeft daarom in de strafrechtelijke context niet per definitie overeen te komen met de civielrechtelijke betekenis.3 In zijn conclusie voor HR 6 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1370, NJ 1999/740, m.nt. ’t Hart, nam Van Dorst het standpunt in ‘dat aan in het Wetboek van Strafrecht voorkomende begrippen die tevens behoren tot het begrippenapparaat van een ander rechtsgebied, niet steeds de betekenis moet worden toegekend die zij in dat andere rechtsgebied hebben. Aan dergelijk begrippen kan en moet juist veelal een autonome betekenis worden gegeven welke tegemoet komt aan de strekking van de desbetreffende strafrechtelijke regeling.”4

21. Art. 328ter, eerste lid. Sr luidde ten tijde van het bewezen verklaarde als volgt:

“Hij die, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift, belofte of dienst aanneemt dan wel vraagt, en dit aannemen of vragen in strijd met de goede trouw verzwijgt tegenover zijn werkgever of lastgever, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

22. Deze bepaling is ingevoerd bij Wet van 23 november 19675 naar aanleiding van het rapport van de Commissie niet-ambtelijke corruptie (Commissie-Mulder). Deze commissie had de opdracht te onderzoeken of en, zo ja, in hoeverre, in Nederland behoefte bestond aan strafbaarstelling van het omkopen en het zich laten omkopen van anderen dan Nederlandse ambtenaren en eventueel voorstellen te doen voor de formulering en de plaatsing van een desbetreffende aanvulling van de Nederlandse strafwet.6

23. De commissie achtte de strafbaarstelling van niet-ambtelijke omkoping wenselijk, omdat de publieke moraal en de openbare orde in het geding waren en de bestaande waarborgen onvoldoende waren ter bescherming van het met de zuiverheid van de dienstbetrekking gemoeide belang.7 De commissie oordeelde verder dat “het door een strafbepaling te beschermen rechtsbelang is gelegen in de zuiverheid van de dienstbetrekking, of – anders geformuleerd – dat strafrechtelijk optreden mogelijk moet zijn tegen schending van in dienstbetrekking gegeven vertrouwen en het bewegen tot een zodanige trouweloosheid” en dat daarom “het verzwijgen van de gift of belofte tegenover de principaal van de (potentieel) omgekochte” bepalend diende te zijn voor de strafbaarheid van omkoping.8 De schending van het vertrouwen stond daarmee volgens de commissie centraal. De door de commissie voorgestelde strafbepaling is door de wetgever overgenomen.

24. Het Wetboek van Strafrecht kent geen definitie van het begrip ‘lasthebber’. In het rapport van de Commissie-Mulder en in de parlementaire geschiedenis wordt het begrip evenmin toegelicht. Wel valt op dat, zoals door het hof is geconstateerd, in het voorlopig verslag van de commissie van rapporteurs voor Justitie van de Eerste Kamer enkele malen wordt gesproken over opdrachtgever in plaats van lastgever:

“Vele andere leden verklaarden vervolgens, dat ook zij het in dit wetsontwerp gekozen uitgangspunt, waarbij niet de oneerlijke mededinging doch de schending van de vertrouwensrelatie tussen opdrachtgever en ondergeschikte of lasthebber op de voorgrond is geplaatst, konden aanvaarden. (…)

(…)

De aan het woord zijnde leden achtten het voorts de vraag, of actieve omkoperij in het tweede lid van het ontworpen artikel op bevredigende wijze wordt omschreven. Het al of niet verzwijgen van de gift of van de belofte tegenover de werkgever of de opdrachtgever is, zo meenden zij, voor een omkoper in menig geval van weinig of geen betekenis; (…).”9

25. Belangrijker is dat een ruimere betekenis van het begrip lasthebber aansluit bij het destijds10 door art. 328ter Sr beschermde rechtsbelang, te weten de zuiverheid van de dienstbetrekking.11 Hetzelfde geldt voor het door de genoemde commissie voorgestane “criterium voor strafbaarheid”, te weten “de aantasting van het door de principaal aan zijn ondergeschikte of lasthebber geschonken vertrouwen”12. De door de stellers van het middel voorgestane uitleg van het begrip ‘lasthebber’ zou een beperkte reikwijdte van deze bescherming met zich brengen. Het vertrouwen dat wordt gesteld in anderen die ook uit hoofde van een overeenkomst van opdracht werkzaam zouden zijn, maar niet in dienstbetrekking of uit hoofde van een overeenkomst van lastgeving, zou dan niet beschermd worden. Ik zie geen aanknopingspunten in de wetsgeschiedenis dat een dergelijke beperking zou zijn beoogd.

26. Daar komt nog bij dat het rapport van de commissie volgens de minister van Justitie duidelijk maakt dat “de mogelijkheid tot omkoping wordt geschapen door het bestaan van vertrouwensposities, waarin ondergeschikten en lasthebbers, ten gevolge van delegatie en specialisatie, zijn bekleed met beslissingsbevoegdheden, casu quo belangrijke invloed op te nemen beslissingen hebben verkregen”.13 Dergelijke vertrouwensposities kunnen niet alleen worden vervuld door personen die werkzaam zijn in dienstbetrekking en personen die uit hoofde van een overeenkomst van lastgeving optreden als lasthebber, maar ook door personen die werkzaam zijn uit hoofde van een overeenkomst van opdracht, niet zijnde een overeenkomst van lastgeving in de specifieke civielrechtelijke betekenis van dat begrip.

27. Noch de wetsgeschiedenis noch de strekking van de bepaling wijst in de richting van een restrictieve interpretatie van het begrip ‘lasthebber’, zoals de stellers van het middel ingang willen doen vinden.

28. Daarbij moet voorts worden bedacht dat de strijd tegen corruptie geen nationale aangelegenheid is. Verschillende internationale verdragen verplichten tot strafbaarstelling van actieve en passieve omkoping in de private sector. Een beperking tot lasthebbers in de specifieke betekenis die daaraan op grond van art. 7:414 BW moet worden toegekend, strookt niet met de ruime reikwijdte van de desbetreffende anti-corruptieverdragen. Te wijzen valt op het Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie van de Raad van Europa14, het Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 22 juli 2003 inzake de bestrijding van corruptie in de privésector15 en het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie16. Zo luidt art. 7 van het Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie van de Raad van Europa als volgt:

“ “Each Party shall adopt such legislative and other measures as may be necessary to establish as criminal offences under its domestic law, when committed intentionally in the course of business activity, the promising, offering or giving, directly or indirectly, of any undue advantage to any persons who direct or work for, in any capacity, private sector entities, for themselves or for anyone else, for them to act, or refrain from acting, in breach of their duties.”

29. In de Nederlandse vertaling luidt deze bepaling als volgt:

“Iedere Partij neemt de wetgevende en andere maatregelen die nodig blijken te zijn om overeenkomstig haar interne recht als strafbaar feit aan te merken, wanneer opzettelijk gepleegd, in het kader van zakelijke activiteiten, het beloven, aanbieden of geven, rechtstreeks of indirect, van elk onverschuldigd voordeel aan enige persoon die leiding geeft aan of werkt voor een eenheid in de particuliere sector, voor hem zelf of voor iemand anders, opdat hij een handeling verricht of nalaat te verrichten in strijd met zijn plichten.”

30. In het “Explanatory Report”17 wordt deze bepaling nader toegelicht. Deze toelichting houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“This provision prohibits bribing any persons who "direct or work for, in any capacity, private sector entities". Again, this a sweeping notion to be interpreted broadly as it covers the employer-employee relationship but also other types of relationships such as partners, lawyer and client and others in which there is no contract of employment. Within private enterprises it should cover not only employees but also the management from the top to the bottom, including members of the board, but not the shareholders. It would also include persons who do not have the status of employee or do not work permanently for the company -for example consultants, commercial agents etc.- but can engage the responsibility of the company. (…)”

31. De artikelsgewijze toelichting op art. 7 en 8 van het verdrag in de memorie van toelichting bij de goedkeuringswet houdt onder meer het volgende in

“In Nederland is omkoping (zowel actief, als passief) in de particuliere sector strafbaar gesteld in artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel behoeft in verband met de onderhavige verdragsbepalingen geen aanpassing. (…)

Bijzonder aan artikel 328ter is dat de strafbaarheid van het omkopen dan wel het omgekocht worden afhankelijk is gesteld van het verzwijgen van de voordelen in strijd met de goede trouw tegenover de werkgever (in ruime zin) of lastgever. Wordt tegenover laatstgenoemden open kaart gespeeld, dan is geen sprake van strafbaar handelen.

In artikel 328ter ligt aldus een algemene (wettelijke) plicht besloten om telkens binnen de onderneming of in het kader van de uitvoering van een opdracht openheid te betrachten waar het gaat om gelden of voordelen die worden aangeboden tijdens de uitoefening van een functie. Wanneer nu in strijd met deze openheid wordt gehandeld of wanneer verwacht wordt (door de aanbieder van de gelden) dat deze openheid niet wordt betracht, ontstaat strafbaarheid. Daarbij is nog van belang het bestanddeel «strijd met de goede trouw».”18

32. Ook bij de totstandkoming van een recente wijziging van art. 328ter Sr is door de minister het standpunt ingenomen dat deze bepaling ook ziet op personen die zelfstandig diensten verlenen, zoals zzp’ers en freelancers. Deze personen treden volgens de minister op als lasthebber. Op hen is art. 328ter Sr van toepassing.19

33. Ook in de literatuur wordt in de regel een ruime uitleg van het begrip ‘lasthebber’ bepleit.20 Roording merkt op dat de begrippen ‘werkgever’ en ‘lastgever’ in art. 328ter Sr kunnen worden geïnterpreteerd als: degene tegenover wie iemand in de private sector verantwoording schuldig is voor zijn werkzaamheden. Alleen degene die “volstrekt eigen baas” is en een gift of belofte accepteert, terwijl evenmin sprake is van uitvoering van enige hem door een derde opgedragen werkzaamheid valt volgens Roording buiten de werking van art. 328ter Sr.21 Van Roomen en Sikkema stellen zich op het standpunt dat de strafrechter bij de interpretatie van de begrippen ‘dienstbetrekking’, ‘werkgever’, ‘lasthebber’ en ‘lastgever’ uit art. 328ter Sr een eigen koers moet varen in plaats van aansluiting te zoeken bij het civiele recht. Daartoe verwijzen zij onder meer naar de ratio van de strafbepaling en naar de ruime reikwijdte van de hiervoor genoemde verdragsrechtelijke verplichtingen.22

34. Gelet op het voorafgaande, geeft het oordeel van het hof dat het begrip ‘lasthebber’ in het strafrecht een autonome betekenis toekomt en daarmee dus niet dezelfde inhoud heeft als het begrip ‘lasthebber’ in de zin van art. 7:414 BW geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

35. In zijn hiervoor aangehaalde bewijsoverwegingen heeft het hof vastgesteld dat de medeverdachte [betrokkene 1] uit hoofde van een overeenkomst tot opdracht tussen onder meer SNS PF en een vennootschap van [betrokkene 1] was aangesteld als directieadviseur, dat [betrokkene 1] in 2011 bij addendum is aangesteld als “Lid van de Directie, Chief Restructurering Officer” en dat hij als externe medewerker werkzaam was op de afdeling Restructuring & Recovery van SNS PF. In het licht daarvan geeft het oordeel van het hof dat [betrokkene 1] in zijn relatie met SNS PF als ‘lasthebber’ als bedoeld in art. 328ter Sr te beschouwen is geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel evenmin onbegrijpelijk is. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

36. In de toelichting op het middel wordt nog opgemerkt dat het hof heeft geoordeeld dat ook andere externe medewerkers vanwege hun vergaande bevoegdheden onder het bereik van art. 328ter Sr vallen. Een discussie daarover kan achterwege blijven, omdat deze de reikwijdte van het cassatieberoep in de onderhavige zaak te buiten gaat.

37. De tweede deelklacht faalt.

38. Het middel faalt.

39. Het derde middel komt met twee deelklachten op tegen de bewezenverklaring van het onder 3, 8, 10 en 12 bewezen verklaarde.

40. Ten laste van de verdachte is onder 3, 8, 10 en 12 bewezen verklaard dat:23

“3 (niveau 1):

hij in de periode van 28 februari 2011 tot en met 12 maart 2013 in Nederland, opzettelijk voorhanden heeft gehad

vijf (5) facturen van [E] gericht aan [G] ten bedrage van in totaal circa Euro 116.500,- (exclusief btw) (…),

en

één (1) factuur van [E] gericht aan [N] ten bedrage van in totaal circa Euro 26.000,- (exclusief btw) (…)

zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl hij, verdachte, telkens wist dat dat geschrift bestemd was tot gebruik als ware dat geschrift echt en onvervalst, en bestaande die valsheid telkens hierin

dat op die factuur is vermeld dat door [E] en/of [betrokkene 1] werkzaamheden en/of diensten (te weten: "advisering" en/of "corporate finance advisering") zijn verricht ten behoeve van/voor hem, verdachte, en/of [G] en/of [N] , terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet door [E] en/of [betrokkene 1] zijn verricht ten behoeve van/voor hem, verdachte, en/of [G] en/of [N]

en telkens

dat op die factuur een factuurbedrag is vermeld dat in werkelijkheid geen betrekking heeft op de in die factuur vermelde werkzaamheden en/of diensten,

8 (niveau 2):

hij in de periode van 30 november 2010 tot en met 12 maart 2013 in Nederland, en/of op Curaçao, opzettelijk voorhanden heeft gehad

twee (2), althans een of meer, factu(u)r(en) van [E] (" [E] ") gericht aan [medeverdachte 3] ten bedrage van in totaal circa Euro 53.062,50 (exclusief btw) (…),

en

vijf (5) facturen van [E] (" [E] ") gericht aan [F] ten bedrage van in totaal circa Euro 321.599,- (zonder btw) (…),

zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl hij, verdachte, telkens wist dat dat geschrift bestemd was tot gebruik als ware dat geschrift echt en onvervalst, en bestaande die valsheid telkens hierin

dat op die factuur is vermeld dat door [E] (" [E] ") en/of [betrokkene 1] werkzaamheden en/of diensten (te weten: "corporate finance advies" en/of "advisering" en/of "corporate finance advisering") zijn verricht ten behoeve van/voor hem, verdachte, en/of [medeverdachte 3] en/of [F] , terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet door [E] (" [E] ") en/of [betrokkene 1] zijn verricht ten behoeve van/voor hem, verdachte, en/of [medeverdachte 3] en/of [F]

en telkens

dat op die factuur een factuurbedrag is vermeld dat in werkelijkheid geen betrekking heeft op de in die factuur vermelde werkzaamheden en/of diensten

10 (niveau 2):

Hij in of omstreeks de periode van 5 oktober 2010 tot en met 17 januari 2013 in Nederland,

acht (8) facturen van [medeverdachte 3] gericht aan [O] ten bedrage van in totaal circa Euro 66.990,- (exclusief btw) (…),

en

tien (10) facturen van [medeverdachte 2] gericht aan [O] ten bedrage van in totaal circa Euro 117.950,- (exclusief btw) (…)

en

dertien (13) facturen van [medeverdachte 3] gericht aan [P] ten bedrage van in totaal circa Euro 137.165,- (exclusief btw) (…),

en

tien (10) facturen van [medeverdachte 2] gericht aan [P] ten bedrage van in totaal circa Euro 118.090,- (exclusief btw) (…)

en

zeventien (17) facturen van [medeverdachte 3] gericht aan [Q] ten bedrage van in totaal circa Euro 138.900,- (exclusief btw) (…),

en

elf (11) facturen van [medeverdachte 2] gericht aan [Q] ten bedrage van in totaal circa Euro 89.550,- (exclusief btw) (…)

en

vijftien (15) facturen van [medeverdachte 3] gericht aan [R] ten bedrage van in totaal circa Euro 116.812,50 (exclusief btw) (…),

en

tien (10) facturen van [medeverdachte 2] gericht aan [R] ten bedrage van in totaal circa Euro 59.175,- (exclusief btw) (…)

en

vijftien (15) facturen van [medeverdachte 3] gericht aan [R] ten bedrage van in totaal circa Euro 151.500,- (exclusief btw) (…),

en

twaalf (12) facturen van [medeverdachte 2] gericht aan [R] ten bedrage van in totaal circa Euro 131.362,50 (exclusief btw) (…)

en

zestien (16) facturen van [medeverdachte 3] gericht aan [A] ten bedrage van in totaal circa Euro 148.721,25 (exclusief btw) (…),

en

twaalf (12) facturen van [medeverdachte 2] gericht aan [A] ten bedrage van in totaal circa Euro 141.187,50 (exclusief btw) (…)

en

zestien (16) facturen van [medeverdachte 3] gericht aan [medeverdachte 7] ten bedrage van in totaal circa Euro 142.443,75 (exclusief btw) (…),

en

twaalf (12) facturen van [medeverdachte 2] gericht aan [medeverdachte 7] ten bedrage van in totaal circa Euro 134.342,75 (exclusief btw) (…)

zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-

op die facturen vermeld dat door [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of hem, verdachte, werkzaamheden en/of diensten (te weten: "adviesdiensten") zijn verricht ten behoeve van/voor [betrokkene 4] en/of [O] , terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet door [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of hem, verdachte, zijn verricht ten behoeve van/voor [betrokkene 4] en/of [O]

en

op die facturen vermeld dat door [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of hem, verdachte, werkzaamheden en/of diensten (te weten: "adviesdiensten") zijn verricht ten behoeve van/voor [betrokkene 5] en/of [P] , terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet door [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of hem, verdachte, zijn verricht ten behoeve van/voor [betrokkene 5] en/of [P]

en

op die facturen vermeld dat door [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of hem, verdachte, werkzaamheden en/of diensten (te weten: "adviesdiensten") zijn verricht ten behoeve van/voor [betrokkene 6] en/of [Q] , terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet door [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of hem, verdachte, zijn verricht ten behoeve van/voor [betrokkene 6] en/of [Q]

en

op die facturen vermeld dat door [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of hem, verdachte, werkzaamheden en/of diensten (te weten: "adviesdiensten") zijn verricht ten behoeve van/voor [betrokkene 2] en/of [R] , terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet door [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of hem, verdachte, zijn verricht ten behoeve van/voor [betrokkene 2]

en/of [R]

en

op die facturen vermeld dat door [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of hem, verdachte, werkzaamheden en/of diensten (te weten: "adviesdiensten") zijn verricht ten behoeve van/voor [betrokkene 3] en/of [R] , terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet door [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of hem, verdachte, zijn verricht ten behoeve van/voor [betrokkene 3] en/of [R]

en

op die facturen vermeld dat door [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of hem, verdachte, werkzaamheden en/of diensten (te weten: "adviesdiensten") zijn verricht ten behoeve van/voor [medeverdachte 5] en/of [A] , terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet door [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of hem, verdachte, zijn verricht ten behoeve van/voor [medeverdachte 5] en/of [A]

en

op die facturen vermeld dat door [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of hem, verdachte, werkzaamheden en/of diensten (te weten: "adviesdiensten") zijn verricht ten behoeve van/voor [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 7] , terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet door [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of hem, verdachte, zijn verricht ten behoeve van/voor [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 7]

en telkens

op die facturen factuurbedragen vermeld die in werkelijkheid geen betrekking hebben op de in die facturen vermelde werkzaamheden en/of diensten,

zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

12 (niveau 2):

hij in de periode van 20 november 2010 tot en met 12 maart 2013 in Nederland opzettelijk voorhanden heeft gehad

twaalf (12) facturen van [Q] gericht aan [medeverdachte 3] ten bedrage van in totaal circa Euro 45.762,50 (exclusief btw) (…)

en

negen (9) facturen van [Q] gericht aan [medeverdachte 2] ten bedrage van in totaal circa Euro 36.712,50 (exclusief btw) (…)

en

veertien (14) facturen van [medeverdachte 6] gericht aan [medeverdachte 3] ten bedrage van in totaal circa Euro 24.963,77 (exclusief btw) (…),

en

acht (8) facturen van [medeverdachte 6] gericht aan [medeverdachte 2] ten bedrage van in totaal circa Euro 15.414,39 (exclusief btw) (…)

en

veertien (14) facturen van [medeverdachte 7] gericht aan [medeverdachte 3] ten bedrage van in totaal circa Euro 24.862,52 (exclusief btw) (…),

en

tien (10) facturen van [medeverdachte 7] gericht aan [medeverdachte 2] ten bedrage van in totaal circa Euro 16.132,52 (exclusief btw) (…)

en

zestien (16) facturen van [S] gericht aan [medeverdachte 3] ten bedrage van in totaal circa Euro 187.429,64 (zonder btw) (…)

en

twaalf (12) facturen van [S] gericht aan [medeverdachte 2] ten bedrage van in totaal circa Euro 137.497,51 (zonder btw) (…)

zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl hij, verdachte, telkens wist dat dat geschrift bestemd was tot gebruik als ware dat geschrift echt en onvervalst, en bestaande die valsheid telkens hierin

dat op die factuur is vermeld dat door [Q] en/of [betrokkene 6] werkzaamheden en/of diensten (te weten: "advies") zijn verricht ten behoeve van/voor hem, verdachte, en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] , terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet door [Q] en/of [betrokkene 6] , zijn verricht ten behoeve van/voor hem, verdachte, en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2]

en

dat op die factuur is vermeld dat door [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 5] werkzaamheden en/of diensten (te weten: "werkzaamheden inzake [R] " en/of "werkzaamheden betreffende [T] ") zijn verricht ten behoeve van/voor hem, verdachte, en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] , terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet door [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 5] , zijn verricht ten behoeve van/voor hem, verdachte, en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2]

en

dat op die factuur is vermeld dat door [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 4] werkzaamheden en/of diensten (te weten: "advieswerkzaamheden t.b.v. [R] ") zijn verricht ten behoeve van/voor hem, verdachte, en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] , terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet door [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 4] zijn verricht ten behoeve van/voor hem, verdachte, en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2]

en

dat op die factuur is vermeld dat door [S] en/of [medeverdachte 1] werkzaamheden en/of diensten (te weten: "advisory and consultancy services") zijn verricht ten behoeve van/voor hem, verdachte, en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] , terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet door [S] en/of [medeverdachte 1] zijn verricht ten behoeve van hem, verdachte, en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2]

en telkens

dat op die factuur een factuurbedrag is vermeld dat in werkelijkheid geen betrekking heeft op de in die factuur vermelde werkzaamheden en/of diensten”.

41. Het hof heeft de bewezenverklaring, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, als volgt gemotiveerd24:

“Het hof kan zich vinden in de navolgende overwegingen die de rechtbank in haar vonnis met betrekking tot het bewijs heeft opgenomen en hieronder cursief zijn weergegeven. Het hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne.

7.5 Overwegingen met betrekking tot het bewijs

"Niveau 1: (...)

[betrokkene 1] en SNSPF

[betrokkene 1] is sinds de oprichting in 2006 enig aandeelhouder van [K] welke vennootschap enig aandeelhoudster is van [L] sinds de oprichting in 2006 en van [E] sinds de oprichting op 21 september 2010 (hierna respectievelijk: [K] , [L] en [E] ). (…) [betrokkene 1] is bestuurder van de drie vennootschappen.

(…)

[verdachte]

heeft verklaard dat de [G] -vennootschappen van hem zijn. [N] (hierna: [N] ) is enig aandeelhoudster en bestuurster van [G] (hierna: [G] ). [verdachte] is bestuurder van [G] . Verder is [verdachte] bestuurder van de vennootschap [H] (hierna: [H] ). (…)

[verdachte] heeft verklaard dat hij in februari/maart 2010 is benaderd door [betrokkene 1] om bij SNSPF te komen werken. [verdachte] is door [betrokkene 1] aangenomen en heeft met hem de arbeidsvoorwaarden besproken. (…)

[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij op enig moment de afspraak met [verdachte] heeft gemaakt dat [verdachte] hem een bedrag zou betalen. [betrokkene 1] vermoedt dat dat € 50,- per door [verdachte] gewerkt uur was. De motivering van [betrokkene 1] verzoek was dat hij feitelijk minder verdiende dan [verdachte] ; deze geldstroom is dus ontstaan uit nivellering. [verdachte] gunde [betrokkene 1] deze betalingen ook omdat hij zijn baan via [betrokkene 1] had gekregen.

[verdachte] heeft verklaard dat hij [betrokkene 1] heeft aangeboden om een deel van zijn inkomsten van SNSPF aan hem af te staan. [betrokkene 1] factureerde hiertoe per kwartaal met name aan het bedrijf van [verdachte] dat op dat moment een relatie had met SNS. De bewustwording dat hij bij SNSPF meer verdiende dan [betrokkene 1] , een paar maanden na aanvang van zijn werkzaamheden, was voor [verdachte] de trigger.

Zowel [betrokkene 1] als [verdachte] verklaren dat zij deze afspraak niet hebben gemeld aan SNSPF.

[E] heeft in de periode van 28 februari 2011 tot en met 30 april 2012 voor een bedrag van in totaal € 142.500,- (exclusief btw) gefactureerd aan [G] en [N] . (…)

[verdachte] verklaart dat er nooit werkzaamheden van [betrokkene 1] zijn geweest die betrekking hebben op de periode zoals genoemd in de facturen. Alle van [E] ontvangen facturen zijn verwerkt in de administratie.

Niveau 2: (...)

[verdachte]

is sinds 2005 enig aandeelhouder en bestuurder van [medeverdachte 3] , welke vennootschap enig aandeelhoudster en bestuurster is van [medeverdachte 2] , beide gevestigd te Haren (hierna respectievelijk: [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ). [F] (hierna: [F] ) is op verzoek van [verdachte] opgericht eind 2010/begin 2011. [F] is gevestigd te Curaçao en [verdachte] is gemachtigd tot de bankrekeningen van [F] .

(…)

Introductie en betalingen externen

Nadat hij [verdachte] had aangenomen is [betrokkene 6] aangenomen bij SNS via [verdachte] , aldus [betrokkene 1] . Vervolgens zijn toen nog een aantal mensen aangebracht waaronder [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 5] . [verdachte] heeft met deze mensen gesprekken gevoerd. [betrokkene 6] werd als eerste medio 2010 aangenomen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat een aantal van deze mensen via hem bij SNSPF is gaan werken.

In het bij [verdachte] aangetroffen excelbestand genaamd “detachering” zijn werkbladen opgenomen met de namen: [betrokkene 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 5] en [betrokkene 4] . Dit zijn voornamen van medewerkers van SNSPF (de rechtbank begrijpt respectievelijk: [betrokkene 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 5] en [betrokkene 4] ). Over de periode augustus 2010 tot en met december 2012 is per persoon vermeld:

- hoeveel uur de medewerker bij SNSPF heeft gewerkt;

- hoeveel vergoeding deze medewerker bij SNSPF heeft gedeclareerd;

- hoeveel [verdachte] bij deze medewerker declareerde en

- hoe deze declaratie verdeeld werd tussen: [verdachte] , [betrokkene 1] , [medeverdachte 1] , [betrokkene 6] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] .

Volgens [verdachte] betreft dit zijn administratie van deze groep; hij hield dit overzicht maandelijks bij. De bedragen die op dit spreadsheet staan, komen overeen met de afspraken die hij met de betreffende mensen heeft gemaakt. De facturen die [verdachte] voor het verkrijgen van deze vergoedingen stuurde voegde hij ook in de administratie van zijn eigen vennootschappen. Als mensen anderen aanbrachten kregen zij een deel van die fee. [verdachte] heeft verklaard dat hij het zich niet kan voorstellen dat de mensen van deze groep -zoals genoemd op het overzicht- niet wisten dat de fee werd verdeeld over meerdere personen. Hij heeft [betrokkene 1] verteld over deze afspraken en het betalen van de bemiddelingsfees. [betrokkene 1] wist dat een gedeelte van hun uurtarief naar [verdachte] ging. [verdachte] heeft [betrokkene 1] hierover ingelicht enkele maanden nadat de eerste van die groep, [betrokkene 6] , was aangenomen.

[betrokkene 1] en [verdachte] hebben afgesproken dat [verdachte] een gedeelte van deze fees betaalde aan [betrokkene 1] ; dit was ongeveer 50% van de bemiddelingsfee die [verdachte] overhield na verrekening van de ontvangsten met anderen. [betrokkene 1] factureerde vanuit zijn vennootschappen. Dit liep vanaf augustus/september 2010 tot en met het eerste kwartaal van 2012. [verdachte] heeft hierover, buiten [betrokkene 1] , niemand binnen SNSPF ingelicht. De omschrijving op de facturen van [betrokkene 1] aan [verdachte] , te weten “honorering advisering [bepaald kwartaal]” klopt niet volgens [verdachte] .

[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij in het vierde kwartaal van 2010 wist dat [verdachte] afspraken had gemaakt met andere externen en betalingen van hen ontving. Ook vond er een aantal verrekeningen plaats met andere mensen, waaronder [medeverdachte 1] . [betrokkene 1] vermoedt dat [verdachte] hem op de hoogte heeft gebracht van de omstandigheid dat ook [betrokkene 6] betalingen ontving. Hij heeft met [verdachte] afgesproken dat [verdachte] een deel van de door hem ontvangen betalingen aan hem doorbetaalde, zijnde de helft van wat [verdachte] overhield na verrekeningen. Die betalingen zijn via [F] verlopen. Alle betaalde facturen zijn verwerkt in de administratie van [E] . [betrokkene 1] heeft de betalingen niet gemeld bij SNS.

In de periode van 30 november 2010 tot en met 30 april 2012 is door [E] een totaalbedrag van € 374.661,50 (exclusief btw) gefactureerd aan [I] Beheer en [F] . (…)

[betrokkene 6]

Murphy [betrokkene 6] verklaart dat hij directeur-grootaandeelhouder is van de vennootschap Carmilo Holding BV. Via de werkmaatschappij van deze vennootschap, [Q] (hierna: [Q] ), is [betrokkene 6] werkzaam geweest bij SNSPF. Binnen [Q] is sprake van een tweetal activiteiten: het aangaan van een contract met SNSPF en het ontvangen van betalingen van een persoon die door [betrokkene 6] bij [verdachte] is aangebracht. [betrokkene 6] heeft verklaard dat hij feitelijk leidinggevende is bij [Q] . (…)

(…)

[betrokkene 6] heeft tussen mei en juli 2010 contact gezocht met [verdachte] . [verdachte] heeft hem gevraagd of hij geïnteresseerd was in een functie bij SNSPF. [verdachte] gaf aan dat hij [betrokkene 6] zou introduceren bij [betrokkene 1] als [betrokkene 6] in deze functie geïnteresseerd was. Nadat [betrokkene 6] zijn cv had opgestuurd, kreeg hij een gesprek met [betrokkene 1] . [betrokkene 6] heeft met [betrokkene 1] gesproken over het uurloon, daar waren geen andere mensen bij aanwezig. Na het gesprek met [betrokkene 1] heeft [betrokkene 6] gebeld met [verdachte] om hem te bedanken voor de introductie. [verdachte] vroeg hem daarop een vergoeding van €50,- per door [betrokkene 6] gewerkt uur bij SNSPF. In eerste instantie wilde [betrokkene 6] niet op dit verzoek ingaan, maar omdat hij het geboden tarief van € 225,- veel geld vond en hij er erg blij mee was, is hij er uiteindelijk mee akkoord gegaan om € 50,- per gewerkt uur aan [verdachte] te betalen. [betrokkene 6] verklaart dat hij verrast was door het verzoek van [verdachte] , omdat hij wist dat [verdachte] geen detacheringsbureau had. [verdachte] stelde voor dat [betrokkene 6] zijn facturen voor SNSPF aan hem stuurde, zodat [verdachte] kon zien hoeveel uren [betrokkene 6] had gewerkt. Op de facturen van [verdachte] , die [betrokkene 6] ontving, stond steeds de omschrijving “advies ”. [betrokkene 6] verklaart daarover dat het in feite ging om bemiddelingsfee, en dat de omschrijving op de factuur -achteraf gezien- dus niet goed is geweest.

[verdachte] verklaart dat hij enkele maanden na de afspraak met [betrokkene 6] [betrokkene 1] van deze afspraak op de hoogte heeft gebracht. Verder heeft [verdachte] dit aan niemand binnen SNS verteld.

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben in de periode van 5 oktober 2010 tot en met 31 december 2012 voor in totaal € 228.450,- (exclusief btw) gefactureerd aan [Q] . (…)

Uit het excelbestand dat bij [verdachte] is aangetroffen, blijkt dat van de € 50,- die [betrokkene 6] per gewerkt uur af droeg aan [verdachte] € 25,- werd doorbetaald aan [betrokkene 1] .

[betrokkene 6] verklaart dat [verdachte] hem op enig moment heeft gevraagd of hij nog ervaren mensen kende. [verdachte] wist van [betrokkene 6] dat hij problemen had met het betalen van € 50,- per uur, daarom was [verdachte] bereid [betrokkene 6] € 25,- per uur te betalen voor mensen die hij aanbracht. [betrokkene 6] heeft [betrokkene 5] geïntroduceerd bij [verdachte] . [betrokkene 5] is in december 2010 met zijn werkzaamheden begonnen. [betrokkene 6] heeft lang getwijfeld of hij de € 25,- voor de uren van [betrokkene 5] wel moest factureren. Uiteindelijk heeft hij dat in mei 2011 wel gedaan. De facturatie heeft ook met terugwerkende kracht plaatsgevonden. [betrokkene 6] heeft dit niet aan [betrokkene 5] verteld. Ook heeft [betrokkene 6] niet aan zijn opdrachtgever aangegeven dat hij deze vergoeding ontving. De facturen van [betrokkene 5] werden door [verdachte] doorgestuurd aan [betrokkene 6] . Op basis van deze facturen werden door [betrokkene 6] facturen opgesteld en aan [verdachte] gestuurd. [betrokkene 6] heeft deze facturen namens zijn bedrijf [Q] opgesteld.

[Q] heeft in de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 september 2012 voor in totaal € 82.475,- gefactureerd aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . (…)

[betrokkene 5]

heeft verklaard dat [P] (hierna: [P] ) zijn persoonlijke holding is. (…)

(…)

[betrokkene 5] heeft verklaard dat hij in november of december 2010 is benaderd door [medeverdachte 1] en [betrokkene 6] met de vraag of hij beschikbaar was voor een klus bij SNS. [betrokkene 5] heeft gezegd dat hij wel geïnteresseerd was en dat men onderling maar moest afstemmen wie hem zou introduceren bij SNS. Eén van hen zou [betrokkene 5] introduceren bij [verdachte] . Enkele dagen later werd [betrokkene 5] gebeld door [verdachte] en volgde er een gesprek in een hotel bij Haren. In dat gesprek vertelde [verdachte] dat hij zelf ook iets bij SNS deed. Verder is in dat gesprek het cv van [betrokkene 5] besproken. Aan het einde van het gesprek gaf [verdachte] aan dat hij verwachtte dat [betrokkene 5] wel iets voor SNS zou kunnen betekenen. [verdachte] gaf verder aan dat, als [betrokkene 5] zou worden aangenomen, hij een aanbrengfee wilde ontvangen van een bepaald bedrag. [betrokkene 5] stemde hiermee in, maar gaf aan dat hij zelf wel minimaal € 150,- per uur wilde overhouden. [verdachte] heeft vervolgens aan [betrokkene 5] meegedeeld dat hij hem zou introduceren. Enkele dagen later werd [betrokkene 5] gebeld en is er een afspraak gemaakt met [betrokkene 1] en [betrokkene 7] . Een paar dagen na dit gesprek werd aan [betrokkene 5] telefonisch meegedeeld dat men hem een contract wilde aanbieden voor € 220,- per uur. [betrokkene 5] heeft hiermee ingestemd. [betrokkene 5] heeft vervolgens contact opgenomen met [verdachte] en meegedeeld dat [verdachte] € 70,- per uur zou ontvangen. [betrokkene 5] verklaart dat hij zijn opdrachtgever niet op de hoogte heeft gesteld van het feit dat hij een deel van zijn vergoeding afdroeg. De facturen die [betrokkene 5] aan SNS stuurde gingen via [verdachte] . Zodoende was [verdachte] op de hoogte van het aantal uren dat door [betrokkene 5] werd gedeclareerd.

[verdachte] verklaart dat de afspraak met [betrokkene 5] alleen mondeling is overeengekomen. Op de vraag of [verdachte] mensen binnen SNSPF op de hoogte heeft gebracht van deze afspraak met [betrokkene 5] , antwoordt [verdachte] dat alleen [betrokkene 1] ervan af wist.

Door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] is in de periode van 19 januari 2011 tot en met 11 november 2012 in totaal een bedrag van € 255.255,- (exclusief btw) gefactureerd aan [P] . (...)

Uit het excelbestand dat bij [verdachte] is aangetroffen, blijkt dat de € 70,- die door [betrokkene 5] aan [verdachte] werd betaald, als volgt werd verdeeld:

- [verdachte] : € 22,50;

- [betrokkene 1] : € 22,50;

- [betrokkene 6] : € 25,00.

[betrokkene 4]

(…)[O] (hierna: [O] ) (…) is de eigen pure holdingmaatschappij van [betrokkene 4] . [betrokkene 4] is de feitelijk leidinggevende van deze vennootschap. (…)

(…)

[betrokkene 4] verklaart dat hij in april 2011 is benaderd door [verdachte] om voor SNSPF aan de slag te gaan. [betrokkene 4] heeft vervolgens een kennismakingsgesprek met [verdachte] gehad bij [verdachte] thuis. Na dit gesprek heeft [verdachte] [betrokkene 4] in contact gebracht met SNSPF en het cv van [betrokkene 4] voorgelegd aan [betrokkene 1] . Vervolgens is er een afspraak gemaakt met [betrokkene 1] . In het gesprek met [betrokkene 1] heeft [betrokkene 4] aangegeven dat hij het logisch zou vinden als hij hetzelfde uurtarief zou krijgen als [betrokkene 5] , namelijk € 220,-. [betrokkene 4] had van [betrokkene 5] begrepen dat er sprake was van een bemiddelingsfee en dat [betrokkene 5] 30 procent van zijn uurtarief af stond aan [verdachte] . Ook aan [betrokkene 4] vroeg [verdachte] een bemiddelingsfee. Dat was omdat hij externen bij SNSPF aanbracht. [betrokkene 4] verklaart dat hij zonder [verdachte] niet met SNSPF in contact zou zijn gekomen. [betrokkene 4] kreeg per maand één factuur van [verdachte] . Daarop stond het aantal urwen maal € 70,-. Op de facturen stond als omschrijving: adviesdiensten. Achteraf gezien zou het volgens [betrokkene 4] beter zijn geweest als daarop bemiddelingsfee had gestaan. De prestatie zag namelijk op de bemiddeling van [verdachte] tussen [betrokkene 4] en SNSPF. [betrokkene 4] verklaart dat hij zijn opdrachtgever niet op de hoogte heeft gesteld van deze afdracht.

[verdachte] verklaart dat hij SNSPF niet op de hoogte heeft gebracht van de afspraak die hij had met [betrokkene 4] . Alleen [medeverdachte 1] , [betrokkene 1] en -naar [verdachte] aanneemt- [betrokkene 5] waren op de hoogte van deze afspraak.

Door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] is in de periode van 16 juni 2011 tot en met 11 november 2012 in totaal een bedrag van € 184.940,- (exclusief btw) gefactureerd aan [O] . (…)

Uit het excelbestand dat bij [verdachte] is aangetroffen, blijkt dat de € 70,- die door [betrokkene 4] aan [verdachte] werd betaald, als volgt werd verdeeld:

- [verdachte] : € 23,50;

- [betrokkene 1] : € 23,25;

- [medeverdachte 1] : € 23,25.

[medeverdachte 4]

verklaart dat hij enig aandeelhouder en enig bestuurder is van de vennootschap [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ). (…)

(…)

[medeverdachte 4] verklaart dat hij in augustus 2010 via [medeverdachte 1] in contact kwam met [verdachte] . [medeverdachte 1] vroeg hem of hij wilde werken voor een financiële instelling. [medeverdachte 4] heeft daarop zijn cv naar [verdachte] gestuurd. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] meer dan een goed woordje voor [medeverdachte 4] gedaan bij [verdachte] . Daarna heeft een gesprek plaatsgevonden met [betrokkene 1] . Met [betrokkene 1] heeft [medeverdachte 4] ook onderhandeld over de arbeidsvoorwaarden. Het uurtarief werd € 225,-. In een gesprek met [medeverdachte 1] zijn [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] een fee overeengekomen van € 75,- per gewerkt uur. Op verzoek van [medeverdachte 1] is de betaling van de fee door een aan [verdachte] gelieerde vennootschap gefactureerd en is aan die vennootschap ook betaald. Dit was een expliciet verzoek van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 4] stuurde elke maand zijn factuur op aan SNSPF. Vervolgens kreeg hij dan een factuur van [verdachte] , met daarop de omschrijving “declaratie betreffende adviesdiensten t.b.v. [medeverdachte 7] ” voor de betreffende maand. Het bedrag op de factuur kon [medeverdachte 4] herleiden tot de afspraak die met [medeverdachte 1] was gemaakt over de betaling van een fee. [medeverdachte 4] heeft deze facturen in zijn administratie bewaard.

Door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] is in de periode van 25 oktober 2010 tot en met 17 januari 2013 voor een bedrag van in totaal € 276.787,50 (exclusief btw) gefactureerd aan [medeverdachte 7] . (…)

Uit het excelbestand dat bij [verdachte] is aangetroffen, blijkt dat de € 75,- die door [medeverdachte 4] aan de vennootschappen van [verdachte] werd betaald, als volgt werd verdeeld:

- [verdachte] : € 25,-;

- [betrokkene 1] : € 25,-;

- [medeverdachte 1] : € 25,-.

[verdachte] verklaart dat hij binnen SNSPF, behalve aan [betrokkene 1] , niemand iets heeft verteld over de betalingen die [medeverdachte 4] aan hem deed. Verder verklaart [verdachte] dat hij binnen het project […] de functioneel leidinggevende was van [medeverdachte 4] . De omschrijving op de facturen, die aan [medeverdachte 4] gericht waren, had volgens [verdachte] anders moeten luiden, namelijk bemiddelingsfee.

[medeverdachte 4] verklaart dat via hem [betrokkene 3] en [betrokkene 2] zijn komen werken bij SNSPF. In een gesprek met [medeverdachte 1] -waar ook [medeverdachte 5] bij aanwezig was- heeft [medeverdachte 4] aangegeven dat hij het wel redelijk zou vinden dat zij voor het aanbrengen van deze medewerkers een correctie op hun te betalen fee zouden ontvangen. Ongeveer een week erna kwam [medeverdachte 1] hierop terug en stelde voor dat zij € 7,50 per persoon per medewerker zouden krijgen. [medeverdachte 4] heeft hiervoor correctiefacturen gestuurd aan [verdachte] met daarop dezelfde omschrijving als de facturen die hij van [verdachte] ontving: adviesdiensten. [medeverdachte 4] verklaart dat de omschrijving op de factuur niet correct was, maar dat hij bewust aansluiting heeft gezocht bij de facturen die door [verdachte] aan hem werden gestuurd. [medeverdachte 4] betaalde steeds het netto verschuldigde bedrag aan de vennootschap van [verdachte] . Facturen voor [medeverdachte 7] werden door [medeverdachte 4] opgemaakt. De facturen die door [medeverdachte 7] werden verzonden aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn door [medeverdachte 4] verwerkt in de boekhouding van [medeverdachte 7] . Er is door [medeverdachte 4] geen melding gedaan bij zijn opdrachtgever SNS van het feit dat hij deze beloning ontving.

Door [medeverdachte 7] is in de periode van 20 november 2010 tot en met 31 december 2012 een bedrag van in totaal €45.900,16 (exclusief btw) gefactureerd aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . (…)

[medeverdachte 5]

verklaart dat hij sinds 2009 zijn werkzaamheden uitvoert vanuit [A] (hierna: [A] ). De bestuurder en enig aandeelhouder van [A] is [medeverdachte 5] . (…) verklaart dat hij feitelijk leidinggevende is van [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ).

(…)

[medeverdachte 5] verklaart dat hij in augustus 2010 via [medeverdachte 1] in contact is gekomen met [verdachte] . [verdachte] heeft [medeverdachte 5] gebeld en aan hem meegedeeld om welke functie bij SNSPF het zou gaan en heeft hem gevraagd zijn cv te sturen. [medeverdachte 5] heeft vervolgens zijn cv aan [verdachte] gemaild. Daarna heeft [medeverdachte 5] een gesprek gehad met [betrokkene 1] , waarin de werkzaamheden en het uurtarief zijn besproken. [medeverdachte 5] heeft met [betrokkene 1] onderhandeld over de arbeidsvoorwaarden. Ongeveer twee weken later kreeg [medeverdachte 5] een concept contract met daarin een uurtarief van € 225,-. Met [medeverdachte 1] maakte [medeverdachte 5] de afspraak dat hij 30 procent (€ 75,-) per gewerkt uur zou afdragen aan [medeverdachte 1] . Op verzoek van [medeverdachte 1] werden de betalingen van deze afdracht gedaan via [verdachte] .

Door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] is in de periode van 25 oktober 2010 tot en met 17 januari 2012 in totaal een bedrag van € 289.908,75 (exclusief btw) gefactureerd aan [A] . (…)

Uit het excelbestand dat bij [verdachte] is aangetroffen, blijkt dat de € 75, - die door [medeverdachte 5] aan de vennootschappen van [verdachte] werd betaald, als volgt werd verdeeld:

- [verdachte] : € 25,-;

- [betrokkene 1] : € 25,-;

- [medeverdachte 1] : € 25,-.

De omschrijving op de facturen, die aan [medeverdachte 5] gericht waren, had volgens [verdachte] anders moeten zijn, namelijk bemiddelingsfee. [verdachte] verklaart dat hij binnen SNSPF, behalve aan [betrokkene 1] , niemand iets heeft verteld over de betalingen die [medeverdachte 4] aan hem deed. Over [medeverdachte 5] verklaart [verdachte] gelijkluidend.

[medeverdachte 5] verklaart dat [medeverdachte 4] op enig moment mensen heeft aangebracht bij [verdachte] . In een gesprek met [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 4] onderhandeld en een korting gekregen van € 15,- per door [betrokkene 3] en [betrokkene 2] gewerkt uur. Deze korting heeft [medeverdachte 4] met [medeverdachte 5] gedeeld. In eerste instantie zou de fee worden verrekend met de fee die werd betaald. Op verzoek van [medeverdachte 1] is deze fee toch gefactureerd. De facturering van deze fee deed [medeverdachte 5] via [medeverdachte 6] De facturen werden door [medeverdachte 5] verwerkt in de administratie van [medeverdachte 6] [medeverdachte 5] wist hoeveel er gefactureerd moest worden, omdat [verdachte] de uren van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] aan hem doorstuurde. De facturen maakte [medeverdachte 5] thuis in [plaats] op of bij zijn ouders in [plaats] .

Door [medeverdachte 6] is in de periode van 25 november 2010 tot en met 25 november 2012 een bedrag van in totaal € 40.378,16 (exclusief btw) gefactureerd aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . (…)

[betrokkene 2] en [betrokkene 3]

[betrokkene 2] verklaart dat hij in 2007 samen met [betrokkene 3] een bedrijf is begonnen: [R] (hierna: [R] ). De personal holding van [betrokkene 2] , waarvan hij directeur grootaandeelhouder is, is voor 50 procent aandeelhouder van [R] . [betrokkene 2] is tevens bestuurder van [R] .

[betrokkene 3] verklaart dat hij 100 procent eigenaar is van [U] . Deze holding is 50 procent eigenaar van [R] .

(…)

[betrokkene 2] verklaart dat hij via [medeverdachte 4] in contact is gekomen met [verdachte] . Als zij (de rechtbank begrijpt: [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ) aangenomen zouden worden bij SNSPF, dan wilde [verdachte] daarvoor een vergoeding van 30 procent van hun uurloon. Uiteindelijk stelde [betrokkene 2] facturen op voor SNSPF van de gewerkte uren van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . Op basis van die gewerkte uren ontvingen zij van [verdachte] een factuur waarop hij 30 procent in rekening bracht. De facturen van [verdachte] waren afkomstig van [I] . [verdachte] gaf aan dat hij liever niet wilde dat deze afspraak bekend werd. Er zijn volgens [betrokkene 2] door [verdachte] geen andere diensten of adviezen gegeven door [verdachte] . Alle facturen die hij stuurde hadden betrekking op de introductie bij SNS.

[betrokkene 3] verklaart dat hij via [betrokkene 2] in contact is gekomen met [verdachte] . Uiteindelijk heeft een gesprek plaatsgevonden met [betrokkene 1] , waarin een bandbreedte is genoemd van het uurtarief Later zijn de contracten toegestuurd, waarin een vergoeding stond van € 225,- per uur. Op de facturen van [verdachte] stond “adviesdiensten”. Er hebben niet daadwerkelijk adviesdiensten plaatsgevonden, [verdachte] heeft alleen de introductie van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] bij SNSPF verricht.

[verdachte] verklaart dat SNSPF niet op de hoogte was van de vergoeding die hij ontving van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . [verdachte] heeft alleen [betrokkene 1] verteld dat hij deze vergoeding ontving. Daarnaast waren [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] op de hoogte van de afspraak tussen [verdachte] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] .

Door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] is in de periode van 17 november 2010 tot en met 16 december 2012 in totaal een bedrag aan € 175.987,50 (exclusief btw) gefactureerd aan [R] , met als omschrijving “Adviesdiensten t.b.v. [R] - [betrokkene 2] ”. Deze facturen zijn in de periode van 29 november 2010 tot en met 30 januari 2013 voldaan. Verder zijn door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in de periode van 17 november 2010 tot en met 17 januari 2013 facturen gestuurd voor een totaalbedrag van € 282.862,50 (exclusief btw) naar [R] , met de omschrijving “Adviesdiensten t.b.v. [R] - [betrokkene 3] ”. (…)

(…)

Tot zover de overwegingen van de rechtbank waarmee het hof zich verenigt.

(…)

Tenslotte dient bij [verdachte] de vraag beantwoord te worden of de betalingen van dien aard waren of onder zodanige omstandigheden zijn gedaan, dat [verdachte] redelijkerwijs moest aannemen dat [betrokkene 1] deze betalingen in strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegenover SNSPF. Alleen al het feit dat in de overeenkomst tussen SNSPF en [verdachte] niets is vermeld over een provisie aan [betrokkene 1] is daarvoor een aanwijzing. Voorts is de omschrijving van de provisie op de facturen niet voor de hand liggend en zelfs vals. Hoewel die facturen niet werden gebruikt ten opzichte van SNSPF, is dit een aanwijzing dat men bij ontdekking van de geldstromen een alternatieve verklaring wilde geven. In het feit dat [verdachte] aan de personen die aan hem betaalden heeft gemeld dat zij – ondanks andersluidende instructies van SNSPF – de facturen via hem moesten blijven inleveren vindt het hof een bevestiging dat hij er ook daadwerkelijk vanuit ging dat SNSPF niet op de hoogte was. Anders zou het immers evenzeer mogelijk zijn geweest voor hem of [betrokkene 1] om de gewerkte uren via SNSPF te achterhalen.

(…)

In aanvulling op de overweging van de rechtbank dat [verdachte] redelijkerwijs had moeten verwachten dat de afspraak tot het betalen van kickbacks verzwegen werd, merkt het hof op dat [verdachte] ook zelf ten opzichte van SNSPF heeft verzwegen dat hij kickbacks ontving en derhalve bewust (en dus opzettelijk) op dezelfde wijze handelde als [betrokkene 1] .

(…)

7.7. Valsheid in geschrift (feiten 3, 8, 10 en 12)

De rechtbank heeft met betrekking tot de valsheid in geschrift in het bijzonder het volgende overwogen waarbij het hof zich aansluit.

"Valsheid facturen

(…)

De rechtbank is van oordeel dat alle hiervoor besproken facturen, opgenomen in het bewijsoverzicht Bijlage II, I (door het hof als bijlage 3 bij dit arrest gevoegd) valselijk zijn opgemaakt. Daarbij is van belang dat de facturen betrekking hadden op de betaling voor de onderling gemaakte afspraken. Anders dan de omschrijvingen op de facturen suggereren, werden met de facturen dan ook geen adviezen of andere werkzaamheden in rekening gebracht, zoals dit is overwogen bij de niet-ambtelijke omkoping. Aan de hand van de omschrijving op de facturen kan dus niet worden afgeleid op welke onderliggende afspraken en betalingen de facturen in werkelijkheid betrekking hadden. De facturen zijn opgemaakt ten behoeve van de verzwegen omkoping en de bijbehorende betaalstroom en zijn bedoeld om deze betalingen een titel te verschaffen. Met de opgenomen valse omschrijvingen is de werkelijke aard van deze betaalstroom verhuld.

Ook ten tijde van het opmaken van de facturen door [verdachte] en het verkrijgen van de door anderen opgemaakte facturen had hij wetenschap van de aard van de betalingen waarop deze facturen in werkelijkheid betrekking hadden en had hij daarmee ten minste voorwaardelijk opzet op de valsheid hiervan. Hij heeft de aanmerkelijke kans op de valsheid van deze facturen willens en wetens aanvaard.

42. De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de facturen vals zijn onbegrijpelijk is, althans dat dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd en het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ontoereikend gemotiveerd is verworpen.

43. Uit de toelichting op het middel blijkt dat de stellers van het middel doelen op de volgende onderdelen van de als bijlage 6 aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotitie25:

“4.1.1 Omschrijving op de facturen

De facturen van [E]

31. Op de facturen van de [E] vennootschappen staan de volgende omschrijvingen: 'advisering' en 'corporate finance advisering'. [E] c.s. mochten deze werkzaamheden declareren omdat [verdachte] zijn ereschuld aan [betrokkene 1] wilde voldoen, daarop ben ik zojuist al ingegaan. De facturen van [E] hebben betrekking op die werkzaamheden van [betrokkene 1] . De omschrijving 'advisering' en 'corporate finance advisering' is dan ook een juiste omschrijving van de verrichte diensten/werkzaamheden.

De facturen van en aan 'de Groningers' vanuit de [I] vennootschappen

32. Het was voor de verzenders en ontvangers volkomen helder waar de facturen betrekking op hadden. Zij wisten wat de onderliggende prestatie was. Dat is ook door alle verdachten in dit onderzoek verklaard.

33. Zoals [verdachte] consistent heeft verklaard was hij in de veronderstelling dat de omschrijving 'adviesdiensten' de lading dekte van de reden van de betalingen en ontvangsten, zijnde een fee voor de introductie/voordragen van personen die bij SNSPF zouden kunnen werken. Ook de andere verdachten in dit dossier hebben verklaard dat een bemiddelingsfee onder het ruime begrip adviesdiensten te scharen is.

34. [verdachte] en 'de Groningers' konden er ook van uit gaan dat die omschrijving voldoende juist is. Zie o.a. de verklaring van [betrokkene 4] dat hij de omschrijving met zijn accountant heeft besproken, die vond het voldoende omschreven.

4.1.2 Het oordeel van de rechtbank

(…)

35. Ten eerste gaat de rechtbank er aan voorbij dat er wel degelijk sprake van een prestatie, van een dienst. Namelijk vinden financiers ( [betrokkene 1] ) en bemiddeling/introductie bij SNS(PF).

36. In haar oordeel over de valsheid in geschrift maakt de rechtbank een koppeling met de verzwegen omkoping en de bijbehorende betaalstromen (om die reden zouden de facturen zijn opgemaakt). Door [verdachte] en de Groningers is na daarover te zijn bevraagd verklaard dat ze beter bemiddeling fee/vergoeding hadden kunnen opschrijven, ter specificatie van de meer algemene omschrijving advies. Zij hebben ook allen verklaard dat zij met die omschrijving niets hebben willen verhullen.

37. De redenering van de rechtbank brengt mee dat wanneer op de facturen de omschrijving bemiddelingsfee zou staan er geen sprake zou zijn van valse facturen omdat dan (wel) de juiste titel zou zijn opgenomen. In dat geval zou de 'verzwegen omkoping' immers niet kunnen leiden tot het oordeel dat de facturen vals zijn, omdat dan wel 'kan worden afgeleid op welke onderliggende afspraken en betalingen de facturen in werkelijkheid betrekking hadden'.

38. [verdachte] heeft met de omschrijving op de facturen niet, zoals de rechtbank heeft geoordeeld de werkelijke aard van de betaalstromen willen verhullen. Integendeel, de geldstromen waren volledig zichtbaar juist door die facturen. Zowel voor de accountant als voor de fiscus was duidelijk zichtbaar aan welke vennootschappen welke bedragen in rekening werden gebracht. Indien daar vragen over werden gesteld zoals dat door de accountant is gedaan, dan gaf [verdachte] aan waar die bedragen betrekking op hadden.

39. Ik verwijs naar het feit dat [betrokkene 6] , na het gesprek met zijn accountant [betrokkene 8] in juni 2012 waarin hij er op is gewezen dat de omschrijving advies niet juist is, facturen aan [medeverdachte 2] is blijven sturen. In het dossier bevinden zich drie van die facturen m.b.t. de maanden juni t/m augustus 2012 ( [001] , [002] en [003] ). Op elk van die facturen is zowel de omschrijving 'advies' als 'diensten' [met daarbij een aanduiding van de periode] opgenomen.

40. Daarna is er nog een drietal facturen verstuurd door [Q] aan [medeverdachte 2] , maar deze bevinden zich niet in het dossier. Het betreft:

- Een factuur van oktober 2012 m.b.t. september 2012, daarop staat twee keer de omschrijving 'diensten' (Bijlage 3).

- Twee facturen d.d. 28 januari 2013 [Q] aan [medeverdachte 2] m.b.t. september en oktober 2012. Deze facturen bevatten de omschrijving commissie (Bijlage 4).

41. In de jaarrekeningen over 2011 en 2012 zijn de ontvangen en uitbetaalde bedragen opgenomen als bemiddelingsprovisies. Die jaarrekeningen zijn in november 2013 vastgesteld, maar waar het om gaat is dat de geldstromen zichtbaar en verantwoord zijn. Bovendien waren de onderliggende facturen hiervan al vanaf 2011 in het bezit van de accountant. Deze zijn in de verwerking op dat moment niet anders meegenomen dan in de rubricering inkoopfacturen (om later eventueel anders verwerkt te worden)”

44. Het hof heeft de bewezenverklaring van het onder 3, 8, 10 en 12 ten laste gelegde doen steunen op de hiervoor aangehaalde bewijsoverwegingen alsmede op het als bijlage 3 bij het arrest gevoegde bewijsmiddelenoverzicht facturen. In dit overzicht is per factuur het volgende weergegeven: het nummer, van wie de factuur afkomstig is, aan wie de factuur gericht is, de omschrijving, de factuurdatum, het bedrag (excl. BTW) en de betaaldatum.

45. De bewezenverklaring van de feiten 3, 8, 10 en 12 is toegesneden op art. 225 Sr dat, voor zover van belang, luidt:

"1. Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift aflevert of voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik."

46. In het kader van art. 225 Sr zijn twee vormen van valsheid te onderscheiden. Bij de zogenaamde materiële valsheid bestaat de valsheid in het doen voorkomen alsof het geschrift afkomstig is van een ander dan de werkelijke schrijver. Wanneer de inhoud van een geschrift niet overeenstemt met de werkelijkheid is sprake van intellectuele valsheid.26 In de parlementaire geschiedenis is van deze laatste vorm onder meer als voorbeeld opgenomen de “onware opgave in koopmansboeken; de koopman die valsch boekt, schept zich zoo een titel, een bewijs.”27

47. Uit de bewijsoverwegingen van het hof en bijlage 3 bij het bestreden arrest blijkt dat sprake is van drie soorten facturen: facturen gericht aan vennootschappen van de verdachte en afkomstig van vennootschappen van [betrokkene 1] (bewezen verklaard onder 3 en 8), facturen afkomstig van vennootschappen van de verdachte gericht aan vennootschappen van personen die de verdachte heeft aangebracht bij SNS PF (bewezen verklaard onder 10) en facturen gericht aan vennootschappen van de verdachte en afkomstig van vennootschappen van personen die bij de verdachte personen hebben aangebracht voor een functie bij SNS PF (bewezen verklaard onder 12).

48. Ten aanzien van de facturen gericht aan een vennootschap van de verdachte en afkomstig van een vennootschap van [betrokkene 1] heeft het hof vastgesteld dat een deel van deze facturen betrekking heeft op de tussen [betrokkene 1] en de verdachte gemaakte afspraak dat de verdachte een deel van zijn inkomsten van SNS PF zou afstaan aan [betrokkene 1] . De bewijsoverwegingen houden in dat kader in dat de verdachte heeft verklaard dat er nooit werkzaamheden van [betrokkene 1] zijn geweest die betrekking hebben op de periode zoals genoemd in de facturen. De overige facturen zagen volgens de vaststellingen van het hof op de tussen [betrokkene 1] en de verdachte gemaakte afspraak dat de verdachte een deel van de vergoedingen die hij kreeg van de hierna te noemen personen zou doorbetalen aan [betrokkene 1] . Verder heeft het hof in aanmerking genomen dat de facturen zijn opgemaakt ten behoeve van de verzwegen omkoping, waarbij het hof in dit verband kennelijk het oog heeft gehad op de omkoping van [betrokkene 1] door de verdachte, en dat met de omschrijvingen de werkelijke aard van de betaalstroom is verhuld. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de omschrijvingen op de facturen (“advisering” en “corporate finance advisering”) in strijd met de waarheid zijn en dus ‘vals’ getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de vaststellingen van het hof niet onbegrijpelijk.

49. De facturen afkomstig van een vennootschap van de verdachte en gericht aan vennootschappen van personen die de verdachte heeft aangebracht bij SNS PF betreffen facturen gericht aan de vennootschappen van [betrokkene 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 5] en [betrokkene 4] . Deze facturen vermelden telkens als omschrijving “Adviesdiensten t.b.v.” de vennootschap waaraan de factuur gericht is. Het hof heeft vastgesteld dat deze facturen betrekking hadden op de onderlinge afspraken tussen de verdachte en de hiervoor genoemde personen, inhoudende dat zij aan de verdachte een vergoeding zouden betalen in verband met het aanbrengen van deze personen bij SNS PF door de verdachte. Verder houden de bewijsoverwegingen van het hof onder meer in dat verschillende personen, onder wie de verdachte, hebben verklaard dat de omschrijving op bepaalde facturen onjuist is of een andere had moeten zijn dan wel dat geen adviesdiensten hebben plaatsgevonden. Het hof heeft met zijn overwegingen tot uitdrukking gebracht dat in de facturen een onjuiste voorstelling van zaken is voorgespiegeld en dat deze daarmee de werkelijkheid geweld aandoen. Het heeft overwogen dat met de opgenomen omschrijvingen de werkelijke aard van de betaalstroom is verhuld. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de vaststellingen van het hof niet onbegrijpelijk.

50. Ten slotte is sprake van facturen die zijn gericht aan vennootschappen van de verdachte en die afkomstig zijn van vennootschappen van personen die bij de verdachte personen hebben aangebracht voor een functie bij SNS PF. Het gaat daarbij om facturen die afkomstig zijn van de vennootschappen van [betrokkene 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] . Ten aanzien van deze facturen heeft het hof vastgesteld dat zij betrekking hebben op de onderlinge afspraak tussen de verdachte en deze personen, inhoudende dat zij een vergoeding zouden ontvangen voor het aanbrengen van personen. Op de facturen staat vermeld “advies, “werkzaamheden inzake [R] ” respectievelijk “advisory and consultancy services”. De bewijsoverwegingen van het hof houden ten aanzien van deze facturen onder meer in dat [medeverdachte 4] heeft verklaard dat de omschrijving op de facturen van [medeverdachte 7] niet correct was, maar dat hij bewust aansluiting heeft gezocht bij de facturen die door de verdachte aan hem werden gestuurd.

51. Ook ten aanzien van de laatstgenoemde categorie facturen heeft het hof, in navolging van de rechtbank, geoordeeld dat deze vals zijn. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de facturen betrekking hadden op de betaling voor de onderling gemaakte afspraken terwijl de omschrijvingen ten onrechte suggereren dat met de facturen adviezen of andere werkzaamheden in rekening werden gebracht en aan de hand van de omschrijving op de facturen ook overigens niet kan worden afgeleid op welke onderliggende afspraken en betalingen de facturen in werkelijkheid betrekking hadden. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat met de omschrijving op de facturen de werkelijkheid geweld wordt aangedaan en dus sprake is van intellectuele valsheid van de facturen.28 Het hof heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat met de valse omschrijvingen de werkelijke aard van de betaalstroom is verhuld.

52. In het licht van het voorafgaande, getuigt het oordeel van het hof dat sprake is van valse facturen niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel evenmin onbegrijpelijk is.

53. Het oordeel van het hof behoefde geen nadere motivering, ook niet in het licht van het door de verdediging gevoerde verweer. De motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv ten aanzien van een tot vrijspraak strekkend uitdrukkelijk onderbouwd standpunt gaat immers niet zo ver dat bij de verwerping daarvan op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.29

54. De eerste deelklacht faalt.

55. De tweede deelklacht houdt in dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de valsheid van de facturen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Aan deze klacht hebben de stellers van het middel ten grondslag gelegd dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan worden afgeleid dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat de facturen vals waren.

56. Ten aanzien van het opzet op de valsheid van de facturen heeft het hof overwogen dat de verdachte ten tijde van het opmaken van de facturen en het verkrijgen van de door anderen opgemaakte facturen wetenschap had van de aard van de betalingen waarop deze facturen in werkelijkheid betrekking hadden en hij daarmee ten minste voorwaardelijk opzet op de valsheid van de facturen had.

57. In dat kader is van belang dat [verdachte] heeft verklaard dat er nooit werkzaamheden van [betrokkene 1] zijn geweest die betrekking hebben op de periode van de facturen. De omschrijving op de facturen van [betrokkene 1] aan [verdachte] , te weten “honorering advisering” klopt volgens [verdachte] niet. Ook de omschrijving van de facturen die aan [medeverdachte 5] waren gericht, had volgens [verdachte] anders moeten zijn, te weten “bemiddelingsfee”. het hof heeft voorts overwogen dat met de omschrijvingen de werkelijke aard van de betaalstroom is verhuld. Daarmee heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de facturen opzettelijk valselijk zijn opgemaakt teneinde de werkelijke aard van de geldstromen tussen (de vennootschappen van) de verdachte en de medeverdachten te verhullen. Dat vindt bevestiging in de overweging van het hof dat het in de valse omschrijvingen een aanwijzing ziet dat de betrokkenen bij ontdekking van deze geldstromen een alternatieve verklaring hebben willen geven.

58. Het oordeel van het hof dat de verdachte ten tijde van het opmaken van de facturen respectievelijk het voorhanden hebben daarvan wetenschap had van de aard van de betalingen waarop de facturen in werkelijkheid betrekking hadden en hij daarmee ten minste voorwaardelijk opzet had op de valsheid hiervan, is in het licht van de hiervoor weergegeven vaststellingen van het hof niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

59. De tweede deelklacht faalt.

60. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het bestreden arrest niet slechts voor de beslissingen ten aanzien van de feiten 3,8, 10 en 12, maar ook voor de beslissingen ten aanzien van feit 14 niet in stand kan blijven. Daartoe wordt aangevoerd dat grote verwevenheid bestaat tussen deze feiten, omdat de criminele organisatie waaraan de verdachte volgens het hof deelnam volgens de bewezenverklaring mede het plegen van valsheid in geschrift tot oogmerk had. In aanmerking genomen dat beide deelklachten tevergeefs zijn voorgesteld, kan dit betoog reeds daarom nergens toe leiden.

61. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

62. Het tweede middel komt met drie deelklachten op tegen de bewezenverklaring van het onder 13 ten laste gelegde gewoontewitwassen.

63. Ten laste van de verdachte is onder 13, voor zover in cassatie van belang, bewezen verklaard dat:30

“hij in de periode van 10 november 2010 tot en met 12 maart 2013 in Nederland van voorwerpen, te weten geldbedragen tot een totaal bedrag van circa Euro 1.649.089,70 (exclusief/zonder btw), bestaande uit

circa Euro 66.990,- (exclusief btw) (ontvangen van [betrokkene 4] op basis van de facturen (…))

en

circa Euro 117.950,- (exclusief btw) (ontvangen van [betrokkene 4] op basis van de facturen (…))

en

circa Euro 137.165,- (exclusief btw) (ontvangen van [betrokkene 5] op basis van de facturen (…))

en

circa Euro 118.090,- (exclusief btw) (ontvangen van [betrokkene 5] op basis van de facturen (…))

en

circa Euro 138.900,- (exclusief btw) (ontvangen van [betrokkene 6] op basis van de facturen (…))

en

circa Euro 89.550,- (exclusief btw) (ontvangen van [betrokkene 6] op basis van de facturen (…))

en

circa Euro 116.812,50 (exclusief btw) (ontvangen van [betrokkene 2] op basis van de facturen (…))

en

circa Euro 59.175,- (exclusief btw) (ontvangen van [betrokkene 2] op basis van de facturen (…))

en

circa Euro 151.500,- (exclusief btw) (ontvangen van [betrokkene 3] op basis van de facturen (…))

en

circa Euro 131.362,50 (exclusief btw) (ontvangen van [betrokkene 3] op basis van de facturen (…))

en

circa Euro 148.721,25 (exclusief btw) (ontvangen van [medeverdachte 5] op basis van de facturen (…))

en

circa Euro 141.187,50 (exclusief btw) (ontvangen van [medeverdachte 5] op basis van de facturen (…))

en

circa Euro 116.396,11 (exclusief btw) (ontvangen van [medeverdachte 4] op basis van de facturen (…) verrekend met de facturen (…) en één (1) tot op heden onbekend gebleven factuur)

en

circa Euro 115.289,98 (exclusief btw) (ontvangen van [medeverdachte 4] op basis van de facturen (…) verrekend met de facturen (…) en twee (2) tot op heden onbekend gebleven facturen)

en vervolgens van die circa Euro 1.649.089,70 (exclusief/zonder btw)

circa Euro 45.762,50 (exclusief btw) (betaald aan [betrokkene 6] op basis van de facturen (…)

en

circa Euro 36.712,50 (exclusief btw) (betaald aan [betrokkene 6] op basis van de facturen (…))

en

circa Euro 24.963,77 (betaald aan [medeverdachte 5] op basis van de facturen (…)) en

circa Euro 15.414,39 (exclusief btw) (betaald aan [medeverdachte 5] op basis van de facturen (…))

en

circa Euro 978,75 (exclusief btw) (betaald aan [medeverdachte 4] op basis van de factuur (…)

en

circa Euro 187.429,64 (zonder btw) (betaald aan [medeverdachte 1] op basis van de facturen (…))

en

circa Euro 137.497,51 (zonder btw) (betaald aan [medeverdachte 1] op basis van de facturen (…))

en

circa Euro 53.062,50 (exclusief btw) (betaald aan [betrokkene 1] op basis van de facturen (…))

en

circa Euro 321.514,- (zonder btw) (betaald aan [betrokkene 1] op basis van de facturen (…)),

en die geldbedragen heeft omgezet en/of heeft overgedragen en/of van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, telkens wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

terwijl hij, verdachte, daarvan een gewoonte heeft gemaakt”.

64. Het hof heeft de bewezenverklaring, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, als volgt gemotiveerd31:

7.4 Nadere bewijsoverwegingen

(…)

Het hof kan zich vinden in de navolgende overwegingen die de rechtbank in haar vonnis met betrekking tot het bewijs heeft opgenomen en hieronder cursief zijn weergegeven. Het hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne.

7.5 Overwegingen met betrekking tot het bewijs

"(…)

Niveau 2: (...)

(…)

[betrokkene 6]

(…)

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben in de periode van 5 oktober 2010 tot en met 31 december 2012 voor in totaal € 228.450,- (exclusief btw) gefactureerd aan [Q] . Deze facturen zijn door [Q] in de periode van 10 november 2010 tot en met 14 januari 2013 voldaan.

(…)

[betrokkene 5]

(…)

Door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] is in de periode van 19 januari 2011 tot en met 11 november 2012 in totaal een bedrag van € 255.255,- (exclusief btw) gefactureerd aan [P] . Deze facturen zijn in de periode van 26 januari 2011 tot en met 30 november 2012 door [P] voldaan.

(…)

[betrokkene 4]

(…)

Door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] is in de periode van 16 juni 2011 tot en met 11 november 2012 in totaal een bedrag van € 184.940,- (exclusief btw) gefactureerd aan [O] . Deze facturen zijn in de periode van 1 juli.2011 tot en met 3 december 2012 door [O] voldaan.

(…)

[medeverdachte 4]

(…)

Door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] is in de periode van 25 oktober 2010 tot en met 17 januari 2013 voor een bedrag van in totaal € 276.787,50 (exclusief btw) gefactureerd aan [medeverdachte 7] . Deze facturen zijn in de periode van 11 november 2010 tot en met 26 januari 2013 door [medeverdachte 7] voldaan.

(…)

Door [medeverdachte 7] is in de periode van 20 november 2010 tot en met 31 december 2012 een bedrag van in totaal €45.900,16 (exclusief btw) gefactureerd aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Daarvan is alleen de eerste factuur van € 798,75 (exclusief btw) door [medeverdachte 3] op 29 november 2010 betaald. De overige factuurbedragen zijn in de periode van 30 december 2010 tot en met 26 januari 2013 verrekend met de bedragen die [verdachte] aan [medeverdachte 4] in rekening bracht. Van de betalingen op 1 november 2011 (over september 2011), 17 maart 2012 (over februari 2012) en 17 oktober 2012 (over september 2012) zijn geen onderliggende facturen aangetroffen. De factuurbedragen betroffen (kennelijk) respectievelijk € 1.983,87, € 1.586,25 en € 1.335,00 (alle exclusief btw).

[medeverdachte 5]

(…)

Door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] is in de periode van 25 oktober 2010 tot en met 17 januari 2012 in totaal een bedrag van € 289.908,75 (exclusief btw) gefactureerd aan [A] . Deze facturen zijn in de periode van 12 november 2010 tot en met 27 januari 2013 door [A] voldaan.

(…)

[betrokkene 2] en [betrokkene 3]

(…)

Door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] is in de periode van 17 november 2010 tot en met 16 december 2012 in totaal een bedrag aan € 175.987,50 (exclusief btw) gefactureerd aan [R] , met als omschrijving “Adviesdiensten t.b.v. [R] - [betrokkene 2] ”. Deze facturen zijn in de periode van 29 november 2010 tot en met 30 januari 2013 voldaan. Verder zijn door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in de periode van 17 november 2010 tot en met 17 januari 2013 facturen gestuurd voor een totaalbedrag van € 282.862,50 (exclusief btw) naar [R] , met de omschrijving “Adviesdiensten t.b.v. [R] - [betrokkene 3] ”. Deze facturen zijn in de periode van 3 december 2010 tot en met 30 januari 2013 voldaan.

Bestemming ontvangsten

[verdachte] heeft via zijn vennootschappen in de periode van 10 november 2010 tot en met 30 januari 2013 voornoemde gefactureerde betalingen ontvangen van de vennootschappen [O] , [P] , [Q] , [R] , [A] en [medeverdachte 7] .

Een deel hiervan, te weten een bedrag van € 1.074.013,- (inclusief btw), is ontvangen op de rekening van [medeverdachte 3] . (…)

(…)

Het resterende deel, te weten een bedrag van € 946.507,- (inclusief btw), is ontvangen op de rekening van [medeverdachte 2] vanaf de opening van deze rekening op 24 januari 2012. (…)

(…)

Tot zover de overwegingen van de rechtbank waarmee het hof zich verenigt.

(…)

7.8 Gewoontewitwassen (niveau 2, feit 13)

(…)

Het hof stelt vast dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode geldbedragen tot een totaal van € 1.649.191,251 (exclusief btw) in niveau 2 heeft ontvangen. Verdachte heeft dit bedrag met behulp van het medeplegen van niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift verkregen. Het verhullen is aldus verweven met het gronddelict en kan niet worden gezien als de vereiste “extra verhullende handeling”.”

65. De eerste deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte dan wel onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf, aangezien uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de geldbedragen afkomstig zijn uit omkoping en valsheid in geschrift, althans dat de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend is gemotiveerd.

66. Art. 420bis, eerste lid, Sr luidde ten tijde van het bewezen verklaarde, voor zover hier van belang, als volgt:

“Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:

(…)

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp — onmiddellijk of middellijk — afkomstig is uit enig misdrijf.”

67. Art. 420ter Sr luidde ten tijde van het bewezen verklaarde als volgt:

“Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

68. Ik stel voorop dat voor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat het desbetreffende voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in art. 420bis Sr genoemde delictsgedragingen.32

69. Het enkele feit dat voorafgaand aan de witwashandeling een misdrijf is begaan, maakt nog niet dat het voorwerp ook afkomstig is uit dat misdrijf. In dat kader is relevant dat in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 606, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven, het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ op één lijn lijkt te worden gesteld met opbrengsten uit enig misdrijf.33 Zo houdt de memorie van toelichting onder meer het volgende in:

"Voor de strafwaardigheid van het witwassen maakt het niet uit of de witwasser eigen crimineel voordeel witwast dan wel de opbrengst van andermans misdrijf. In beide gevallen is sprake van een schending van de door de strafbaarstelling van witwassen beschermde rechtsgoederen (namelijk aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde), die op zichzelf voldoende grond is voor bestraffing. In veel gevallen zal het de drugshandelaar of fraudeur zèlf zijn die (een deel van de) witwashandelingen pleegt, namelijk om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen. In andere gevallen gaat het om de meer georganiseerde vormen van criminaliteit, waarbij vele personen zijn betrokken en waarbij uiteenlopende criminele handelingen (zowel gronddelicten als witwashandelingen) worden gepleegd. In zo'n geval is minder relevant wie precies de witwassers zijn en wie de plegers van de gronddelicten en zou een verdachte mijns inziens bijvoorbeeld voor medeplegen aan witwassen moeten kunnen worden vervolgd ook al is niet uitgesloten dat hij zich, als lid van de criminele organisatie, mede schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan het gronddelict (in zo'n geval kan overigens ook artikel 140 Sr worden telastegelegd, zie HR 14 september 1999, NJ 2000/23). Ook de internationale witwasovereenkomsten maken geen onderscheid tussen het witwassen van opbrengsten van eigen of het witwassen van opbrengsten van andermans misdrijven.

(…)

Afkomstig uit enig misdrijf

Voldoende is dat wordt (tenlastegelegd en) bewezen dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Niet vereist is dat de rechter identificeert welk misdrijf precies aan het voorwerp ten grondslag ligt. Vaak zal dit niet mogelijk zijn, terwijl het ook niet relevant is voor de strafwaardigheid van het witwassen. Gaat het bijvoorbeeld om handelingen van verdachte Y ten aanzien van een bankrekening waarop hij en zijn compaan opbrengsten van hun verschillende criminele activiteiten (mensenhandel, afpersing, drugshandel) plachten te storten, maar is niet duidelijk uit welke van die activiteiten de betrokken gelden afkomstig waren (wellicht uit allemaal), dan kan niettemin bewezen worden geacht dat die gelden uit enig misdrijf afkomstig waren.

Zowel het openbaar ministerie als de politie (bij monde van het Korpsbeheerdersberaad en de Raad van Hoofdcommissarissen) hebben er in hun commentaren op het eerdere ontwerp voor gepleit de strafbaarstelling van het witwassen uit te doen strekken tot opbrengsten uit ieder strafbaar feit, dus niet alleen uit misdrijven maar ook uit overtredingen. Daarbij denken zij met name aan bepaalde lucratieve milieudelicten, die strafbaar zijn gesteld op grond van de WED. Deze delicten vormen een misdrijf als zij opzettelijk zijn begaan en anders een overtreding. Vooralsnog zie ik geen aanleiding om de strafbaarstelling van het witwassen uit te breiden tot opbrengsten uit overtredingen. Zeker bij de meer grootschalige witwasactiviteiten zal al snel kunnen worden aangenomen dat de daaraan ten grondslag liggende gronddelicten opzettelijk zijn begaan, zodat sprake is van een misdrijf. In die gevallen zal ook de strafbaarstelling van een criminele organisatie (artikel 140 Sr) in beeld kunnen komen."34

70. Uit het voorafgaande volgt dat niet alleen sprake moet zijn van een temporeel verband tussen het eerdere misdrijf en het voorwerp, maar ook van causaal verband tussen het misdrijf en het voorwerp.35

71. In deze zaak heeft het bewezen verklaarde witwassen betrekking op de geldbedragen van in totaal € 1.649.191,25 die de verdachte op de rekeningen van zijn BV’s ( [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ) heeft ontvangen van (de vennootschappen van) [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] in verband met het aanbrengen van deze personen bij SNS PF. Het hof heeft overwogen dat de verdachte deze bedragen met behulp van het medeplegen van niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift heeft gekregen. Op deze overweging is het nodige af te dingen.

72. In de eerste plaats heeft het hof niet bewezen verklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de bewezen verklaarde feiten.

73. Daarbij komt het volgende. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de verdachte de geldbedragen met behulp van niet-ambtelijke omkoping heeft gekregen, is dat oordeel niet begrijpelijk. Het hof heeft de verdachte immers vrijgesproken van de onder 9 ten laste gelegde passieve niet-ambtelijke omkoping. Daaraan doet niet af dat het hof de verdachte wel heeft veroordeeld voor de onder 2 en 7 bewezen verklaarde niet-ambtelijke omkoping van de medeverdachte [betrokkene 1] . Het bewezen verklaarde witwassen ziet immers op gelden die de verdachte heeft ontvangen van anderen in verband met het aanbrengen van deze personen bij SNS PF (niveau 2), terwijl het onder 2 en 7 bewezen verklaarde betrekking heeft op de belofte en giften die de verdachte heeft gedaan aan [betrokkene 1] (niveau 1). Het oordeel van het hof dat de verdachte de geldbedragen met behulp van niet-ambtelijke omkoping heeft gekregen, is aldus in het licht van de vrijspraak van dat ten laste gelegde feit niet begrijpelijk.

74. Ten aanzien van het oordeel van het hof dat de geldbedragen afkomstig zijn uit valsheid in geschrift – waarmee het hof kennelijk het oog heeft gehad op het onder 10 bewezen verklaarde – geldt het volgende. In dit verband heeft het hof bewijsoverwegingen van de rechtbank overgenomen. Deze houden in dat de verdachte in niveau 2 geldbedragen heeft ontvangen en dat sprake is geweest van valse facturen die “zijn opgemaakt ten behoeve van de verzwegen omkoping en de bijbehorende betaalstroom en zijn bedoeld om deze betalingen een titel te verschaffen”. Vervolgens houden de bewijsoverwegingen in dat met de opgenomen valse omschrijvingen de werkelijke aard van deze betaalstroom is verhuld. Gelet op deze overwegingen over de werkelijke aard van de geldstroom, is het oordeel van het hof dat de geldbedragen afkomstig zijn uit valsheid in geschrift niet begrijpelijk. Het hof heeft immers juist vastgesteld dat de geldbedragen samenhingen met de onderling gemaakte afspraken in verband met het aanbrengen van de eerdergenoemde personen bij SNS PF. Door de valsheid in geschrift is de werkelijke aard van de titel van de betalingen verhuld. Niet valt in te zien dat de desbetreffende geldbedragen daarmee afkomstig zijn uit die valsheid in geschrift. In het licht daarvan acht ik het oordeel van het hof dat de geldbedragen afkomstig waren uit valsheid in geschrift niet begrijpelijk. Dat betekent dat de bewezenverklaring in zoverre niet naar de eis van de wet voldoende met redenen is omkleed. Het middel klaagt daarover terecht.

75. Nu de eerste deelklacht naar mijn mening terecht is voorgesteld, behoeven de tweede en de derde deelklacht geen bespreking.

76. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het bestreden arrest niet slechts voor de beslissingen ten aanzien van feit 13, maar ook voor de beslissingen ten aanzien van feit 14 niet in stand zou kunnen blijven. Daartoe wordt aangevoerd dat grote verwevenheid bestaat tussen deze feiten, omdat de criminele organisatie waarvan de verdachte volgens het hof de leider was mede tot oogmerk had het plegen van het misdrijf (gewoonte)witwassen. Ik volg de steller van het middel hierin niet. Het middel als zodanig bevat geen klacht over het bewijs van het onder 14 ten laste gelegde. De aan deze opmerking ten grondslag liggende opvatting komt mij bovendien onjuist voor.

77. Het middel slaagt.

78. Het vierde middel bevat de klacht dat de strafoplegging onbegrijpelijk is, aangezien het hof in zijn strafmotivering feiten heeft betrokken waarvan de verdachte is vrijgesproken. Nu het tweede middel doel treft, kan het vierde middel buiten bespreking blijven.

79. Het tweede middel slaagt. Het eerste en het derde middel falen. Daarvan kan in elk geval het derde middel worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Het vierde middel kan buiten bespreking blijven. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

80. Deze conclusie strekt:

- tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn cassatieberoep, en

- tot vernietiging van de bestreden uitspraak – voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen – wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 13 ten laste gelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep van de verdachte voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5081.

2 Met weglating van voetnoten. De cursiveringen zijn overgenomen uit het arrest

3 Zie uitvoerig: H.A. Demeersseman, De autonomie van het materiële strafrecht, Arnhem: Gouda Quint 1985. Zo bepleit Demeersseman een zelfstandige uitleg van de term ‘last’ in art. 427 sub 2 Sr, waarbij hij disharmonieën met het civiele recht niet uitsluit. Zie in algemene zin ook J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 36.

4 Zie ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2014:2129, onder 18) voor HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3377.

5 Stb. 1967, 565.

6 Zie Kamerstukken II 1965/66, 8437, nr. 3 (MvT), en Kamerstukken II 1965/66, 8437, nr. 4.

7 Kamerstukken II 1965/66, 8437, nr. 4, p. 11.

8 Kamerstukken II 1965/66, 8437, nr. 4, p. 15.

9 Kamerstukken I 1965/66, 8437, nr. 65, p. 1 en 2. Ook tijdens de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer werd gesproken over “de vertrouwensrelatie tussen opdrachtgever en ondergeschikte”. Zie Handelingen II 1967, nr. 13, p. 337.

10 Met de wijziging van art. 328ter Sr op 1 januari 2015 is het beschermde rechtsbelang verruimd, aldus de minister van Veiligheid en Justitie, “in de zin dat het toepassingsbereik wordt verruimd: het gaat niet louter om de interne relatie tussen werkgever en werknemer (in het kader van een arbeidsrechtelijke verhouding), maar het belang van de consument, economische sector en samenleving bij een integere dienstverlening in de private sector.” Zie Kamerstukken II 2012/13, 33685, nr. 4, p. 14-15.

11 Kamerstukken II 1965/66, 8437, nr. 3, p. 2.

12 Kamerstukken II 1965/66, 8437, nr. 4, p. 15.

13 Kamerstukken II 1966/67, 8437, nr. 6, p. 1. Zie ook Kamerstukken II 1965/66, 8437, nr. 4, p. 9-11.

14 Trb. 2000, 130.

15 PbEU 2003, L 192.

16 Trb. 2004, 11.

17 Council of Europe, Explanatory Report to the Criminal Law Convention on Corruption, p. 11 (coe.int/en/web/conventions/full-list/-/conventions/treaty/173).

18 Kamerstukken II 2000/01, 27509, nr. 3, p. 16.

19 Kamerstukken II 2013/14, 33685, nr. 6, p. 11.

20 Een uitzondering vormt G.G. Vos, De strijd der plichten. Een (internationale) rechtsvergelijkende juridische analyse van het Nederlandse niet-ambtelijke omkopingsartikel (diss. Rotterdam), Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam 2015, p. 90. Hij bepleit in dit verband aansluiting te zoeken bij de betekenis in het burgerlijk recht.

21 J.F.L. Roording, ‘Corruptie in het Nederlandse strafrecht”, Preadvies voor de Vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, DD 2002, p. 106-161, m.n. p. 146-147.

22 T.R. van Roomen & E. Sikkema, Corruptiedelicten, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 119-123.

23 Omwille van de leesbaarheid laat ik de documentnummers van facturen weg in de weergave van de bewezenverklaring.

24 Met weglating van voetnoten. De onderstrepingen en cursiveringen zijn overgenomen uit het arrest

25 Met weglating van voetnoten.

26 E.J. Hofstee, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 4.3 bij art. 225 Sr (actueel t/m 14 januari 2017). Zie ook H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede deel, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 253.

27 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede deel, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 253.

28 Vgl. HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6354, de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter (ECLI:NL:PHR:2016:436) voor HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1021 (art. 81 RO) en de conclusie van mijn ambtgenoot Aben (ECLI:NL:PHR:2018:638, eerste middel) voor HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1674 (art. 81 RO).

29 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma, rov. 3.8.4 onder d.

30 Omwille van de leesbaarheid laat ik de documentnummers van facturen weg in de weergave van de bewezenverklaring.

31 Met weglating van voetnoten. De onderstrepingen en cursiveringen zijn overgenomen uit het arrest

32 Vgl. HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3046, NJ 2015/324, m.nt. Borgers, rov. 2.4, en HR 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:35, NJ 2018/424, m.nt. Wolswijk, rov. 3.3.2.

33 Vgl. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2014:1879, onder 20) voor HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3046, NJ 2015/324, m.nt. Borgers.

34 Kamerstukken II 1999/00, 27159, nr. 3, p. 6-16. Zie ook F. Diepenmaat, De Nederlandse strafbaarstelling van witwassen (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2016, p. 84-87.

35 Vgl. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2014:1879, onder 22) voor HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3046, NJ 2015/324, m.nt. Borgers, de conclusie van mijn ambtgenoot Aben (ECLI:NL:PHR:2017:1448, onder 10) voor HR 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:35, NJ 2018/424, en de noot van Wolswijk onder dat arrest (onder 3).