Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:361

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
19/04983
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1027
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag tegen onder derde gelegd art. 94 Sv beslag op een hond. De AG stelt zich op het standpunt dat het oordeel van de rechtbank dat niet klaagster maar de bewaarster van de hond redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, in het licht van hetgeen is aangevoerd door klaagster, niet zonder meer begrijpelijk is en geeft de Hoge Raad in overweging de beschikking te vernietigen en terug te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04983 B

Zitting 14 april 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klaagster],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944,

hierna: de klaagster.

1 Inleiding

1.1.

De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 20 augustus 2019 het klaagschrift van de klaagster ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het onder een ander gelegd beslag en teruggave van een in beslag genomen hond, ongegrond verklaard.

1.2.

Het gaat in deze beklagprocedure kort gezegd om een Maltezer Leeuwtje genaamd [naam]. De hond is in beslag genomen onder [beslagene] (hierna: beslagene). De betreffende strafzaak is inmiddels geseponeerd. Het klaagschrift is ingediend door [klaagster] (hierna: klaagster). De hond is door de officier van justitie in bewaring gegeven bij [bewaarster], de dochter van klaagster (hierna: bewaarster).1 Beslagene heeft tijdens de raadkamerbehandeling aangegeven dat hij of zij de hond niet terug wil. Klaagster heeft tijdens de raadkamerbehandeling onderbouwd dat en waarom zij en niet de bewaarster de rechtmatige eigenaar is van de hond. Ook de officier van justitie heeft geconcludeerd tot teruggave aan de hond aan klaagster. De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat bewaarster en niet klaagster redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt. Het cassatieberoep is tegen dit oordeel gericht.

1.3.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. L.C.J. Sars, advocaat te Helmond, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

2.1.

Het middel bevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte het klaagschrift2 van klaagster ongegrond heeft verklaard op de grond dat zij niet redelijkerwijze als rechthebbende kan worden aangemerkt.

2.2.

De kern van de klacht is dat de rechtbank, ondanks hetgeen ter zitting is aangevoerd en gebleken, niet zonder meer begrijpelijk tot het oordeel is gekomen dat niet klaagster, maar een ander redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt.

2.3.

Het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 6 augustus 2019 houdt, voor zover van belang, in:

“(…)

De beslagene/belanghebbende [beslagene] voert aan:

Ik wil de hond niet terug, omdat hij aan klaagster toebehoort.

De raadsman voert aan:

Mijn cliënt is de eigenaresse van deze hond, hetgeen zij heeft onderbouwd met stukken. De dochter van cliënt, [bewaarster], had de hond weliswaar in bezit, maar dat is geen bezit in de zin van eigendom. Er heeft immers nooit een overdracht van het bezit plaatsgevonden. [bewaarster] had de hond tijdelijk als houder onder zich. Op dit moment loopt ook nog een civiele procedure over het eigendom van deze hond.

Klaagster voert aan:

Ik heb de hond meegenomen. Op 6 september 2019 zal de civiele zaak ter zitting worden behandeld.

De raadsman voert aan:

Mijn cliënt heeft bewijsstukken overgelegd, waaronder een bankafschrift van de aankoop van deze hond en het bijbehorende hondenpaspoort.

Klaagster voert aan:

Ik kocht destijds een zieke hond en heb kosten gemaakt bij de dierenarts. Mijn dochter, [bewaarster], heeft de hond ontvreemd.

De raadsman voert aan:

Cliënt is redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken en niet de dochter, alwaar de hond in bezit was. De kleindochter van cliënt, de dochter van [bewaarster], kan bevestigen dat de hond van haar oma is.

De raadsman legt een verklaring over van [betrokkene 1], welke aan dit proces-verbaal zal worden gehecht.

Klaagster voert aan:

Door mijn oudste zoon werd een onjuiste verklaring afgelegd. Er zijn helemaal geen afspraken gemaakt. Mijn dochter, [bewaarster], zorgde voor mijn hond op de momenten dat ik moest werken.

De officier van justitie:

Er is voldoende gebleken dat klaagster de eigenaresse is van deze hond en dat [bewaarster] op de hond mocht passen. Klaagster kan redelijkerwijs als rechthebbende worden aangemerkt en de hond kan derhalve aan haar worden teruggegeven.

De rechter sluit het onderzoek en bepaalt uitspraak te zullen doen op 20 augustus 2019.”

2.4.

De bestreden beschikking houdt in:

Inleiding

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het op 22 december 2018 door de politie Oost- Brabant onder [beslagene] gelegde beslag op

• een hond van het ras Maltezer Leeuwtje ([naam]),

en teruggave hiervan aan klaagster.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de betrekkelijke stukken.

Het klaagschrift is op 6 augustus 2019 in openbare raadkamer behandeld.

Ter zitting van de openbare raadkamer is klaagster verschenen met haar raadsman, mr. L.C.J. Sars.

De raadsman heeft zich ter zitting van de openbare raadkamer op het standpunt gesteld dat het beslag dient te worden opgeheven en de hond dient te worden teruggegeven aan klaagster, nu zij de eigenaresse van de hond is, dit kan aantonen met bewijsstukken (bankafschrift en hondenpaspoort) en [bewaarster] slechts tijdelijk als houder de hond onder zich had.

De officier van justitie heeft zich ter zitting van de openbare raadkamer op het standpunt gesteld dat onderhavig klaagschrift gegrond dient te worden verklaard, nu de strafzaak tegen klaagster inmiddels werd geseponeerd en klaagster redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De beoordeling

Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen twee jaren na de inbeslagneming.

De rechter is van oordeel dat het belang van strafvordering zich op dit moment weliswaar niet meer verzet tegen teruggave van de inbeslaggenomen hond, maar zal het klaagschrift desondanks ongegrond verklaren, nu klaagster niet redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat voornoemde hond al een langere tijd bij [bewaarster] verbleef, door haar werd verzorgd en derhalve voornoemde [bewaarster] redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Het feit dat klaagster destijds de hond heeft gekocht en kosten heeft moeten maken voor behandelingen bij de dierenarts, doet daar niets aan af.

DE BESLISSING

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond.”

2.5.

Het gaat in onderhavige zaak om een klaagschrift van een ander dan de beslagene ten aanzien van een op grond van art. 94 Sv gelegd beslag. De beklagrechter dient in een dergelijk geval te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en, zo nee, of de klager die stelt rechthebbende te zijn, inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende op het in beslag genomene kan worden aangemerkt.3 De rechtbank heeft dan ook de juiste toetsingsmaatstaf aangelegd. De vraag is echter, of het oordeel van de rechtbank, in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, zonder meer begrijpelijk is.

2.5.3.

Uit het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling kan het volgende worden afgeleid:

- De beslagene heeft aangegeven dat hij de hond niet terug wil, omdat deze aan klaagster toebehoort.

- Klaagster heeft aangevoerd dat zij eigenaar is van de hond, waarbij zij een bankafschrift van de aankoop en het hondenpaspoort van de hond heeft overlegd.

- Ook heeft klaagster aangevoerd dat bewaarster, haar dochter, zorgde voor de hond op de momenten dat klaagster moest werken, maar dat zij de hond op een gegeven moment niet meer wilde teruggeven.

- Verder is een schriftelijk stuk van de kleindochter van klaagster, tevens dochter van bewaarster, overlegd waarin de kleindochter kort gezegd verklaart dat de hond altijd van klaagster is geweest en dat bewaarster slechts op de hond paste als klaagster ging werken.

- Volgens de officier van justitie was voldoende gebleken dat klaagster de eigenaresse is van deze hond en dat bewaarster op de hond mocht passen, zodat klaagster redelijkerwijs als rechthebbende kon worden aangemerkt en de hond derhalve aan haar kon worden teruggegeven.

2.6.

Hoewel ik mij bewust ben van de beperkte ruimte in cassatie om het feitelijke oordeel van de rechtbank dat klaagster niet redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt te toetsen, schiet haar motivering van dit oordeel mijns inziens tekort. De redenering van de rechtbank dat de hond al een langere tijd bij bewaarster verbleef, door haar werd verzorgd en derhalve zij als rechthebbende kan worden aangemerkt, snijdt in de eerste plaats juridisch geen hout en doet mijns inziens ook geen recht aan het door klaagster geschetste scenario dat de bewaarster slechts op de hond paste als zij werkte en dat zij geen recht had de hond te behouden. Dat de officier van justitie kennelijk op enig moment, nog in afwachting van een beslissing in de strafzaak, van oordeel was dat bewaarster redelijkerwijs als rechthebbende moest worden aangemerkt en daarom de voorlopige teruggave heeft gelast aan bewaarster, geeft bewaarster evenmin een eigendomsrecht op de hond. Bovendien is de officier van justitie op zijn of haar eerdere standpunt tijdens de raadkamerbehandeling teruggekomen. Daar komt nog bij dat de beslagene eveneens tijdens de raadkamerbehandeling heeft verklaard dat de hond aan klaagster toebehoort. Waarom de rechtbank het scenario van klaagster als onaannemelijk terzijde heeft geschoven valt in de beschikking evenmin te lezen. De enkele overweging van de rechtbank dat het feit dat klaagster destijds de hond heeft gekocht en kosten heeft moeten maken voor behandelingen bij de dierenarts er niets aan af doet, dat de bewaarster redelijkerwijs als rechthebbende dient te worden aangemerkt is daarvoor naar mijn oordeel niet toereikend.

2.7.

Het oordeel van de rechtbank dat klaagster niet redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt is, in het licht van hetgeen is aangevoerd door en namens klaagster, niet zonder meer begrijpelijk.

2.8.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Conclusie

3.1.

Het middel slaagt.

3.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

3.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Waarschijnlijk gaat het om een voorlopige teruggave op grond van art. 116 lid 4 Sv, omdat de officier van justitie kennelijk op dat moment van oordeel was dat de bewaarder redelijkerwijs als rechthebbende moest worden aangemerkt.

2 Zowel rechtbank als steller van het middel hanteren de terminologie ‘bezwaarschrift’, kennelijk wordt bedoeld een klaagschrift in de zin van art. 552a Sv.

3 Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.8 en 2.11.