Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:368

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-04-2020
Datum publicatie
22-05-2020
Zaaknummer
19/02474
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1599, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Procesrecht. Compensatie voor passagiers luchtvaartmaatschappij op grond van EG-Verordening 261/2004 wegens annulering vlucht. Uitspraak kantonrechter waartegen geen hoger beroep open staat (art. 332 Rv); Small claims-Verordening. Ontvankelijkheid in cassatie; uitbreiding beperkte cassatiegronden (art. 80 lid 1 RO) tot schending EU-recht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02474

Zitting 3 april 2020

CONCLUSIE

B.J. Drijber

In de zaak van

Aegean Airlines S.A.,

eiseres tot cassatie,

advocaat: mr. M.E. Bruning

tegen

1. [verweerder 1]

2. [verweerster 2]

3. [verweerder 3] (minderjarig kind vertegenwoordigd door verweerders onder 1 en 2)

4. [verweerster 4]

5. [verweerder 5]

6. [verweerder 6]

7. [verweerder 7]

8. [verweerder 8]

9. [verweerder 9]

10. [verweerder 10] (minderjarig kind vertegenwoordigd door verweerster onder 9)

11. [verweerder 11]

12. [verweerder 12]

13. [verweerders 13] (minderjarige kinderen vertegenwoordigd door verweerster onder 11)

14. [verweerder 14]

15. [verweerder 15]

16. [verweerder 16]

17. [verweerder 17],

verweerders in cassatie,

niet verschenen

Aegean Airlines S.A. wordt hierna aangeduid als Aegean. Verweerders in cassatie worden hierna gezamenlijk aangeduid als de passagiers. Verweerders onder 1 t/m 6 worden hierna ook aangeduid als [verweerders onder 1 t/m 6], verweerders onder 7 t/m 11 als [verweerders onder 7 t/m 11] en verweerders onder 12 t/m 17 als [verweerders onder 12 t/m 17]

1 Inleiding

1.1

In deze zaak gaat het om één cassatieberoep tegen drie inhoudelijk identieke vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen (hierna: de kantonrechter). Aanleíding voor het geschil is dat de door de passagiers geboekte vlucht naar Corfu (Griekenland) is geannuleerd of vertraagd. De kantonrechter heeft Aegean veroordeeld om op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening)1 aan de passagiers de door hen aan een tussenpersoon betaalde ticketprijs te restitueren en/of compensatie te betalen.

1.2

De toegewezen bedragen liggen onder de financiële appelgrens van € 1.750,00 per persoon. Cassatie is wél mogelijk, maar alleen op grond van de limitatieve gronden die zijn vermeld in art. 80 lid 1 RO. Schending van het recht behoort niet tot die gronden. Het cassatieberoep is er voornamelijk op gericht om deze gronden uit te breiden naar schending van het Unierecht. De kantonrechter zou de Verordening onjuist hebben toegepast en ten onrechte hebben nagelaten om overeenkomstig art. 267 derde alinea VWEU prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). In deze zaak is tegen de passagiersverstek verleend.

1.3

Zaak 19/02472 (Aegean/ [… 1]) hangt nauw samen met de onderhavige zaak. De feiten zijn grotendeels identiek. Ook in die zaak heeft Aegean één cassatieberoep ingesteld tegen drie nagenoeg identieke vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland. Die vonnissen zijn materieel gelijkluidend aan de drie vonnissen in de onderhavige zaak en zijn ook van dezelfde datum. Verweerders in die zaak zijn wel verschenen.

1.4

De derde zaak waarin ik vandaag concludeer is zaak 19/03488 (Ryanair/ [… 2]). De feiten liggen in die zaak iets anders: de reden waarom de vlucht in kwestie was geannuleerd was een door de vakbonden aangekondigde staking was. Ook in die zaak wordt het betoog gevoerd dat schending van het Unierecht als cassatiegrond dient te worden toegevoegd aan de gronden van art. 80 lid 1 RO.

1.5

Ik heb vastgesteld dat er nog meer zaken bij de Hoge Raad aanhangig zijn over deze problematiek en meen er goed aan te doen uw Raad daar op te wijzen.

1.6

Recent zijn door Aegean Airlines nog eens vier cassatieberoepen ingesteld, alle gericht tegen nagenoeg identieke vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 24 december 2019. In die zaken zijn in belangrijke mate dezelfde juridische vragen aan de orde als in de onderhavige zaak en de zaak Aegean/ [… 1] Het gaat om zaak 20/01146 (Aegean/ [… 3]), zaak 20/01147 (Aegean/ [… 4]), zaak 20/01171 (Aegean/ [… 5]). en zaak 20/01173 (Aegean/ [… 6]).

1.7

Tot slot wijs ik op de zaak met het nummer 20/00085 (Qatar Airways/ [… 7]).Qatar Airways, vertegenwoordigd door dezelfde cassatieadvocaat als Aegean en Ryanair, richt klachten tegen een arrest van 8 oktober 2019 van het gerechtshof Amsterdam, waarbij een hoger beroep tegen een uitspraak van de kantonrechter niet-ontvankelijk is verklaard op de grond dat het gevorderde bedrag per passagier onder de appelgrens ligt. In cassatie betoogt Qatar Airways onder meer dat, waar één claimvehikel een groep passagiers vertegenwoordigt in een procedure waarin zij zelf partij zijn, voor het toepassen van de appelgrens de waarde van de individuele vorderingen bij elkaar moet worden opgeteld.

2 Feiten

2.1

In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan.2

2.2

Aegean is een in Griekenland gevestigde luchtvaartmaatschappij.

2.3

Tussen Aegean en G.S. Charter Aviation Services Limited (hierna: G.S. Charter), gevestigd in Cyprus, bestond een charterovereenkomst, op grond waarvan Aegean aan G.S. Charter – tegen betaling van een chartersom – een bepaalde capaciteit aan vliegtuigstoelen ter beschikking heeft gesteld. G.S. Charter verkocht die capaciteit door aan derden, waaronder de reisorganisatie [A] B.V. (hierna: [A]) te [vestigingsplaats] .

2.4

In de charterovereenkomst van 20 november 2014 is onder meer het volgende opgenomen:3

“1. The Operator is a Greek airline, performing public air transport services, agrees under the terms and conditions hereof to perform the following charter flight(s):

(…)

3 TERMS OF PAYMENT

a) Deposit: Non-refundable 5% (EURO 34,165.00) ...

b) The final settlement including all relevant charges (...) should be made 7 days prior to departure of the/each charter flight; otherwise the Operator has no obligation to perform the flights mentioned in this present agreement.

(...)

7. In the event that the departure of the Flight is subject to delay the Carrier [shall assist passengers as required by EC Regulation 261/2004.

8. The Charterer is obliged to advise the Operator at least 48 hours prior to departure of the charter flight(s) the total Passenger figures of the specific flight(s). (...)”

Uit art. 3 onder b) blijkt dat, als G.S. Charter niet uiterlijk zeven dagen voor de vluchtdatum heeft betaald, Aegean niet verplicht is de vlucht uit te voeren.

2.5

G.S. Charter heeft op 24 november 2014 een ‘charter agency agreement’ gesloten met [A] . In een bijlage bij dat contract is overeengekomen dat er in het zomerseizoen elke vrijdag van Corfu (Griekenland) naar Eelde (Nederland) zou worden gevlogen en terug, dat er een borg van € 56.395,05 zou worden betaald aan Aegean en dat er elke maandag betaald zou worden voor de retourvlucht op de vrijdag daaropvolgende. Aegean heeft in mei en een deel van de maand juli 2015 daadwerkelijk deze vluchten uitgevoerd.

2.6

De passagiers hebben een boeking gedaan bij [A] voor een retourvlucht naar Corfu van vliegveld Eelde, vertrekkend op een vrijdag in de periode tussen 17 juli 2005 en 7 augustus 2015. De passagiers hebben een reserveringsbevestiging en/of e-tickets ontvangen, met de bij de heen- en terugvlucht behorende vluchtnummers en vertrek- en aankomsttijden. Op de e-tickets, met het logo van Aegean, staat [A] als charterer vermeld.

2.7

[A] heeft te maken gekregen met tegenvallende boekingen naar Griekenland. Op 13 juli 2015 heeft [A] haar klanten – waaronder de passagiers – medegedeeld dat vluchten geannuleerd werden. In deze brief staat onder meer het volgende:

“Helaas moeten wij u mededelen, dat wij genoodzaakt zijn geworden om alle vluchten van en naar Corfu/Griekenland te annuleren. De redenen hiervoor zijn gelegen in stilstand in boekingen en annuleringen ten gevolge van de onduidelijkheden en onzekerheden over de status van Griekenland in de laatste maanden. Het plotselinge akkoord met Griekenland van heden is in ieder geval te laat en verwachten wij geen verbeteringen in de boekingen. Afgelopen dagen hebben wij in samenspraak met onze advocaat intensief overleg gevoerd met de feitelijke vervoerder – Aegean Airlines – om tot een aanvaardbare oplossing te komen en behoeve van onze passagiers/cliënten. Helaas heeft het overleg geen positief resultaat opgeleverd, waardoor wij dus genoodzaakt zijn geworden om de vluchten te annuleren. Wij betreuren dit ten zeerste. (...).”

2.8

Volgens een artikel van Nieuwsbureau van 20 juli 2015 heeft een medewerker van Aegean tegenover de pers verklaard:

“In de overeenkomst staat dat Aegean Airlines voorafgaand aan de vlucht de betalingen (charterprijs, brandstof en belastingen) moet hebben ontvangen. Als dat niet het geval is, mag Aegean Airlines, volgens de charterovereenkomst, de geplande vluchten annuleren.”

2.9

Verweerders in cassatie sub 1 t/m 4 zijn met een vervangende vlucht geruime tijd later op de overeengekomen eindbestemming (Corfu) aangekomen. Verweerders in cassatie sub 5, 6 en 9 t/m 11 zijn met een vervangende vlucht geruime tijd eerder op de overeengekomen eindbestemming aangekomen. Verweerders in cassatie onder 7, 8 en 12 t/m 17 zijn niet naar de overeengekomen eindbestemming afgereisd.

2.10

Op 3 augustus 2015 is [A] in staat van faillissement verklaard. [A] was niet aangesloten bij de Stichting Garantiefonds Reizen. Verweerders in cassatie onder 1 t/m 4 en 9 t/m 14 hebben hun vordering ten aanzien van de door hen betaalde tickets bij de curator in het faillissement ingediend.

2.11

Vanaf 23 juli 2015 hebben de gemachtigden van de passagiers Aegean aangeschreven tot restitutie van de ticketprijs en/of betaling van compensatie op grond van de Verordening. Aegean heeft de ontvangst van de correspondentie op 8 november 2016 bevestigd, maar hieraan verder geen inhoudelijk gevolg gegeven.

3 Procesverloop

3.1

De passagiers hebben op grond van de Europese ‘Small Claims’-verordening4 bij de kantonrechter tegen Aegean een verzoek ingediend:

(i) de procedure van [verweerders onder 1 t/m 6] (zaaknummer 6818999 CV EXPL 18-1913);

(ii) de procedure van [verweerders onder 7 t/m 11] (zaaknummer 6818436 CV EXPL 18-1911); en

(iii) de procedure van [verweerders onder 12 t/m 17] (zaaknummer 6818774 CV EXPL 18-1912).

De drie procedures zijn na (rol)voeging gezamenlijk door de kantonrechter behandeld.

3.2

De passagiers hebben, voor zover in cassatie nog relevant, gevorderd om Aegean te veroordelen tot betaling van € 400 per persoon aan financiële compensatie voor het annuleren van de vluchten. Verweerders in cassatie onder 5 t/m 8 en 12 t/m 17 hebben daarnaast gevorderd om Aegean te veroordelen tot betaling van de door hen betaalde ticketprijs. Zij waren immers niet op de plaats van bestemming aangekomen.

3.3

Op 19 februari 2019 heeft de kantonrechter eindvonnissen gewezen en daarin de vorderingen van de passagiers, voor zover in cassatie nog relevant, toegewezen. De vonnissen zijn nagenoeg identiek. De nummering van de drie vonnissen loopt ook gelijk. Daarom worden de bestreden vonnissen ten behoeve van de overzichtelijkheid hierna als één vonnis gepresenteerd.

3.4

De kantonrechter heeft overwogen dat de Verordening autonoom dient te worden uitgelegd en geabstraheerd moet worden van contractuele verhoudingen (rov. 4.4). In dit geval is sprake van een ‘bevestigde boeking’ in de zin van art. 2 onder g) van de Verordening. Op de door de passagier ontvangen stukken staan namelijk niet alleen een reserveringsnummer, maar ook de vluchtnummers van zowel de heen- als de terugvlucht vermeld met daarbij de behorende vertrek- en aankomsttijden. Dat Aegean de boeking niet zelf aan [de passagier] heeft bevestigd en [A] bij de uitgifte van e-tickets kennelijk zonder haar toestemming haar logo heeft gebruikt, is niet van belang (rov. 4.5). De kantonrechter heeft voorts geoordeeld dat Aegean dient te worden aangemerkt als de ‘luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert’ in de zin van art. 2 onder b) van verordening 261/2004. Daaraan doet niet af dat Aegean de vluchten voor [A] zou uitvoeren op basis van de charterovereenkomst tussen Aegean en G.S. Charter (rov. 4.6). Bovendien was hier sprake van ‘voorgenomen vluchten’ in de zin van de Verordening (rov. 4.7). Tot slot heeft de kantonrechter geoordeeld dat sprake is van ‘annulering’ in de zin van art. 5 in verbinding met art. 8 lid 1 onder a) van de Verordening en dat de betalingsmoeilijkheden van [A] niet kunnen worden gezien als een ‘buitengewone omstandigheid’ als bedoeld in art. 5 lid 3 van de Verordening. De kantonrechter overweegt op dat punt het volgende:

“4.8. De kantonrechter overweegt vervolgens dat uit artikel 5 jo artikel 8 lid 1 van de Verordening 261/2004 volgt dat passagiers bij annulering van een vlucht recht hebben op een terugbetaling van hun tickets (artikel 8 lid 1 sub a). Dat er geen sprake is van een annulering als bedoeld in Verordening 261/2004 zoals door Aegean aangevoerd, volgt de kantonrechter niet. Vast staat dat de door [de passagiers] geboekte vluchten niet door Aegean zijn uitgevoerd. Niet alleen uit de overgelegde brief van [A] van 13 juli 2015, maar ook de reactie van Aegean en de toelichting die zij tijdens het pleidooi heeft gegeven, is voldoende duidelijk geworden dat dit een beslissing van Aegean is geweest omdat zij slechts bereid was deze uit te voeren indien voordien de vaste vluchtprijs aan haar zou worden voldaan.

De kantonrechter overweegt dat de luchtvaartmaatschappij zelf bepaalt met wie zij zaken doet en de mogelijkheid heeft om bij het sluiten van de vervoersovereenkomst te bepalen onder welke (betalings)condities boekingen voor een vlucht (mogen) worden aanvaard en bevestigd. Om die redenen kunnen de betalingsmoeilijkheden van [A] – indien Aegean dat bedoelt te zeggen – naar oordeel van de kantonrechter ook niet worden gezien als een buitengewone omstandigheid die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen door Aegean niet voorkomen kon worden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van Verordening 261/2004.”

3.5

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter tot het oordeel gekomen dat verweerders sub 1-4 gezamenlijk recht hebben op compensatie van € 1.600,00, dat verweerders sub 5 en 6 gezamenlijk recht hebben op € 800,00 aan compensatie en op € 298,98 voor vergoeding van de tickets. Verweerders sub 7 en 8 hebben recht op € 800,00 aan compensatie en € 368,00 voor tickets en verweerders 9 en 11 hebben recht op € 1200,00 aan compensatie. Tot slot hebben [verweerders onder 12 t/m 17] (verweerders 12-17) gezamenlijk recht op € 3.360.5

3.6

Tegen de vonnissen van de kantonrechter stond wegens de in art. 332 lid 1 Rv genoemde appelgrens van € 1.750,00 geen hoger beroep open.

3.7

Aegean heeft op 20 mei 2019 tijdig cassatieberoep ingesteld en – met één procesinleiding – vernietiging van de drie bestreden vonnissen gevorderd. Aegean heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht.

4 Ontvankelijkheid

Inleiding

4.1

Het middel omvat twee onderdelen.

4.2

Het eerste onderdeel komt met diverse rechtsklachten op tegen de bestreden vonnissen. Het middel onderkent dat op grond van art. 80 lid 1 RO – naar de letterlijke wettekst en volgens bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad – in beginsel niet met rechtsklachten tegen deze vonnissen kan worden opgekomen.6 Het middel strekt er evenwel toe om de in art. 80 lid 1 RO vermelde cassatiegronden (verder) uit te breiden, althans buiten toepassing te verklaren (op grond van art. 93 en 94 van de Grondwet), zodat tegen een vonnis van de kantonrechter waartegen op de voet van art. 332 lid 1 Rv geen hoger beroep openstaat, in cassatie rechtsklachten kunnen worden gericht. Daarbij zou het (alleen) hoeven te gaan om rechtsklachten die inhouden dat:

(i) er sprake is van een schending van het Unierecht; dan wel

(ii) de kantonrechter ten onrechte heeft verzuimd overeenkomstig art. 267 lid 3 VWEU een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen.

Ik merk direct op dat ik de verhouding tussen (i) en (ii) niet erg duidelijk vind. Ik zou menen dat het niet nakomen van de verwijzingsplicht door een rechter die in hoogste aanleg recht spreekt eveneens een schending van het Unierecht oplevert. Zo bezien is (ii) dan een verbijzondering van (i).

4.3

Volgens Aegean zal een dergelijke uitbreiding dan wel buiten toepassing verklaring van art. 80 lid 1 RO de Hoge Raad in staat stellen om enerzijds zelf te toetsen of de kantonrechter het Unierecht op juiste wijze heeft toegepast en anderzijds erop toe te zien dat de kantonrechter, indien daartoe de verplichting bestaat, vragen over de uitleg van het Unierecht aan het Hof voorlegt. Op deze manier kan de Hoge Raad, in het kader van de rechtseenheid en rechtsontwikkeling, toezicht houden op de juiste uitleg en toepassing van het Unierecht en wordt voorkomen dat zich in Nederland kantonrechtspraak ontwikkelt die niet strookt met de regels van het Unierecht.

4.4

Ik vat het middel zo op dat daarmee niet wordt betoogd dat het nalaten prejudiciële vragen te stellen een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel oplevert. De klacht staat daarom niet in de sleutel van de door de Hoge Raad in 2007 toegevoegde cassatiegrond7 (zie hierna, 4.14) en valt dus niet binnen de huidige grenzen van art. 80 RO. Aegean betoogt dat die grenzen moeten worden uitgebreid of weggedacht.

4.5

In haar schriftelijke toelichting betoogt Aegean echter tevens dat de onmogelijkheid voor luchtvaartmaatschappijen om tegenstijdige en rechtens onjuiste uitspraken van kantonrechters aan een hogere rechter voor te leggen, een willekeurige rechtsbedeling en voortdurende rechtsonzekerheid oplevert die in strijd komt met art. 6 lid 1 EVRM.8 Voor zover dit betoog klaagt dat er een schending is van een zo fundamenteel rechtsbeginsel dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, komt die klacht te laat. Op cassatieklachten die na de procesinleiding zijn aangevoerd kan immers geen acht worden geslagen.

4.6

Het tweede onderdeel voert diverse motiveringsklachten aan tegen de bestreden vonnissen. Het middel onderkent dat de Hoge Raad op grond van art. 80 lid 1, onder a, RO geen motiveringsklachten toelaat die een verkapte rechtsklacht behelzen.9

4.7

In aanvulling hierop (en in zekere zin in strijd hiermee) betoogt Aegean in haar schriftelijke toelichting dat de Hoge Raad de door Aegean aangevoerde motiveringsklachten evenwel óók kan beoordelen als dit verkapte rechtsklachten zijn, een en ander in het kader van een “versoepelde toetsing van verkapte rechtsklachten”.10 Voor zover dit betoog de klacht inhoudt dat de in art. 80 lid 1, onder a, RO vermelde cassatiegrond moet worden uitgebreid in die zin dat de Hoge Raad in zaken als de onderhavige ook motiveringsklachten kan beoordelen die een verkapte rechtsklacht inhouden, komt ook deze klacht te laat.

Juridisch kader

4.8

Art. 332 Rv luidt als volgt:

“Partijen kunnen van een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep komen, tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1750 of, in geval van een vordering van onbepaalde waarde, er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1750, een en ander tenzij de wet anders bepaalt. Voor de toepassing van de eerste zin wordt de tot aan de dag van dagvaarding in eerste aanleg verschenen rente bij de vordering inbegrepen.”

4.9

Als meerdere eisers een vordering hebben ingesteld (zoals de passagiers in de procedures voor de kantonrechter) moet voor de vraag of hoger beroep openstaat worden uitgegaan van de afzonderlijke vorderingen. De waarde van de verschillende vorderingen mag dus niet bij elkaar worden opgeteld.11 Als gezegd (zie 1.7) gaat de bij de Hoge Raad aanhangige zaak 20/00085 (Qatar Airways) onder meer daar over. In die zaak wordt in de procesinleiding overigens opgemerkt dat appel moet open staan omdat “bij een cassatieberoep op de voet van art. 80 RO vanwege de daarin vermelde limitatieve gronden niet in cassatie kan worden geklaagd over de onjuiste uitleg en toepassing van Unierecht door de kantonrechter.”12 Eiseres in die zaak lijkt de beperkte gronden van art. 80 lid 1 RO als een gegeven te beschouwen en zet in op versoepeling van de appelgrens.

4.10

De ratio van de appelgrens in art. 332 lid 1 Rv is dat geen hoger beroep behoort open te staan in zaken waarvan het betrekkelijk geringe financiële belang niet opweegt tegen de tijd en kosten die zijn gemoeid met de behandeling van de zaak in hoger beroep.13 Dit gaat terug tot de 19e eeuw.14

4.11

Tegen een vonnis van de kantonrechter waartegen op grond van art. 332 Rv geen hoger beroep openstaat, staat wel beroep in cassatie open. De gronden om in cassatie te komen zijn als gezegd beperkt.15 Art. 80 lid 1 RO luidt als volgt:

“Tegen een vonnis of een beschikking van een kantonrechter in een burgerlijke zaak

waartegen geen hoger beroep kan of kon worden ingesteld, kan een partij slechts

beroep in cassatie instellen wegens:

a. het niet inhouden van de gronden waarop het vonnis of de beschikking berust;

b. het niet in het openbaar gedaan zijn van het vonnis of, voorzover rechtens vereist,

de beschikking;

c. onbevoegdheid; of

d. overschrijding van rechtsmacht.”

Het cassatieberoep tegen non-appellabele uitspraken van de kantonrechter is derhalve beperkt tot twee gevallen van vormverzuim (onder a en b) en twee gevallen van bevoegdheidsovertreding (onder c en d). Voor de praktijk is met name de onder a genoemde grond van betekenis.16

4.12

De bewoordingen van de onder a genoemde grond zouden de indruk kunnen wekken dat alleen het geheel ontbreken van een motivering tot cassatie kan leiden. Zo restrictief moet deze grond echter niet worden opgevat. Er zijn arresten waarin de Hoge Raad aan kantongerechtsuitspraken dezelfde motiveringseisen heeft gesteld als aan andere rechterlijke uitspraken.17

4.13

Tot de cassatiegronden behoort niet, zoals bij art. 79 RO wel het geval is, schending van het recht. De reden waarom de wetgever bij cassatieberoepen tegen niet-appellabele kantonrechtersuitspraken verkeerde toepassing of schending van het recht niet heeft willen toelaten is:18

“ten einde de justitiabelen niet aan procedures van dien aard voor de geringe geldsommen, waarover die geregten in het hoogste ressort kunnen regt spreken, bloottestellen;”

Met andere woorden: de wetgever heeft willen voorkomen dat in kantonrechterszaken waarin vanwege het geringe geldelijke belang geen hoger beroep mogelijk is, veelvuldig gebruik zou kunnen worden gemaakt van het rechtsmiddel cassatie.19

4.14

Uit de tekst van art. 80 lid 1 RO blijkt dat de wetgever de daarin opgenomen cassatiegronden als limitatief heeft bedoeld. De Hoge Raad heeft echter in 2007, onder invloed van art. 6 EVRM, geoordeeld dat een (beperkte) uitbreiding van die gronden noodzakelijk was20 en aanvaardde als grond voor cassatie tevens dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. De Hoge Raad overwoog het volgende:

“3.7.2. (…) In het algemeen geldt dat de in art. 80 lid 1 RO vermelde gronden sinds hun opneming in de wet in 1838 niet meer aan een fundamentele herziening zijn onderworpen en dat in de literatuur al geruime tijd vrij algemeen wordt gepleit voor verruiming van de gronden of schrapping van de bepaling als geheel.

Meer in het bijzonder moet op het volgende worden gewezen. De in art. 80 lid 1 RO onder (a) en (b) genoemde gronden raken fundamentele rechtsbeginselen met betrekking tot rechterlijke uitspraken, te weten de motiveringsplicht en de openbaarheid van de uitspraak. Zij werden bij het ontstaan van de Wet RO en ook thans beschouwd als essentiële vormen van de uitspraak zelf, op naleving waarvan de Hoge Raad diende en dient toe te zien. Aan de beperking van de fundamentele beginselen van procesrecht tot deze vormen kan echter thans geen betekenis meer worden gehecht in het licht van de ontwikkelingen gedurende met name de laatste decennia op het gebied van de fundamentele beginselen van procesrecht onder invloed van art. 6 EVRM en de daarop gevormde rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en de Hoge Raad.

Deze ontwikkelingen eisen dat in het kader van de cassatietoetsing op de voet van art. 80 lid 1 RO van niet voor hoger beroep vatbare uitspraken van de kantonrechter de Hoge Raad ook toezicht kan uitoefenen op de naleving van fundamentele rechtsbeginselen die gelden voor de behandeling van de zaak.

Daarom moet tevens als grond voor cassatie worden aanvaard dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, zoals het geval is bij het niet inachtnemen van het contradictoire beginsel, waartoe behoort hoor en wederhoor, en van het recht op gelijke behandeling (equality of arms).”

4.15

Aldus lijkt de Hoge Raad aansluiting te hebben gezocht bij het criterium voor staatsaansprakelijkheid voor onrechtmatige rechtspraak, zoals ontwikkeld in het Jan Luijken-arrest uit 1971. In dat arrest overwoog de Hoge Raad:21

“dat slechts, indien bij de voorbereiding van een rechterlijke beslissing zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken, en tegen die beslissing geen rechtsmiddel openstaat en heeft opengestaan, de Staat ter zake van de schending van het in art. 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde recht voor de daaruit voortvloeiende schade aansprakelijk zou kunnen worden gesteld.”

4.16

Omdat het op grond van art. 80 lid 1 RO niet mogelijk is om in cassatie met rechtsklachten tegen niet-appellabele kantonrechtersuitspraken op te komen – afgezien van de door de Hoge Raad toegestane schending van een fundamenteel rechtsbeginsel – wil het nog wel eens voorkomen dat onder de vlag van een motiveringsklacht een rechtsklacht wordt aangevoerd in een poging de beperkte cassatiegronden van art. 80 lid 1 RO te omzeilen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat in geval van verkapte rechtsklachten niet-ontvankelijkheid moet volgen.22 Hetzelfde geldt voor motiveringsklachten die niet te beoordelen zijn zonder tevens de juistheid van de rechtsopvattingen van de kantonrechter in de beoordeling te betrekken.23

Kritiek op de beperkte reikwijdte van art. 80 lid 1 RO

4.17

Dat de Hoge Raad in cassatie tegen kantonrechtersvonnissen wel motiveringsklachten kan beoordelen maar geen rechtsklachten, kan gelet op zijn rechtsvormende taak bevreemding wekken. Je zou eerder het omgekeerde verwachten. De beperkte reikwijdte van art. 80 lid 1 RO is dan ook niet onomstreden, zoals ook de Hoge Raad zelf in het zojuist geciteerde arrest van 16 maart 2007 heeft overwogen. Die kritiek komt uit gezaghebbende hoek.

4.18

Reeds in 1978 heeft G.J. Wiarda, oud-president van de Hoge Raad en rechter in het EHRM, in zijn preadvies voor de Nederlandse Juristen-Vereniging opgemerkt dat de nadelen van art. 100 Wet RO (thans art. 80 lid 1 RO) de voordelen overtreffen. In zijn ogen kon de beperking in cassatiegronden dan ook beter verdwijnen:24

“In art. 100 Wet RO zijn de gronden waarop tegen de in hoogste ressort gewezen vonnissen van kantonrechters in cassatie kan worden opgekomen beperkt. De schending van het recht komt daarin niet voor. Ik vraag mij af of voor deze beperking een goede reden bestaat. De vrees dat de Hoge Raad, indien tegen dergelijke vonnissen ook op grond van schending van het recht in cassatie zou kunnen worden opgekomen, met veel kleine onbelangrijke zaken zou worden belast, lijkt overdreven; het kostenrisico is daarvoor de groot. Bezwaar tegen de beperking is dat, hoewel bij deze vonnissen belangrijke rechtsvragen kunnen zijn betrokken, deze niet aan de Hoge Raad kunnen worden voorgelegd.”

Ook toen al werd bij NJV-vergaderingen door de aanwezigen gestemd over stellingen van de pre-adviseurs. Een meerderheid steunde genoemd voorstel van Wiarda niet.25

4.19

In 1979 heeft ook W.H. Heemskerk, later lid van de Hoge Raad, kritiek geuit op de beperkte gronden waarop cassatie tegen niet-appellabele kantongerechtuitspraken kan worden ingesteld:26

“Deze door de wetgever gewilde beperking brengt mee, dat een evident onjuist kantongerechtsvonnis in cassatie niet kan worden aangetast, als de motivering op zichzelf consistent is, inzicht geeft in de door de rechter gevolgde gedachtengang, ingaat op alle relevante stellingen van pp., niet onbegrijpelijk, onvolledig of innerlijk tegenstrijdig is, en de daarop gebaseerde conclusie kan dragen. (…)

Een functie van motivering is zeker bevordering van de kwaliteit van het vonnis. Maar wat blijft er van deze functie over, als men de vorm losmaakt van de inhoud? Een motivering kan formeel correct zijn en tegelijk naar haar inhoud verwerpelijk. Kan men dan spreken van deugdelijke rechtspraak? Sinds ongeveer zestig jaar wordt de motiveringseis in de rechtspraak van de HR niet meer gezien als een bloot-formele eis.

Men kan de motivering natuurlijk los denken van de mogelijkheid haar in appel of cassatie te toetsen. Maar het rechtsmiddel van art. 100 Wet RO is een hinkend middel, omdat van de twee benen, waarop de cassatie volgens art. 99 [thans art. 79 RO; A-G] rust, er een ontbreekt.”

4.20

A-G Mok heeft er in 1983 op gewezen dat de beperkte cassatiegronden de cassatierechter voor niet geringe moeilijkheden kan plaatsen:27

“Een onjuiste rechtsopvatting van de Ktr. is immers onaantastbaar. Wanneer deze zich voordoet zal de Hoge Raad zich desondanks in deze (in zijn ogen) onjuiste opvatting moeten verplaatsen teneinde vanuit dat gezichtspunt na te gaan of de Ktr. zijn uitspraak deugdelijk heeft gemotiveerd. Tevens roept de beperkte cassatie spanningen op tussen twee 'natuurlijke' neigingen van de rechter, i.c. de cassatierechter: enerzijds het handhaven van de wet, anderzijds het zoveel mogelijk verlenen van rechtsbescherming.”

4.21

In 1987 heeft W.L. Haardt, inmiddels oud-lid van de Hoge Raad, de wetgever aangemoedigd om de cassatiegronden van (toen) art. 100 Wet RO te verruimen:28

“Cassatie is, vergeleken met hoger beroep, een kreupel rechtsmiddel, dat, indien aangewend tegen Ktg.-vonnissen, door art. 100 Wet RO nog eens extra wordt verminkt omdat in dat artikel de cassatiegrond bij uitstek, schending van het recht, niet voorkomt. Geen wonder dat pp. die worden geconfronteerd met een op een onjuiste rechtsopvatting gebaseerd Ktg.-vonnis (…) het proberen met wel door art. 100 Wet RO toegelaten cassatiegronden, in het bijzonder ‘het niet inhouden van de gronden waarop zij rusten’. (…)

Ook bij niet-appellabele beslissingen van de Ktr. gaat het soms om een groot financieel belang en om beslissingen waarbij eenheid van rechtsopvatting geboden is. (…) Het verdient aanbeveling dat de wetgever bij de plannen tot integratie van de kantongerechten en de rechtbanken en bij die tot hervorming van de Ktg.-procedure (wetsontwerp 19976) ook aan dit punt aandacht schenkt.”

4.22

Korthals Altes en Groen hebben ook een dergelijke oproep aan de wetgever gedaan:29

“Vermoedelijk durft men gelet op de belasting van de civiele kamer het onderwerp [uitbreiding van de cassatiegronden van art. 80 lid 1 RO met schending van het recht; A-G] niet aan de orde te stellen. De bezwaren tegen de uitsluiting van cassatie wegens schending van het recht zijn echter dermate klemmend, dat de wetgever haar niettemin dient te laten vervallen.”

4.23

Hetzelfde geldt voor het handboek van Klaassen, Meijer en Snijders, waarin er evenwel ook op wordt dat een alternatieve oplossing zou kunnen zijn het geheel uitsluiten van cassatie tegen niet-appellabele kantonrechtersuitspraken:30

“Gezien de beperkingen van art. 80 RO is de Hoge Raad genoopt, rechtens onjuiste uitspraken van de kantonrechter in stand te laten, hetgeen hoogst ongelukkig is. Wil men cassatie tegen non-appellabele kantonrechtersvonnissen handhaven, dan zou de uitsluiting van cassatie wegens schending van het recht horen te vervallen. Een andere oplossing zou zijn om beroep in cassatie geheel uit te sluiten, nu het in beginsel slechts gaat om zaken met een belang van minder dan € 1.750. Het cassatiebeginsel moet in dat geval wijken voor het toegankelijkheidsbeginsel (…): een partij die een succes in een kleine zaak bij de kantonrechter ‘afgestraft’ ziet door een al dan niet succesvolle cassatieprocedure van de wederpartij, zal zich wel twee keer bedenken, alvorens weer die rechter te adiëren. Voert eerstbedoelde partij verweer in cassatie, dan bedragen de kosten van die cassatieprocedure immers al snel een veelvoud van het belang van de zaak, zelfs na eventueel verhaal van een kostenveroordeling; voert zij geen verweer dan is haar kans op verlies in cassatie groter.”

4.24

Ondanks voornoemde kritiek – die dus al veertig jaar lang wordt geuit – heeft de in art. 80 lid 1 RO opgenomen beperking van de cassatiegronden voor niet-appellabele uitspraken van kantonrechters tot nu toe alle wijzigingen van RO overleefd.31

4.25

Om een aantal redenen ben ik zelf niet overtuigd van de noodzaak en wenselijkheid om de gronden van art. 80 lid 1 RO uit te breiden tot schending van het recht in het algemeen. Tegen een ‘onjuiste’ maar niet-appellabele beslissing van een kantonrechter kan cassatie in het belang der wet worden ingesteld (art. 78 lid 1 RO). Dat biedt geen rechtsbescherming, maar kan wel bijdragen aan de rechtsvorming en de rechtseenheid. Zwaarwegend acht ik verder dat de kantonrechter tegenwoordig, op verzoek van partijen of ambtshalve, prejudiciële vragen aan de Hoge Raad kan stellen (art. 392 Rv). Langs die weg kunnen (belangrijke) rechtsvragen aan de Hoge Raad worden voorgelegd. Aan het genoemde bezwaar dat met de huidige beperkte cassatiegronden ‘onjuiste’ beslissingen van kantonrechters noodgedwongen in stand blijven til ik niet al te zwaar. Het komt wel vaker voor dat ‘onjuiste’ beslissingen kracht van gewijsde krijgen, simpelweg omdat de gerede partij om haar moverende redenen afziet van het instellen van een rechtsmiddel. Is dat zo erg? Het komt ook voor dat in een cassatieberoep tegen een hofuitspraak het middel geen klacht richt tegen een beslissing die objectief gezien aanvechtbaar is, kennelijk omdat eiser c.q. verzoeker het niet opportuun vond dat te doen of het punt niet heeft gezien. Ook daar kan de Hoge Raad dan niets aan doen, gelet op het bepaalde in art. 419 lid 1 Rv.

4.26

Hoe dan behoort het tot de bevoegdheid van de wetgever om de cassatiegronden in art. 80 lid 1 RO uit te breiden met een zo algemene grond als schending van het recht.

Het middel: uitbreiding cassatiegronden als Unierecht wordt toegepast

4.27

Het middel kiest een iets beperktere benadering. Het bepleit een uitbreiding van art. 80 lid 1 RO tot klachten over schending van het Unierecht of over het nalaten van de kantonrechter een voor de beslissing van het geding relevante vraag over het Unierecht overeenkomstig art. 267 derde alinea VWEU prejudicieel te verwijzen.

4.28

Ik stel allereerst vast dat Aegean haar betoog niet baseert op Unierechtelijke argumenten.32 Zo stelt zij niet dat het Unierecht vereist dat zaken waarin de uitleg van Unierecht aan de orde is, in twee rechterlijke instanties moeten kunnen worden beoordeeld. Dat is terecht, want het Unierecht stelt die eis niet. Eén rechterlijke instantie volstaat, mits deze instantie bevoegd is aan het Hof prejudiciële vragen te stellen zodat de uniformiteit van het Unierecht door het Hof in het kader van een prejudiciële procedure kan worden verzekerd.33 Art. 47 eerste alinea van het EU Handvest van de grondrechten, dat net als art. 13 EVRM betrekking heeft op een doeltreffende voorziening in rechte, heeft daar geen verandering in gebracht.

4.29

Achtergrond van het betoog van Aegean is veeleer de perceptie dat een kantonrechter gemakkelijk onjuiste beslissingen neemt. Een kantonrechter moet in de regel grote aantallen uiteenlopende zaken behandelen en is niet altijd voldoende geëquipeerd om specialistische Unierechtelijke geschilpunten goed te kunnen beoordelen. Bovendien zitten kantonrechters enkelvoudig. Vergissingen kunnen, door de beperkte mogelijkheid om van niet-appellabele kantonrechtervonnissen in cassatie te komen, niet in alle gevallen worden hersteld. ‘Onjuiste’ beslissingen doen niet alleen afbreuk aan de doorwerking en de uniforme toepassing van het Unierecht, maar kunnen ook leiden tot staatsaansprakelijkheid wegens onrechtmatige rechtspraak, zo betoogt Aegean. Om die redenen stelt zij voor om schending van het Unierecht als extra cassatiegrond te aanvaarden.

4.30

Ik stel verder vast dat de aangevoerde argumenten niet juridisch dwingend zijn, maar vooral zijn ingegeven door rechtspolitieke en praktische overwegingen. Daarbij speelt mogelijk een rol dat de luchtvaartsector er veel aan is gelegen dat de Verordening wordt bijgesteld of afgezwakt vanwege de daaruit voor die sector voortvloeiende kosten.34 De gedachte is mogelijk dat die strategie meer kans van slagen heeft als ook hogere nationale rechters regelmatig over deze kwesties beslissingen nemen. Ik vraag mij dat af, want de ruime uitleg van de rechten van de passagiers is doorgaans afkomstig van het Hof en de kantonrechters kunnen weinig anders doen dan die rechtspraak zo goed mogelijk toepassen. Ik wijs er overigens op dat, los van de zaken over passagiersrechten, ook vanuit de wetenschap aandacht is gevraagd voor de “EU-rechtelijke druk op kantonzaken”. Krans heeft namelijk in 2004 – en in 2010 – verdedigd om de mogelijkheid van appel of cassatie tegen kantonrechtervonnissen te verruimen in zaken waarin EU-recht aan de orde kan zijn.35

4.31

Het betoog van Aegean heeft mij toch niet overtuigd. Naar mijn mening dient uitgangspunt te zijn dat het Unierecht integrerend onderdeel is van de nationale rechtsorde en net zo dient te worden behandeld als andere rechtsbronnen. Ik acht het principieel onjuist het Unierecht in procesrechtelijke zin een status aparte te geven, zoals Aegean bepleit. Het doeltreffendheidsbeginsel noopt daar ook niet toe.

4.32

In gevallen waarin een kantonrechter – zoals hier – als laatste instantie rechtspreekt, legt het Unierecht wel bepaalde verantwoordelijkheden op hem. Ik citeer het arrest Aquino:36

“34 Zoals het Hof herhaaldelijk heeft beklemtoond, is een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie per definitie de laatste instantie waarbij particulieren de hun door het Unierecht toegekende rechten geldend kunnen maken. De rechterlijke instanties die uitspraak doen in laatste aanleg zijn ermee belast op nationaal niveau de eenvormige uitlegging van de rechtsvoorschriften te verzekeren (zie in die zin arresten van 30 september 2003, Köbler, C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 34, en 13 juni 2006, Traghetti del Mediterraneo, C‑173/03, EU:C:2006:391, punt 31).”

Mocht een kantonrechter zich hier niet aan houden dan kan de partij die meent als gevolg van een onjuiste beslissing schade te hebben geleden, tegen de Staat een procedure beginnen wegens onrechtmatige rechtspraak. Die mogelijkheid bestaat voor uitspraken van de kantonrechter net zo goed als voor uitspraken van rechterlijke instanties die altijd in hoogste aanleg rechtspreken.37

4.33

Verder wijs ik opnieuw op cassatie in het belang der wet en de nationale prejudiciële procedure als wegen waarlangs aan de Hoge Raad rechtsvragen kunnen worden voorgelegd, waaronder vragen van Unierecht. In beide procedures kan de Hoge Raad op zijn beurt het Hof om een prejudiciële beslissing verzoeken. Voor cassatie in het belang der wet blijkt dat uit de recente zaak over het Gemeenschapsmodel38 en voor de prejudiciële procedure uit de zaak [… 8] /DAS uit 2014.39 Partijen hebben het echter niet in de hand of een van deze twee instrumenten wordt ingezet, dat is waar.

4.34

Toch zie ik ook vanuit het oogpunt van rechtsbescherming geen praktische noodzaak voor de door Aegean bepleite uitbreiding van de cassatiegronden. Ik wijs erop dat kantonrechters in zaken waarin de uitkomst afhangt van de uitleg van het Unierecht niet aarzelen prejudiciële vragen te stellen, ook wanneer zij niet in hoogste instantie rechtspreken. Een voorbeeld is de zaak Smallsteps over de pre-pack.40 De Verordening is voor veel kantonrechters inmiddels gefundenes Fressen gelet op het grote aantal zaken. Wat daarbij helpt is dat in dit soort claims specialisten optreden die de kantonrechter op de laatste Europese rechtspraak kunnen wijzen.41 Rijst er toch een nieuwe vraag dan ziet men dat kantonrechters niet aarzelen prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van de Verordening. Voorbeelden zijn de zaken Van der Ven/KLM,42 Van der Lans/KLM,43 Krijgsman/SLM,44 en Aegean Airlines.45 De laatste zaak is overigens een verwijzing door de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland die ook de in cassatie bestreden vonnissen heeft gewezen. Die zaak ging, anders dan de onderhavige zaak, over de verhouding tussen de Verordening en de Richtlijn pakketreizen.

4.35

Ik wijs er verder nog op dat er afbakeningsproblemen kunnen ontstaan indien de cassatiegronden in art. 80 lid 1 RO zouden worden uitgebreid tot schending van (alleen) het Unierecht. Wat is dan het lot van nationaalrechtelijke rechtsklachten die samenhangen met de Unierechtelijke klachten?

4.36

Tot slot geldt ook hier dat de voorgestelde uitbreiding zodanig fundamenteel dat alleen de wetgever daar toe kan besluiten.

Precedenten in de rechtspraak van de Hoge Raad?

4.37

Ik zal tot slot nagaan of er eerder zaken over de Verordening aan de Hoge Raad zijn voorgelegd, die aanknopingspunten kunnen bieden voor de beantwoording van de vraag in hoeverre Aegean ontvankelijk is in haar cassatieberoep.

4.38

In 2012 besloot de Hoge Raad tot aanhouding van een procedure die door enkele passagiers tegen KLM was aangespannen teneinde compensatie te verkrijgen voor een vertraagde vlucht.46 In eerste aanleg had de kantonrechter de vordering van de passagiers toegewezen. Het cassatiemiddel van KLM keerde zich onder meer tegen de beslissing van de kantonrechter om de procedure niet aan te houden totdat het HvJEU uitspraak had gedaan in reeds aanhangige prejudiciële procedures over het recht op compensatie bij langdurige vertraging.

4.39

A-G Vlas concludeerde dat de procedure niet diende te worden aangehouden, “vooral vanwege de (ook in het cassatiemiddel onderkende) beperkingen op grond van art. 80 RO”. Volgens A-G Vlas betrof het verzoek om aanhouding geen motiveringsgebrek in het bestreden kantonrechtersvonnis en al evenmin een schending van een fundamentele regel van procesrecht.47

4.40

De Hoge Raad overwoog in zijn arrest in die zaak dat op korte termijn een uitspraak van het Hof kon worden verwacht in een zaak waarin in de kern dezelfde vraag aan de orde was. Op grond van “deze bijzondere omstandigheden” zag de Hoge Raad aanleiding zijn uitspraak aan te houden totdat het Hof uitspraak had gedaan.

4.41

In 2013 zijn aan de Hoge Raad een tweetal (aan elkaar gelijke) luchtvaartzaken voorgelegd (Martinair en Transavia), waarin het draaide om de vraag of een groep passagiers op grond van de Verordening recht had op compensatie wegens vertraging van hun vlucht.48 Ook in die zaken had de kantonrechter de vordering van de passagiers toegewezen. In de daaropvolgende cassatieprocedure klaagden de luchtvaartmaatschappijen onder meer dat de kantonrechter een fundamenteel rechtsbeginsel had geschonden door, ondanks het bestaan van redelijke twijfel omtrent de uitleg van Unierecht, noch prejudiciële vragen aan het Hof te stellen, noch de procedure aan te houden in afwachting van een vijftal bij het Hof reeds aanhangige prejudiciële procedures over vergelijkbare vragen. Anders dan hier, haakte het middel in die zaken aan bij de (beperkte) uitbreiding van de cassatiegronden als gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 16 maart 2007 (zie hiervoor, 4.14).

4.42

A-G Vlas meende dat de vraag of de kantonrechter, als hoogste rechter, op grond van art. 267 VWEU is gehouden om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen slechts kan worden beantwoord nádat vast is komen te staan dat onduidelijkheid bestaat over het recht op compensatie bij vertraging van vluchten op grond van de Verordening. Dat laatste vergt een inhoudelijke toetsing van de bestreden uitspraken aan het Unierecht, waarvoor in cassatie geen plaats is gelet op de beperkte cassatiegronden van art. 80 lid 1 RO.49 Hij concludeerde dan ook dat de vraag of de kantonrechter de verplichting van art. 267 VWEU had geschonden door ten onrechte geen prejudiciële vragen te stellen, in cassatie niet aan de orde kon komen.

4.43

De Hoge Raad oordeelde dat in het midden kon blijven of de klacht van de luchtvaartmaatschappijen afstuitte op het bepaalde in art. 80 lid 1 RO omdat de klacht niet kon worden beoordeeld zonder daarin de juistheid van de rechtsopvattingen van de kantonrechter te betrekken ter zake van de noodzaak tot het stellen van prejudiciële vragen of het beslissen tot een aanhouding. De klacht miste namelijk belang omdat het Hof inmiddels in de desbetreffende zaken uitspraak had gedaan in voor de luchtvaartmaatschappijen ongunstige zin.50

4.44

De door Aegean voorgestane uitbreiding dan wel buiten toepassing verklaring van art. 80 lid 1 RO kan m.i. niet worden gebaseerd op een van beide arresten van de Hoge Raad. In het arrest van 15 juni 2012 ging het om de aanhouding van een specifieke zaak en niet, zoals in het middel wordt bepleit, om een uitbreiding dan wel buiten toepassing verklaring van art. 80 lid 1 RO. De aanleiding om die zaak aan te houden lag in ‘bijzondere omstandigheden’, te weten het feit dat op korte termijn uitspraak van het Hof werd verwacht. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn in de onderhavige procedure gesteld noch gebleken. Ook de arresten van 3 mei 2013 bevatten m.i. geen aanknopingspunt voor de door Aegean verdedigde opvatting dat de cassatiegronden van art. 80 lid 1 RO moeten worden uitgebreid tot schending van het Unierecht. Daarbij wijs ik er nogmaals op dat de door Aegean bepleite uitbreiding niet kan worden gestoeld op de uitbreiding die de Hoge Raad heeft toegestaan in zijn arrest van 16 maart 2007 (zie hiervoor, 4.14).

Conclusie met betrekking tot de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

4.45

De klachten in middelonderdeel 1 die ertoe strekken dat de kantonrechter de Verordening onjuist heeft toegepast vallen buiten de toegestane gronden die zijn genoemd in art. 80 lid 1 RO. Voor de beoordeling van de klacht dat de kantonrechter ten onrechte heeft nagelaten prejudiciële vragen te stellen aan het Hof is vereist dat vast is komen te staan dat in deze zaak onduidelijkheid bestaat over het recht op compensatie bij annulering van vluchten op grond van de Verordening. Dat laatste vergt een inhoudelijke toetsing van de bestreden uitspraken aan het Unierecht waarvoor wegens het bepaalde in art. 80 lid 1 RO geen plaats. Alleen de motiveringsklachten in middelonderdeel 2 zijn ontvankelijk, voor zover het geen verkapte rechtsklachten zijn.

5 Bespreking van het cassatiemiddel

Onderdeel 1

5.1

Voor het geval uw Raad oordeelt dat Aegean wel ontvankelijk is in middelonderdeel 1 van haar cassatieberoep, bespreek ik hierna de klachten. Voor een goed begrip van die klachten zal ik eerst de belangrijkste bepalingen uit de Verordening weergeven.

5.2

De punten 1, 7, 8, 13 en 14 van de considerans luiden als volgt:

“1. Het optreden van de Gemeenschap moet onder meer gericht zijn op de waarborging van een hoog niveau van bescherming van de passagiers, met volledige inachtneming van de eisen op het gebied van consumentenbescherming in het algemeen.

7. Om de effectieve toepassing van deze verordening te waarborgen, dienen de bij de verordening gecreëerde verplichtingen te rusten op de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert of voornemens is de vlucht uit te voeren (…).

8. Deze verordening mag geen beperking inhouden van het recht van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert om volgens het toepasselijk recht compensatie te verlangen van enig persoon, inclusief derden.

13. Passagiers van wie de vlucht geannuleerd wordt, moeten hun tickets terugbetaald kunnen krijgen of onder bevredigende voorwaarden een andere vlucht naar hun bestemming krijgen (…).

14. Evenals in het kader van het Verdrag van Montreal dienen de verplichtingen die worden opgelegd aan de luchtvaartmaatschappijen die de vluchten uitvoeren, te worden beperkt of uitgesloten in gevallen waarin een gebeurtenis het gevolg is van buitengewone omstandigheden die zelfs door het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden. Dergelijke omstandigheden kunnen zich met name voordoen in gevallen van politieke onstabiliteit, weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen, beveiligingsproblemen, onverwachte vliegveiligheidsproblemen en stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.”

5.3

De voor de onderhavige zaak relevante artikelen van de Verordening luiden als volgt:

“Artikel 1 – Onderwerp

Deze verordening stelt onder de erin genoemde voorwaarden de minimumrechten vast die luchtreizigers hebben bij:

a) instapweigering tegen hun wil,

b) annulering van hun vlucht,

c) vertraging van hun vlucht.

Artikel 2 – Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

b) "luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert": een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert of voornemens is een vlucht uit te voeren in het kader van een overeenkomst met een passagier of namens een andere natuurlijke of rechtspersoon die een overeenkomst heeft met die passagier;

(…)

f) "ticket": een geldig document dat recht geeft op vervoer of een gelijkwaardig document in immateriële, inclusief elektronische, vorm dat door de luchtvaartmaatschappij of door een door haar erkende agent is uitgegeven of toegestaan;

g) "boeking": het feit dat de passagier een ticket heeft of een ander bewijs dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator;

(…)

l) "annulering": het niet uitvoeren van een geplande vlucht waarop ten minste één plaats was geboekt.

Artikel 5 – Annulering

1. In geval van annulering van een vlucht:

a) wordt de betrokken passagiers door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert bijstand geboden als bedoeld in artikel 8;

b) (…)

c) hebben de betrokken passagiers recht op de in artikel 7 bedoelde compensatie door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert (…)

(…)

3. Een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert, is niet verplicht compensatie te betalen als bedoeld in artikel 7 indien zij kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

Artikel 7 – Recht op compensatie

1. Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers compensatie ten belope van:

a) (…)

b) 400 EUR voor alle intracommunautaire vluchten van meer dan 1500 km (…)

(…)

Artikel 8 - Recht op terugbetaling of een andere vlucht

1. Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers de keuze tussen:

a) - volledige terugbetaling van het ticket (…)

b) (…)

c) (…)

2. Lid 1, onder a), is ook van toepassing op passagiers wier vlucht onderdeel is van een pakket, behalve wat het recht op terugbetaling betreft indien dit recht bestaat krachtens Richtlijn 90/314/EEG.”

5.4

Subonderdeel 1.1 is gericht tegen rov. 4.4 van de bestreden vonnissen waarin de kantonrechter het volgende heeft overwogen:

“De kantonrechter stelt voorop dat Verordening 261/2004 autonoom moet worden uitgelegd. De bedoeling van Verordening 261/2004 is om een hoge en effectieve mate van bescherming van de rechten van passagiers te realiseren. In dat kader is geabstraheerd van contractuele verhoudingen: de verordening is zowel van toepassing op geregelde als ongeregelde vluchten (charters) en passagiers die in het bezit zijn van een bevestigde boeking voor een vlucht kunnen ingeval die vlucht wordt geannuleerd de luchtvaartmaatschappij die deze zou uitvoeren aanspreken, ongeacht of zij daarmee rechtstreeks een overeenkomst zijn aangegaan. De [luchtvaartmaatschappij] kan in voorkomende gevallen vervolgens verhaal zoeken bij de reisorganisatie en/of (indien dat een ander is) haar contractuele wederpartij.”

5.5

Het subonderdeel klaagt dat de kantonrechter heeft miskend dat de Verordening ook als doel heeft ‘het waarborgen van een evenwicht tussen de belangen van passagiers en die van luchtvaartmaatschappijen’. Dit brengt mee dat de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert niet in alle gevallen als enige de financiële lasten moet dragen. De kantonrechter is er ten onrechte van uitgegaan dat de luchtvaartmaatschappij verhaal kan zoeken op de reisorganisatie en/of haar contractuele wederpartij, aldus het subonderdeel.

5.6

De overweging dat met de Verordening is beoogd een hoge en effectieve mate van bescherming van de rechten van passagiers te realiseren komt overeen met punt 1 van de considerans. Met die overweging heeft de kantonrechter niet tot uitdrukking gebracht dat de Verordening enkel dat doel heeft. Voor zover de klacht dat wel tot uitgangspunt neemt, gaat zij uit van een onjuiste lezing van de vonnissen en kan zij bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

5.7

Voor het overige geldt dat uit het arrest in de zaak Sturgeon volgt dat de Europese wetgever met de Verordening de belangen van de luchtreizigers met die van de luchtvaartmaatschappijen heeft willen verzoenen.51 Later heeft het Hof dit, onder verwijzing naar het Sturgeon arrest, aldus verwoord dat de Verordening niet alleen een hoog niveau van bescherming van de passagiers, maar ook een evenwicht tussen de belangen van deze passagiers en die van de luchtvaartmaatschappijen beoogt te waarborgen.52 Daarbij is volgens het arrest Sturgeon van belang dat de Verordening in art. 5 lid 3 bepaalt dat de luchtvaartmaatschappijen niet in alle gevallen bij annulering compensatie hoeven te betalen. Tevens is in die zaak benadrukt dat uit art. 13 van de Verordening volgt dat de nakoming van de verplichtingen de mogelijkheid van de vervoerders onverlet laat om van eenieder die vertraging of annulering heeft veroorzaakt terugbetaling te vorderen. Deze terugbetaling kan de financiële lasten die de vervoerders dragen dus geheel of gedeeltelijk compenseren. Het is niet onredelijk dat deze lasten in de eerste plaats worden gedragen door luchtvaartmaatschappijen, waaraan de betrokken passagiers zijn gebonden door een vervoerscontract dat hun recht geeft op een vlucht die niet geannuleerd of vertraagd zou mogen zijn.53

5.8

De bestreden vonnissen blijven binnen deze lijnen. De kantonrechter is namelijk in rov. 4.8 nagegaan of er sprake is van een buitengewone omstandigheid in de zin van art. 5 lid 3 van de Verordening en zij heeft in rov. 4.4 overwogen dat de luchtvaartmaatschappij verhaal kan zoeken bij de reisorganisatie of haar contractuele wederpartij.

5.9

In zaak C-163/18 (Aegean Airlines), als gezegd een verwijzing van de kantonrechter die ook de bestreden vonnissen heeft gewezen, was een vraag aan de orde omtrent de verhouding tussen Richtlijn 90/314 inzake pakketreizen,54 die verplichtingen oplegt aan de reisorganisator, en de Verordening, die verplichtingen oplegt aan de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert. Richtlijn 90/314 bepaalt dat een organisator van een reis kan worden aangesproken tot terugbetaling van de reis indien een pakketreis wordt geannuleerd. De Verordening regelt de samenloop tussen beide instrumenten. Art. 8 lid 1 onder a bepaalt dat de luchtvaartmaatschappij in geval van annulering van een vlucht de betrokken passagiers terugbetaling van hun ticket dient aan te bieden en in art. 8 lid 2 dat dit ook van toepassing is op passagiers wier vlucht onderdeel is van een pakket, behalve wanneer een dergelijk recht bestaat krachtens Richtlijn 90/314. Die laatste situatie deed zich in die zaak voor. Het HvJEU heeft in zijn arrest in die zaak geoordeeld dat uit de duidelijke bewoordingen van art. 8 lid 1 en lid 2 van de Verordening volgt dat indien een passagier wiens vlucht deel uitmaakt van een pakketreis op grond van Richtlijn 90/314 recht heeft op terugbetaling, hij geen recht heeft op terugbetaling door de luchtvaartmaatschappij op grond van de Verordening. Dit geldt ook als de reisorganisator financieel niet in staat is om het ticket terug te betalen en geen maatregelen heeft genomen om die terugbetaling te waarborgen.55

5.10

Ik stel vast dat de feiten in die zaak nagenoeg identiek zijn aan die in de onderhavige zaak: passagiers die bij [A] tickets hadden gekocht voor een vlucht met Aegean van Eelde naar Corfu op een vrijdag in juli 2015, zagen hun vlucht geannuleerd.56 Uit het arrest blijkt dat aan de betrokken passagiers krachtens de Verordening een forfaitaire compensatie was toegekend wegens annulering van de betrokken vlucht; de prejudiciële vragen gingen alleen over de restitutie van de ticketprijs.57 Op dat punt bestaat er een wezenlijk verschil met de onderhavige zaak: de kantonrechter heeft in rov. 4.2 vastgesteld dat het in hier niet gaat over pakketreizen, tegen welke vaststelling geen klacht is gericht in cassatie. De rechtspraak van het Hof over de verhouding tussen Richtlijn 90/314 en de Verordening is derhalve, in tegenstelling tot hetgeen het middel betoogt, niet relevant voor de beslissing van de onderhavige zaken. Evenmin bestond er een reden om de onderhavige zaken aan te houden in afwachting van de uitspraak van het Hof.

5.11

Voor de volledigheid merk ik nog op dat het Hof in het zeer recente arrest Primera Air Scandinavia heeft bevestigd dat het recht op compensatie als bedoeld in art. 7 van de Verordening van toepassing is in een situatie waarin de door een passagier gekochte vlucht deel uitmaakt van een pakketreis, zonder dat dit van invloed is op de eventuele rechten op grond van Richtlijn 90/314.58

5.12

Wat betreft de overweging van de kantonrechter dat geabstraheerd is van contractuele verhoudingen, geldt het volgende. De Verordening knoopt voor haar toepasselijkheid en het recht op compensatie bij annulering aan bij het begrip ‘de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert’. Niet van belang is of rechtstreeks een contract is gesloten met de luchtvaartmaatschappij of dat de vlucht met tussenkomst van een of meerdere tussenpersonen is geboekt. De overweging van de kantonrechter dat geabstraheerd is van contractuele verhoudingen en dat passagiers die in het bezit zijn van een bevestigde boeking voor een vlucht ingeval die vlucht wordt geannuleerd de luchtvaartmaatschappij die deze zou uitvoeren kunnen aanspreken, ongeacht of zij daarmee rechtstreeks een overeenkomst zijn aangegaan, getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht onder 1.1 faalt.

5.13

Subonderdeel 1.2 valt uiteen in twee klachten (a-b) en is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.5 dat sprake is van een ‘ticket’ en ‘bevestigde boeking’ in de zin van art. 2 sub f) en g) van de Verordening.

5.14

Onder a betoogt het middel dat de kantonrechter is uitgegaan van een onjuiste, want te ruime uitleg van de begrippen ‘bevestigde boeking’ en ‘ticket’ in de zin van art. 2 onder f) en g) van de Verordening. De kantonrechter heeft ten onrechte beslissend geacht de door [A] – een niet door Aegean erkende agent – aan verweerders verzonden ‘bevestiging van de boeking en e-tickets’, op de grond dat op die stukken een reserveringsnummer en de vluchtnummers van de heen- en de terugvlucht staan vermeld met vertrek- en aankomsttijden en de kantonrechter heeft ten onrechte niet relevant geacht dat Aegean als luchtvaartmaatschappij de boeking niet zelf aan verweerders heeft bevestigd en [A] bij de uitgifte van deze ‘e-tickets’ zonder toestemming van Aegean haar logo gebruikte, omdat verweerders een ‘geldig of gelijkwaardig document’ hadden dat door G.S. Charter als ‘door haar erkende agent is (…) toegestaan’, en Aegean zich er dan niet op kan beroepen dat de boekingen niet door de juiste partij of op de juiste wijze zijn bevestigd.

5.15

Ik stel het volgende voorop. De Verordening stelt minimumrechten vast die luchtreizigers hebben in het geval van een instapweigering, annulering of vertraging van hun vlucht. De Verordening voorziet in rechten zoals een forfaitair bedrag aan compensatie dat wordt berekend aan de hand van de afstand naar de eindbestemming (art. 7), terugbetaling van het ticket (art. 8) en verzorging (art. 9). Om deze rechten geldend te maken kan de passagier terecht bij de ‘luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert’ in de zin van art. 2 onder b), ongeacht of de passagier rechtstreeks met die luchtvaartmaatschappij een vervoerovereenkomst is aangegaan of door middel van een tussenpersoon de vlucht heeft geboekt. Voor de onderhavige zaak is van belang dat de passagier deze rechten alleen heeft indien hij beschikt over een bevestigde boeking (art. 3, lid 2 onder a). Een ‘boeking’ wordt in art. 2 onder g) omschreven als ‘het feit dat de passagier een ticket heeft of een ander bewijs dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator’. Ingevolge art. 2 onder f) wordt van een ‘ticket’ gesproken indien de passagier beschikt over ‘een geldig document dat recht geeft op vervoer of een gelijkwaardig document in immateriële, inclusief elektronische, vorm dat door de luchtvaartmaatschappij of door een door haar erkende agent is uitgegeven of toegestaan’.

5.16

Anders dan het middel betoogt, blijkt uit de duidelijke bewoordingen van art. 2 onder f) en g) van de Verordening dat niet is vereist dat Aegean als luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, de tickets heeft uitgegeven of rechtstreeks de boeking aan de passagiers heeft bevestigd. Voldoende is dat de passagiers een ticket hebben dat door de luchtvaartmaatschappij of door een door haar erkende agent is uitgegeven of toegestaan.59 De omstandigheid dat [A] niet een door de luchtvaartmaatschappij erkende agent zou zijn, is daarbij niet relevant. Aegean heeft namelijk toegestaan dat op deze manier door [A] tickets werden uitgegeven door de afhandeling van de vluchten volledig aan G.S. Charter over te laten. Dat [A] daarbij zonder toestemming van Aegean haar logo heeft gebruikt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Uit het feit dat Aegean passagiers met boekingen bij [A] tot 17 juli 2015 wel heeft vervoerd blijkt ook dat hier sprake is van een ticket, zijnde een document dat recht geeft op vervoer of in ieder geval een gelijkwaardig document dat door de luchtvaartmaatschappij of door een door haar erkende agent is uitgegeven of toegestaan’.

5.17

De term ‘bevestigde boeking’ in de zin van art. 3 lid 2 onder a) van de Verordening is nog niet uitgelegd door het Hof. De Zweedse Attunda tingsrätt heeft in 2016 de prejudiciële vraag gesteld of het begrip ‘boeking’ in de zin van art. 2 onder g), en art. 3 lid 2 onder a) aldus dient te worden uitgelegd dat enkel compensatie moet worden betaald wanneer een passagier een gereserveerde zitplaats heeft (dat wil zeggen hij recht heeft op een eigen zitplaats in het vliegtuig), of dat het daarvoor voldoende is dat hij een bevestigde boeking voor de vlucht heeft (dat wil zeggen hij het recht heeft om met het vliegtuig te worden vervoerd). De vraag is niet door het Hof beantwoord omdat het verzoek om een prejudiciële beslissing is ingetrokken en de zaak daarom is doorgehaald.60 Het antwoord op deze vraag had behulpzaam kunnen zijn bij de beoordeling van de onderhavige zaak. Toch ben ik van mening dat het niet nodig is om een prejudiciële vraag hierover te stellen aan het Hof aangezien de bewoording van betreffende bepalingen van de Verordening duidelijk is. Het oordeel van de kantonrechter dat de passagiers beschikken over een ticket en dat er dus sprake is van een bevestigde boeking gaat mijns inziens niet uit van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht onder a. faalt.

5.18

Onder b klaagt het middel dat de kantonrechter bij de beantwoording van de vraag of sprake was van een ‘boeking’ in de zin van art. 2 onder g) van de Verordening, ten onrechte mede bepalend heeft geacht de charterovereenkomst tussen Aegean en G.S. Charter. Naar het oordeel van de kantonrechter is de constructie tussen deze partijen en [A] een voorbeeld van wat in de Verordening wordt genoemd het uitvoeren van de vlucht namens de persoon die een overeenkomst heeft met de passagier (art. 2 onder b) en art. 3 lid 5). Dat Aegean ook verondersteld werd activiteiten uit te voeren namens [A] met wie de passagiers een overeenkomst hadden, is volgens Aegean echter irrelevant voor het antwoord op de vraag of passagiers een ‘bevestigde boeking’ hadden. Daarvoor is vereist, nog steeds volgens Aegean, dat een passagier een ticket heeft of ander bewijs dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij. Het bestaan van de charterovereenkomst vormt geen bewijs dat aan die voorwaarde is voldaan nu vaststaat dat Aegean ook dan de boekingen niet zelf aan de passagiers had bevestigd en de op de boekingen (tickets) van passagiers vermelde vluchtnummers niet bestaande vluchtnummers zijn althans niet bekend binnen de reserveringssystemen van Aegean, aldus het middel.

5.19

Net als de klacht onder a gaat deze klacht uit van hetzelfde onjuiste uitgangspunt dat uitsluitend sprake is van een bevestigde boeking indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert zelf de boeking aan de passagiers heeft bevestigd. Uit art. 2 onder g) van de Verordening volgt dat sprake is van een boeking indien de passagier een ticket heeft of een ander bewijs dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator. Het ticket en ander bewijs zijn twee alternatieve vereisten. Naast een ticket behoeft er dus niet tevens bewijs te bestaan dat de luchtvaartmaatschappij of touroperator de boeking heeft aanvaard en heeft geregistreerd. Zoals ik bij de bespreking van de klacht onder a heb vermeld, heeft de kantonrechter geoordeeld dat er sprake is van een ticket. Ik herhaal dat het daarbij van belang is dat de passagiers een geldig of gelijkwaardig document hebben dat door de luchtvaartmaatschappij of door een door haar erkende agent is uitgegeven of toegestaan. Om te beoordelen of het ‘toegestaan’ aan de orde is, is de constructie tussen Aegean, G.S. Charter en [A] relevant. In rov. 4.5 heeft de kantonrechter hieromtrent overwogen dat Aegean de afhandeling van de vluchten volledig aan G.S. Charter heeft overgelaten, die de capaciteit vervolgens heeft doorverkocht aan [A] en dat Aegean tot 17 juli 2015 passagiers met boekingen bij [A] ook daadwerkelijk heeft vervoerd. Ik wijs daarbij ook op hetgeen de kantonrechter in rov. 4.6 heeft overwogen betreffende de contractuele verhoudingen tussen partijen. Er is dus sprake van toestaan in de zin van art. 2 onder f) van de Verordening.

5.20

Daarbij komt dat de kantonrechter in rov. 4.5 heeft overwogen dat de stelling van Aegean dat de op de boeking van passagiers vermelde vluchtnummers niet bestaande vluchtnummer zijn, althans niet bekend zijn binnen de reserveringssystemen van Aegean, niet verder onderbouwd is zodat de kantonrechter daaraan om die reden reeds voorbij is gegaan. Ook de klacht onder b faalt.

5.21

Subonderdeel 1.3 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.8 dat kan worden gesproken van een annulering van de vlucht door Aegean als luchtvaartmaatschappij. Rov. 4.8 is hiervoor geciteerd in 3.4.

5.22

Het middel klaagt onder a dat de kantonrechter heeft miskend dat hier sprake was van een annulering door [A] van de aan haar betaalde boekingen en niet van een ‘annulering van een vlucht’ door Aegean als luchtvaartmaatschappij, die de passagiers recht geeft op compensatie op grond van art. 5 en 7 en op terugbetaling van tickets op grond van art. 8 lid 1 onder a) van de Verordening. Hieraan doet niet af dat na de annulering van de boekingen van de passagiers Aegean heeft besloten om de chartervluchten niet meer uit te voeren, zo voert Aegean aan.

5.23

Uit rov. 4.8 volgt dat de kantonrechter van oordeel is dat Aegean de vluchten heeft geannuleerd. Zij heeft overwogen dat het niet uitvoeren van de geboekte vluchten een beslissing is geweest van Aegean. Hiermee heeft de kantonrechter te kennen gegeven dat niet [A] , maar uitsluitend Aegean de vlucht heeft geannuleerd. De klacht onder a gaat er ten onrechte van uit dat [A] de vluchten in de eerste plaats heeft geannuleerd. De klacht mist daarom feitelijke grondslag.

5.24

Daarbij komt dat het niet relevant is of de annulering door [A] vooraf ging aan de annulering door Aegean, zoals het middel tot uitgangspunt neemt. Art. 2 onder l) van de Verordening omschrijft een annulering immers als het niet uitvoeren van een geplande vlucht waarop ten minste één plaats was geboekt. Het gaat er dus niet om wie de vlucht heeft geannuleerd, maar dat de vlucht niet is uitgevoerd. De kantonrechter heeft overwogen dat vast staat dat de geboekte vluchten niet door Aegean zijn uitgevoerd. Om die reden kan worden gesproken van een annulering.

5.25

Dat in het geval van een annulering verplichtingen rusten op de luchtvaartmaatschappij die voornemens was de vlucht uit te voeren, draagt bij aan een effectieve toepassing van de Verordening.61 De passagier kan dus terecht bij de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert of voornemens is de vlucht uit te voeren en die luchtvaartmaatschappij kan dan in voorkomend geval onder het toepasselijke recht regres nemen op andere (rechts)personen.62 Dat in het onderhavige geval [A] failliet is gegaan en mogelijk geen verhaal biedt, laat het voorgaande onverlet.

5.26

Door te oordelen dat Aegean de vlucht niet heeft uitgevoerd en dat de annulering van hun vluchten de passagiers recht geeft op compensatie op grond van art. 5 en 7 en op terugbetaling van tickets op grond van art. 8 lid 1 onder a, heeft de kantonrechter geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht onder a faalt.

5.27

Onder b klaagt het middel dat de kantonrechter met dit oordeel de verantwoordelijkheid voor de annulering en de daaraan verbonden kosten ten onrechte volledig en alleen heeft gelegd bij Aegean. De kantonrechter heeft volgens Aegean hiermee miskend dat naar doel en strekking van de Verordening Aegean als luchtvaartmaatschappij in het kader van compensatie voor ongemak van de passagiers niet kan opdraaien voor financiële risico’s van het onbevoegde handelen van [A] en er geen reden is om de garantie voor het faillissement van [A] volledig ten laste van Aegean te brengen. Het middel verwijst hierbij naar de klacht onder 1.1.

5.28

De klacht berust op een onjuiste lezing van de vonnissen. De kantonrechter heeft niet aanvaard dat [A] onbevoegd heeft gehandeld, maar in rov. 4.5 geoordeeld dat de luchtvaartmaatschappij of een door haar erkende agent het handelen van [A] heeft toegestaan. De klacht onder b faalt.

5.29

Onder c richt het middel een klacht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de betalingsmoeilijkheden van [A] niet kunnen worden gezien als een buitengewone omstandigheid in de zin van art. 5 lid 3 van de Verordening, welke ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen door Aegean niet voorkomen kon worden. Immers als [A] de boekingen van de passagiers niet had geannuleerd maar hen na terugbetaling van de tickets had doorverwezen naar Aegean om de geboekte vluchten na betaling van de ticketprijs door Aegean te laten bevestigen en registreren en uitvoeren, zouden hun vluchten niet zijn geannuleerd. In die situatie zou Aegean als luchtvaartmaatschappij die de vluchten uitvoert gelet op art. 5 lid 3 dan ook niet verplicht zijn om de passagiers compensatie te betalen.

5.30

Deze klacht berust op hetzelfde onjuiste uitgangspunt als de klacht onder a dat [A] de boekingen van de passagiers heeft geannuleerd. De klacht mist daarom feitelijke grondslag.

5.31

Wat betreft het beroep van Aegean op ‘buitengewone omstandigheden’ in de zin van art. 5 lid 3 van de Verordening stel ik voorop dat deze uitzondering strikt moet worden uitgelegd en dat het aan de vervoerder is om aan te tonen dat sprake is van buitengewone omstandigheden die hij zonder het brengen van voor hem onaanvaardbare offers niet kon vermijden.63 Volgens vaste rechtspraak vereist dit begrip dat aan twee cumulatieve voorwaarden wordt voldaan, te weten (a) dat het voorval niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteit van de luchtvaartmaatschappij en (b) dat de luchtvaartmaatschappij hierop geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen.64 Van geval tot geval moet worden beoordeeld of inderdaad aan deze criteria is voldaan. Dat kan verklaren waarom de overvloedige rechtspraak uit Luxemburg over dit onderwerp erg casuïstisch is. Zo heeft het Hof als buitengewone omstandigheden bijvoorbeeld aangemerkt benzine op de start-of landingsbaan,65 beschadiging van een band van een luchtvaartuig door een vreemd voorwerp op de start- of landingsbaan66 en een aanvaring tussen een vliegtuig en een vogel.67 In de kern gaat het om externe factoren die los staan van de uitoefening van de activiteit van een luchtvaartmaatschappij en onverwacht optreden. Enkele voorbeelden van omstandigheden waarvan het Hof heeft geoordeeld dat zij niet een buitengewone omstandigheid vormen, zijn technische defecten en een wilde staking.68

5.32

De kantonrechter heeft in rov. 4.8 overwogen dat Aegean zelf bepaalt met wie zij zaken doet en de mogelijkheid heeft om bij het sluiten van de vervoerovereenkomst te bepalen onder welke (betalings)condities boekingen voor een vlucht mogen worden aanvaard en bevestigd. De kantonrechter doelt hiermee op de afspraken tussen Aegean en G.S. Charter. Aegean liet de afhandeling van de vluchten volledig aan G.S. Charter over. Het op deze manier aangaan van vervoerovereenkomsten, waarbij met tussenpersonen wordt gewerkt, brengt voor de luchtvaartmaatschappij (naast voordelen ook) risico’s met zich mee. De kantonrechter heeft kennelijk geoordeeld dat in ieder geval aan het tweede vereiste van art. 5 lid 3 niet is voldaan: Aegean kon wel invloed uitoefenen op het voorval. Zij had bijvoorbeeld andere afspraken kunnen maken waarbij zij minder financieel risico zou lopen als een tussenpersoon in betalingsmoeilijkheden zou komen te verkeren.

5.33

Gezien de voorbeelden die in punt 14 van de considerans van de Verordening zijn opgenomen en de zo juist kort aangehaalde rechtspraak van het Hof is duidelijk dat het begrip ‘buitengewone omstandigheid’ niet de situatie omvat waarin het wel mogelijk is om de vlucht uit te voeren, maar dit financieel niet aantrekkelijk is vanwege de betalingsmoeilijkheden van de tussenpersoon die de vlucht heeft verkocht aan de passagiers. Gezien de omstandigheden dat Aegean de vlucht niet heeft uitgevoerd toen bleek dat [A] in betalingsmoeilijkheden verkeerde, heeft de kantonrechter kennelijk tevens geoordeeld dat Aegean niet heeft aangetoond dat zij alle aan de situatie aangepaste maatregelen heeft genomen. Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter het Unierecht niet heeft miskend door te oordelen dat er geen sprake is van een buitengewone omstandigheid als bedoeld in art. 5 lid 3. De klacht onder c faalt.

5.34

Onder d klaagt het middel dat de kantonrechter met dit oordeel heeft miskend dat in de gegeven omstandigheden Aegean niet krachtens art. 8 lid 1 onder a van de Verordening is gehouden tot volledige terugbetaling van de tickets van de passagiers op de enkele grond dat zij de ticketprijs voor de vlucht niet retour hebben ontvangen. Voor de plicht tot volledige terugbetaling van de ticketprijs in de zin van art. 8 lid 1 onder a is vereist dat Aegean als luchtvaartmaatschappij de door de passagiers voor de vluchten betaalde ticketprijs heeft ontvangen, om op de voet van art. 8 aan hen te kunnen terugbetalen. Nu vaststaat dat Aegean de door de passagiers aan [A] betaalde bedragen niet heeft ontvangen, kan Aegean de ticketprijs niet terugbetalen en is zij daartoe niet gehouden, aldus de klacht.

5.35

De kantonrechter heeft in rov. 4.8 geoordeeld dat de passagiers recht hebben op terugbetaling van hun tickets zoals bedoeld in art. 5 in verbinding met art. 8 lid 1 onder a van de Verordening. Art. 5 bepaalt dat in het geval van annulering van een vlucht, passagiers recht hebben op terugbetaling van het ticket of een andere vlucht zoals bedoeld in art. 8. Art. 8 lid 1 onder a) bepaalt dat als passagiers voor terugbetaling van het ticket kiezen zij recht hebben op volledige terugbetaling. Hieruit volgt dat de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, het ticket moet terugbetalen tegen de prijs waarvoor het is gekocht.

5.36

Voor de uitleg van het begrip ‘terugbetaling’ in de zin van art. 8 lid 1 onder a) van de Verordening wijs ik op het arrest van het Hof in de zaak Harms.69 Die zaak betrof vluchten waarvoor tickets waren aangekocht via een tussenpersoon die daarvoor een provisie had ontvangen. In geschil was of die provisie deel uitmaakt van de prijs van het ticket dat door de betrokken luchtvaartmaatschappij aan de passagier moet worden terugbetaald. Uit dit arrest kan worden afgeleid dat de prijs van het ticket dat door de luchtvaartmaatschappij moet worden terugbetaald niet in alle gevallen beperkt is tot het bedrag dat door de luchtvaartmaatschappij als prijs voor het ticket is ontvangen. Indien de luchtvaartmaatschappij heeft toegestaan dat de tussenpersoon een bepaalde prijs inclusief provisie voor het ticket vaststelde, dan moet ook die provisie door de luchtvaartmaatschappij aan de passagier worden terugbetaald. Ten onrechte betoogt het middel dat Aegean de ticketprijs niet hoeft terug te betalen omdat zij het door de passagiers aan [A] betaalde bedrag niet heeft ontvangen. De klacht onder d faalt.

5.37

Subonderdeel 1.4 bestaat uit twee klachten.

5.38

Onder a klaagt het middel dat de kantonrechter ten onrechte heeft nagelaten deze zaken op grond van art. 267 lid 3 VWEU te verwijzen naar het Hof terwijl dat gelet op de voorgaande stellingen van Aegean wel noodzakelijk was.

5.39

Ingevolge art. 267 VWEU is de hoogste nationale rechter van de EU-lidstaten verplicht – de overige gerechten zijn bevoegd – om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof indien een vraag over de uitleg van Unierecht wordt opgeworpen. Hierop geldt een uitzondering wanneer de nationale rechter vaststelt dat de opgeworpen vraag niet relevant is voor de beslechting van het geschil of dat de betreffende bepaling van het Unierecht door het Hof reeds is uitgelegd (acte éclairé) of dat de juiste toepassing van het Unierecht zo voor de hand ligt dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan (acte clair).70

5.40

De hoogste nationale rechter in de zin van art. 267 VWEU is ‘een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie’.71 Dit behoeft niet altijd de hoogste rechterlijke instantie te zijn, maar kan ook een lagere rechter zijn die in het concrete geval in hoogste instantie recht spreekt omdat tegen zijn beslissing geen gewoon rechtsmiddel open staat (bijvoorbeeld omdat het procesbelang beneden een bepaalde grens blijft).72 Voor het antwoord op de vraag of een lagere rechter in een concreet geval als hoogste rechter rechtspreekt is bepalend of de rechtsvragen waarover de lagere rechter zich heeft uitgesproken zonder meer aan een nieuwe rechterlijke beoordeling kunnen worden onderworpen. In de woorden van het Hof gaat het erom of “onzekerheid over de uitlegging van het toepasselijke recht, met inbegrip van het gemeenschapsrecht, uiteindelijk tot controle van de hoogste rechter (kan) leiden”.73 Het beperkte cassatieberoep op grond van art. 80 lid 1 RO voldoet hieraan niet, zodat de kantonrechter in dit geval als hoogste rechter in de zin van art. 267 VWEU moet worden aangemerkt en daarom verplicht kan zijn om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen.

5.41

Ik merk op dat, als Aegean in haar principale betoog wordt gevolgd, de Hoge Raad voortaan in dezen de hoogste rechter zal zijn. Het belang van de uitbreiding van de cassatiegronden in art. 80 lid 1 RO naar schending van de verwijzingsplicht door de kantonrechter komt daarmee te ontvallen. Wat hier verder ook van zij, uit de bespreking van de klachten van Aegean hiervoor volgt dat er in dit geval geen onduidelijkheid bestaat over de uitleg van de relevante bepalingen van de Verordening. De kantonrechter hoefde daarom geen prejudiciële vragen te stellen om dit geschil te kunnen beslechten. De klacht onder a faalt.

5.42

Onder b klaagt het middel dat de kantonrechter heeft verzuimd om de behandeling van de gedingen aan te houden in afwachting van de prejudiciële beslissing in de zaken betreffende de pakketreizen, omdat de gedingen op gelijke wijze en in gelijke zin zouden moeten worden beslecht.

5.43

Deze klacht bouwt voort op de klachten onder 1.1 en 1.3 onder b en faalt om dezelfde redenen. De vergelijking met de zaken betreffende pakketreizen gaat niet op omdat vaststaat dat in de zaken die tot de bestreden vonnissen hebben geleid geen sprake is van pakketreizen waardoor samenloop tussen Richtlijn 90/314 inzake pakketreizen en de Verordening zich niet voordoet. Er bestond dan ook geen reden voor de kantonrechter om de procedures aan te houden in afwachting van de uitspraak van het Hof in zaak C-163/18. De klacht onder b faalt.

5.44

Het eerste onderdeel faalt daarmee in zijn geheel.

Onderdeel 2

5.45

Onderdeel 2 bestaat uit vijf subonderdelen (2.1-2.5), die motiveringsklachten richten tegen de vonnissen van de kantonrechter. Ik stel vast dat die klachten steeds in het verlengde liggen van de rechtsklachten in onderdeel 1. Ik herhaal dat gezien het beperkte toetsingskader van art. 80 lid 1 RO verkapte rechtsklachten of motiveringsklachten die niet te beoordelen zijn zonder tevens de juistheid van de rechtsopvattingen van de kantonrechter in de beoordeling te betrekken – net als rechtsklachten – niet-ontvankelijk zijn.

5.46

Subonderdeel 2.1 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.5 dat sprake is van een bevestigde boeking. Het subonderdeel voert aan dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van het verweer van Aegean dat zij de boeking niet zelf had bevestigd, de op de boeking van de passagiers vermelde vluchtnummers niet bestaande vluchtnummers zijn althans niet bekend zijn binnen de reserveringssystemen van Aegean en [A] bij de uitgifte van de e-tickets zonder toestemming van Aegean haar logo heeft gebruikt terwijl Aegean tot de zomer van 2015 nog nooit van [A] had gehoord en zij van haar ook nooit betalingen heeft ontvangen.

5.47

Subonderdeel 2.2 betoogt dat op basis van de afspraak tussen Aegean en G.S. Charter niet de conclusie kan worden getrokken dat de door [A] uitgegeven tickets zijn aan te merken als een geldig of gelijkwaardig document dat aanvaard of geregistreerd is in de zin van art. 2 onder g) van de Verordening en dat sprake is van een constructie tussen Aegean, G.S. Charter en [A] op grond waarvan Aegean gehouden was de door de passagiers bij [A] geboekte vluchten uit te voeren namens [A] .

5.48

Deze motiveringsklachten, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, zijn niet te beoordelen zonder tevens de juistheid van de rechtsopvatting van de kantonrechter omtrent de begrippen ‘ticket’ en ‘boeking’ in de zin van art. 2 onder f) en g) van de Verordening in de beoordeling te betrekken. Gelet op art. 80 lid 1 RO zijn deze klachten niet-ontvankelijk. Wat betreft de juistheid van het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van een bevestigde boeking, verwijs ik naar de bespreking van de klacht onder 1.2.

5.49

Voor zover het middel betoogt dat onbegrijpelijk is de overweging van de kantonrechter dat sprake is van een constructie tussen Aegean, G.S. Charter en [A] , merk ik op dat de kantonrechter in rov. 2.3 heeft vastgesteld – onbestreden in cassatie – dat Aegean aan G.S. Charter een overeengekomen bepaalde capaciteit aan vliegtuigstoelen ter beschikking stelde die G.S. Charter vervolgens weer doorverkocht aan derden, waaronder [A] . Tevens heeft de kantonrechter overwogen dat Aegean de afhandeling van de vluchten volledig aan G.S. Charter heeft overgelaten. Ook tegen deze overweging is in cassatie geen klacht gericht. Doordat Aegean G.S. Charter de vrije hand heeft gelaten bij de doorverkoop van de capaciteit aan vliegtuigstoelen is niet onbegrijpelijk dat de kantonrechter heeft overwogen dat er sprake is van een constructie tussen Aegean, G.S. Charter en [A] en dat op grond van die constructie Aegean gehouden was de door de passagiers bij [A] geboekte vluchten uit te voeren namens [A] . Temeer nog gezien het feit – wederom onbestreden in cassatie – dat Aegean passagiers met boekingen bij [A] tot 17 juli 2015 wel heeft vervoerd. Ook hieruit blijkt dat sprake is van een boeking in de zin van art. 2 onder f) en g) van de Verordening. Ik wijs op hetgeen de kantonrechter heeft overwogen in rov. 4.6 over de contractuele verhouding tussen Aegean, G.S. Charter en [A] .

5.50

Subonderdeel 2.3 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.8 dat sprake is van een annulering die de passagiers recht geeft op compensatie.

5.51

Net als de klachten onder 2.1 en 2.2 gaat de klacht uit van het onjuiste uitgangspunt dat er geen sprake is van een ticket en een boeking in de zin van art. 2 onder f) en g) van de Verordening en bouwt op die klachten voort. Daarnaast kan de klacht dat het oordeel dat sprake is van een annulering onbegrijpelijk is, niet worden beoordeeld zonder de rechtsopvatting van de kantonrechter betreffende het begrip ‘annulering’ in de zin van art. 2 onder l) op juistheid te toetsen. Ik verwijs naar de bespreking van de klacht onder 1.3.

5.52

Daarbij komt dat de kantonrechter in rov. 4.7 heeft overwogen dat ondanks de afspraken tussen Aegean en G.S. Charter over de betaling en het uitvoeren van de vlucht toch sprake is van een voorgenomen vlucht in de zin van de Verordening. De kantonrechter heeft daarover onder het kopje ‘Voorgenomen vlucht’ het volgende overwogen:

“Het betoog van Aegean dat Verordening 261/2004 niet van toepassing is omdat zij niet voornemens was de onderhavige vluchten uit te voeren, wordt eveneens verworpen. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt genoegzaam dat er specifieke afspraken zijn gemaakt over de vluchten die Aegean zou gaan uitvoeren, zoals de route, het aantal rotaties, de periode, de dag, welk type vliegtuig, de capaciteit per vlucht en de hoeveelheid personeel die ter beschikking zou worden gesteld. De vluchten van [de passagiers] passen in dit geplande vluchtschema. Dat Aegean met G.S. Charter is overeengekomen dat zij een vlucht niet zou hoeven uitvoeren als G.S. Charter de daarvoor te betalen prijs niet tijdig zou voldoen, maakt – wat daar verder ook van zij – niet dat geen sprake meer is van voorgenomen vluchten in de zin van de Verordening.”

5.53

De kantonrechter heeft hiermee gerespondeerd op de door Aegean aangevoerde stellingen die erop neerkomen dat Aegean de vlucht niet hoefde uit te voeren en dat om die reden geen sprake kan zijn van een annulering. In het licht van de overweging dat sprake is van een voorgenomen vlucht is niet onbegrijpelijk dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat Aegean de vlucht niet heeft uitgevoerd en dat sprake is van een annulering die recht geeft op compensatie. De klacht faalt.

5.54

Subonderdeel 2.4 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.9 dat de passagiers wegens annulering recht hebben op terugbetaling van hun tickets op grond van art. 8 lid 1 onder a van de Verordening. Het subonderdeel voert aan dat dit oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is in het licht van het verweer van Aegean dat de terugbetalingsverplichting er niet kan zijn omdat Aegean voor de tickets van de passagiers geen betaling heeft ontvangen om aan hen te kunnen terugbetalen.

5.55

Deze klacht bouwt voort op de klacht in subonderdeel 1.3 onder d en faalt om dezelfde reden.

5.56

Subonderdeel 2.5 voert aan dat de vonnissen van de kantonrechter onbegrijpelijk zijn in het licht van het herhaald verzoek van Aegean om de gedingen aan te houden in afwachting van de prejudiciële beslissing van het Hof in de pakketreis-zaken die relevant zijn voor de beantwoording van de hier gerezen rechtsvragen.

5.57

Deze klacht bouwt voort op de klacht in subonderdeel 1.4 onder b en faalt om dezelfde reden.

Slotsom

5.58

Nu de klachten falen dient het beroep te worden verworpen. Ik acht het in het belang van de rechtsvorming dat in het arrest van uw Raad een oordeel wordt gegeven over de ontvankelijkheid van de verschillende middelonderdelen en daarmee over het door Aegean in deze zaak ingenomen standpunt dat de cassatiegronden genoemd in art. 80 lid 1 RO moeten worden uitgebreid naar schending van het Unierecht.

6 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (Pb 2004, L 46/1).

2 Ontleend aan rov. 2.1-2.11 van de drie bestreden vonnissen van 19 februari 2019.

3 Zowel met ‘Operator’ als met ‘Carrier’ wordt Aegean bedoeld.

4 Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (Pb 2007, L 199/1). Daarvoor wordt een standaardformulier gebruikt.

5 Naar ik aanneem bevat dat bedrag zowel de gevorderde compensatie als de gevorderde restitutie van de tickets. In het dictum van dit vonnis wordt dit echter, anders dan in de twee andere vonnissen, niet nader gespecificeerd.

6 Schriftelijke toelichting Aegean onder 7, laatste alinea.

7 HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490, NJ 2007/637, m.nt. H.J. Snijders.

8 Schriftelijke toelichting Aegean onder 9-11.

9 Schriftelijke toelichting Aegean onder 7, laatste alinea. Zie in dit kader bijvoorbeeld: HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ3207, NJ 2004/680.

10 Schriftelijke toelichting Aegean onder 8 en 14.

11 HR 25 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1315, NJ 1994/392 (Ten Haave/HRB).

12 Procesinleiding in zaak 20/00085, p. 5.

13 HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490, NJ 2007/637, m.nt. H.J Snijders, rov. 3.6. Zie ook de conclusie van A-G Wesseling-van Gent voor dat arrest, waarin zij in punt 2.5 dieper ingaat op de achtergrond van de appeluitsluiting.

14 Vgl. R. Van Boneval Faure, Het Nederlandsche Burgerlijk Procesrecht, deel 1, 3e druk Leiden 1893, p. 388.

15 De voorganger van art. 80 RO, art. 100 Wet RO, is als zodanig ingevoerd bij wet van 20 juni 1963, Stb. 272. Inhoudelijk heeft de Wet RO van het begin (1827) af aan een regeling als die van art. 100 gekend; eerst was deze opgenomen in art. 101, later in art. 99 Wet RO.

16 Zie Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7, 2015/196.

17 Zo heeft de Hoge Raad vonnissen van kantonrechters vernietigd wegens innerlijke tegenstrijdigheid, onbegrijpelijkheid van de motivering of op grond van een kennelijke vergissing van de kantonrechter. Zie o.a. HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4430, NJ 2000/255. Zie ook Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7, 2015/197 en de daarin in voetnoot 1 aangehaalde jurisprudentie.

18 Van den Honert, Handboek 1839, p. 103.

19 Zie ook: C.J.M. Klaassen, G.J. Meijer & H.J. Snijders, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 272.

20 HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490, NJ 2007/637, m.nt. H.J Snijders, rov. 3.7.2.

21 HR 3 december 1971, NJ 1972/137, m.nt. G.J. Scholten (Hotel Jan Luyken/Staat).

22 Zie o.a. HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ3207, NJ 2004/680. Zie ook Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7, 2015/197 en de daar in voetnoot 2 aangehaalde jurisprudentie.

23 Zie o.a. HR 11 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC2262, NJ 1988/338, m.nt. W.L. Haardt. Zie ook Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7, 2015/197 en de daar in voetnoot 3 aangehaalde jurisprudentie.

24 Preadvies mr. G.J. Wiarda, Handelingen 1978 der Nederlandse Juristen-Vereniging, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, deel 1, tweede stuk, p. 85 en 86.

25 Handelingen 1978 der Nederlandse Juristen-Vereniging, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, deel 2, p. 63.

26 Noot W.H. Heemskerk bij HR 29 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6644, NJ 1979/524.

27 Conclusie voor HR 30 september 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4651, NJ 1984/93.

28 Noot W.L. Haardt bij HR 11 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC2262, NJ 1988/338.

29 Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7, 2015/196.

30 C.J.M. Klaassen, G.J. Meijer & H.J. Snijders, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 272.

31 De regeling van art. 100 Wet RO is op 1 januari 2002 nagenoeg ongewijzigd overgegaan in art. 80 lid 1 RO. Nagenoeg ongewijzigd, omdat het woord ‘uitspraak’ is vervangen voor het woord ‘vonnis’, welke wijziging in 2005 weer is teruggedraaid door ‘vonnis of een beschikking’ in art. 80 lid 1 RO op te nemen. Zie Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7, 2015/196.

32 In die zin ook de schriftelijke toelichting van de passagiers onder 11.1: “Het Unierecht dwingt namelijk niet tot een verruiming van art. 80 RO.

33 Vgl. o.a. HvJEG 14 december 1995, C-312/93, ECLI:EU:C:1995:437, punten 12, 16-21 (Peterbroeck), HvJEU 14 mei 1996, C-143/94 en C-202/94, ECLI:EU:C:1996:198, punt 34 (Faroe Seafood) en HvJEU 6 maart 2019, C-284/19, ECLI:EU:C:2018:158, punten 56-58 (Slowaakse Republiek/Achmea).

34 Vgl. ook de brief van de IATA van 11 oktober 2019 (met annex), die Aegean als bijlage bij haar schriftelijke toelichting heeft overgelegd.

35 H.B. Krans, ‘De Kantonrechter als hoogste rechter. Een pleidooi voor doorbreking van het appèlverbod in gemeenschapsrechtelijk getinte zaken’, WPNR 2004/6595, p. 832 en H.B. Krans, Nederlands burgerlijk procesrecht en materieel EU-recht (BPP nr. 12) 2010/12.1.

36 HvJEU 15 maart 2017, C-3/16, ECLI:EU:C:2017:209 (Aquino/Belgische Staat).

37 Als voorbeeld noem ik HR 21 december 2018,ECLI:NL:HR:2018:2396 NJ 2019/156, m.nt. L.A.D. Keus (Verkeersvliegers/Staat) naar aanleiding van de beslissing van de Hoge Raad het geschil tussen partijen te beslissen zonder prejudiciële vragen te stellen (HR 13 juli 2012, NJ 2012/547, m.nt. M.R. Mok).

38 HR 2 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2027 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:2027) (Spin Master/High5 Products) en HvJEU 21 november 2019, C-678/18, ECLI:EU:C:2019:998 (Procureur-Generaal bij de Hoge Raad).

39 HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:396, NJ 2015/55, m.nt. H.B. Krans ([… 8] /DAS).

40 HvJEU 22 juni 2017, C-126/16, ECLI:EU:C:2017:489 (Smallsteps).

41 Er zijn diverse claimvehikels, waaronder EUClaim, die zich op deze ‘business’ toeleggen. En ook de luchtvaartmaatschappijen hebben uiteraard hun specialisten.

42 C-315/11, een verwijzing van de kantonrechter te Breda. De zaak is doorgehaald bij beschikking van 17 januari 2013, ECLI:EU:C:2013:16, omdat het arrest in C‑581/10 en C‑629/10, Nelson, het antwoord bevatte op de voorgelegde vraag.

43 HvJEU 17 september 2015, C-257/14, ECLI:EU:C:2015:618, na verwijzing van de kantonrechter Amsterdam.

44 HvJEU 11 mei 2017, C-302/16, ECLI:EU:C:2017:359, na verwijzing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland.

45 HvJEU 10 juli 2019, C-163/18, ECLI:EU:C:2019:585, na verwijzing van vier zaken door de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland.

46 HR 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5515 (KLM), NJ 2012/395, rov. 3.3.

47 Conclusie A-G Vlas voor HR 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5515 (KLM), NJ 2012/395, punt 2.7.

48 HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2864, NJ 2013/276 (Martinair) en HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2868, NJ 2013/277 (Transavia).

49 Conclusie A-G Vlas voor HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2864, NJ 2013/276 (Martinair) en HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2868, NJ 2013/277 (Transavia), punt 2.7.

50 HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2864, NJ 2013/276 (Martinair) en HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2868, NJ 2013/277 (Transavia), rov. 2.4.2.

51 HvJEG 19 november 2009, C-402/07 en C-432/07, ECLI:EU:C:2009:716, punt 67 (Sturgeon), NJ 2010/137, m.nt. M.R. Mok.

52 HvJEU 12 september 2018, C-601/17, ECLI:EU:C:2018:702, punt 15 (Harms), S&S 2019/80.

53 Arrest Sturgeon, punten 67 en 68.

54 Richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten (Pb 1990, L 158/59).

55 HvJEU 10 juli 2019, C-163/18, ECLI:EU:C:2019:585 (Aegean Airlines), S&S 2019/81.

56 Arrest Aegean Airlines, punten 16-21.

57 Arest Aegean Airlines, punt 25.

58 HvJEU 26 maart 2020, C-215/18, ECLI:EU:C:2020:235, punt 35 (Primera Air Scandinavia).

59 Zie ook HvJEU 12 september 2018, C-601/17, ECLI:EU:C:2018:702, punt 16-17 (Harms), S&S 2019/80.

60 Beschikking van 15 juli 2016, C-161/1, ECLI:EU:C:2016:629 (Airhelp/Thomas Cook Airlines Scandinavia).

61 Punt 7 van de considerans bij de Verordening.

62 Punt 8 van de considerans en art. 13 van de Verordening. Zie ook: HvJEG 10 januari 2006, C‑344/04, ECLI:EU:C:2006:10, punt 90 (IATA en ELFAA).

63 HvJEG 22 december 2008, C‑549/07, ECLI:EU:C:2008:771, punt 17 en punt 41 (Wallentin).

64 HvJEG 22 december 2008, C‑549/07, ECLI:EU:C:2008:771, punt 25 (Wallentin); HvJEU 31 januari 2013, C‑12/11, ECLI:EU:C:2013:43,punt 38 (McDonagh); HvJEU 4 mei 2017, C‑315/15, ECLI:EU:C:2017:342, punt 22 (Pešková en Peška); HvJEU 17 april 2018, C‑195/17 e.a., ECLI:EU:C:2018:258, punt 32 (Krüsemann e.a.).

65 HvJEU 26 juni 2019, C-159/18, ECLI:EU:C:2019:535 (Moens).

66 HvJEU 4 april 2019, C-501/17, ECLI:EU:C:2019:288 (Germanwings).

67 HvJEU 4 mei 2017, C‑315/15, ECLI:EU:C:2017:342, punt 22 (Pešková en Peška).

68 HvJEU 17 april 2018, C-195/17 e.a., ECLI:EU:C:2018:258 (Krüsemann e.a).

69 HvJEU 12 september 2018, C-601/17, ECLI:EU:C:2018:702, punt 16-17 (Harms), S&S 2019/80.

70 HvJEG 6 oktober 1982, C-283/81, ECLI:EU:C:1982:335 (Cilfit), NJ 1983/55, recent bevestigd in HvJEU 4 oktober 2018, C-416/17, ECLI:EU:C:2018:811, punten 110-114 (Commissie/Frankrijk – précompte moblier), JB 2018/197, m.nt. J. Krommendijk.

71 HvJEG 30 september 2003, C-224/01, ECLI:EU:C:2003:513, punt 34 (Köbler), NJ 2004/160, m.nt. M.R. Mok.

72 R. Barents, EU-procesrecht, Deventer: Kluwer 2010, p. 374.

73 HvJEG 4 juni 2002, C-99/00, ECLI:EU:C:2002:329, punt 17 (Lyckeskog), NJ 2003/120.