Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:369

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-04-2020
Datum publicatie
22-05-2020
Zaaknummer
19/03488
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1591, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Compensatie voor passagiers luchtvaartmaatschappij op grond van EG-Verordening 261/2004 wegens annulering vlucht. Uitspraak kantonrechter waartegen geen hoger beroep open staat (art. 332 Rv); Small claims-Verordening. Ontvankelijkheid in cassatie; uitbreiding beperkte cassatiegronden (art. 80 lid 1 RO) tot schending EU-recht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03488

Zitting 3 april 2020

CONCLUSIE

B.J. Drijber

In de zaak van

Ryanair DAC,

verzoekster tot cassatie,

advocaat: M.E. Bruning

tegen

1. [verweerster 1]

2. [verweerster 2]

3. [verweerder 3],

verweerders in cassatie,

niet verschenen

Ryanair DAC wordt hierna aangeduid als Ryanair. Verweerders in cassatie worden hierna gezamenlijk aangeduid als de passagiers.

1 Inleiding

1.1

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie Eindhoven (hierna: de kantonrechter). Aanleíding voor het geschil is dat de door de passagiers geboekte vlucht van Faro (Portugal) naar vliegveld Eindhoven is geannuleerd als gevolg van een staking van een deel van het cabinepersoneel. De kantonrechter heeft Ryanair veroordeeld om op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening)1 aan de passagiers compensatie te betalen.

1.2

De toegewezen bedragen liggen onder de financiële appelgrens van € 1.750,00 per persoon. Cassatie is wél mogelijk, maar alleen op grond van de limitatieve gronden die zijn vermeld in art. 80 lid 1 RO. Schending van het recht behoort niet tot die gronden. Het cassatieberoep is er voornamelijk op gericht om deze gronden uit te breiden naar schending van het Unierecht. De kantonrechter zou de Verordening onjuist hebben toegepast en ten onrechte hebben nagelaten om overeenkomstig art. 267 derde alinea VWEU prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers zijn niet verschenen.

1.3

De onderhavige zaak hangt nauw samen met zaak 19/02472 (Aegean/ [… 1]) en zaak 19/02474 (Aegean/ [… 2] ). In die zaken voert Aegean Airlines, die wordt vertegenwoordigd door dezelfde cassatieadvocaat als Ryanair, hetzelfde betoog dat de gronden van art. 80 lid 1 RO moeten worden uitgebreid met schending van het Unierecht. Alleen in de zaak Aegean/ [… 1] wordt verweer gevoerd. In alle drie de zaken neem ik vandaag mijn conclusie.

1.4

Ik heb vastgesteld dat er nog meer zaken bij de Hoge Raad aanhangig zijn over deze problematiek en meen er goed aan te doen uw Raad daar op te wijzen.

1.5

Recent zijn door Aegean Airlines nog eens vier cassatieberoepen ingesteld, alle gericht tegen nagenoeg identieke vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 24 december 2019: 20/01146 (Aegean/ [… 3]), zaak 20/01147 (Aegean/ [… 4]), zaak 20/01171 (Aegean/ [… 5]). en zaak 20/01173 (Aegean/ [… 6]). In die zaken zijn in belangrijke mate dezelfde juridische vragen aan de orde als in de zaken Aegean/ [… 1] en Aegean/ [… 2].

1.6

Tot slot wijs ik op de zaak met het nummer 20/00085 (Qatar Airways/ [… 7]). Qatar Airways, vertegenwoordigd door dezelfde cassatieadvocaat als Aegean Airlines en Ryanair, richt klachten tegen een arrest van 8 oktober 2019 van het gerechtshof Amsterdam, waarbij een hoger beroep tegen een uitspraak van de kantonrechter niet-ontvankelijk is verklaard op de grond dat het gevorderde bedrag per passagier onder de appelgrens ligt. In cassatie betoogt Qatar Airways onder meer dat, waar één claimvehikel een groep passagiers vertegenwoordigt in een procedure waarin zij zelf partij zijn, voor het toepassen van de appelgrens de waarde van de individuele vorderingen bij elkaar moet worden opgeteld.

2 Feiten en procesverloop

2.1

In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan.2

2.2

De passagiers hadden een vlucht geboekt voor 26 juli 2018 van Faro naar Eindhoven Airport.

2.3

De vlucht is door Ryanair geannuleerd.

2.4

De passagiers hebben op grond van de Europese ‘Small Claims’-verordening3 bij de kantonrechter tegen Ryanair een verzoek ingediend.4

2.5

De passagiers hebben, voor zover in cassatie nog relevant, gevorderd om Ryanair te veroordelen tot betaling van een financiële compensatie van € 400,00 per persoon voor het annuleren van de vlucht.

2.6

Ryanair heeft zich tegen de vordering van de passagiers verweerd door te stellen dat sprake was van buitengewone omstandigheden in de zin van art. 5 lid 3 van de Verordening. De vlucht was namelijk geannuleerd vanwege stakingen van een deel van het cabinepersoneel. Ondanks het treffen van redelijke maatregelen kon annulering niet worden voorkomen. Ryanair heeft geen controle gehad over de oorsprong van de staking. De stakingen waren door vakbonden geïnitieerd op een moment dat Ryanair diverse vakbonden had erkend en zelfs al in onderhandeling was over een collectieve arbeidsovereenkomst. Ryanair heeft zich ingespannen om de stakingen te vermijden en na enig verloop van tijd contact gezocht met diverse vakbonden om gesprekken te voeren met betrekking tot een collectieve arbeidsovereenkomst. Volgens Ryanair is sprake geweest van een gebeurtenis waarop zij geen daadwerkelijke invloed kon uitoefenen. Zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personele middelen heeft zij annulering van de vlucht niet kunnen voorkomen.

2.7

Bij beschikking van 23 mei 2019 heeft de kantonrechter de vorderingen van de passagiers, voor zover in cassatie nog van belang, toegewezen.

2.8

Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat beoordeeld moet worden of Ryanair terecht een beroep op art. 5 lid 3 van de Verordening heeft gedaan. De kantonrechter heeft in dat kader het volgende vooropgesteld:

“4.5. Vooropgesteld wordt dat [de passagiers] in het onderhavige geval, op grond van artikel 5 lid 1 sub c van de Verordening, in beginsel recht hebben op de in artikel 7 van de Verordening genoemde compensatie van (in dit geval) € 400,00 per passagier.

4.6.

De luchtvervoerder is niet verplicht die compensatie te betalen indien er sprake is van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. In dat artikellid is bepaald dat een luchtvaartmaatschappij niet verplicht is compensatie als bedoeld in artikel 7 te betalen, indien zij kan aantonen dat annulering van de vlucht het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Deze regel geldt zowel in het geval de vlucht is geannuleerd dan wel is vertraagd.

4.7.

In het arrest van het Hof van Justitie EU van 17 april 2018 (ECLI:EU:C:2018:258) is, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“32 Als ‘buitengewone omstandigheden’ in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 kunnen worden aangemerkt gebeurtenissen die vanwege hun aard of oorsprong niet inherent zijn aan de normale uitoefening van het bedrijf van de betrokken luchtvaartmaatschappij en waarop laatstgenoemde geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen (arrest van 4 mei 2017, Pešková en Peška, C-315/15, EU:C:2017:342, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 Volgens overweging 14 van genoemde verordening kunnen dergelijke omstandigheden zich in het bijzonder voordoen in gevallen van stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.

34 Het Hof heeft reeds kunnen verduidelijken dat de in die overweging genoemde omstandigheden niet noodzakelijkerwijs en automatisch gronden zijn voor vrijstelling van de in artikel 5, lid 1, onder c), van deze verordening opgenomen verplichting om compensatie te betalen (zie in die zin arrest van 22 december 2008, Wallentin-Hermann, C-549/07, EU:C:2008:771, punt 22), en dat dus per geval moet worden beoordeeld of is voldaan aan de twee cumulatieve voorwaarden die in punt 32 van dit arrest in herinnering zijn gebracht”.

2.9

De kantonrechter heeft overwogen dat uit de door Ryanair verstrekte informatie niet per definitie volgt dat de staking voor Ryanair niet voorzienbaar was en ook niet dat Ryanair er daadwerkelijk geen invloed op had om de staking te voorkomen (rov. 4.8). Ryanair heeft niet aangetoond dat de annulering van de betrokken vlucht is veroorzaakt door een buitengewone omstandigheid (rov. 4.9).

2.10

Tegen de beschikking van de kantonrechter stond op grond van de in art. 332 lid 1 Rv genoemde appelgrens van € 1.750,00 geen hoger beroep open.

2.11

Ryanair heeft op 19 juli 2019 tijdig cassatieberoep ingesteld en vernietiging van de bestreden beschikking gevorderd. Tegen de passagiers is verstek verleend. Ryanair heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht.

3 Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

Inleiding

3.1

Het middel omvat twee onderdelen.

3.2

Het eerste onderdeel komt met diverse rechtsklachten op tegen de bestreden beschikking. Het middel onderkent dat op grond van art. 80 lid 1 RO – naar de letterlijke wettekst en volgens bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad – in beginsel niet met rechtsklachten tegen deze beschikking kan worden opgekomen.5 Het middel strekt er evenwel toe om de in art. 80 lid 1 RO vermelde cassatiegronden (verder) uit te breiden, althans buiten toepassing te verklaren (op grond van art. 93 en 94 van de Grondwet), zodat tegen een uitspraak van de kantonrechter waartegen op de voet van art. 332 lid 1 Rv geen hoger beroep openstaat, in cassatie rechtsklachten kunnen worden gericht. Daarbij zou het (alleen) hoeven te gaan om rechtsklachten die inhouden dat:

(i) er sprake is van een schending van het Unierecht; dan wel

(ii) de kantonrechter ten onrechte heeft verzuimd overeenkomstig art. 267 lid 3 VWEU een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen.

Ik merk direct op dat ik de verhouding tussen (i) en (ii) niet erg duidelijk vind. Ik zou menen dat het niet nakomen van de verwijzingsplicht door een rechter die in hoogste aanleg recht spreekt eveneens een schending van het Unierecht oplevert. Zo bezien is (ii) dan een verbijzondering van (i).

3.3

Volgens Ryanair zal een dergelijke uitbreiding dan wel buiten toepassing verklaring van art. 80 lid 1 RO de Hoge Raad in staat stellen om enerzijds zelf te toetsen of de kantonrechter het Unierecht op juiste wijze heeft toegepast en anderzijds erop toe te zien dat de kantonrechter, indien daartoe de verplichting bestaat, vragen over de uitleg van het Unierecht aan het Hof voorlegt. Op deze manier kan de Hoge Raad, in het kader van de rechtseenheid en rechtsontwikkeling, toezicht houden op de juiste uitleg en toepassing van het Unierecht en wordt voorkomen dat zich in Nederland kantonrechtspraak ontwikkelt die niet strookt met de regels van het Unierecht.

3.4

Ik vat het middel zo op dat daarmee niet wordt betoogd dat het nalaten prejudiciële vragen te stellen een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel oplevert. De klacht staat daarom niet in de sleutel van de door de Hoge Raad in 2007 toegevoegde cassatiegrond6 (zie hierna, 3.14) en valt dus niet binnen de huidige grenzen van art. 80 RO. Ryanair betoogt dat die grenzen moeten worden uitgebreid of weggedacht.

3.5

In haar schriftelijke toelichting betoogt Ryanair echter tevens dat de onmogelijkheid voor luchtvaartmaatschappijen om tegenstijdige en rechtens onjuiste uitspraken van kantonrechters aan een hogere rechter voor te leggen, een willekeurige rechtsbedeling en voortdurende rechtsonzekerheid oplevert die in strijd komt met art. 6 lid 1 EVRM.7 Voor zover dit betoog klaagt dat er een schending is van een zo fundamenteel rechtsbeginsel dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, komt die klacht te laat. Op cassatieklachten die na de procesinleiding zijn aangevoerd kan immers geen acht worden geslagen.

3.6

Het tweede onderdeel van het middel voert diverse motiveringsklachten aan tegen de bestreden beschikking. Het middel onderkent dat de Hoge Raad op grond van art. 80 lid 1, onder a, RO geen motiveringsklachten toelaat die een verkapte rechtsklacht behelzen.8

3.7

In aanvulling hierop (en in zekere zin in strijd hiermee) betoogt Ryanair in haar schriftelijke toelichting dat de Hoge Raad de door Ryanair aangevoerde motiveringsklachten evenwel óók kan beoordelen als dit verkapte rechtsklachten zijn, een en ander in het kader van een “versoepelde toetsing van verkapte rechtsklachten”.9 Voor zover dit betoog de klacht inhoudt dat de in art. 80 lid 1, onder a, RO vermelde cassatiegrond moet worden uitgebreid in die zin dat de Hoge Raad in zaken als de onderhavige ook motiveringsklachten kan beoordelen die een verkapte rechtsklacht inhouden, komt ook deze klacht te laat.

Juridisch kader

3.8

Art. 332 Rv luidt als volgt:

“Partijen kunnen van een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep komen, tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1750 of, in geval van een vordering van onbepaalde waarde, er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1750, een en ander tenzij de wet anders bepaalt. Voor de toepassing van de eerste zin wordt de tot aan de dag van dagvaarding in eerste aanleg verschenen rente bij de vordering inbegrepen.”

3.9

Als meerdere eisers een vordering hebben ingesteld (zoals de passagiers) moet voor de vraag of hoger beroep openstaat worden uitgegaan van de afzonderlijke vorderingen. De waarde van de verschillende vorderingen mag dus niet bij elkaar worden opgeteld.10 Als gezegd (zie 1.6) gaat de bij de Hoge Raad aanhangige zaak 20/00085 (Qatar Airways) onder meer daar over. In die zaak wordt in de procesinleiding overigens opgemerkt dat appel moet open staan omdat “bij een cassatieberoep op de voet van art. 80 RO vanwege de daarin vermelde limitatieve gronden niet in cassatie kan worden geklaagd over de onjuiste uitleg en toepassing van Unierecht door de kantonrechter.”11 Eiseres in die zaak lijkt de beperkte gronden van art. 80 lid 1 RO als een gegeven te beschouwen en zet in op versoepeling van de appelgrens.

3.10

De ratio van de appelgrens in art. 332 lid 1 Rv is dat geen hoger beroep behoort open te staan in zaken waarvan het betrekkelijk geringe financiële belang niet opweegt tegen de tijd en kosten die zijn gemoeid met de behandeling van de zaak in hoger beroep.12 Dit gaat terug tot de 19e eeuw.13

3.11

Tegen een uitspraak van de kantonrechter waartegen op grond van art. 332 Rv geen hoger beroep openstaat, staat wel beroep in cassatie open. De gronden om in cassatie te komen zijn als gezegd beperkt.14 Art. 80 lid 1 RO luidt als volgt:

“Tegen een vonnis of een beschikking van een kantonrechter in een burgerlijke zaak

waartegen geen hoger beroep kan of kon worden ingesteld, kan een partij slechts

beroep in cassatie instellen wegens:

a. het niet inhouden van de gronden waarop het vonnis of de beschikking berust;

b. het niet in het openbaar gedaan zijn van het vonnis of, voorzover rechtens vereist,

de beschikking;

c. onbevoegdheid; of

d. overschrijding van rechtsmacht.”

Het cassatieberoep tegen non-appellabele uitspraken van de kantonrechter is derhalve beperkt tot twee gevallen van vormverzuim (onder a en b) en twee gevallen van bevoegdheidsovertreding (onder c en d). Voor de praktijk is met name de onder a genoemde grond van betekenis.15

3.12

De bewoordingen van de onder a genoemde grond zouden de indruk kunnen wekken dat alleen het geheel ontbreken van een motivering tot cassatie kan leiden. Zo restrictief moet deze grond echter niet worden opgevat. Er zijn arresten waarin de Hoge Raad aan kantongerechtsuitspraken dezelfde motiveringseisen heeft gesteld als aan andere rechterlijke uitspraken.16

3.13

Tot de cassatiegronden behoort niet, zoals bij art. 79 RO wel het geval is, schending van het recht. De reden waarom de wetgever bij cassatieberoepen tegen niet-appellabele kantonrechtersuitspraken verkeerde toepassing of schending van het recht niet heeft willen toelaten is:17

“ten einde de justitiabelen niet aan procedures van dien aard voor de geringe geldsommen, waarover die geregten in het hoogste ressort kunnen regt spreken, bloottestellen;”

Met andere woorden: de wetgever heeft willen voorkomen dat in kantonrechterszaken waarin vanwege het geringe geldelijke belang geen hoger beroep mogelijk is, veelvuldig gebruik zou kunnen worden gemaakt van het rechtsmiddel cassatie.18

3.14

Uit de tekst van art. 80 lid 1 RO blijkt dat de wetgever de daarin opgenomen cassatiegronden als limitatief heeft bedoeld. De Hoge Raad heeft echter in 2007, onder invloed van art. 6 EVRM, geoordeeld dat een (beperkte) uitbreiding van die gronden noodzakelijk was19 en aanvaardde als grond voor cassatie tevens dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. De Hoge Raad overwoog het volgende:

“3.7.2. (…) In het algemeen geldt dat de in art. 80 lid 1 RO vermelde gronden sinds hun opneming in de wet in 1838 niet meer aan een fundamentele herziening zijn onderworpen en dat in de literatuur al geruime tijd vrij algemeen wordt gepleit voor verruiming van de gronden of schrapping van de bepaling als geheel.

Meer in het bijzonder moet op het volgende worden gewezen. De in art. 80 lid 1 RO onder (a) en (b) genoemde gronden raken fundamentele rechtsbeginselen met betrekking tot rechterlijke uitspraken, te weten de motiveringsplicht en de openbaarheid van de uitspraak. Zij werden bij het ontstaan van de Wet RO en ook thans beschouwd als essentiële vormen van de uitspraak zelf, op naleving waarvan de Hoge Raad diende en dient toe te zien. Aan de beperking van de fundamentele beginselen van procesrecht tot deze vormen kan echter thans geen betekenis meer worden gehecht in het licht van de ontwikkelingen gedurende met name de laatste decennia op het gebied van de fundamentele beginselen van procesrecht onder invloed van art. 6 EVRM en de daarop gevormde rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en de Hoge Raad.

Deze ontwikkelingen eisen dat in het kader van de cassatietoetsing op de voet van art. 80 lid 1 RO van niet voor hoger beroep vatbare uitspraken van de kantonrechter de Hoge Raad ook toezicht kan uitoefenen op de naleving van fundamentele rechtsbeginselen die gelden voor de behandeling van de zaak.

Daarom moet tevens als grond voor cassatie worden aanvaard dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, zoals het geval is bij het niet inachtnemen van het contradictoire beginsel, waartoe behoort hoor en wederhoor, en van het recht op gelijke behandeling (equality of arms).”

3.15

Aldus lijkt de Hoge Raad aansluiting te hebben gezocht bij het criterium voor staatsaansprakelijkheid voor onrechtmatige rechtspraak, zoals ontwikkeld in het Jan Luijken-arrest uit 1971. In dat arrest overwoog de Hoge Raad:20

“dat slechts, indien bij de voorbereiding van een rechterlijke beslissing zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken, en tegen die beslissing geen rechtsmiddel openstaat en heeft opengestaan, de Staat ter zake van de schending van het in art. 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde recht voor de daaruit voortvloeiende schade aansprakelijk zou kunnen worden gesteld.”

3.16

Omdat het op grond van art. 80 lid 1 RO niet mogelijk is om in cassatie met rechtsklachten tegen niet-appellabele kantonrechtersuitspraken op te komen – afgezien van de door de Hoge Raad toegestane schending van een fundamenteel rechtsbeginsel – wil het nog wel eens voorkomen dat onder de vlag van een motiveringsklacht een rechtsklacht wordt aangevoerd in een poging de beperkte cassatiegronden van art. 80 lid 1 RO te omzeilen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat in geval van verkapte rechtsklachten niet-ontvankelijkheid moet volgen.21 Hetzelfde geldt voor motiveringsklachten die niet te beoordelen zijn zonder tevens de juistheid van de rechtsopvattingen van de kantonrechter in de beoordeling te betrekken.22

Kritiek op de beperkte reikwijdte van art. 80 lid 1 RO

3.17

Dat de Hoge Raad in cassatie tegen uitspraken van de kantonrechter wel motiveringsklachten kan beoordelen maar geen rechtsklachten, kan gelet op zijn rechtsvormende taak bevreemding wekken. Je zou eerder het omgekeerde verwachten. De beperkte reikwijdte van art. 80 lid 1 RO is dan ook niet onomstreden, zoals ook de Hoge Raad zelf in het zojuist geciteerde arrest van 16 maart 2007 heeft overwogen. Die kritiek komt uit gezaghebbende hoek.

3.18

Reeds in 1978 heeft G.J. Wiarda, oud-president van de Hoge Raad en rechter in het EHRM, in zijn preadvies voor de Nederlandse Juristen-Vereniging opgemerkt dat de nadelen van art. 100 Wet RO (thans art. 80 lid 1 RO) de voordelen overtreffen. In zijn ogen kon de beperking in cassatiegronden dan ook beter verdwijnen:23

“In art. 100 Wet RO zijn de gronden waarop tegen de in hoogste ressort gewezen vonnissen van kantonrechters in cassatie kan worden opgekomen beperkt. De schending van het recht komt daarin niet voor. Ik vraag mij af of voor deze beperking een goede reden bestaat. De vrees dat de Hoge Raad, indien tegen dergelijke vonnissen ook op grond van schending van het recht in cassatie zou kunnen worden opgekomen, met veel kleine onbelangrijke zaken zou worden belast, lijkt overdreven; het kostenrisico is daarvoor de groot. Bezwaar tegen de beperking is dat, hoewel bij deze vonnissen belangrijke rechtsvragen kunnen zijn betrokken, deze niet aan de Hoge Raad kunnen worden voorgelegd.”

Ook toen al werd bij NJV-vergaderingen door de aanwezigen gestemd over stellingen van de pre-adviseurs. Een meerderheid steunde genoemd voorstel van Wiarda niet.24

3.19

In 1979 heeft ook W.H. Heemskerk, later lid van de Hoge Raad, kritiek geuit op de beperkte gronden waarop cassatie tegen niet-appellabele kantonrechtersuitspraken kan worden ingesteld:25

“Deze door de wetgever gewilde beperking brengt mee, dat een evident onjuist kantongerechtsvonnis in cassatie niet kan worden aangetast, als de motivering op zichzelf consistent is, inzicht geeft in de door de rechter gevolgde gedachtengang, ingaat op alle relevante stellingen van pp., niet onbegrijpelijk, onvolledig of innerlijk tegenstrijdig is, en de daarop gebaseerde conclusie kan dragen. (…)

Een functie van motivering is zeker bevordering van de kwaliteit van het vonnis. Maar wat blijft er van deze functie over, als men de vorm losmaakt van de inhoud? Een motivering kan formeel correct zijn en tegelijk naar haar inhoud verwerpelijk. Kan men dan spreken van deugdelijke rechtspraak? Sinds ongeveer zestig jaar wordt de motiveringseis in de rechtspraak van de HR niet meer gezien als een bloot-formele eis.

Men kan de motivering natuurlijk los denken van de mogelijkheid haar in appel of cassatie te toetsen. Maar het rechtsmiddel van art. 100 Wet RO is een hinkend middel, omdat van de twee benen, waarop de cassatie volgens art. 99 [thans art. 79 RO; A-G] rust, er een ontbreekt.”

3.20

A-G Mok heeft er in 1983 op gewezen dat de beperkte cassatiegronden de cassatierechter voor niet geringe moeilijkheden kan plaatsen:26

“Een onjuiste rechtsopvatting van de Ktr. is immers onaantastbaar. Wanneer deze zich voordoet zal de Hoge Raad zich desondanks in deze (in zijn ogen) onjuiste opvatting moeten verplaatsen teneinde vanuit dat gezichtspunt na te gaan of de Ktr. zijn uitspraak deugdelijk heeft gemotiveerd. Tevens roept de beperkte cassatie spanningen op tussen twee 'natuurlijke' neigingen van de rechter, i.c. de cassatierechter: enerzijds het handhaven van de wet, anderzijds het zoveel mogelijk verlenen van rechtsbescherming.”

3.21

In 1987 heeft W.L. Haardt, inmiddels oud-lid van de Hoge Raad, de wetgever aangemoedigd om de cassatiegronden van (toen) art. 100 Wet RO te verruimen:27

“Cassatie is, vergeleken met hoger beroep, een kreupel rechtsmiddel, dat, indien aangewend tegen Ktg.-vonnissen, door art. 100 Wet RO nog eens extra wordt verminkt omdat in dat artikel de cassatiegrond bij uitstek, schending van het recht, niet voorkomt. Geen wonder dat pp. die worden geconfronteerd met een op een onjuiste rechtsopvatting gebaseerd Ktg.-vonnis (…) het proberen met wel door art. 100 Wet RO toegelaten cassatiegronden, in het bijzonder ‘het niet inhouden van de gronden waarop zij rusten’. (…)

Ook bij niet-appellabele beslissingen van de Ktr. gaat het soms om een groot financieel belang en om beslissingen waarbij eenheid van rechtsopvatting geboden is. (…) Het verdient aanbeveling dat de wetgever bij de plannen tot integratie van de kantongerechten en de rechtbanken en bij die tot hervorming van de Ktg.-procedure (wetsontwerp 19976) ook aan dit punt aandacht schenkt.”

3.22

Korthals Altes en Groen hebben ook een dergelijke oproep aan de wetgever gedaan:28

“Vermoedelijk durft men gelet op de belasting van de civiele kamer het onderwerp [uitbreiding van de cassatiegronden van art. 80 lid 1 RO met schending van het recht; A-G] niet aan de orde te stellen. De bezwaren tegen de uitsluiting van cassatie wegens schending van het recht zijn echter dermate klemmend, dat de wetgever haar niettemin dient te laten vervallen.”

3.23

Hetzelfde geldt voor het handboek van Klaassen, Meijer en Snijders, waarin er evenwel ook op wordt gewezen dat een alternatieve oplossing zou kunnen zijn het geheel uitsluiten van cassatie tegen niet-appellabele kantonrechtersuitspraken:29

“Gezien de beperkingen van art. 80 RO is de Hoge Raad genoopt, rechtens onjuiste uitspraken van de kantonrechter in stand te laten, hetgeen hoogst ongelukkig is. Wil men cassatie tegen non-appellabele kantonrechtersvonnissen handhaven, dan zou de uitsluiting van cassatie wegens schending van het recht horen te vervallen. Een andere oplossing zou zijn om beroep in cassatie geheel uit te sluiten, nu het in beginsel slechts gaat om zaken met een belang van minder dan € 1.750. Het cassatiebeginsel moet in dat geval wijken voor het toegankelijkheidsbeginsel (…): een partij die een succes in een kleine zaak bij de kantonrechter ‘afgestraft’ ziet door een al dan niet succesvolle cassatieprocedure van de wederpartij, zal zich wel twee keer bedenken, alvorens weer die rechter te adiëren. Voert eerstbedoelde partij verweer in cassatie, dan bedragen de kosten van die cassatieprocedure immers al snel een veelvoud van het belang van de zaak, zelfs na eventueel verhaal van een kostenveroordeling; voert zij geen verweer dan is haar kans op verlies in cassatie groter.”

3.24

Ondanks voornoemde kritiek – die dus al veertig jaar lang wordt geuit – heeft de in art. 80 lid 1 RO opgenomen beperking van de cassatiegronden voor niet-appellabele uitspraken van kantonrechters tot nu toe alle wijzigingen van RO overleefd.30

3.25

Om een aantal redenen ben ik zelf niet overtuigd van de noodzaak en wenselijkheid om de gronden van art. 80 lid 1 RO uit te breiden tot schending van het recht in het algemeen. Tegen een ‘onjuiste’ maar niet-appellabele beslissing van een kantonrechter kan cassatie in het belang der wet worden ingesteld (art. 78 lid 1 RO). Dat biedt geen rechtsbescherming, maar kan wel bijdragen aan de rechtsvorming en de rechtseenheid. Zwaarwegend acht ik verder dat de kantonrechter tegenwoordig, op verzoek van partijen of ambtshalve, prejudiciële vragen aan de Hoge Raad kan stellen (art. 392 Rv). Langs die weg kunnen (belangrijke) rechtsvragen aan de Hoge Raad worden voorgelegd. Aan het genoemde bezwaar dat met de huidige beperkte cassatiegronden ‘onjuiste’ beslissingen van kantonrechters noodgedwongen in stand blijven til ik niet al te zwaar. Het komt wel vaker voor dat ‘onjuiste’ beslissingen kracht van gewijsde krijgen, simpelweg omdat de gerede partij om haar moverende redenen afziet van het instellen van een rechtsmiddel. Is dat zo erg? Het komt ook voor dat in een cassatieberoep tegen een hofuitspraak het middel geen klacht richt tegen een beslissing die objectief gezien aanvechtbaar is, kennelijk omdat eiser c.q. verzoeker het niet opportuun vond dat te doen of het punt niet heeft gezien. Ook daar kan de Hoge Raad dan niets aan doen, gelet op het bepaalde in art. 419 lid 1 Rv.

3.26

Hoe dan behoort het tot de bevoegdheid van de wetgever om de cassatiegronden in art. 80 lid 1 RO uit te breiden met een zo algemene grond als schending van het recht.

Het middel: uitbreiding cassatiegronden als Unierecht wordt toegepast

3.27

Het middel kiest een iets beperktere benadering. Het bepleit een uitbreiding van art. 80 lid 1 RO tot klachten over schending van het Unierecht of over het nalaten van de kantonrechter een voor de beslissing van het geding relevante vraag over het Unierecht overeenkomstig art. 267 derde alinea VWEU prejudicieel te verwijzen.

3.28

Ik stel allereerst vast dat Ryanair haar betoog niet baseert op Unierechtelijke argumenten. Zo stelt zij niet dat het Unierecht vereist dat zaken waarin de uitleg van Unierecht aan de orde is, in twee rechterlijke instanties moeten kunnen worden beoordeeld. Dat is terecht, want het Unierecht stelt die eis niet. Eén rechterlijke instantie volstaat, mits deze instantie bevoegd is aan het Hof prejudiciële vragen te stellen zodat de uniformiteit van het Unierecht door het Hof in het kader van een prejudiciële procedure kan worden verzekerd.31 Art. 47 eerste alinea van het EU Handvest van de grondrechten, dat net als art. 13 EVRM betrekking heeft op een doeltreffende voorziening in rechte, heeft daar geen verandering in gebracht.

3.29

Achtergrond van het betoog van Ryanair is veeleer de perceptie dat een kantonrechter gemakkelijk onjuiste beslissingen neemt. Een kantonrechter moet in de regel grote aantallen uiteenlopende zaken behandelen en is niet altijd voldoende geëquipeerd om specialistische Unierechtelijke geschilpunten goed te kunnen beoordelen. Bovendien zitten kantonrechters enkelvoudig. Vergissingen kunnen, door de beperkte mogelijkheid om van niet-appellabele kantonrechteruitspraken in cassatie te komen, niet in alle gevallen worden hersteld. ‘Onjuiste’ beslissingen doen niet alleen afbreuk aan de doorwerking en de uniforme toepassing van het Unierecht, maar kunnen ook leiden tot staatsaansprakelijkheid wegens onrechtmatige rechtspraak, zo betoogt Ryanair. Om die redenen stelt zij voor om schending van het Unierecht als extra cassatiegrond te aanvaarden.

3.30

Ik stel verder vast dat de aangevoerde argumenten niet juridisch dwingend zijn, maar vooral zijn ingegeven door rechtspolitieke en praktische overwegingen. Daarbij speelt mogelijk een rol dat de luchtvaartsector er veel aan is gelegen dat de Verordening wordt bijgesteld of afgezwakt vanwege de daaruit voor die sector voortvloeiende kosten.32 De gedachte is mogelijk dat die strategie meer kans van slagen heeft als ook hogere nationale rechters regelmatig over deze kwesties beslissingen nemen. Ik vraag mij dat af, want de ruime uitleg van de rechten van de passagiers is doorgaans afkomstig van het Hof en de kantonrechters kunnen weinig anders doen dan die rechtspraak zo goed mogelijk toepassen. Ik wijs er overigens op dat, los van de zaken over passagiersrechten, ook vanuit de wetenschap aandacht is gevraagd voor de “EU-rechtelijke druk op kantonzaken”. Krans heeft namelijk in 2004 – en in 2010 – verdedigd om de mogelijkheid van appel of cassatie tegen kantonrechteruitspraken te verruimen in zaken waarin EU-recht aan de orde kan zijn.33

3.31

Het betoog van Ryanair heeft mij toch niet overtuigd. Naar mijn mening dient uitgangspunt te zijn dat het Unierecht integrerend onderdeel is van de nationale rechtsorde en net zo dient te worden behandeld als andere rechtsbronnen. Ik acht het principieel onjuist het Unierecht in procesrechtelijke zin een status aparte te geven, zoals Ryanair bepleit. Het doeltreffendheidsbeginsel noopt daar ook niet toe.

3.32

In gevallen waarin een kantonrechter – zoals hier – als laatste instantie rechtspreekt, legt het Unierecht wel bepaalde verantwoordelijkheden op hem. Ik citeer het arrest Aquino:34

“34 Zoals het Hof herhaaldelijk heeft beklemtoond, is een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie per definitie de laatste instantie waarbij particulieren de hun door het Unierecht toegekende rechten geldend kunnen maken. De rechterlijke instanties die uitspraak doen in laatste aanleg zijn ermee belast op nationaal niveau de eenvormige uitlegging van de rechtsvoorschriften te verzekeren (zie in die zin arresten van 30 september 2003, Köbler, C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 34, en 13 juni 2006, Traghetti del Mediterraneo, C‑173/03, EU:C:2006:391, punt 31).”

Mocht een kantonrechter zich hier niet aan houden dan kan de partij die meent als gevolg van een onjuiste beslissing schade te hebben geleden, tegen de Staat een procedure beginnen wegens onrechtmatige rechtspraak. Die mogelijkheid bestaat voor uitspraken van de kantonrechter net zo goed als voor uitspraken van rechterlijke instanties die altijd in hoogste aanleg rechtspreken.35

3.33

Verder wijs ik opnieuw op cassatie in het belang der wet en de nationale prejudiciële procedure als wegen waarlangs aan de Hoge Raad rechtsvragen kunnen worden voorgelegd, waaronder vragen van Unierecht. In beide procedures kan de Hoge Raad op zijn beurt het Hof om een prejudiciële beslissing verzoeken. Voor cassatie in het belang der wet blijkt dat uit de recente zaak over het Gemeenschapsmodel36 en voor de prejudiciële procedure uit de zaak [… 8] /DAS uit 2014.37 Partijen hebben het echter niet in de hand of een van deze twee instrumenten wordt ingezet, dat is waar.

3.34

Toch zie ik ook vanuit het oogpunt van rechtsbescherming geen praktische noodzaak voor de door Ryanair bepleite uitbreiding van de cassatiegronden. Ik wijs erop dat in zijn algemeenheid kantonrechters in zaken waarin de uitkomst afhangt van de uitleg van het Unierecht niet aarzelen prejudiciële vragen te stellen, ook wanneer zij niet in hoogste instantie rechtspreken. Een voorbeeld is de zaak Smallsteps over de pre-pack.38 De Verordening is voor veel kantonrechters inmiddels gefundenes Fressen gelet op het grote aantal zaken dat aanhangig wordt gemaakt. Wat helpt is dat in dit soort claims specialisten optreden die de kantonrechter op de laatste Europese rechtspraak kunnen wijzen.39 Rijst er toch een nieuwe vraag, dan ziet men dat kantonrechters niet aarzelen prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van de Verordening. Voorbeelden zijn de zaken Van der Ven/KLM,40 Van der Lans/KLM,41 Krijgsman/SLM,42 en Aegean Airlines.43

3.35

Ik wijs er verder nog op dat er afbakeningsproblemen kunnen ontstaan indien de cassatiegronden in art. 80 lid 1 RO zouden worden uitgebreid tot schending van (alleen) het Unierecht. Wat is dan het lot van nationaalrechtelijke rechtsklachten die samenhangen met de Unierechtelijke klachten?

3.36

Tot slot geldt ook hier dat de voorgestelde uitbreiding zodanig fundamenteel is dat alleen de wetgever daar toe kan besluiten.

Precedenten in de rechtspraak van de Hoge Raad?

3.37

Ik zal tot slot nagaan of er eerdere zaken over de Verordening aan de Hoge Raad zijn voorgelegd, die aanknopingspunten kunnen bieden voor de beantwoording van de vraag in hoeverre Ryanair ontvankelijk is in haar cassatieverzoek.

3.38

In 2012 besloot de Hoge Raad tot aanhouding van een procedure die door enkele passagiers tegen KLM was aangespannen teneinde compensatie te verkrijgen voor een vertraagde vlucht.44 In eerste aanleg had de kantonrechter de vordering van de passagiers toegewezen. Het cassatiemiddel van KLM keerde zich onder meer tegen de beslissing van de kantonrechter om de procedure niet aan te houden totdat het HvJEU uitspraak had gedaan in reeds aanhangige prejudiciële procedures over het recht op compensatie bij langdurige vertraging.

3.39

A-G Vlas concludeerde dat de procedure niet diende te worden aangehouden, “vooral vanwege de (ook in het cassatiemiddel onderkende) beperkingen op grond van art. 80 RO”. Volgens A-G Vlas betrof het verzoek om aanhouding geen motiveringsgebrek in het bestreden kantonrechtersvonnis en al evenmin een schending van een fundamentele regel van procesrecht.45

3.40

De Hoge Raad overwoog in zijn arrest in die zaak dat op korte termijn een uitspraak van het Hof kon worden verwacht in een zaak waarin in de kern dezelfde vraag aan de orde was. Op grond van “deze bijzondere omstandigheden” zag de Hoge Raad aanleiding zijn uitspraak aan te houden totdat het Hof uitspraak had gedaan.

3.41

In 2013 zijn aan de Hoge Raad een tweetal (aan elkaar gelijke) luchtvaartzaken voorgelegd (Martinair en Transavia), waarin het draaide om de vraag of een groep passagiers op grond van de Verordening recht had op compensatie wegens vertraging van hun vlucht.46 Ook in die zaken had de kantonrechter de vordering van de passagiers toegewezen. In de daaropvolgende cassatieprocedure klaagden de luchtvaartmaatschappijen onder meer dat de kantonrechter een fundamenteel rechtsbeginsel had geschonden door, ondanks het bestaan van redelijke twijfel omtrent de uitleg van Unierecht, noch prejudiciële vragen aan het Hof te stellen, noch de procedure aan te houden in afwachting van een vijftal bij het Hof reeds aanhangige prejudiciële procedures over vergelijkbare vragen. Anders dan hier, haakte het middel in die zaken aan bij de (beperkte) uitbreiding van de cassatiegronden als gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 16 maart 2007 (zie hiervoor, 3.14).

3.42

A-G Vlas meende dat de vraag of de kantonrechter, als hoogste rechter, op grond van art. 267 VWEU is gehouden om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen slechts kan worden beantwoord nádat vast is komen te staan dat onduidelijkheid bestaat over het recht op compensatie bij vertraging van vluchten op grond van de Verordening. Dat laatste vergt een inhoudelijke toetsing van de bestreden uitspraken aan het Unierecht, waarvoor in cassatie geen plaats is gelet op de beperkte cassatiegronden van art. 80 lid 1 RO.47 Hij concludeerde dan ook dat de vraag of de kantonrechter de verplichting van art. 267 VWEU had geschonden door ten onrechte geen prejudiciële vragen te stellen, in cassatie niet aan de orde kon komen.

3.43

De Hoge Raad oordeelde dat in het midden kon blijven of de klacht van de luchtvaartmaatschappijen afstuitte op het bepaalde in art. 80 lid 1 RO (omdat de klacht niet kon worden beoordeeld zonder daarin de juistheid van de rechtsopvattingen van de kantonrechter te betrekken ter zake van de noodzaak tot het stellen van prejudiciële vragen of het beslissen tot een aanhouding). De klacht miste namelijk belang omdat het Hof inmiddels in de desbetreffende zaken uitspraak had gedaan in voor de luchtvaartmaatschappijen ongunstige zin.48

3.44

De door Ryanair voorgestane uitbreiding dan wel buiten toepassing verklaring van art. 80 lid 1 RO kan m.i. niet worden gebaseerd op een van beide arresten van de Hoge Raad. In het arrest van 15 juni 2012 ging het om de aanhouding van een specifieke zaak en niet, zoals in het middel wordt bepleit, om een uitbreiding dan wel buiten toepassing verklaring van art. 80 lid 1 RO. De aanleiding om die zaak aan te houden lag in ‘bijzondere omstandigheden’, te weten het feit dat op korte termijn uitspraak van het Hof werd verwacht. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn in de onderhavige procedure gesteld noch gebleken. Ook de arresten van 3 mei 2013 bevatten m.i. geen aanknopingspunt voor de door Ryanair verdedigde opvatting dat de cassatiegronden van art. 80 lid 1 RO moeten worden uitgebreid tot schending van het Unierecht. Daarbij wijs ik er nogmaals op dat de door Ryanair bepleite uitbreiding niet kan worden gestoeld op de uitbreiding die de Hoge Raad heeft toegestaan in zijn arrest van 16 maart 2007.

Conclusie met betrekking tot de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.45

De klachten in middelonderdeel 1 die ertoe strekken dat de kantonrechter de Verordening onjuist heeft toegepast vallen buiten de toegestane gronden die zijn genoemd in art. 80 lid 1 RO. Voor de beoordeling van de klacht dat de kantonrechter ten onrechte heeft nagelaten prejudiciële vragen te stellen aan het Hof is vereist dat vast is komen te staan dat in deze zaak onduidelijkheid bestaat over het recht op compensatie bij annulering van vluchten op grond van de Verordening. Dat laatste vergt een inhoudelijke toetsing van de bestreden uitspraken aan het Unierecht waarvoor wegens het bepaalde in art. 80 lid 1 RO geen plaats. Alleen de motiveringsklachten in middelonderdeel 2 zijn ontvankelijk, voor zover het geen verkapte rechtsklachten zijn.

4 Bespreking van het cassatiemiddel

Onderdeel 1

Inleiding

4.1

Onderdeel 1 bevat dezelfde rechtsklachten als in de zaken Aegean/ [… 1] en Aegean/ [… 2]. Het middel betoogt dat de kantonrechter de Verordening onjuist heeft uitgelegd en toegepast en dat hij ten onrechte geen prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof.

4.2

Hoewel de rechtsklachten in onderdeel 1, zoals ik hiervoor heb betoogd, niet inhoudelijk hoeven te worden behandeld, zal ik ze toch bespreken voor het geval de Hoge Raad hier anders over denkt en Ryanair toestaat rechtsklachten te richten tegen de bestreden beschikking.

4.3

Ik zal met het oog op een goed begrip van die klachten eerst de voor deze zaak belangrijkste bepalingen uit de Verordening weergeven.

4.4

De punten 1, 14 en 15 van de considerans luiden als volgt:

“1. Het optreden van de Gemeenschap moet onder meer gericht zijn op de waarborging van een hoog niveau van bescherming van de passagiers, met volledige inachtneming van de eisen op het gebied van consumentenbescherming in het algemeen.

14. Evenals in het kader van het Verdrag van Montreal dienen de verplichtingen die worden opgelegd aan de luchtvaartmaatschappijen die de vluchten uitvoeren, te worden beperkt of uitgesloten in gevallen waarin een gebeurtenis het gevolg is van buitengewone omstandigheden die zelfs door het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden. Dergelijke omstandigheden kunnen zich met name voordoen in gevallen van politieke onstabiliteit, weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen, beveiligingsproblemen, onverwachte vliegveiligheidsproblemen en stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.

15. Er dient te worden geacht sprake te zijn van buitengewone omstandigheden wanneer een besluit van het luchtverkeersbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt, ook al heeft de betrokken luchtvaartmaatschappij alle redelijke inspanningen geleverd om de vertragingen of annuleringen te voorkomen.”

4.5

De voor de onderhavige zaak relevante artikelen van de Verordening luiden als volgt:

“Artikel 1 – Onderwerp

Deze verordening stelt onder de erin genoemde voorwaarden de minimumrechten vast die luchtreizigers hebben bij:

a) instapweigering tegen hun wil,

b) annulering van hun vlucht,

c) vertraging van hun vlucht.

Artikel 2 – Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

l) "annulering": het niet uitvoeren van een geplande vlucht waarop ten minste één plaats was geboekt.

Artikel 5 – Annulering

1. In geval van annulering van een vlucht:

a) (…)

b) (…)

c) hebben de betrokken passagiers recht op de in artikel 7 bedoelde compensatie door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert (…)

(…)

3. Een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert, is niet verplicht compensatie te betalen als bedoeld in artikel 7 indien zij kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

Artikel 7 – Recht op compensatie

1. Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers compensatie ten belope van:

a) (…)

b) 400 EUR voor alle intracommunautaire vluchten van meer dan 1500 km (…)

(…).”

Subonderdeel 1.1

4.6

Subonderdeel 1.1 is gericht tegen rov. 4.8 en 4.9, waarin de kantonrechter het volgende heeft overwogen:

“4.8. Verweerster heeft ten aanzien van de staking op 26 juli 2018 enkel summiere informatie verstrekt. Het had op de weg van verweerster gelegen met stukken te onderbouwen dat de staking daadwerkelijk tot gevolg heeft gehad dat de onderhavige vlucht onvermijdelijk diende te worden geannuleerd. Dit heeft verweerster nagelaten. Een staking van eigen personeel is in de regel een protestgeluid om een wens tot verbetering van het loon of andere arbeidsvoorwaarden kracht bij te zetten of om duidelijk te maken dat men het oneens is met (aangekondigd) beleid van de werkgever. Van belang is verder dat gebruikelijk is dat een vakbond de bij het betrokken personeel levende onvrede kenbaar maakt bij de werkgever en tracht daarover met haar in gesprek te geraken alvorens naar het (zware) middel van staking wordt gegrepen. Verweerster heeft niet toegelicht wanneer er in dit geval (van te voren) met de vakbond is gesproken of wanneer er onderhandelingen zijn gevoerd. Verweerster heeft enkel aangevoerd dat zij op het moment van staking in onderhandeling was met de vakbonden, maar hieruit volgt niet per definitie dat de staking voor verweerster niet voorzienbaar was en ook niet dat verweerster er daadwerkelijk geen invloed op had om de staking te voorkomen.

4.9.

Dit betekent dat verweerster niet heeft aangetoond dat de annulering van vlucht FR7411 is veroorzaakt door een buitengewone omstandigheid. Aan haar komt daarom geen beroep toe op artikel 5 lid 3 van de Verordening. De uitspraken van de Duitse en Spaanse rechter waar verweerster naar heeft verwezen, leiden niet tot een ander oordeel. Deze uitspraak betreft een andere staking en de annulering van een andere vlucht. Ook het beroep op artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, kan niet tot een ander oordeel leiden. Zoals hiervoor is vermeld, dient immers per geval te worden beoordeeld of sprake is van een buitengewone omstandigheid.”

4.7

Het middel bestrijdt het oordeel van de kantonrechter dat er geen sprake is van een buitengewone omstandigheid in de zin van art. 5 lid 3 van de Verordening. Het voert aan dat de kantonrechter, gelet op die bepaling, de punten 14 en 15 van de considerans en daarop gevormde rechtspraak van het Hof, onjuiste eisen heeft gesteld door in zijn algemeenheid, of in de omstandigheden van dit geval, te verlangen dat de staking 'daadwerkelijk' tot gevolg moet hebben dat de vlucht 'onvermijdelijk' moest worden geannuleerd, en in aanmerking te nemen dat de staking 'voorzienbaar' was en de luchtvervoerder er daadwerkelijke invloed op had om deze 'staking' te voorkomen.

4.8

Uit het arrest Wallentin-Hermann volgt dat de uitzondering van art. 5 lid 3 van de Verordening strikt moet worden uitgelegd en dat het aan de vervoerder is om aan te tonen dat sprake is van buitengewone omstandigheden die hij zonder het brengen van voor hem onaanvaardbare offers niet kon vermijden.49 Volgens vaste rechtspraak vereist dit begrip dat aan twee cumulatieve voorwaarden wordt voldaan, te weten (a) dat het voorval niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteit van de luchtvaartmaatschappij en (b) dat de luchtvaartmaatschappij hierop geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen.50 Van geval tot geval moet worden beoordeeld of inderdaad aan deze criteria is voldaan.

4.9

De kantonrechter heeft díe toets toegepast en heeft dat bovendien op een juiste manier gedaan. Dit oordeel van de kantonrechter is een feitelijk oordeel, omdat hij op basis van de gedingstukken heeft geoordeeld dat Ryanair “ten aanzien van de staking op 26 juli 2018 enkel summiere informatie [heeft] verstrekt” (rov. 4.8) en dat Ryanair “niet heeft aangetoond dat de annulering van vlucht FR7411 is veroorzaakt door een buitengewone omstandigheid.” Daarmee heeft de kantonrechter het verweer van Ryanair dat zij al het mogelijke had gedaan om te voorkomen dat de staking tot gevolg zou hebben dat de vlucht in kwestie moest worden geannuleerd, verworpen. Tegen dit feitelijk oordeel richt Ryanair tevergeefs rechtsklachten. De kantonrechter heeft niet overwogen dat de staking van cabinepersoneel naar zijn aard niet een buitengewone omstandigheid kan vormen. Daarom faalt de klacht.

Nadere toelichting

4.10

Alvorens de andere klachten te bespreken ga ik nader in op de verhouding tussen het stakingsrecht en het recht van passagiers op compensatie wegens een geannuleerde vlucht (en daarmee samenhangend: het begrip ‘buitengewone omstandigheden’) .

4.11

Bij arrest van 17 april 2018 in de zaak Krüsemann e.a. heeft het Hof geoordeeld dat in de omstandigheden als in die zaak aan de orde een wilde staking niet als buitengewone omstandigheid kon worden aangemerkt.51 Ik citeer:

“32 Als „buitengewone omstandigheden” in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 kunnen worden aangemerkt gebeurtenissen die vanwege hun aard of oorsprong niet inherent zijn aan de normale uitoefening van het bedrijf van de betrokken luchtvaartmaatschappij en waarop laatstgenoemde geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen (arrest van 4 mei 2017, Pešková en Peška, C‑315/15, EU:C:2017:342, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 Volgens overweging 14 van genoemde verordening kunnen dergelijke omstandigheden zich in het bijzonder voordoen in gevallen van stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.

34 Het Hof heeft reeds kunnen verduidelijken dat de in die overweging genoemde omstandigheden niet noodzakelijkerwijs en automatisch gronden zijn voor vrijstelling van de in artikel 5, lid 1, onder c), van deze verordening opgenomen verplichting om compensatie te betalen (zie in die zin arrest van 22 december 2008, Wallentin-Hermann, C‑549/07, EU:C:2008:771, punt 22), en dat dus per geval moet worden beoordeeld of is voldaan aan de twee cumulatieve voorwaarden die in punt 32 van dit arrest in herinnering zijn gebracht.

35 Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat niet elke onverwachte gebeurtenis noodzakelijkerwijs als „buitengewone omstandigheid” als in het vorige punt bedoeld moet worden aangemerkt, maar dat kan worden geoordeeld dat een dergelijke gebeurtenis inherent is aan de normale uitoefening van het bedrijf van de luchtvaartmaatschappij (zie in die zin arrest van 17 september 2015, Van der Lans, C‑257/14, EU:C:2015:618, punt 42).

36 Gelet op de doelstelling van verordening nr. 261/2004, die er volgens de eerste overweging in is gelegen een hoog niveau van bescherming van de passagiers te waarborgen, en het feit dat artikel 5, lid 3, van deze verordening een afwijking is van het beginsel dat de passagiers recht op compensatie hebben in geval van annulering of langdurige vertraging van een vlucht, moet het begrip „buitengewone omstandigheden” in de zin van dat laatste lid bovendien strikt worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 22 december 2008, Wallentin-Hermann, C‑549/07, EU:C:2008:771, punt 20).”

4.12

Aan de hand van voornoemde elementen heeft het Hof vervolgens bepaald dat een ‘wilde staking’ als in die zaak aan de orde niet als een ‘buitengewone omstandigheid’ kan worden aangemerkt:

“38 In casu volgt uit het aan het Hof overlegde dossier dat de „wilde staking” onder het personeel van de betrokken luchtvaartmaatschappij zijn oorsprong vindt in haar onverwachte aankondiging dat de onderneming zou worden geherstructureerd. (…)

39 Bijgevolg staat vast dat deze „wilde staking” is begonnen door het personeel van TUIfly om zijn eisen kenbaar te maken, in casu met betrekking tot de herstructureringsmaatregelen die door het bestuur van deze luchtvaartmaatschappij waren aangekondigd.

40 Zoals de Europese Commissie terecht opmerkt in haar schriftelijke opmerkingen, zijn herstructureringen en reorganisaties van ondernemingen onderdeel van een normale bedrijfsvoering.

41 Het is dus gewoon dat luchtvaartmaatschappijen in de uitoefening van hun bedrijf kunnen worden geconfronteerd met onenigheid of zelfs conflicten met de leden van hun personeel of een deel van dat personeel.

42 Onder de voorwaarden bedoeld in de punten 38 en 39 van dit arrest moeten de risico’s die voortvloeien uit de sociale gevolgen die met dergelijke maatregelen gepaard gaan, dus worden geacht inherent te zijn aan de uitoefening van het bedrijf van de luchtvaartmaatschappij.

43 Bovendien kan de luchtvaartmaatschappij niet worden geacht geen daadwerkelijke invloed te hebben kunnen uitoefenen op de „wilde staking” die in de hoofdgedingen aan de orde is.

(…)

48 Gelet op een en ander moet op de eerste twee vragen (…) worden geantwoord dat artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004, gelezen in het licht van overweging 14 daarvan, aldus moet worden uitgelegd dat de spontane afwezigheid van een aanmerkelijk deel van het vliegend personeel („wilde staking”), zoals die welke aan de orde is in de hoofdgedingen, die haar oorsprong vindt in de onverwachte aankondiging door een uitvoerende luchtvaartmaatschappij dat de onderneming zal worden geherstructureerd, na een oproep die niet van de werknemersvertegenwoordigers van de onderneming uitging maar spontaan van de werknemers zelf, die zich ziek hebben gemeld, niet onder het begrip „buitengewone omstandigheden” in de zin van die bepaling valt.”

4.13

Ik ben geneigd te denken dat, als een dergelijk wilde staking al geen buitengewone omstandigheid vormt, dit temeer geldt voor een door vakbonden aangekondigde staking. Dat is ook het standpunt van Loos in zijn NJ-annotatie bij het (eerder gewezen) arrest Van der Lans, dat overigens niet over een staking gaat maar over een technisch defect aan een vliegtuig. Loos schrijft (mijn onderstreping): 52

“De in [punt 14 en 15] van de preambule genoemde omstandigheden lijken duidelijk, maar zijn dat niet zonder meer. Indien vluchten moeten worden geannuleerd of grote vertraging ondervinden door weersomstandigheden of door andere natuurlijke omstandigheden, zoals een vulkaanuitbarsting, levert dat in beginsel overmacht op (Hof van Justitie 31 januari 2013, zaak C-12/11, NJ 2013/150, m.nt. M.R. Mok, McDonagh/Ryanair). Dat kan mogelijk ook het geval zijn bij een zware storm of bij een staking van de luchtvaartleiding in een land waar het vliegtuig overheen zou vliegen, omdat daarmee de veiligheid aan boord van het vliegtuig in gevaar kan komen. Een staking onder het eigen personeel van de luchtvaartmaatschappij levert mijns inziens zonder meer geen overmacht op, omdat de luchtvaartmaatschappij het in haar macht heeft de staking te doen eindigen door toe te geven aan de eisen van de stakende werknemers. Dat de luchtvaartmaatschappij dat mogelijk niet wil doen, kan uit bedrijfseconomische gronden legitiem zijn, maar een dergelijke beslissing dient mijns inziens niet te kunnen worden afgewenteld op de passagiers.”

4.14

Dit lijkt mij in zijn algemeenheid juist. Ter vergelijking: als de luchtverkeersleiders staken en een vlucht daardoor moet worden afgelast, hebben we te maken met een situatie die buiten de invloedsfeer van een luchtvaartmaatschappij ligt en daarom als ‘buitengewone omstandigheid’ kan worden gekwalificeerd. Vermoedelijk geldt hetzelfde als het personeel van de nationale luchtvaartmaatschappij staakt en daardoor het vliegverkeer van en naar een bepaalde luchthaven zodanig wordt ontregeld dat ook andere maatschappijen vluchten moeten schrappen. Voor die maatschappijen lijkt dan sprake van een buitengewone gebeurtenis.

4.15

Stakingen van het eigen personeel daarentegen liggen in de invloedsfeer van de luchtvaartmaatschappij zelf en zou geen reden moeten zijn aan passagiers de rechten te onthouden die de Verordening hun toekent. Als herstructureringen geacht worden onderdeel te zijn van een normale bedrijfsvoering (zie rov. 40 en 41 van het arrest Krüsemann), geldt dat ook voor zaken als het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden. Een staking wegens een arbeidsconflict is daarom niet te beschouwen als een voorval dat niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteit van de luchtvaartmaatschappij (het eerste criterium genoemd in 4.8). Het mag als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd dat Ryanair de laatste jaren regelmatig in het nieuws is geweest in verband met arbeidsconflicten, of het nu ging om reguliere arbeidsvoorwaarden als salaris en werktijden of om ontslagen wegens de sluiting van bepaalde bases. Er kan m.i. geen redelijke twijfel over bestaan dat een dergelijk conflict in de relatie tussen de luchtvaartmaatschappij en de passagiers voor risico van de maatschappij dient te komen. Leidt een dergelijk conflict tot een staking van (een deel van) het personeel, dan vormt die staking niet een gebeurtenis die voldoet aan de twee in 4.8 genoemde voorwaarden.

4.16

De wijze waarop Ryanair probeert de onderhavige zaak in voor haar gunstige zin te onderscheiden van de wilde staking bij TuiFly waar de zaak Krüsemann over gaat, kan mij niet aanstonds overtuigen. Zo wordt in de verklaring van Ryanair, die is aangehecht als productie 1 bij het verweerschrift in de procedure bij de kantonrechter, benadrukt dat het in Krüsemann ging om een unilateral action van de kant van TuiFly, te weten de aankondiging van een reorganisatie (die onrust bij het personeel had veroorzaakt). Ryanair daarentegen had nu juist alles gedaan in its power to avoid the strike, want had vakbonden tot de onderneming toegelaten en was onderhandelingen gestart over een corporate collective agreement (zie ook hiervoor, 2.6). Dat lees ik alsof zou volstaan dat de vakbonden aan tafel mochten zitten. Daarmee heeft Ryanair echter niet aangetoond dat zij alles heeft gedaan om de bewuste staking te vermijden. Het is waar dat het dictum van het arrest Krüsemann erg is toegeschreven op de omstandigheden van die zaak. Dat betekent niet dat als een van die elementen zich in een andere zaak niet precies zo voordoet, de beoordeling anders moet uitvallen.

4.17

Relatief nieuw in de discussie over de vraag of een staking valt in de categorie ‘buitengewone omstandigheden’ als bedoeld in art. 5 lid 3 van de Verordening is het beroep van luchtvaartmaatschappijen op het EU-Handvest van de Grondrechten, enerzijds art. 16 (vrijheid van ondernemerschap) en anderzijds art. 28 (recht op collectieve handelingen van sociale partners en recht op collectieve actie van werknemers).53

4.18

Art. 16 Handvest bepaalt dat de vrijheid van ondernemerschap wordt erkend overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken. Hierover heeft het Hof het volgende overwogen:54

“Wat vervolgens de toepassing van de artikelen 15 en 16 van het Handvest betreft, aangezien deze artikelen rechten erkennen die voorkomen in bepalingen van de Verdragen van de Unie, zoals in het hoofdgeding in artikel 49 VWEU, moeten deze rechten overeenkomstig artikel 52, lid 2, van het Handvest worden uitgeoefend ‘onder de voorwaarden en binnen de grenzen die door deze Verdragen zijn gesteld’.”

Ik leid hier uit af dat art. 16 Handvest niet de in de Verordening aan passagiers toegekende rechten kan beperken. Immers, de werking van de Verordening, waaronder art. 7 dat recht geeft op compensatie bij annulering van vluchten, wordt door de vrijheid van ondernemerschap niet beperkt of anderszins aangetast.

4.19

Art. 28 Handvest beschermt het recht van werkgevers en werknemers en hun representatieve organisaties om collectief te onderhandelen en cao’s af te sluiten. Ik zie niet in hoe de verplichting van een luchtvaartmaatschappij om passagiers in geval van annulering van een vlucht compensatie te betalen, afbreuk zou kunnen doen aan het recht van collectieve onderhandeling. Daarnaast erkent art. 28 Handvest het recht collectieve actie te ondernemen, met inbegrip van staking. Dat recht wordt uit de aard der zaak toegekend aan werknemers of hun organisaties. Ik begrijp het zo dat Ryanair aan het stakingsrecht van de vakbonden een argument wil ontlenen voor haar betoog dat een staking een gebeurtenis is die buiten haar macht ligt en dus een ‘buitengewone omstandigheid’ in de zin van art. 5 lid 3 van de Verordening is. In die redenering ga ik niet mee.

4.20

In dat verband verwijs ik voor de volledigheid naar een uitspraak van het Amtsgericht Hamburg van 16 oktober 2019 in een zaak die overeenkomsten vertoont met de onderhavige zaak.55 Deze Duitse rechter heeft het Hof om een prejudiciële beslissing gevraagd over de vraag of “een door de vakbond georganiseerde staking van het eigen personeel van een luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert een ‘buitengewone omstandigheid’ in de zin van art. 5 lid 3 van de Verordening vormt”. Zoals Duitse gerechten vaak doen geeft het Amtsgericht in de verwijzingsuitspraak zijn voorlopige standpunt weer (de Nederlandse vertaling is van het Hof):56

“19. De verwijzende rechter gaat ervan uit dat de prejudiciële vraag waarschijnlijk ontkennend zal worden beantwoord.

(…)

21. De verwijzende rechter vermoedt dat indien het Hof reeds een ‘wilde staking’ als een gebeurtenis beschouwt waarop invloed kan worden uitgeoefend, het a fortiori zal aannemen dat invloed kan worden uitgeoefend op een door de vakbond georganiseerde staking van de eigen werknemers (bijvoorbeeld doordat de luchtvaartmaatschappij met de betrokken vakbond een akkoord sluit), zodat er waarschijnlijk geen sprake is van ‘buitengewone omstandigheden’.

22. De verwijzende rechter acht het evenwel tevens mogelijk dat het Hof een door de vakbond georganiseerde staking anders beoordeelt, aangezien een dergelijke staking, in tegenstelling tot een „wilde staking”, wordt beschermd door het Unierecht en door artikel 12, lid 1, en artikel 28 van het Handvest van de grondrechten, en dientengevolge zou het arrest van 17 april 2018 (C-195/17) niet aldus kunnen worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op een door de vakbond georganiseerde staking. (…)”

4.21

Na deze uiteenzetting keer ik terug naar het middel.

Subonderdelen 1.2 en 1.3

4.22

Subonderdeel 1.2 is gericht tegen rov. 4.8 en 4.9 van de bestreden beschikking en betoogt in de kern dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het op de weg van Ryanair lag om met stukken (nader) te onderbouwen dat (en hoe) de staking van 26 juli 2018 daadwerkelijk tot gevolg heeft gehad dat de onderhavige vlucht onvermijdelijk diende te worden geannuleerd.

4.23

De klacht faalt. Uit het arrest Wallentin-Hermann volgt dat het aan de vervoerder is om aan te tonen dat sprake is van buitengewone omstandigheden die hij zonder het brengen van voor hem onaanvaardbare offers niet kon vermijden.57

4.24

Subonderdeel 1.3 is gericht tegen rov. 4.7 van de bestreden beschikking en betoogt in de kern dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangesloten bij het arrest van het Hof van 17 april 2018 (Krüsemann).

4.25

Bij de bespreking van subonderdeel 1.1. ben ik al ingegaan op de betekenis van dit arrest, na te hebben vastgesteld dat de kantonrechter niet heeft geoordeeld dat een door vakbonden aangekondigde staking nooit een buitengewone omstandigheid kán opleveren. De klacht faalt.

Subonderdeel 1.4

4.26

Subonderdeel 1.4 bestaat uit twee klachten.

4.27

Onder a klaagt het middel dat de kantonrechter ten onrechte heeft nagelaten deze zaken op grond van art. 267 derde alinea VWEU te verwijzen naar het Hof, terwijl dat gelet op de stellingen van Ryanair wel noodzakelijk was. Deze klacht is gelijkluidend als in de zaken Aegean/ [… 1] en Agean/ [… 2]

4.28

Ingevolge art. 267 VWEU is de hoogste nationale rechter van de EU-lidstaten verplicht – de overige gerechten zijn bevoegd – om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof indien een vraag over de uitleg van Unierecht wordt opgeworpen. Hierop geldt een uitzondering wanneer de nationale rechter vaststelt dat de opgeworpen vraag niet relevant is voor de beslechting van het geschil of dat de betreffende bepaling van het Unierecht door het Hof reeds is uitgelegd (acte éclairé) of dat de juiste toepassing van het Unierecht zo voor de hand ligt dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan (acte clair).58

4.29

De hoogste nationale rechter in de zin van art. 267 VWEU is ‘een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie’.59 Dit behoeft niet altijd de hoogste rechterlijke instantie te zijn, maar kan ook een lagere rechter zijn die in het concrete geval in hoogste instantie recht spreekt omdat tegen zijn beslissing geen gewoon rechtsmiddel open staat (bijvoorbeeld omdat het procesbelang beneden een bepaalde grens blijft).60 Voor het antwoord op de vraag of een lagere rechter in een concreet geval als hoogste rechter rechtspreekt is bepalend of de rechtsvragen waarover de lagere rechter zich heeft uitgesproken zonder meer aan een nieuwe rechterlijke beoordeling kunnen worden onderworpen. In de woorden van het Hof gaat het erom of “onzekerheid over de uitlegging van het toepasselijke recht, met inbegrip van het gemeenschapsrecht, uiteindelijk tot controle van de hoogste rechter (kan) leiden”.61 Het beperkte cassatieberoep op grond van art. 80 lid 1 RO voldoet hieraan niet, zodat de kantonrechter in dit geval als hoogste rechter in de zin van art. 267 VWEU moet worden aangemerkt en daarom verplicht kan zijn om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen.

4.30

Uit de bespreking van de voorafgaande subonderdelen volgt dat er in dit geval voor de kantonrechter geen noodzaak bestond tot het stellen van een prejudiciële vraag. Als gezegd heeft de kantonrechter de zaak beslist op, in de kern, gebrek aan door Ryanair te leveren bewijs, tegen de achtergrond van de eisen die de aangehaalde Europese rechtspraak, in het bijzonder de aangehaalde arresten Wallentin-Hermann en Krüsemann daaraan stelt. Ik verwijs nogmaals naar rov. 4.8 en 4.9 van de bestreden beschikking en naar hetgeen ik hiervoor in 4.9 heb opgemerkt. De kantonrechter heeft de zaak niet beslist op grond van een bepaalde rechtsopvatting omtrent het begrip ‘buitengewone omstandigheid’ in de context van een staking van eigen personeel. De kantonrechter was daarom niet gehouden om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen teneinde dit geschil te kunnen beslechten.

4.31

Ik voeg daar aan toe dat er ook voor Hoge Raad m.i. geen reden bestaat om een prejudiciële vraag te stellen, temeer niet nu het Amtsgericht Hamburg zoals hiervoor aangegeven inmiddels al een prejudiciële vraag heeft gesteld die overeenkomt met de vraag die Ryanair heeft voorgesteld.62 Evenmin zie ik reden uw Raad te adviseren om zijn arrest in deze zaak aan te houden tot na de uitspraak van het Hof in zaak C-816/19. De reden daarvoor is dat – nog los van de omstandigheid dat de in dit subonderdeel aangevoerde rechtsklacht de cassatiegronden van art. 80 lid 1 RO te buiten gaat (zie hoofdstuk 3 van deze conclusie) – de vraag of een bepaalde gebeurtenis als ‘buitengewone omstandigheid’ moet worden aangemerkt sterk is verweven met de omstandigheden van het geval.

4.32

Op dat laatste heeft Ryanair zelf ook gewezen waar zij aan het slot van haar eerder genoemde statement opmerkt:

“In fact, as the Court observed, the assessment on the occurrence of an extraordinary circumstance must be carried out on a case-by-case basis.”

Het is inherent aan die noodzakelijke case-by-case benadering dat het makkelijk kan gebeuren dat rechterlijke uitspraken over ogenschijnlijk dezelfde vragen van elkaar verschillen. Elke keer moet maatwerk worden geleverd. Anders dan Ryanair betoogt, zijn verschillen in beoordeling (en uitkomst) daarom niet zonder meer aan te merken als inconsistenties of onjuistheden.63

4.33

Ryanair presenteert in dit verband het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof als hét middel om tot een meer uniforme toepassing van de Verordening te komen. Bedacht moet echter worden dat de rechtspraak van het Hof over (art. 5 lid 3 van) de Verordening reeds overvloedig en sterk casuïstisch is. Ik schat in dat het Hof niet zit te wachten om nog veel meer prejudiciële vragen op dit gebied, maar eerder zal proberen de vloed van zaken in te dammen. Daar komt nog bij het welbekende fenomeen dat antwoorden vaak weer nieuwe vragen uitlokken.

4.34

Gelet op het voorgaande faalt de klacht onder a.

4.35

Onder b betoogt het middel dat de kantonrechter ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan rechtspraak van de Duitse en Spaanse rechter die afwijkt van het arrest van het Hof van 17 april 2018.64

4.36

Het moge duidelijk zijn dat Nederlandse rechter niet gehouden is om uitspraken van buitenlandse rechters te volgen (al kunnen die vaak wel tot inspiratie dienen). Dat ligt uiteraard anders voor arresten van het Hof. In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter terecht acht geslagen op het arrest Krüsemann over de wilde staking, zonder dat evenwel zijn beslissing op die uitspraak te baseren (zie hiervoor 4.9 en 4.30).

4.37

Subonderdeel 1.5 is een veegklacht en faalt om de hierboven genoemde redenen.

Onderdeel 2

4.38

Onderdeel 2 bestaat uit twee subonderdelen (2.1-2.2), die motiveringsklachten richten tegen de beschikking van de kantonrechter. Ik stel vast dat die klachten steeds in het verlengde liggen van de rechtsklachten in onderdeel 1. Ik herhaal dat gezien het beperkte toetsingskader van art. 80 lid 1 RO verkapte rechtsklachten of motiveringsklachten die niet te beoordelen zijn zonder tevens de juistheid van de rechtsopvattingen van de kantonrechter in de beoordeling te betrekken – net als rechtsklachten – niet-ontvankelijk zijn. Daarom behoeven de motiveringsklachten geen aparte bespreking.

Slotsom

4.39

Nu de klachten falen dient het beroep te worden verworpen. Ik acht het in het belang van de rechtsvorming dat in het arrest van uw Raad een oordeel wordt gegeven over de ontvankelijkheid van de verschillende middelonderdelen en daarmee over het door Ryanair in deze zaak ingenomen standpunt dat de cassatiegronden genoemd in art. 80 lid 1 RO moeten worden uitgebreid naar schending van het Unierecht.

5 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (Pb 2004, L 46/1).

2 Ontleend aan rov. 2 van de bestreden beschikking.

3 Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (Pb 2007, L 199/1). Daarvoor wordt een standaardformulier gebruikt.

4 Een dergelijke procedure is aan te merken als een verzoekschriftprocedure. De uitspraak van de kantonrechter is daarom terecht als ‘beschikking’ aangeduid. Mogelijk heeft de rechtbank Noord-Nederland dat in zaak 19//02474 (Aegean/ [… 2]) over het hoofd gezien. De bestreden uitspraken in die zaak zijn als vonnissen aangeduid.

5 Schriftelijke toelichting Ryanair onder 7, laatste alinea.

6 HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490, NJ 2007/637, m.nt. H.J. Snijders.

7 Schriftelijke toelichting onder 9-11.

8 Schriftelijke toelichting onder 7, laatste alinea. Zie in dit kader bijvoorbeeld: HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ3207, NJ 2004/680.

9 Schriftelijke toelichting onder 8 en 14.

10 HR 25 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1315, NJ 1994/392 (Ten Haave/HRB).

11 Procesinleiding in zaak 20/00085, p. 5.

12 HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490, NJ 2007/637, m.nt. H.J Snijders, rov. 3.6. Zie ook de conclusie van A-G Wesseling-van Gent voor dat arrest, waarin zij in punt 2.5 dieper ingaat op de achtergrond van de appeluitsluiting.

13 Vgl. R. Van Boneval Faure, Het Nederlandsche Burgerlijk Procesrecht, deel 1, 3e druk Leiden 1893, p. 388.

14 De voorganger van art. 80 RO, art. 100 Wet RO, is als zodanig ingevoerd bij wet van 20 juni 1963, Stb. 272. Inhoudelijk heeft de Wet RO van het begin (1827) af aan een regeling als die van art. 100 gekend; eerst was deze opgenomen in art. 101, later in art. 99 Wet RO.

15 Zie Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7, 2015/196.

16 Zo heeft de Hoge Raad uitspraken van kantonrechters vernietigd wegens innerlijke tegenstrijdigheid, onbegrijpelijkheid van de motivering of op grond van een kennelijke vergissing van de kantonrechter. Zie o.a. HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4430, NJ 2000/255. Zie ook Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7, 2015/197 en de daarin in voetnoot 1 aangehaalde jurisprudentie.

17 Van den Honert, Handboek 1839, p. 103.

18 Zie ook: C.J.M. Klaassen, G.J. Meijer & H.J. Snijders, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 272.

19 HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490, NJ 2007/637, m.nt. H.J Snijders, rov. 3.7.2.

20 HR 3 december 1971, NJ 1972/137, m.nt. G.J. Scholten (Hotel Jan Luyken/Staat).

21 Zie o.a. HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ3207, NJ 2004/680. Zie ook Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7, 2015/197 en de daar in voetnoot 2 aangehaalde jurisprudentie.

22 Zie o.a. HR 11 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC2262, NJ 1988/338, m.nt. W.L. Haardt. Zie ook Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7, 2015/197 en de daar in voetnoot 3 aangehaalde jurisprudentie.

23 Preadvies mr. G.J. Wiarda, Handelingen 1978 der Nederlandse Juristen-Vereniging, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, deel 1, tweede stuk, p. 85 en 86.

24 Handelingen 1978 der Nederlandse Juristen-Vereniging, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, deel 2, p. 63.

25 Noot W.H. Heemskerk bij HR 29 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6644, NJ 1979/524.

26 Conclusie voor HR 30 september 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4651, NJ 1984/93.

27 Noot W.L. Haardt bij HR 11 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC2262, NJ 1988/338.

28 Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7, 2015/196.

29 C.J.M. Klaassen, G.J. Meijer & H.J. Snijders, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 272.

30 De regeling van art. 100 Wet RO is op 1 januari 2002 nagenoeg ongewijzigd overgegaan in art. 80 lid 1 RO. Nagenoeg ongewijzigd, omdat het woord ‘uitspraak’ is vervangen voor het woord ‘vonnis’, welke wijziging in 2005 weer is teruggedraaid door ‘vonnis of een beschikking’ in art. 80 lid 1 RO op te nemen. Zie Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7, 2015/196.

31 Vgl. o.a. HvJEG 14 december 1995, C-312/93, ECLI:EU:C:1995:437, punten 12, 16-21 (Peterbroeck), HvJEU 14 mei 1996, C-143/94 en C-202/94, ECLI:EU:C:1996:198, punt 34 (Faroe Seafood) en HvJEU 6 maart 2019, C-284/19, ECLI:EU:C:2018:158, punten 56-58 (Slowaakse Republiek/Achmea).

32 Ryanair wijst er in haar schriftelijke toelichting onder 12 op dat bovendien in de praktijk de consistente interpretatie van de Verordening gebrekkig is.

33 H.B. Krans, ‘De Kantonrechter als hoogste rechter. Een pleidooi voor doorbreking van het appèlverbod in gemeenschapsrechtelijk getinte zaken’, WPNR 2004/6595, p. 832 en H.B. Krans, Nederlands burgerlijk procesrecht en materieel EU-recht (BPP nr. 12) 2010/12.1.

34 HvJEU 15 maart 2017, C-3/16, ECLI:EU:C:2017:209 (Aquino/Belgische Staat).

35 Als voorbeeld noem ik HR 21 december 2018,ECLI:NL:HR:2018:2396 NJ 2019/156, m.nt. L.A.D. Keus (Verkeersvliegers/Staat) naar aanleiding van de beslissing van de Hoge Raad het geschil tussen partijen te beslissen zonder prejudiciële vragen te stellen (HR 13 juli 2012, NJ 2012/547, m.nt. M.R. Mok).

36 HR 2 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2027 (Spin Master/High5 Products) en HvJEU 21 november 2019, C-678/18, ECLI:EU:C:2019:998 (Procureur-Generaal bij de Hoge Raad).

37 HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:396, NJ 2015/55, m.nt. H.B. Krans ([… 8] /DAS).

38 HvJEU 22 juni 2017, C-126/16, ECLI:EU:C:2017:489 (Smallsteps).

39 Er zijn diverse claimvehikels, waaronder EU-Claim, die zich op deze ‘business’ toeleggen. En ook de luchtvaartmaatschappijen hebben uiteraard hun specialisten.

40 C-315/11, een verwijzing van de kantonrechter te Breda. De zaak is doorgehaald bij beschikking van 17 januari 2013, ECLI:EU:C:2013:16, omdat het arrest in C‑581/10 en C‑629/10, Nelson, het antwoord bevatte op de voorgelegde vraag.

41 HvJEU 17 september 2015, C-257/14, ECLI:EU:C:2015:618, na verwijzing van de kantonrechter Amsterdam.

42 HvJEU 11 mei 2017, C-302/16, ECLI:EU:C:2017:359, na verwijzing van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland.

43 HvJEU 10 juli 2019, C-163/18, ECLI:EU:C:2019:585, na verwijzing van vier zaken door de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland.

44 HR 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5515 (KLM), NJ 2012/395, rov. 3.3.

45 Conclusie A-G Vlas voor HR 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5515 (KLM), NJ 2012/395, punt 2.7.

46 HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2864, NJ 2013/276 (Martinair) en HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2868, NJ 2013/277 (Transavia).

47 Conclusie A-G Vlas voor HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2864, NJ 2013/276 (Martinair) en HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2868, NJ 2013/277 (Transavia), punt 2.7.

48 HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2864, NJ 2013/276 (Martinair) en HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2868, NJ 2013/277 (Transavia), rov. 2.4.2.

49 HvJEG 22 december 2008, C‑549/07, ECLI:EU:C:2008:771, punt 17 en punt 41 (Wallentin-Hermann).

50 HvJEG 22 december 2008, C‑549/07, ECLI:EU:C:2008:771, punt 25 (Wallentin-Hermann); HvJEU 31 januari 2013, C‑12/11, ECLI:EU:C:2013:43, punt 38 (McDonagh); HvJEU 4 mei 2017, C‑315/15, ECLI:EU:C:2017:342, punt 22 (Pešková en Peška); HvJEU 17 april 2018, C‑195/17 e.a., ECLI:EU:C:2018:258, punt 32 (Krüsemann e.a.).

51 HvJEU 17 april 2018, C-195/17 e.a., ECLI:EU:C:2018:258 (Krüsemann e.a).

52 HvJEU 18 september 2015, ECLI:EU:C:2015:618, NJ 2016/340, m.nt. M.B.M. Loos (Van der Lans/KLM).

53 Zie verweerschrift Ryanair in de procedure bij de kantonrechter, punt 15, en de al aangehaalde verklaring van Ryanair, voetnoot 4.

54 HvJEU 19 december 2019, C-465/18, ECLI:EU:C:2019:1125, punt 29 (AV/Comune di Bernareggio).

55 C-816/19, QF/Germanwings.

56 Nederlandse vertaling te vinden op https://ecer.minbuza.nl/documents/20142/0/C-816-19+verwijzingsbeschikking.pdf/174db119-68f7-f8e7-d6e8-6640b058a2f0?t=1582643018983.

57 HvJEG 22 december 2008, C‑549/07, ECLI:EU:C:2008:771, punt 17 en punt 41 (Wallentin-Hermann).

58 HvJEG 6 oktober 1982, C-283/81, ECLI:EU:C:1982:335 (Cilfit), NJ 1983/55, recent bevestigd in HvJEU 4 oktober 2018, C-416/17, ECLI:EU:C:2018:811, punten 110-114 (Commissie/Frankrijk – précompte moblier), JB 2018/197, m.nt. J. Krommendijk.

59 HvJEG 30 september 2003, C-224/01, ECLI:EU:C:2003:513, punt 34 (Köbler), NJ 2004/160, m.nt. M.R. Mok.

60 R. Barents, EU-procesrecht, Deventer: Kluwer 2010, p. 374.

61 HvJEG 4 juni 2002, C-99/00, ECLI:EU:C:2002:329, punt 17 (Lyckeskog), NJ 2003/120.

62 Aanhangige zaak C-816/19, QF/Germanwings.

63 Vgl. de schriftelijke toelichting, de zevende (ongenummerde) bladzijde.

64 Zie de uitspraak van 16 augustus 2018 van het Amtsgericht Geldern (productie 2 bij verweerschrift Ryanair) en de uitspraak van 28 juni 2018 van het Handelsgerecht van Ponteverda, Spanje (productie 3 bij het verweerschrift). In beide zaken werd aangenomen dat een staking van Ryanair-personeel een buitengewone omstandigheid als bedoeld in art. 5 lid 3 van de Verordening opleverde. Aan het slot van de Spaanse uitspraak staat: “This decision is final and unappealable”. Dat lijkt erop te wijzen dat in Spanje tegen een dergelijke uitspraak hoger beroep noch cassatie open staat.