Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:372

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-03-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
18/04642
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:658
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Rijden zonder rijbewijs, art. 107.1 WVW 1994. Strafmotivering, art. 22b Sr. Is het taakstrafverbod van toepassing? HR: Overtreding van art. 107.1 WVW 1994 is ex art. 177.1 jo. 178.2 WVW 1994 strafbaar gesteld als overtreding. Gelet hierop getuigt het oordeel van het hof dat het taakstrafverbod van art. 22b.2 Sr van toepassing is van een onjuiste rechtsopvatting. Het toepassingsbereik van art. 22b.2 Sr is immers beperkt tot veroordelingen voor een misdrijf. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04642

Zitting 3 maart 2020

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 12 oktober 2018 door het Gerechtshof Den Haag wegens ‘overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ veroordeeld tot twee weken hechtenis. Het hof heeft voorts de tenuitvoerlegging gelast van twee weken hechtenis die eerder voorwaardelijk waren opgelegd en de proeftijd van een andere voorwaardelijk opgelegde straf met een jaar verlengd.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.S. Nan en mr. S.A.H. Vromen, advocaten te 's-Gravenhage, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de toepassing van art. 22b Sr en/of de strafoplegging ontoereikend heeft gemotiveerd.

4. Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:

‘Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs een bromfiets bestuurd en heeft aldus gehandeld in strijd met voorschriften die gegeven zijn met het oog op de verkeersveiligheid.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28. september 2018, is de verdachte onder meer viermaal eerder onherroepelijk veroordeeld voor overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994. Daarnaast liep de verdachte ten tijde van het plegen van het onderhavige feit in twee proeftijden van veroordelingen voor soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof houdt bij de strafoplegging verder rekening met het feit dat artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, nu de verdachte eerder bij onherroepelijk vonnis van 30 juni 2016 voor overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, onder meer is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen geheel onvoorwaardelijke hechtenis van na te melden duur een passende en. geboden reactie vormt.’

5. De stellers van het middel vestigen er de aandacht op dat art. 22b, tweede lid, Sr meebrengt dat geen taakstraf kan worden opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd en de veroordeelde deze taakstraf heeft verricht of de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen. Het bewezenverklaarde feit betreft een overtreding. De in het uittreksel vermelde veroordeling van 30 juni 2016 betrof eveneens een overtreding (van art. 107, eerste lid, WVW 1994). Het hof ‘mocht zich dus niet gebonden achten aan art. 22b Sr, nu die bepaling niet van toepassing was’.

6. Het middel komt mij gegrond voor. Het in art. 107, eerste lid, WVW 1994 omschreven feit is strafbaar gesteld als overtreding (vgl. art. 177, eerste lid, WVW 1994 en art. 178, tweede lid, WVW 1994). De bewoordingen van art. 22b, tweede lid, Sr zijn duidelijk: het betreffende taakstrafverbod ziet op gevallen van veroordeling wegens misdrijf. De wetsgeschiedenis van deze bepaling werpt op die bewoordingen geen ander licht.1 Uit het geheel van ’s hofs overwegingen kan ook niet worden afgeleid dat de verwijzing naar art. 22b Sr een overweging ten overvloede is, en dat het hof bij afwezigheid van dit argument dezelfde straf had opgelegd. Het hof heeft ‘rekening gehouden’ met de toepasselijkheid van art. 22b Sr en is ‘dan ook’ van oordeel dat alleen geheel onvoorwaardelijke hechtenis van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

7. Het middel slaagt.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar Gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II 2009/10, 32169, nr. 3, p. 10.