Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:366

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-02-2020
Datum publicatie
14-04-2020
Zaaknummer
18/04945
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:638
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

In het openbaar mondeling aanzetten tot gewelddadig optreden tegen mensen wegens hun ras, art. 137d Sr. Heeft verdachte “aangezet tot gewelddadig optreden tegen personen van Armeense afkomst wegens hun ras”? HR: hof heeft vastgesteld dat verdachte als spreker tijdens een demonstratie ten overstaan van publiek bij herhaling in de Turkse taal heeft gescandeerd “Karabag Ermeniye mezar olacak”, welke woorden het hof feitelijk en, mede gelet op de door het hof als bewijs gebruikte verklaring van verdachte ttz., niet onbegrijpelijk heeft opgevat als in de NLse vertaling te luiden: “Karabach zal het graf van de Armeniërs worden” en, evenzeer niet onbegrijpelijk, de betekenis heeft gegeven dat zij zijn gericht tegen alle Armeniërs. Hof heeft geoordeeld dat deze uitlating van verdachte naar inhoud en strekking het aanzetten tot gewelddadig optreden tegen Armeniërs wegens hun ras oplevert en dat zijn opzet hierop was gericht, waarbij hof ook de in de bewijsoverwegingen nader omschreven context heeft betrokken. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is dan ook naar de eis der wet met redenen omkleed. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04945

Zitting 18 februari 2020

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte.

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 14 november 2018 – met aanpassing van gronden – bevestigd het vonnis van de rechtbank Overijssel van 17 maart 2017, waarbij de verdachte wegens “het misdrijf: in het openbaar mondeling aanzetten tot gewelddadig optreden tegen mensen wegens hun ras” is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis.

  2. Namens de verdachte heeft mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het draait in deze zaak om het volgende. Op 24 april 2014 is op het terrein van de Armeense kerk te Almelo een herdenkingsmonument Armeense Genocide onthuld.1 Vervolgens heeft op 1 juni 2014 op het Rembrandtveld te Almelo op initiatief van de Stichting Turks Islamitische Culturele Federatie een demonstratie plaatsgevonden. In de kennisgeving van deze demonstratie aan de gemeente stond vermeld dat de benaming “Armeens Genocide Monument” niet zal bijdragen aan de harmonie in de samenleving, in het bijzonder de harmonie in Almelo. Bij de demonstratie waren ongeveer 4.000 personen van hoofdzakelijk Turkse afkomst aanwezig. Diverse sprekers, waaronder de verdachte, hebben de aanwezigen met behulp van een microfoon toegesproken. De verdachte is voorzitter van de Nederlandse Azerbeidjaanse Turkse Culturele Vereniging en heeft aandeel gehad in de voorbereiding van de demonstratie. De verdachte heeft tijdens de demonstratie op een gegeven moment het woord gekregen en ten overstaan van de aldaar aanwezige menigte en met gebruik van een microfoon de volgende woorden geuit, waarbij ik citeer uit het door het hof bevestigde vonnis:

"(…)

Karabağ Turktür, Türk kalacak,

Karabağ Ermeniye mezar olacak,

Karabağ Turktür, Türk kalacak,

Karabağ Ermeniye mezar olacak,

welke woorden in het Nederlands vertaald betekenen:

Karabach is Turks, zal Turks blijven,

Karabach zal het graf van de Armeniërs worden,

Karabach is Turks, zal Turks blijven,

Karabach zal het graf van de Armeniërs worden.

(…)”

4. Het middel klaagt over ’s hofs oordeel dat de verdachte “heeft aangezet tot gewelddadig optreden tegen personen van Armeense afkomst wegens hun ras”, althans over ’s hofs verwerping van het namens de verdachte naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte niet heeft gedoeld op “de” Armenen vanwege hun ras, maar op de bezetting van Nagorno Karabach.

5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen op 1 juni 2014 te Almelo, in het openbaar, te weten tijdens een openbare demonstratie op de openbare weg, het Rembrandtveld gelegen aan de Rembrandtlaan, mondeling, als spreker tijdens die demonstratie ten overstaan van publiek heeft aangezet tot gewelddadig optreden tegen personen van Armeense afkomst wegens hun ras, immers heeft hij, verdachte, toen en daar gescandeerd de woorden “Karabağ Ermeniye mezar olacak” (vertaald in het Nederlands: Karabach zal het graf van de Armeniërs worden).”

6. De bewezenverklaring steunt op de bewijsoverwegingen en een deel van de bewijsmiddelen als genoemd in de bijlage op het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank. Het hof heeft het derde, vierde, zesde, zevende en achtste bewijsmiddel niet overgenomen.

7. Het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank bevat de volgende overwegingen met betrekking tot de beoordeling van het bewijs (cursief en onderstreept in het origineel):

“(…)

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte weliswaar de in de tenlastelegging genoemde woorden heeft geuit en dat verdachte achter zijn woorden staat, maar dat geen sprake is van strafbare uitlatingen. De raadsman acht de context waarin de woorden zijn geuit van belang. De context van de demonstratie heeft de raadsman betiteld als het voeren van een strijd met alleen democratische methoden, nu een der sprekers heeft gezegd dat men als Turkse staten en federaties schouder aan schouder de strijd tot het einde zal voeren en daartoe gebruik zal maken van het demonstratierecht en het recht om naar de rechtbank te gaan.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat in de uitspraak ‘Karabach zal het graf van de Armeniërs worden’ een duidelijke beperking zit, aangezien een graf altijd lokaal is bepaald en als Karabach het graf is, dan is het graf in Karabach en betreft de uitlating het gebied Karabach en de Armeniërs in dat gebied.

De raadsman heeft de in 2014 gedane uitlatingen van verdachte betiteld als zijnde profetische woorden die helaas werkelijkheid zijn geworden, nu is gebleken dat in 2016 de wapenstilstand in het oorlogsgebied Karabach opzij is geschoven en ten gevolge van daaropvolgende oorlogshandelingen aldaar Armeense slachtoffers zijn gevallen. Volgens de raadsman zijn de woorden van verdachte feitelijk juist. De situatie in Karabach is een oorlogssituatie waarbij partijen elkaar naar het leven staan, hetgeen heeft geleid tot slachtoffers, waarvan verdachte slechts de Armeense slachtoffers heeft benoemd. De raadsman heeft gesteld dat volkeren in oorlog zijn en dat deze oorlog niet gaat om afkomst, maar om partijen die strijden om het grondgebied Karabach en dat verdachte met zijn uitlatingen slechts heeft vastgesteld dat die oorlog weer gaat komen en dat opnieuw slachtoffers zullen vallen als het conflict niet wordt opgelost. De oplossing vanuit het perspectief van verdachte is dat de bezetters het land moeten verlaten. De raadsman heeft betoogd dat verdachte met zijn woorden heeft bedoeld dat het geweld en bloedvergieten dient te stoppen, als ook dat de woorden zijn uit te leggen als een oproep aan de Armeniërs het gebied Karabach te verlaten omdat het anders fout zal gaan.

De raadsman heeft tevens naar voren gebracht dat de bewoordingen niet ruim moeten worden uitgelegd, doch dat slechts moet worden getoetst wat feitelijk is gezegd, als ook dat nu de woorden feitelijk juist zijn, dit een duidelijke indicatie is dat de uitlatingen niet strafbaar kunnen zijn. Te meer nu verdachte hiermee bedoelde te waarschuwen en er geen reden is om aan die bedoeling te twijfelen.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Toetsingskader

De tenlastelegging behelst het door verdachte uitspreken van de woorden ‘Karabach zal het graf van de Armeniërs worden’.

Primair is dit ten laste gelegd als het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld zoals bedoeld in artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Dit artikel stelt strafbaar degene die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero-of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap.

Subsidiair zijn de uitlatingen van verdachte ten laste gelegd als groepsbelediging zoals bedoeld in artikel 137c Sr. Volgens dit artikel is strafbaar degene die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap.

Voor bewezen verklaring van het primair dan wel het subsidiair ten laste gelegde feit moet zijn voldaan aan een aantal, deels gelijkluidende bestanddelen, die hierna ieder afzonderlijk zullen worden besproken.

4.4.1

Openbaar en mondeling

Verdachte heeft de woorden ‘Karabach zal het graf van de Armeniërs worden’ mondeling geuit tijdens een demonstratie die door duizenden mensen werd bijgewoond en waar eveneens diverse audiovisuele mediadiensten bij aanwezig waren, vanaf een podium en met gebruik van een microfoon. Daaruit blijkt reeds dat verdachte deze woorden mondeling en in het openbaar heeft geuit en dat hij ook de opzet had op deze openbaarheid.

4.4.2

Ziet de uitlating op ‘ras’ in de zin van artikel 137c en 137d Sr?

Bij deze beoordeling stelt de rechtbank het volgende voorop. Gelet op de Memorie van Toelichting bij de implementatie van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie uit 1966 (IVUR), moet het begrip ‘ras’ worden uitgelegd naar de kennelijke strekking van artikel 1 IVUR. In artikel 1, eerste lid, IVUR wordt onder ‘rassendiscriminatie’ verstaan elke vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur op grond van ‘ras’, ‘huidskleur’, ‘afkomst’ of ‘nationale of etnische afstamming’.

Met ‘afkomst’ en ‘nationale of etnische afstamming’ wordt gedoeld op personen die behoren tot een volkenkundig te onderscheiden groep, die een binding hebben met een nationale staat of grondgebied omdat zij afkomstig zijn uit eenzelfde land of streek en (een) gemeenschappelijke geschiedenis, cultuur, taal en/of tradities hebben.

De ten laste gelegde uitlating behelst de term ‘Armeniërs’. Dit zijn personen met de Armeense nationaliteit en etnisch Armenen, zijnde mensen die behoren tot een volkenkundig te onderscheiden groep zoals hierboven uiteengezet. Naar het oordeel van de rechtbank verwijst de door verdachte gebruikte term ‘Armeniërs’ naar de in het IVUR opgenomen kenmerken ‘afkomst’, ‘nationale afstamming’ en ‘etnische afstamming’ en is derhalve sprake van een ‘ras’ in de zin van artikelen 137c en 137d Sr.

Met betrekking tot het standpunt van de verdediging dat verdachte zijn uitlating slechts heeft gericht tegen Armeniërs in Nagorno Karabach en niet tegen alle Armeniërs overweegt de rechtbank als volgt. Deze specifieke bedoeling van verdachte volgt niet uit en staat te veraf van de door verdachte gebezigde bewoordingen (“de Armeniërs) en vindt ook overigens geen steun in onderhavig dossier. Op basis van hetgeen hiervoor is uiteengezet is de rechtbank van oordeel dat de bewoordingen van verdachte niet anders kunnen worden opgevat dan gericht tegen alle Armeniërs. De rechtbank verwerpt het standpunt van de verdediging.

4.4.3

Ziet de uitlating op ‘godsdienst’ in de zin van artikel 137c en 137d Sr?

Nu de uitlating ‘Karabach zal het graf van de Armeniërs worden’ geen betrekking heeft op een godsdienst waarin een bovennatuurlijke macht centraal staat, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een uitlating die betrekking heeft op godsdienst in de zin van deze artikelen.

4.4.4

Het primair tenlastegelegde

Zoals hierboven reeds uiteengezet, is het op grond van artikel 137d Sr onder meer strafbaar om in het openbaar, mondeling aan te zetten tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras of hun godsdienst.

Aanzetten tot

Onder aanzetten tot moet worden begrepen: anderen trachten te bewegen tot iets ongeoorloofds. De strekking van de uiting is daarbij doorslaggevend. Of de uiting ook daadwerkelijk tot een gedraging waartoe is aangezet heeft geleid, is daarbij niet relevant. In de delictshandeling “aanzetten” ligt de opzet besloten. Verdachte heeft in dit verband opgemerkt dat het zijn intentie was om met zijn uitlating de bezetter in Nagorno Karabach te waarschuwen dit grondgebied te verlaten. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring van verdachte geen steun vindt in de bewijsmiddelen en ook de letterlijke tekst van de uitlating geen ruimte laat voor een dergelijke uitleg.

- Haat

Haat is een extreme emotie van diepe afkeer en vijandigheid. Voor het aanzetten tot haat moet sprake zijn van een krachtenversterkend element, waarbij partijen tegenover elkaar worden gezet en waarbij anderen worden opgehitst of opgeroepen om iets te doen. Hoewel verdachte met zijn uitlating, zeker nu aan deze uitlating een aantal gedichten die aan het conflict in Nagorno Karabach refereren zijn voorafgegaan, twee partijen, te weten de Armeniërs en de Turken/Azeri, op ongenuanceerde wijze lijnrecht tegenover elkaar plaatst, is niet onaannemelijk dat, ten gevolge van het reeds jarenlang bestaande conflict tussen de Armeniërs en de Turken/Azeri om het grondgebied van Nagorno Karabach, partijen al decennia lang haatgevoelens koesteren jegens de andere partij en dat haat reeds een bestaand element is. Reeds om voornoemde reden kan niet worden gezegd dat verdachte met zijn uitlating anderen heeft aangezet tot haat en zal de rechtbank verdachte van dit bestanddeel vrijspreken.

- Discriminatie

Discriminatie behelst volgens artikel 90quater Sr: “elke vorm van onderscheid, elke uitsluiting, beperking of voorkeur, die ten doel heeft of ten gevolge kan hebben dat de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt teniet gedaan of aangetast”.

In het algemeen gesteld is in strafrechtelijke zin sprake van discriminatie wanneer deze inhoudt een ongelijke behandeling, welke haar grond of motief vindt in een persoonlijke status waardoor personen of groepen van personen van elkaar worden onderscheiden. Dergelijk onderscheid ziet veelal op een aantasting van een voor een ieder gelijk recht.

Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijke aantasting in onderhavige zaak geen sprake en valt de uitlating van verdachte derhalve niet binnen de reikwijdte van het begrip discriminatie. De rechtbank zal verdachte van dit bestanddeel vrijspreken.

- Gewelddadig optreden

Zoals hiervoor reeds uiteengezet heeft verdachte de ten laste gelegde woorden geuit tijdens een demonstratie die door duizenden mensen werd bijgewoond en waar eveneens diverse audiovisuele mediadiensten bij aanwezig waren, vanaf een podium en met gebruik van een microfoon. Op de ter terechtzitting getoonde beelden heeft de rechtbank waargenomen dat verdachte bij herhaling en met stemverheffing de ten laste gelegde woorden heeft geroepen naar de demonstranten. Hij heeft die woorden aldus gescandeerd en heeft de demonstranten opgejut, daar zij een gedeelte van zijn woorden hebben herhaald. Verdachtes uitlating bevat een duidelijke verwijzing naar de dood. De strekking van de uitlating is naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar gewelddadig. Het standpunt van de verdediging dat sprake is van een vreedzame oproep aan de Armeniërs tot vertrek uit Karabach wordt naar het oordeel van de rechtbank weerlegd, niet alleen door de feitelijke bewoordingen van verdachte die geen enkele verwijzing naar een geografische verplaatsing van de Armeniërs behelzen, maar ook door de intensiteit waarmee en de toon waarop deze woorden door verdachte zijn uitgesproken, als ook het gegeven dat verdachte zijn woorden bij herhaling door de menigte liet naschreeuwen. Dat, nadat verdachte zijn woorden heeft gescandeerd, een andere spreker spreekt over de inzet van democratische methoden doet niet af aan de wijze waarop verdachte zich voordien reeds heeft uitgelaten. Dat er nadien ook daadwerkelijk Armeense doden zijn gevallen in Karabach, maakt - anders dan de verdediging heeft betoogd- uiteraard niet dat daarmee het strafbare karakter aan de geuite woorden is komen te ontvallen.

De rechtbank overweegt dat onder de gegeven omstandigheden de door verdachte geuite woorden ‘Karabach zal het graf van de Armeniërs worden’ een gewelddadige lading hebben gekregen. De rechtbank acht, mede gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden en het opruiende karakter van de uitlatingen van verdachte, bewezen dat verdachte heeft aangezet tot gewelddadig optreden tegen Armeniërs.

4.4.5

Conclusie

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan.”

8. De eerste deelklacht van het middel komt op tegen de bewezenverklaring van het onderdeel “heeft aangezet tot gewelddadig optreden tegen personen van Armeense afkomst wegens hun ras”. Verdachte had geen opzet op het bewezenverklaarde, aangezien uit de bewezenverklaarde uitlatingen niet volgt dat hij heeft aangezet tot gewelddadig optreden tegen Armeniërs vanwege hun ras. Hij zou slechts hebben geageerd tegen personen die een bepaald gedeelte van Azerbeidzjan bezet houden, aldus het middel.

9. Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. De bewezenverklaring is toegespitst op art. 137d Sr dat – onder meer – het aanzetten tot gewelddadig optreden tegen personen wegens hun ras verbiedt. Art. 137d, eerste lid, Sr luidde ten tijde van het tenlastegelegde2 als volgt:

“1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”

10. “Aanzetten tot” dient te worden opgevat als het iemand (trachten) te bewegen in een bepaalde (mentale) richting te gaan.3 In het bestanddeel ‘aanzetten tot’ ligt het opzetvereiste van het artikel besloten, waaronder ook voorwaardelijk opzet is begrepen. In een geval als het onderhavige dient het opzet te zijn gericht op het door de uiting potentieel bewerkstelligen van gewelddadig optreden tegen mensen vanwege hun ras.4 In tegenstelling tot art. 137c Sr – dat de daadwerkelijke inbreuk op de rechten van een bepaalde groep mensen strafbaar stelt – doet art. 137d Sr dat ook waar het een dreigende schending van de rechten van personen betreft. Voor strafbaarheid op grond van dit artikel hoeft de tot geweld aangezette persoon dus ook niet tot gewelddadig gedrag te zijn overgegaan.5 Uit de wetsgeschiedenis blijkt voorts dat bij de toepassing van dit artikel ook is gedacht aan een agitatie gericht op effecten in het buitenland.6 Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens het aanzetten tot – onder meer – gewelddadig optreden in de zin van voormelde wettelijke bepalingen dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan.7 De invulling van het bestanddeel ‘ras’ wordt ontleend aan de in art. 1, eerste lid, Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie uit 1966 (hierna: IVUR) opgegeven opsomming, waarin naast ras ook wordt genoemd: huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming.8 Die laatste kenmerken dienen als indicatie dat het kernbegrip “ras” ruim moet worden opgevat.9 Gewelddadig optreden omvat vele soorten gedragingen die – indien daadwerkelijk gepleegd – delicten van velerlei snit opleveren, zoals mishandeling, vernieling en openlijke geweldpleging.10

11. Het middel klaagt dat het hof de bewezenverklaring van: “heeft aangezet tot gewelddadig gedrag tegen personen van Armeense afkomst wegens hun ras” onvoldoende met redenen heeft omkleed. Gezien het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank, heeft zij de bestanddelen van art. 137d Sr afzonderlijk besproken en vervolgens bewezenverklaard dat de verdachte in het openbaar, te weten tijdens een openbare demonstratie op de openbare weg, het Rembrandtveldt gelegen aan de Rembrandtlaan, mondeling, als spreker tijdens die demonstratie ten overstaan van publiek, heeft aangezet tot gewelddadig optreden tegen personen van Armeense afkomst wegens hun ras, immers heeft hij, verdachte, toen en daar gescandeerd de woorden “Karabağ Ermeniye mezar olacak” (vertaald in het Nederlands: Karabach zal het graf van de Armeniërs worden).

12. Ten aanzien van “aanzetten tot” heeft de rechtbank in haar door het hof bevestigde vonnis overwogen dat daaronder moet worden begrepen het trachten anderen te bewegen tot iets ongeoorloofds – waarin het opzet ligt besloten – en dat de strekking van de uiting doorslaggevend is voor de vraag of deze uiting een “aanzetten tot” behelst. De verklaring van de verdachte dat hij met zijn uitlating slechts de bezetter in Nagorno Karabach heeft willen waarschuwen dit grondgebied te verlaten, vindt volgens de rechtbank in zijn door het hof bevestigde oordeel geen steun in de bewijsmiddelen, noch laat de letterlijke tekst van de uitlating ruimte voor een dergelijke uitleg. Gezien hetgeen ik onder randnummer 10 heb vooropgesteld, geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, noch acht ik het onbegrijpelijk. Bij dit laatste neem ik mede in aanmerking dat de rechtbank in haar inleiding op haar beoordeling van het bewijs heeft overwogen dat voorafgaand en gedurende de demonstratie een militaire muziekband gekleed in traditionele Ottomaanse klederdracht muziek speelde, waaronder een drietal marsen.

13. Het begrip “ras” dient volgens de rechtbank in haar door het hof bevestigde vonnis te worden uitgelegd naar de kennelijke strekking van art 1 IVUR, zoals ook ik reeds vooropstelde. Daaromtrent stelt de rechtbank vast dat de tenlastegelegde uitlating de term “Armeniërs” behelst. Armeniërs zijn volgens de rechtbank personen met een Armeense nationaliteit en etniciteit, die behoren tot een volkenkundig te onderscheiden groep. De door de verdachte gebruikte term “Armeniërs” verwijst volgens de rechtbank dan ook naar de in de IVUR opgenomen kenmerken “afkomst”, “nationale afkomst” en “etnische afstamming” waardoor sprake is van “ras” in de zin van art. (137c en) 137d Sr. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk.

14. Ten aanzien van het “gewelddadig optreden” overweegt de rechtbank in haar door het hof bevestigde vonnis onder meer dat verdachtes uitlatingen een duidelijke verwijzing naar de dood bevatten die onmiskenbaar kan worden aangemerkt als gewelddadig. De uitlating “Karabach zal het graf van de Armeniërs worden” heeft volgens de rechtbank ook door de omstandigheden waaronder deze werd gedaan een gewelddadige lading gekregen, te weten door de intensiteit waarmee en de toon waarop deze woorden door de verdachte zijn uitgesproken en door het gegeven dat de verdachte zijn woorden bij herhaling door de menigte liet naschreeuwen. Dat de verdachte de Armeniërs vreedzaam zou hebben opgeroepen om uit Karabach te vertrekken, volgt volgens de rechtbank (onder meer) niet uit zijn feitelijke bewoordingen en ook uit de intensiteit waarmee en de toon waarop de verdachte deze woorden heeft uitgesproken, biedt geen grond voor die stelling. Ook dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk.

15. Resumerend heeft de rechtbank in haar door het hof bevestigde oordeel vastgesteld dat door het opruiende karakter en de feitelijke uitlatingen van de verdachte de woorden “Karabach zal het graf van de Armeniërs worden” een gewelddadige lading hebben gekregen. Door deze uitlating, mede bezien in de context waarin die is gedaan en de strekking daarvan, heeft de verdachte volgens de rechtbank aangezet om personen geweld aan te doen vanwege hun (Armeense) ras. Dat oordeel, dat is verweven met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, geeft m.i. niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

16. De tweede deelklacht houdt in dat het hof niet begrijpelijk heeft verworpen het namens de verdachte ter terechtzitting naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte met zijn uitlatingen (‘Karabach zal het graf van de Armeniërs worden”) niet heeft gedoeld op ‘de’ Armenen vanwege hun ras, maar op de bezetting van Nagorno Karabach.

17. Gezien het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 17 oktober 2018 is namens de verdachte het volgende aangevoerd:

“(…)

De raadsman voert het woord ter verdediging

Ik bepleit integrale vrijspraak. De verweten uitlatingen moeten objectief worden beoordeeld. Bij de objectieve toehoorder kan niet de indruk zijn ontstaan dat geweld tegen alle Armeniërs moest worden aangewend.

Ten eerste valt op dat in de gedane aangiften geen melding wordt gemaakt van deze specifieke in de tenlastelegging vermelde uitlatingen. Ook blijkt uit die aangiften niet dat de aangevers in angst zouden leven als gevolg van de door verdachte gedane uitlatingen.

Verder is het zo dat verdachte alleen heeft bedoeld te ageren tegen de bezetter van de regio Karabach en niet tegen alle Armeniërs wegens hun ras. Door daaraan de uitleg te geven dat verdachte met zijn uitlatingen heeft bedoeld te zeggen dat alle Armeniërs moeten worden omgebracht, is onterecht sprake van een extensieve interpretatie van zijn woorden. Een dergelijke interpretatie kan, naar mijn mening, in het strafrecht niet aan de orde zijn en kan evenmin leiden tot een bewezenverklaring omdat er geen (objectieve) steun in het dossier voor aanwezig is.”

18. Ten aanzien van dit door de raadsman gevoerde verweer heeft het hof voorts het volgende overwogen:

Ter zitting van het hof gevoerde verweren

De raadsman heeft ter zitting van het hof integrale vrijspraak bepleit.

Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verweten uitlatingen objectief moeten worden beoordeeld. Ten eerste valt op dat in de gedane aangiften geen melding wordt gemaakt van deze specifieke in de tenlastelegging vermelde uitlatingen. Ook blijkt uit die aangiften niet dat de aangevers in angst zouden leven als gevolg van de door verdachte gedane uitlatingen. Verder is het volgens de raadsman zo dat verdachte heeft bedoeld te ageren tegen de bezetter van de regio Karabach en niet tegen alle Armeniërs wegens hun ras. Door daaraan de uitleg te geven dat verdachte met zijn uitlatingen heeft bedoeld te zeggen dat alle Armeniërs moeten worden omgebracht, is onterecht sprake van een extensieve interpretatie van zijn woorden, aldus de raadsman. Een dergelijke interpretatie kan, naar de mening van de raadsman, in het strafrecht niet aan de orde zijn en kan evenmin leiden tot een bewezenverklaring omdat er geen (objectieve) steun in het dossier voor aanwezig is.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Verdachte trad als spreker op tijdens een demonstratie die gericht was tegen het monument ter nagedachtenis van de Armeense genocide op het terrein van de Armeense Kerk te Almelo. Het doel waarvoor de demonstratie was aangevraagd en georganiseerd, was dus niet dat er zou worden geprotesteerd tegen de bezetting van het gebied Karabach in Azerbeidzjan. De demonstratie had duidelijk een andere reden en context. Verdachte heeft zijn uitlatingen Karabach zal het graf van de Armeniërs worden”, eigener beweging en op een door hem zelf gekozen moment gedaan zonder dat daarvoor een directe aanleiding was. Dat zijn uitlatingen anders moeten worden uitgelegd dan gericht tegen de Armeniërs, is een uitleg van de raadsman die geen steun vindt in de feiten. Dat verdachte met zijn uitlatingen uitsluitend zou hebben bedoeld te ageren tegen de bezetting van Karabach en dat zijn uitlatingen aldus moeten worden begrepen, heeft verdachte zelf niet met zoveel woorden verklaard. Ook anderszins is niet gebleken of aannemelijk geworden dat verdachte zijn uitlatingen exclusief adresseerde aan de bezetter van Karabach. De stelling van de raadsman dat verdachte niet sprak over de Armeniërs, maar over de bezetter, vindt geen steun in het dossier.

Verdachte heeft ter zitting van het hof overigens aangevoerd dat het publiek het initiatief heeft genomen tot het scanderen van de tenlastegelegde woorden en dat hij is meegegaan met het publiek bij het herhalen van die tenlastegelegde bewoordingen.

Uit de ter zitting van het hof getoonde beeld- en geluidsopnamen van het optreden van verdachte tijdens de bijeenkomst in Almelo, is door het hof waargenomen dat verdachte als eerste de woorden “Karabach zal het graf van de Armeniërs worden” in de Turkse taal uitsprak en dat het publiek die woorden vervolgens herhaalde waarop verdachte met gebalde vuist en met stemverheffing dezelfde tekst nogmaals scandeerde en het publiek daar weer op reageerde. Er was daarbij naar het oordeel van het hof sprake van een gezochte en opzwepende interactie door verdachte met het in grote getale aanwezige publiek dat ‘slechts’ was samengekomen om te protesteren tegen het monument tegen de genocide in Armenië.

De gevoerde verweren worden aldus verworpen.”

19. Bij de beoordeling van de klacht stel ik het volgende voorop. Indien ten overstaan van de rechter een door of namens de verdachte gevoerd standpunt dat duidelijk door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie naar voren is gebracht, dient de rechter, als hij van dit standpunt afwijkt, in het bijzonder de redenen hiertoe op te geven. Bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is de rechter echter niet gehouden op ieder detail van de argumentatie in te gaan.11 De interpretatie van dat verweer is voorts een kwestie van feitelijke aard en geschiedt door de feitenrechter. In cassatie kan dat oordeel dan ook slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.

20. In de toelichting op het middel wordt uitvoerig ingegaan op ’s hofs verwerping van voornoemd standpunt. Veel van de door de steller van het middel in dit kader aangedragen argumenten zien echter op de vrije selectie en waardering van het bewijs door de feitenrechter waarvoor hij in beginsel geen verantwoording hoeft af te leggen. De klachten die daarop zien laat ik dan ook onbesproken. Voorts merk ik op dat voor zover de steller klaagt over de door de feitenrechter op grond van de in de bewijsvoering vervatte feiten en omstandigheden getrokken conclusies van feitelijke aard, die conclusies – in tegenstelling tot hetgeen het middel lijkt te veronderstellen – slechts op hun begrijpelijkheid kunnen worden getoetst.12

21. Ter terechtzitting van het hof is door de raadsman aangevoerd dat de verdachte niet heeft bedoeld te ageren tegen personen van Armeense afkomst wegens hun ras, maar tegen personen die een gedeelte van Azerbeidzjan, te weten Nagorno-Karabach, bezet houden. Van opzet op het aanzetten tot gewelddadig optreden tegen personen vanwege hun ras, is dan ook geen sprake. Door daaraan de uitleg te geven dat de verdachte met zijn uitlatingen heeft bedoeld te zeggen dat alle Armeniërs moeten worden omgebracht, is volgens het middel onterecht sprake van een extensieve interpretatie van zijn woorden, waarvoor ook geen steun aanwezig is in het dossier. De steller van het middel klaagt dat noch uit het vonnis, noch uit het arrest een afdoende motivering bevat waarom die extensieve interpretatie uit de bewijsmiddelen volgt.

22. Het hof heeft hieromtrent onder meer het volgende overwogen. Het hof stelt vast dat de demonstratie gericht was tegen het monument ter nagedachtenis aan de Armeense genocide op het terrein van de Armeense kerk te Almelo. De demonstratie was ook met dat doel aangevraagd en georganiseerd en niet om te protesteren tegen de bezetting van Karabach in Azerbeidzjan. De tenlastegelegde uiting “Karabach zal het graf van de Armeniërs worden” heeft de verdachte uit eigener beweging en op een door hem zelf gekozen moment gedaan zonder dat daarvoor een directe aanleiding was. Dat hij daarmee niet op de Armeniërs doelde en dat hij slechts bedoelde te ageren tegen de bezetting en de bezetters in Karabach vindt volgens het hof geen steun in de feiten of in het dossier. Ten aanzien van dat laatste overweegt het hof dat de verdachte iets dergelijks ook niet heeft verklaard en dat ook anderszins niet is gebleken of aannemelijk is geworden dat de verdachte slechts de bedoeling had om te ageren tegen de bezetter van Karabach. Daarmee heeft het hof het namens de verdachte aangevoerde verweer niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd verworpen.

23. Voor zover het middel klaagt dat de bewijsvoering tegenstrijdig is (geworden) doordat uit het door het hof bevestigde vonnis (onderdeel 4.1) zou blijken dat de menigte “slechts” “Karabach is Turks, zal Turks blijven” heeft nageroepen en niet de door de verdachte geuite woorden “Karabach zal het graf van de Armeniërs worden” heeft herhaald waardoor de verdachte niet opruiend zou hebben gehandeld, is het gebaseerd op een onjuiste lezing van het bevestigde vonnis en het arrest. In het bevestigde vonnis wordt onder punt 4.1 immers vastgesteld dat de demonstranten (niet: ‘slechts’) de woorden ‘Karabach is Turks, zal Turks blijven’ hebben herhaald. In het arrest voegt het hof daaraan toe dat het ter terechtzitting in hoger beroep de beelden van de demonstratie heeft bekeken en dat het hof heeft waargenomen dat de verdachte de woorden “Karabach zal het graf van de Armeniërs worden” als eerste uitsprak en dat het publiek deze woorden herhaalde. Het hof heeft deze eigen waarneming voor het bewijs gebruikt en bewijsmiddel 7 van de rechtbank niet overgenomen.

24. Ook de tweede deelklacht faalt.

25. Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 RO ontleende motivering.

26. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 De rechtbank overweegt hieromtrent dat zij zal spreken over “de kwestie van de Armeense genocide”, maar merkt nadrukkelijk op dat het geenszins de bedoeling is met die keuze voor deze terminologie een oordeel te geven of een standpunt in te nemen. Zie het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank van 17 maart 2017, p. 2.

2 Art. 137d Sr is op 1 januari 2020 gewijzigd (Stb. 2019, 311), maar slechts wat betreft de strafbedreiging.

3 Zie: A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Wolters Kluwer: Deventer 2019, p. 246.

4 Zie: A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Wolters Kluwer: Deventer 2019, p. 263.

5 Zie de aan HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:510, voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld (ECLI:NL:PHR:2015:2745) onder punt 15.

6 Zie: Kamerstukken II 1967-1968, 9724, nr. 3, p. 5.

7 Zie: HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583, r.o. 4.4.3. Zie ook HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:510, r.o. 4.3.

8 Zie: HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:510, r.o. 3.4. Zie ook Kamerstukken II 1967 – 1968, 9724, nr,. 3, p. 4.

9 Zie J.W. Fokkens in Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 137c Sr, aant. 3 (online bijgewerkt tot 1 augustus 2019).

10 Zie: A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Wolters Kluwer: Deventer 2019, p. 258.

11 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma (rov. 3.8.4).

12 Zie: HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3189, r.o. 3 en HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530.