Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:374

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-04-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
20/00182
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1049
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. OM-cassatie. Beklag tegen ex art. 94 Sv gelegd beslag op een hond. Kan de beklagrechter klager aanstellen als bewaarder van de hond? De AG beantwoordt deze vraag, net als het OM, ontkennend. In de onderhavige zaak heeft de beklagrechter echter bij de behandeling in raadkamer voorgesteld om klaagster onder voorwaarden aan te stellen als bewaarder van de hond, waarmee zowel klaagster als de officier van justitie hebben ingestemd. Deze instemming kan worden gezien als een aanwijzing tot tijdelijke bewaarder door de officier van justitie ex art. 118 lid 2 Sv, zodat geen sprake is van een aanstelling tot bewaring door de rechtbank zelf, ook al heeft de rechtbank hiervan in haar beschikking melding van gemaakt. De AG adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep daarom te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2020/84 met annotatie van Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00182 B

Zitting 21 april 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klaagster] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de klaagster.

1 Inleiding

1.1.

De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 20 december 2019 het klaagschrift van de klaagster van 27 november 2019 ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan haar van een hond, ongegrond verklaard. Daarbij is door de rechtbank overwogen dat klaagster is aangesteld als bewaarder van de hond.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld door de officier van justitie. Plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam mr. H.H.J. Knol heeft namens plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam mr. W.J.V. Spek, één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

2.1.

Het middel bevat de klacht dat de rechtbank klaagster heeft aangesteld als bewaarder van de inbeslaggenomen hond, terwijl art. 552a Sv noch enig ander wettelijk voorschrift voorziet in de mogelijkheid dat de rechtbank bij de beoordeling van een ex art. 552a Sv ingediend klaagschrift beslist dat de indiener van het klaagschrift, dan wel iemand anders, wordt aangesteld tot bewaarder van het inbeslaggenomen goed.

2.2.

Het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 20 december 2019 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

De politierechter merkt op:

Het officier van jusitie wil de hond graag laten onderzoek naar de oorzaak/herkomst/datering van zowel de oude(re) als de nieuwe botbreuken. De belangen van beide partijen brengen met zich mee dat ik zoek naar een oplossing die voor beide partijen aanvaardbaar zal zijn. Ik stel daarom voor om klaagster als bewaarster aan te stellen van de hond [naam] . Klaagster zal dan wel medewerking moeten verlenen aan alle onderzoeken die bij de hond nog moeten worden gedaan.

De officier van justitie merkt op:

Klaagster zal de hond dan ook moeten meegeven indien dit noodzakelijk is en zal ook daaraan moeten meewerken.

Klaagster verklaart dat zij zich kan vinden in deze oplossing en volledig zal meewerken aan

voorstaand.”

2.3.

De bestreden beschikking houdt in:

Feiten

Op 12 november 2019 is te Krimpen aan den IJssel onder de klaagster op grond van 94 Sv beslag gelegd op een hond, te weten: een Pekinees, genaamd [naam] (hierna: de hond).

Standpunt klaagster

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag en teruggave van de hond aan klaagster. Daartoe is aangevoerd dat anderhalf jaar geleden de hond van de oud-eigenaar naar de moeder van klaagster is gegaan en dat het op dat moment niet goed ging met de hond. Klaagster heeft de zorg voor de hond sinds een halfjaar overgenomen van haar moeder. Van oude botbreuken weet klaagster niets af. Verder is haar enkel het incident bekend met de fietser als oorzaak van nieuwe botbreuken, maar daar is zij zelf niet bij geweest. Klaagster en haar vriend geven enorm veel om de hond en zorgen goed voor de hond. Zij wilden de hond niet opnieuw naar het dierenziekenhuis brengen vanwege de kosten en niet om de hond enige zorg te onthouden.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Daartoe is gesteld dat een deskundig nog onderzoek moet doen naar de oudere en nieuwe botbreuken en naar de mogelijke oorzaken daarvan, in samenhang met de verdenking van dierenmishandeling. Bovendien is het in de huidige situatie niet onaannemelijk dat de hond in de strafzaak door de rechter verbeurd zal worden verklaard of zal worden onttrokken aan het verkeer.

Beoordeling klacht

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak te treden.

In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

Uit de zich in het raadkamerdossier bevindende processen-verbaal kan worden opgemaakt dat in het dierenziekenhuis Rotterdam met röntgenfoto’s is vastgesteld dat de hond zowel oudere als recente(re) botbreuken heeft, met name aan de ribben.

Omdat op het moment van het onderzoek mogelijk nog sprake was van inwendig bloedverlies bij de hond, de hond veel pijn heeft en moeilijk ademde, is voorgesteld de hond voor observatie op te nemen. In verband met de kosten heeft klaagster daar geen gebruik van willen maken. Nadat klaagster zich niet had gehouden aan de afspraak met het dierenziekenhuis om de volgende dag met de hond terug te komen, is aangifte gedaan van mogelijke dierenmishandeling.

De rechtbank overweegt dat klaagster pas enkele maanden de zorg over de hond had en de kans reëel aanwezig is dat de niet recente botbreuken mogelijk van voor die tijd zijn. Nader onderzoek moet worden gedaan door een deskundige naar de mogelijke oorzaak van de nieuwe botbreuken.

Gelet hierop is er nog een onderzoeksbelang in de mogelijke strafzaak tegen klaagster. Voor dit onderzoek is echter niet noodzakelijk dat de hond in de opslag verblijft. Klaagster heeft ingestemd met het voorstel haar als bewaarster van de hond aan te stellen en dat zij tevens de hond voor nader onderzoek tijdelijk beschikbaar zal stellen aan een deskundige, een en ander voor de duur van het onderzoek van de deskundige naar datering van de (genezen) (bot)breuken en overige gezondheidstoestand/gesteldheid van de hond.

Van dat onderzoek zal mede afhankelijk zijn of het al dan niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de hond verbeurd zal verklaren dan wel zal onttrekken aan het verkeer. Het belang van de strafvordering verzet zich derhalve tegen opheffing van het beslag, zodat het beklag ongegrond moet worden verklaard.

Wel wordt klaagster aangesteld als bewaarder van de hond met verzoek aan de officier van justitie er zorg voor te dragen dat de hond met de kerstdagen al bij klaagster kan zijn.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beklag ongegrond.”

2.4.

Het middel stelt de vraag aan de orde of de beklagrechter de bevoegdheid toekomt om een bewaarder aan te wijzen van het inbeslaggenomen goed naar aanleiding van een klaagschrift, ‘mede gelet op eventuele civiele procedures waarin geklaagd zou kunnen worden dat het Openbaar Ministerie beslissingen van de rechter niet ten uitvoer legt’. De klacht van het openbaar ministerie is dat de rechtbank zich in het onderhavige geval met de aanstelling van klaagster als bewaarder van de inbeslaggenomen hond een bevoegdheid heeft aangemeten die haar op grond van de wet niet toekomt. Daarbij wordt een beroep gedaan zowel op de overzichtsbeschikking van de Hoge Raad van 28 september 20101, als op de wetssystematiek van de artikelen 116 e.v. Sv, waarin enkel aan het openbaar ministerie de bevoegdheid wordt toegekend een bewaarder aan te stellen.

2.5.

Voordat ik over ga tot de bespreking van het middel en de daarin aan de orde gestelde kwestie of de rechtbank bevoegd was een bewaarder aan te stellen voor de hond, geef ik eerst het hierop betrekking hebbende algemene juridische kader weer.

2.6.

Juridisch kader

2.6.1.

Art. 116 Sv luidt:

“1. De hulpofficier van justitie of de officier van justitie die op grond van artikel 94, derde lid, in kennis is gesteld van de kennisgeving van inbeslagneming, beslist over het voortduren van het beslag in het belang van de strafvordering. Indien dit belang niet of niet meer aanwezig is, beëindigt hij het beslag en doet hij het voorwerp onverwijld teruggeven aan degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen. De hulpofficier van justitie pleegt desgeraden overleg met de officier van justitie voordat hij de beslissing neemt.

2. Indien degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen ten overstaan van de rechter-commissaris, de officier van justitie of een opsporingsambtenaar schriftelijk verklaart afstand te doen van het voorwerp, kan de hulpofficier van justitie of het openbaar ministerie:

a. het voorwerp doen teruggeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt;

b. gelasten dat het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende in bewaring zal blijven, indien teruggave aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, nog niet mogelijk is;

c. in geval degene bij wie het voorwerp is in beslag genomen verklaart dat het hem toebehoort, gelasten dat daarmee wordt gehandeld als ware het verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer.

3. Wordt een verklaring als bedoeld in het tweede lid niet afgelegd, dan kan het openbaar ministerie de beslissing onder a of b alsnog nemen, indien degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen, zich niet binnen veertien dagen nadat het openbaar ministerie hem schriftelijk kennis heeft gegeven van het voornemen tot zodanige beslissing, daarover heeft beklaagd of het door hem ingestelde beklag ongegrond is verklaard. Op het beklag is titel IX van het Vierde Boek van overeenkomstige toepassing.

4. Indien een verklaring als bedoeld in het tweede lid niet wordt afgelegd en het openbaar ministerie voornemens is het voorwerp terug te geven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, is het bevoegd het voorwerp reeds aanstonds, in afwachting van de mogelijkheid tot teruggave, aan deze in bewaring te geven, indien degene bij wie het voorwerp is inbeslaggenomen, dit kennelijk door middel van een strafbaar feit aan die rechthebbende heeft onttrokken of onttrokken hield. Degene aan wie het voorwerp is afgegeven, is in dat geval bevoegd het voorwerp te gebruiken.

5. Indien het openbaar ministerie overeenkomstig het tweede of vierde lid of de rechtbank overeenkomstig artikel 353, tweede lid, de bewaring van het voorwerp heeft gelast, doet het openbaar ministerie dit voorwerp na het bekend worden van de rechthebbende aan deze teruggeven.”

2.6.2.

Art. 118 leden 1 en 2 Sv luiden:

“1. Bij toepassing van artikel 116, tweede lid, onder b, of indien het belang van de strafvordering zich verzet tegen teruggave en geen machtiging als bedoeld in artikel 117, eerste lid, is verleend, worden de inbeslaggenomen voorwerpen, zodra het belang van het onderzoek het toelaat, in opdracht van het openbaar ministerie, gesteld onder de hoede van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bewaarder. De artikelen 116 en 117 zijn toepassing.

2. Inbeslaggenomen voorwerpen kunnen ook aan een andere door het openbaar ministerie aangewezen bewaarder in gerechtelijke bewaring worden gegeven, indien dit voor het behoud, de bestemming of de beveiliging van deze voorwerpen redelijkerwijs noodzakelijk is.”

2.6.3.

Art. 116 regelt dus de bevoegdheid van de officier van justitie om bewaring ten behoeve van de (naar het oordeel van het openbaar ministerie) rechthebbende te gelasten. Art 118 Sv bedeelt de officier van justitie met de bevoegdheid om, zolang het beslag voortduurt, het voorwerp tijdelijk onder een door hem of haar aan te wijzen bewaarder te brengen. Verder geeft art. 353 lid 2 sub c Sv aan de zittingsrechter de bevoegdheid om indien ten tijde van de terechtzitting niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring te gelasten van een voorwerp.

2.6.4.

De overzichtsbeschikking van de Hoge Raad van 28 september 2010 houdt onder meer in (met weergave van de relevante voetnoten):

“2.6. De wet kent wat betreft de beklagprocedure niet de mogelijkheid van een last tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander dan degene die een klaagschrift strekkende tot teruggave heeft ingediend.6 Ook kent de wet niet de mogelijkheid dat op verzoek van een belanghebbende teruggave van het inbeslaggenomene aan een ander wordt gelast.7

Opmerking verdient daarbij dat de rechter die dient te beslissen op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, strekkende tot teruggave van op de voet van art. 94 of art. 94a Sv inbeslaggenomen voorwerpen, niet de bevoegdheid heeft ten behoeve van de rechthebbende de bewaring te gelasten van die voorwerpen, omdat een met art. 116 of art. 353 Sv vergelijkbare regeling ontbreekt.8

(…)

Voetnoten

7 Vgl. HR 2 april 1991, LJN ZC8769, NJ 1991, 633, HR 25 juni 2002, LJN AE2644 en HR 7 september 2004, LJN AP1533, NJ 2004, 593.

8 Vgl. HR 31 maart 2009, LJN BH1478, NJ 2009, 178.”

2.7.

Samengevat betekent het voorgaande dat de huidige beklagregeling zo is ingericht dat de beklagrechter enkel en alleen kan beslissen over de ontvankelijkheid van het beklag en de (on)gegrondheid daarvan. In dat systeem past, gelet op de hiervoor weergegeven wetsbepalingen en de aangehaalde overzichtsbeschikking van de Hoge Raad, niet dat de beklagrechter – naast zijn oordeel over het beklag – de bewaring gelast van het in beslag genomen voorwerp, noch ten behoeve van de rechthebbende, noch ten behoeve van de klager.2

In zoverre is het standpunt dat door de steller van het middel wordt ingenomen juist. Over de vraag of dit tot vernietiging van de onderhavige beschikking moet leiden ben ik echter een andere mening toegedaan dan de steller van het middel. De reden daarvan is gelegen in hetgeen tijdens de behandeling in raadkamer is voorgevallen.

2.8.

Uit het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling (zie hiervoor onder 2.2) maak ik op dat de “politierechter”, bedoeld zal zijn de beklagrechter, heeft voorgesteld om klaagster aan te stellen als bewaarder van de hond, onder de voorwaarde dat zij medewerking zal verlenen aan alle nog uit te voeren onderzoeken ten behoeve van de lopende strafzaak. Met dit voorstel hebben zowel klaagster als de officier van justitie ingestemd. De officier van justitie heeft immers opgemerkt dat klaagster de hond dan ook zal moeten meegeven indien dit noodzakelijk is, waarop klaagster heeft verklaard zich daarin te kunnen vinden en volledige medewerking te zullen verlenen. Dat de beklagrechter vervolgens in de beschikking heeft opgenomen dat klaagster wordt aangesteld als bewaarster van de hond, vind ik in dat licht bezien niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk. De instemming van de officier van justitie met de aanstelling van klaagster als bewaarster van de hond kan/moet immers worden gezien als een aanwijzing tot bewaarder door de officier van justitie als bedoeld in art. 118 lid 2 Sv. Hetgeen door de rechtbank in de gewraakte overweging in de beschikking is opgenomen, is slechts een bevestiging hiervan. Dat de rechtbank hierover niet zelf heeft beslist, kan ook worden afgeleid uit het feit dat de rechtbank deze aanstelling niet als ‘haar’ beslissing in het dictum van de beschikking heeft opgenomen.

2.9.

Het middel, dat ervan uit gaat dat de rechtbank klaagster heeft aangesteld als bewaarster, berust naar mijn mening dan ook op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking.

2.10.

Het middel faalt.

3 Conclusie

3.1.

Het middel faalt.

3.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

3.3.

Deze conclusie strekt verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823.

2 Vgl. de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Knigge, ECLI:NL:PHR:2009:BH1478, onder punt 11, voorafgaand aan HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1478.