Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:326

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-04-2020
Datum publicatie
29-04-2020
Zaaknummer
19/02555
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1268, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Verzekeringsrecht. Arbeidsongeschiktheidsverzekering. Uitleg polisvoorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0330
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02555

Zitting 3 april 2020

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[eiser]

(hierna: [eiser]),

eiser tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Weerden

tegen

Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V., rechtsopvolgster van Delta Lloyd Schadeverzekering N.V.

(hierna: Delta Lloyd),

verweerster in cassatie,

advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel.

In deze zaak vordert een verzekerde in een arbeidsongeschiktheidsverzekering uitkering van de verzekeringsmaatschappij nadat bij hem verschillende gezondheidsklachten zijn ontstaan, waaronder vermoeidheid. De verzekering keert volgens de voorwaarden uit bij een in relatie tot ziekte of ongeval objectief medisch vast te stellen stoornis die het functioneren beperkt. De verzekeringsmaatschappij besluit eerst dat hiervan geen sprake is, maar na informatie van de huisarts van verzekerde te hebben gekregen waarin de ziekte van Lyme als oorzaak wordt genoemd, wordt wel uitgekeerd. Daarbij wordt een voorbehoud gemaakt met het oog op de door de huisarts beloofde, maar nog niet ontvangen informatie van specialisten. Nadien vindt nog nader onderzoek plaats en beëindigt de verzekeringsmaatschappij uiteindelijk de uitkering. Zij stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van medisch aantoonbare afwijkingen door ziekte of ongeval. Verzekerde klaagt in cassatie over het oordeel van het hof dat de verzekeringsmaatschappij op haar eerdere erkenning en uitkering mocht terugkomen en over het oordeel dat hij onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die de conclusie kunnen dragen dat zijn klachten in relatie staan tot een objectief medisch te diagnosticeren persisterende ziekte van Lyme dan wel chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS/ME). Volgens het middel had bij dit laatste oordeel nader op door verzekerde overgelegde medische verklaringen moeten worden ingegaan. Ook zou het hof onvoldoende aandacht hebben besteed aan zijn kritiek op de medische rapportages die op verzoek van de verzekeringsmaatschappij zijn gemaakt.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten1:

(i) Met ingang van 4 oktober 2007 is tussen Delta Lloyd als verzekeraar en [A] V.O.F. als verzekeringnemer een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten, waarbij [eiser] is aangemerkt als verzekerde.

(ii) De polis d.d. 12 december 2007 vermeldt onder meer en voor zover van belang:

“(…)

verzekeringnemer [A] V.O.F.

(…)

Contractgegevens Ingangsdatum 04-10-2007

(…)

Voorwaarden OE 03.2.30C

(…)

Begunstigde De uitkering zal geschieden aan de verzekeringnemer.

(…)

Verzekerde [eiser]

(…)

Clausuleblad

(…)

1016

Surmenage Voor arbeidsongeschiktheid door of verband houdende met nerveuze en/of psychische aandoeningen en/of klachten, inclusief surmenage, bestaat geen recht op uitkering.”

(iii) De toepasselijke algemene voorwaarden OE 03.2.30C bevatten onder meer en voor zover van belang:

“ARTIKEL 3

OMSCHRIJVING VAN DE DEKKING VOOR HET EERSTEJAARSRISICO (RUBRIEK A)

ARTIKEL 3.1

Begrip arbeidsongeschiktheid

Van arbeidsongeschiktheid is uitsluitend sprake indien er in relatie tot ziekte of ongeval objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan waardoor verzekerde beperkt is in zijn functioneren. Arbeidsongeschiktheid wordt aanwezig geacht indien verzekerde ten gevolge van deze stoornissen voor tenminste 25% ongeschikt is tot het verrichten van de werkzaamheden verbonden aan zijn op het polisblad vermelde beroep, zoals dat voor deze beroepsbezigheden in de regel en redelijkerwijs kan worden verlangd.

ARTIKEL 4

OMSCHRIJVING VAN DE DEKKING VOOR HET NA-EERSTEJAARSRISICO (RUBRIEK B)

ARTIKEL 4.1

Begrip arbeidsongeschiktheid

Van arbeidsongeschiktheid is uitsluitend sprake indien er in relatie tot ziekte of ongeval objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan waardoor verzekerde beperkt is in zijn functioneren. Arbeidsongeschiktheid wordt aanwezig geacht indien verzekerde ten gevolge van deze stoornissen voor ten minste 25% ongeschikt is tot het verrichten van de werkzaamheden verbonden aan zijn op het polisblad vermelde beroep of bedrijf, zoals dat voor deze beroepsbezigheden in de regel en redelijkerwijs kan worden verlangd. Aanpassingen van werkzaamheden en werkomstandigheden alsmede taakverschuivingen binnen het eigen bedrijf worden daarbij betrokken.

(...)

ARTIKEL 6

SCHADE

ARTIKEL 6.1

Verplichtingen hij arbeidsongeschiktheid

1

De verzekerde is verplicht in geval van arbeidsongeschiktheid:

(...)

C

zich desgevraagd op kosten van Delta Lloyd door een door Delta Lloyd aan te

wijzen arts te doen onderzoeken en aan deze alle gewenste inlichtingen te

verstrekken, respectievelijk zich voor onderzoek te doen opnemen in een door

Delta Lloyd aan te wijzen ziekenhuis;

(...)

ARTIKEL 6.2

Vaststelling van de uitkering

De mate van arbeidsongeschiktheid, de omvang van de uitkering en de periode waarvoor deze zal gelden, worden vastgesteld door Delta Lloyd aan de hand van gegevens van door Delta Lloyd aan te wijzen medische en andere deskundigen. Van deze vaststelling zal telkens ten spoedigste na ontvangst van alle voor de beoordeling noodzakelijke gegevens aan verzekeringnemer mededeling worden gedaan.

(...)

ARTIKEL 7.3

Restitutie van premie in verband met arbeidsongeschiktheid

Zolang verzekerde een uitkering ontvangt krachtens rubriek B zal de over die periode betaalde premie voor de rubrieken A en B evenredig aan het uitkeringspercentage worden gerestitueerd. De premierestitutie vindt achteraf plaats op de hoofdpremievervaldag.”

(iv) In het aanvraagformulier van de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft [eiser] geantwoord op de vraag of hij “lijdt of heeft geleden aan aandoeningen, ziekten en/of gebreken (…)”: “de ziekte van Lyme”. Daarover heeft hij voorts gemeld dat hij tot en met oktober 2006 daarvoor onder behandeling heeft gestaan van de huisarts en dat hem daarvoor antibiotica zijn voorgeschreven.

(v) Bij schadeaangifteformulier van 1 juni 2010 heeft [eiser] zich arbeidsongeschikt gemeld bij Delta Lloyd. Daarbij heeft hij op vraag 5, “Waaruit bestaan de klachten”, geantwoord: “vermoeidheid/pijn hele lichaam/misselijkheid/migraine/spierklachten”.

(vi) Delta Lloyd heeft de aanvraag in eerste instantie bij brief van 3 augustus 2010 afgewezen. Daarbij heeft Delta Loyd aan (de tussenpersoon van) [eiser] geschreven:

“Wij vernamen van onze medische adviseur dat uit de beschikbare medische informatie blijkt dat er geen objectief vast te stellen stoornissen zijn gevonden. Dit houdt in dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polis en bestaat er geen recht op uitkering.”

(vii) Bij brief van 12 november 2010 heeft Delta Lloyd aan (de tussenpersoon van) [eiser] bericht als volgt:

“Wij hebben besloten de claim van [eiser] te erkennen en een uitkering te verlenen. Wij tekenen daarbij wel aan dat wij nog in afwachting zijn van informatie van de specialist. (...) Mocht uit deze informatie zaken naar voren komen waardoor wij alsnog een ander standpunt moeten innemen, dan laten wij u dat direct weten.”

(viii) Per 1 januari 2011 heeft Delta Lloyd de aanvankelijk volledige uitkering verlaagd naar 65-80%.

(ix) Bij email van 4 september 2011 is van de zijde van [eiser] bij Delta Lloyd geïnformeerd “naar de stand van zaken met betrekking tot het verzoek dat verzekerde 100% arbeidsongeschikt is”.

(x) Bij brief van 16 september 2011 heeft Delta Lloyd aan [eiser] geschreven als volgt:

“Uw verzekeringsadviseur heeft op 10 juni 2011 een toename claim ingediend voor u. Onze medisch adviseur heeft een medisch onderzoek verricht, door het opvragen van informatie van uw behandelend specialist.

Ons standpunt

De medisch adviseur heeft ons laten weten dat op basis van de informatie van de specialist er geen aanleiding bestaat om een hoger percentage arbeidsongeschiktheid te erkennen. De medisch adviseur is van mening dat de verkregen informatie aanleiding is om geen arbeidsongeschiktheid te erkennen. Wij zijn bereid om in afwachting van verder onderzoek, waarover u later meer leest, nog 65-80% arbeidsongeschiktheid aan te houden.

Vervolgtraject

Ons medisch adviseur heeft voorgesteld een nader onderzoek te laten verrichten bij een internist infectioloog (...). Hiervoor zal u worden opgeroepen door onze medische dienst. (…)”

(xi) Het nader onderzoek is verricht door de internist-infectioloog, [betrokkene 1] (hierna ook: [betrokkene 1]), die op 9 november 2011 heeft gerapporteerd. Delta Lloyd heeft [eiser] bij brief van 8 december 2011 bericht als volgt:

“Onze medisch adviseur heeft het rapport van [hof: [betrokkene 1]] ontvangen en beoordeeld. Hij komt tot de conclusie dat voor uw klachten geen medisch aantoonbare afwijkingen door ziekte of een ongeval is gevonden. (...) Omdat u niet arbeidsongeschikt bent volgens onze polisvoorwaarden eindigt uw uitkering per vandaag.”

(xii) Delta Lloyd heeft de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan [eiser] met ingang van 9 december 2011 beëindigd.

1.2

Bij inleidende dagvaarding van 27 oktober 2015 heeft [eiser] bij de rechtbank Amsterdam gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat Delta Lloyd, ten onrechte en op onjuiste gronden, [eiser] AOV-uitkering heeft beëindigd per 9 december 2011 (dit bovendien onrechtmatig en in strijd met de (strekking van de) wet en de met eiser gesloten verzekeringsovereenkomst), alsmede te bepalen dat Delta Lloyd alsnog gehouden is [eiser] AOV-uitkering (op basis van een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80%-100%, althans een lagere klasse) te hervatten, dit met ingang van 9 december 2011 althans vanaf een in goede justitie te bepalen (latere) datum;

II. Delta Lloyd te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen de (bruto) uitkeringsgelden zoals sub I. verschuldigd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het opeisbaar worden van de periodieke uitkeringstermijnen, althans vanaf de dag dat Delta Lloyd (anderszins) met de ontbrekende betaling in verzuim is gekomen;

III. een schadestaatprocedure te bevelen, zoals in par. 24 van de dagvaarding is beschreven;

IV. te bepalen dat Delta Lloyd gehouden is – nu [eiser] vanaf 9 december 2011 terecht aanspraak maakt op een (volledige) AOV-uitkering – om over te gaan tot (navenante) premierestitutie over het tijdvak van 9 december 2011 tot aan de dag dat Delta Lloyd uit eigener beweging erkent dat voor [eiser] premievrijstelling geldt volgens de polis (art. 7.3 voorwaarden), alsmede Delta Lloyd tot dienovereenkomstige (terug)betaling te veroordelen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat [eiser] die premies aan Delta Lloyd heeft moeten voldoen;

V. Delta Lloyd te veroordelen in de proceskosten, inclusief de nakosten.

1.3

Delta Lloyd heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen.

1.4

Nadat bij tussenvonnis van 13 januari 2016 een comparitie van partijen was gelast, die op 1 juni 2016 heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 5 oktober 2016 de vorderingen van [eiser] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de brief van 12 november 2010 van Delta Lloyd geen onvoorwaardelijke erkenning van de claim van [eiser] inhoudt, waarvan zij niet zou kunnen terugkomen indien aan haar meer gegevens beschikbaar komen die tot een andere beoordeling nopen (rov. 4.1). Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat [eiser] niet arbeidsongeschikt is in de zin van de polis (vgl. rov. 4.2), omdat niet gezegd kan worden dat objectief medisch vaststaat dat de beperkingen van [eiser] hun oorzaak vinden in een besmetting met de ziekte van Lyme (rov. 4.4). Ten aanzien van zijn stellingen wat betreft het bij hem door de huisarts en [betrokkene 2] vastgestelde klachtenbeeld, al dan niet aan te duiden als “chronisch pijnsyndroom” dan wel “chronisch vermoeidheidssyndroom”, heeft de rechtbank overwogen dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, zodat ook die grondslag niet tot toewijzing van de vordering kan leiden (rov. 4.5).

1.5

Bij dagvaarding van 4 januari 2017 is [eiser] in hoger beroep gekomen van dit eindvonnis bij het Gerechtshof Amsterdam. Hij heeft daarbij geconcludeerd tot vernietiging van dit vonnis en, opnieuw rechtdoende, tot toewijzing van de vorderingen van [eiser] zoals in eerste aanleg ingesteld.

1.6

Delta Lloyd heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en tot afwijzing van de vorderingen van [eiser].

1.7

Bij arrest van 26 februari 20192 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het heeft daartoe overwogen dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat het Delta Lloyd onder de gegeven omstandigheden vrijstond om op basis van de aanvullende informatie en het daardoor ingegeven nader onderzoek haar aanvankelijke standpunt te herzien. Concrete feiten en omstandigheden die – indien bewezen – de conclusie kunnen dragen dat [eiser] er onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat Delta Lloyd in weerwil van het uitdrukkelijk opgenomen voorbehoud niet meer op haar in de brief van 12 november 2010 opgenomen dekkingsbeslissing zou terugkomen, zijn gesteld noch gebleken (rov. 3.4). Ook heeft het overwogen dat het beding waarin is bepaald dat de verzekeraar de mate van arbeidsongeschiktheid vaststelt aan de hand van door hem in te schakelen deskundigen in het algemeen gesteld geen oneerlijk beding is in de zin van Richtlijn 93/13 EEG (rov. 3.5). Ten slotte heeft het hof overwogen dat geen objectief medisch vast te stellen stoornis in relatie tot ziekte is vastgesteld, en [eiser] derhalve niet voldoet aan de vereisten voor het recht op uitkering (rov. 3.9). Er is immers niet vast komen te staan dat sprake is van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld (rov. 3.7 slot). Op basis van de medische rapportages heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof terecht geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat objectief medisch vaststaat dat de beperkingen van [eiser] hun oorzaak vinden in een ziekte van Lyme. De in hoger beroep overgelegde stukken brengen daarin naar het oordeel van het hof geen verandering: de eerdere medische conclusies van [betrokkene 1] en [betrokkene 3] heeft [eiser] niet weten te weerleggen. Voor zover [eiser] zich op het standpunt stelt dat bij hem sprake is van de aandoening CVS/ME met bijbehorende beperkingen als een andere toereikende medische grondslag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering, overweegt het hof dat [eiser] heeft nagelaten de door hem overgelegde medische stukken die deze conclusie zouden kunnen dragen, toe te lichten. De in het geding gebrachte stukken en brieven uit de behandelende sector bieden zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen voldoende feitelijke onderbouwing van de stelling dat sprake is van een objectief medisch vast te stellen stoornis die in relatie staat tot ziekte of ongeval en daarmee van een door de polis gedekte arbeidsongeschiktheid (rov. 3.8).

1.8

[eiser] heeft tegen dit arrest – tijdig3 – beroep in cassatie ingesteld. Delta Lloyd heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en haar standpunt schriftelijk toegelicht. [eiser] heeft afgezien van (verdere) schriftelijke toelichting en repliek.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

[eiser] heeft één middel van cassatie voorgesteld, dat bestaat uit twee onderdelen (in de procesinleiding aangeduid als ‘klachten’). Het tweede onderdeel is op zijn beurt verdeeld in drie subonderdelen (A, B en C).

Het door Delta Lloyd gemaakte voorbehoud

2.2

Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 3.4 van het bestreden arrest, welke overweging als volgt luidt:

“3.4 Met grief II betoogt [eiser] dat het Delta Lloyd, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet vrijstond om de erkenning van 12 november 2010 met bijbehorende (medische) grondslag middels haar brieven d.d. 16 september 2011 en 8 december 2011 te herroepen. Dienaangaande overweegt het hof dat Delta Lloyd in de brief van 12 november 2010 weliswaar schrijft dat zij heeft besloten de claim van [eiser] te erkennen en een uitkering te verlenen, maar zij heeft daaraan direct toegevoegd nog in afwachting te zijn van informatie van de specialist en dat zij het zal laten weten als daaruit zaken naar voren komen waardoor zij alsnog een ander standpunt moet innemen. Delta Lloyd heeft daarmee nadrukkelijk de mogelijkheid opengehouden dat zij een ander standpunt zou kunnen innemen naar aanleiding van nog te verkrijgen nadere informatie. Vervolgens hebben onderzoeken plaatsgehad en zijn specialistenberichten opgesteld op basis waarvan Delta Lloyd de uitkering aanvankelijk heeft verminderd en vervolgens met ingang van 9 december 2011 volledig heeft beëindigd. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het Delta Lloyd onder de gegeven omstandigheden vrijstond om op basis van de aanvullende informatie en het daardoor ingegeven nader onderzoek haar aanvankelijk standpunt te herzien. Zelfs als de veronderstelling van de rechtbank dat ook [eiser] de brief van 12 november 2010 aanvankelijk zo begrepen heeft als de rechtbank deze begrijpt, onjuist is, zoals [eiser] stelt, kan dit [eiser] niet baten. Beslissend is hoe [eiser] deze brief, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft mogen begrijpen. Concrete feiten en omstandigheden die – indien bewezen – de conclusie kunnen dragen dat [eiser] er onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat Delta Lloyd in weerwil van het uitdrukkelijk opgenomen voorbehoud niet meer op haar in de brief van 12 november 2010 opgenomen dekkingsbeslissing zou terugkomen, zijn gesteld noch gebleken.”

Het onderdeel klaagt dat het hof er aldus onvoldoende oog voor heeft gehad dat

a. ([eiser] heeft aangevoerd4 dat) de voorwaarde waaronder Delta Lloyd blijkens haar brief van 12 november 2010 op haar erkenning zou kunnen terugkomen, is dat uit van “de specialist” te verkrijgen informatie zaken naar voren komen waardoor Delta Lloyd alsnog een ander standpunt inneemt, en dus niet, anders dan waarvan het hof kennelijk is uitgegaan, elke nadere informatie dit terugkomen mogelijk zou maken;

b. ([eiser] heeft aangevoerd5 dat) in geen van beide specialistenbrieven6 informatie naar voren komt die heeft gemaakt dat de beoordeling – ten opzichte van wat de huisarts al op 21 oktober 2010 aan Delta Lloyd had geschreven7 – voor Delta Lloyd anders is gaan uitvallen (in de zin van de brief van Delta Lloyd van 12 november 2010). In de toelichting op het onderdeel wordt op dit punt nog vermeld dat de beoordeling die voor Delta Lloyd aanleiding vormde om de aanspraak van [eiser] te erkennen in de kern overeenkomt met de in de beide specialistenbrieven opgenomen informatie, zodat voor Delta Lloyd geen grond bestond om haar erkenning in te trekken8;

c. [eiser] wel degelijk concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld9 die, indien bewezen, de conclusie kunnen dragen dat [eiser] er onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat Delta Lloyd – in weerwil van het uitdrukkelijk opgenomen voorbehoud – niet meer op haar in de brief van 12 november 2010 opgenomen dekkingsbeslissing zou terugkomen.

In de toelichting op het onderdeel10 wordt nog vermeld dat [eiser] heeft aangevoerd11 dat het door Delta Lloyd in de brief van 12 november 2010 geformuleerde voorbehoud in tijd is ingeperkt, met de mededeling om – na beoordeling van de door de huisarts toegezegde twee specialistenbrieven – een (eventueel) ander standpunt direct te zullen laten weten. Delta Lloyd heeft hieraan volgens de toelichting niet voldaan. De toelichting12 wijst er ook nog op dat [eiser] heeft aangevoerd13 dat de (geclausuleerde) claimerkenning bij brief van 12 november 2010 bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat Delta Lloyd niet op andere gronden dan in die brief genoemd alsnog zou betwisten dat de (bekende) klachten met beperkingen van [eiser] op een ziekte/aandoening van Lyme zijn terug te voeren en dat deze (in beginsel) toereikend zijn voor AOV-polisvoorwaardedekking. De brief van 16 september 2011 is pas circa tien maanden na de (geclausuleerde) claimerkenning bij brief van 12 november 2010 verzonden, toen het genoemde vertrouwen al was ontstaan. Het hof heeft niet vastgesteld dat het door [eiser] gestelde vertrouwen niet is ontstaan noch dat dit vertrouwen niet gerechtvaardigd was, aldus de toelichting op het onderdeel.14 Ten slotte bevat de toelichting nog verschillende opmerkingen over het belang van de medewerking van [eiser] aan het nader verrichte onderzoek (en of die medewerking wel of geen afbreuk zou doen aan een eventueel aan te nemen gerechtvaardigd vertrouwen bij [eiser] als hiervoor bedoeld). Hierbij wordt onder andere gesteld dat de resultaten van dit nader onderzoek niet zouden mogen worden gebruikt voor een herbeoordeling van de dekkingsbeslissing.15

2.3

Het onderdeel is gebaseerd op de veronderstelling dat er in de kern geen (relevante) wijziging is geweest in de medische beoordelingen van artsen en specialisten tussen de versturing van de brief van 12 november 2010 en het bekend worden van nadere informatie van specialisten en/of de resultaten van nader onderzoek. Daarnaast gaat het onderdeel ervan uit dat alléén de in het onderdeel bedoelde twee specialistenbrieven zelf reden voor enige wijziging van standpunt bij Delta Lloyd mochten zijn. Beide veronderstellingen zijn mijns inziens onjuist. Het onderdeel ziet er met die eerste veronderstelling aan voorbij dat in het oordeel van het hof, kennelijk en niet onbegrijpelijk, besloten ligt (“is het hof van oordeel dat het Delta Lloyd onder de gegeven omstandigheden vrijstond om op basis van de aanvullende informatie en het daardoor ingegeven nader onderzoek haar aanvankelijk standpunt te herzien” in rov. 3.4; vergelijk hier ook rov. 3.8) dat er bij de beoordeling van de klachten van [eiser] door Delta Lloyd wel degelijk een zekere relevante ontwikkeling – voortschrijdend althans gewijzigd inzicht – is geweest op grond van nader onderzoek en nadere specialistenberichten. Op basis van de eerdere arts- en/of specialistenberichten – althans na een initieel (voorlopig) oordeel van de medisch adviseur van Delta Lloyd dat er geen sprake was van een objectief vast te stellen stoornis – bestond namelijk nog een gerede overtuiging dat deze klachten hun oorzaak vonden in een nog actieve of persisterende ziekte van Lyme, maar latere specialistenbeoordelingen hebben voor Delta Lloyd duidelijk gemaakt dat de klachten van [eiser] niet konden worden toegeschreven aan een nog actieve of persisterende ziekte van Lyme, althans dat dit onwaarschijnlijk was en daarvoor ook onvoldoende aanwijzingen bestonden.

2.4

Het bericht van de huisarts waarnaar het onderdeel verwijst, luidt als volgt:

“Patiënt heeft een beroep gedaan i.v.m. spierpijn en gewrichtsklachten. Pas zeer recent is vastgesteld dat deze klachten voorkomen [voortkomen, A-G] uit de gevolgen van de ziekte van Lyme.

1 ) patiënt heeft in het verleden ooit serologisch contact gehad met de verwekker van de ziekte van Lyme, hij is hiervoor destijds volgens de richtlijnen door een internist (2005) behandeld. Pas vanaf april 2009 zijn er klachten van hoofdpijn en gewrichtspijn die hem belemmeren om zijn werkzaamheden te verrichten. Pt werd verwezen in 2010 naar een arts Infectieziekten Radboud zh en naar een revalidatiearts.

2) onderzoeksbevindingen: hiervoor verwijs ik u naar de brieven van beide specialisten.

3) op basis van de gegevens stelt de specialist Infectieziekten dat de gewrichtsklachten samenhangen met een veel eerder doorgemaakte infectie van de ziekte van Lyme. Eerder stelde ik de diagnose migraine/hoofdpijn.

4) patiënt is zoals aangegeven hierboven verwezen naar revalidatiearts en arts infectieziekten, i.v.m. zijn hoofdpijn schreef ik eerder almogran voor.

5) Ik dien niet te adviseren ten aanzien van zijn beroep. Pt geeft aan door gewrichtsklachten zijn werkzaamheden niet te kunnen verrichten.

6) prognose: onzeker”

(brief d.d. 21 oktober 2010 van [betrokkene 4], huisarts16)

Delta Lloyd heeft de huisarts per brief van 8 november 201017 laten weten dat de brieven van de arts voor infectieziekten van het Radboud ziekenhuis en van de revalidatiearts niet waren bijgevoegd en verzocht deze alsnog te ontvangen.

In de brief van 12 november 2010 aan (de tussenpersoon van) [eiser]18 is vervolgens opgenomen:

“(…)

Wij hebben besloten de claim van [eiser] te erkennen en een uitkering te verlenen. Wij tekenen daarbij wel aan dat wij nog in afwachting zijn van informatie van de specialist. Deze informatie was ons toegezegd door de huisarts maar die hebben wij niet ontvangen. Mocht uit deze informatie zaken naar voren komen waardoor wij alsnog een ander standpunt moeten innemen, dan laten wij u dat direct weten.

Verder zullen wij een arbeidsdeskundige inschakelen.(…)”

In de (eerste) twee specialistenbrieven waarnaar het onderdeel verwijst (en die in het bericht van de huisarts en in de brief van 12 november 2010 worden genoemd) staat het volgende vermeld:

“(…)

Inmiddels is er uitgebreid aanvullend onderzoek ingezet, (…)

(…)

Hij is in 2005 behandeld vanwege een positieve Lyme, middels antibiotica. Destijds met goed resultaat, maar later zijn de vermoeidheidsklachten weer teruggekomen.

Recent is hij daarvoor gezien op een speciale polikliniek in het St. Radboud Ziekenhuis en daar is een opnieuw positieve laboratoriumuitslag gevonden en werd hem voorgesteld om in het kader van onderzoek mee te doen met een behandeltraject van 1 jaar.

(…)

Conclusie en advies:

Patiënt heeft chronische klachten van vermoeidheid en pijnklachten in het bewegingsapparaat waarbij tot nu toe geen duidelijke oorzaak is gevonden.

De uitslagen van de aanvullend onderzoeken zijn nog niet alle bekend en het lijkt logisch daarop te wachten voor verdere plannen te maken.

(…)

(brief d.d. 29 september 2010 van [betrokkene 5], revalidatiearts19)”

En:

“Op 10.09.2010 zag ik bovengenoemde patiënt met de vraagstelling of er sprake is van persisterende ziekte van Lyme.

(…)

Algemeen

Patiënt heeft geen risicofactoren voor tekenbeten en heeft nooit een tekenbeet of erythema migrans gezien. Zes jaar geleden is hij plotseling erg vermoeid geworden met bijkomende klachten, bestaand uit pijn in het gehele lichaam. Zijn klachten komen met ups en downs. Als kind was hij vaak moe en slap in de spieren. Eind 2005 is hij naar Mexico geweest. In 2004 voelde zij zich een jaar lang erg slecht. Er was sprake van malaise, duizeligheid, misselijkheid, palpitaties en pijn. Patiënt kwam niet vooruit in verband met een zeer slechte conditie. Aanvullende klachten zijn moeheid, afvallen, af en toe temperatuurverhoging tot zelfs 39°C en soms onder de 35°C (volgens patiënt oraal gemeten). Patiënt slaapt slecht, heeft last van koude handen en voeten. Er is sprake van dyspnoe d’effort, af en toe een snelle frequentie van de hartslag, pijn op de borst met een lichte druk op het sternum en daarnaast pijn in de nek links en een zeurende pijn in de arm; dit is niet inspanningsgerelateerd. Patiënt heeft misselijkheids- en braakneigingen, verminderde eetlust en aanvankelijk had patiënt ook last van diarree zonder bloed- of slijmbijmenging. Er bestaan mictieklachten en pijn in de onderbuik bij de symfyse. Er zijn spier- en gewrichtsklachten, hoofdpijn, duizeligheid (schommelend gevoel), geheugenstoornissen, concentratiestoornissen, paniekaanvallen, krachtsverlies in de benen, paresthesieen in handen en voeten, neuralgische pijn armen en benen en nu in het hele lichaam. Patiënt heeft last van wazig zien. Sinds deze klachten is patiënt 3 maanden behandeld met antibiotica, de eerste keer was 1 december 2007 gedurende 14 dagen met doxycycline. De tweede periode was 1 februari 2009, ook 14 dagen doxycycline. De derde periode was maart 2010, 28 dagen doxycycline. Patiënt beschrijft dat hij alleen na de eerste kuur 3 maanden klachtenvrij was en daarna kwamen alle klachten weer retour.

(…)

Bespreking

Patiënt heeft diverse klachten met een sterk positieve lgG. Hij heeft nooit een tekenbeet of erythema migrans gehad. Op basis van een sterk positieve Borrelia IgG kan helaas geen onderscheid gemaakt worden tussen een persisterende infectie dan wel een oude genezen infectie. Ik vond geen aanwijzingen voor een andere somatische oorzaak. Omdat al met al de klachten aspecifiek zijn kan er toch zeker sprake zijn van persisterende ziekte van Lyme. (…)

(brief d.d. 11 oktober 2010 van [betrokkene 2], internist-infectioloog Radboud ziekenhuis20)”

2.5

Dat het hof heeft geoordeeld dat het Delta Lloyd onder de gegeven omstandigheden vrijstond om op basis van de aanvullende informatie en het daardoor ingegeven nader onderzoek haar aanvankelijk standpunt te herzien, acht ik in het licht van deze gang van zaken niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk.21 [betrokkene 5] concludeert immers dat uitslagen van aanvullende onderzoeken moeten worden afgewacht, en [betrokkene 2] schrijft reeds dat – hoewel hij geen aanwijzingen vond voor een andere somatische oorzaak en er volgens hem toch zeker sprake kan zijn van persisterende ziekte van Lyme – op basis van een sterk positieve Borrelia IgG geen onderscheid gemaakt kan worden tussen een persisterende infectie dan wel een oude genezen infectie (terwijl de huisarts eerder onomwonden had gerapporteerd dat de klachten voortkwamen uit de gevolgen van de ziekte van Lyme en dat de specialist Infectieziekten stelde dat de gewrichtsklachten samenhingen met een veel eerder doorgemaakte infectie van de ziekte van Lyme). In het oordeel van het hof ligt besloten dat niet alleen de in het onderdeel bedoelde twee specialistenbrieven zelf tot een eventuele herbeoordeling van de dekkingsbeslissing konden leiden, maar dat deze brieven ook voldoende aanleiding konden vormen voor het doen van nader onderzoek, waarvan de resultaten eveneens konden worden betrokken in een eventuele herbeoordeling. Dat hierbij enig tijdsverloop zou optreden alvorens Delta Lloyd een nieuw standpunt zou innemen, komt mij als haast onvermijdelijk voor. De in het onderdeel genoemde tien maanden, lijken me niet zonder meer in de weg te hoeven staan aan de standpuntwijziging van Delta Lloyd. Dit gebeurde overigens nadat per 1 januari 2011 de aanvankelijk volledige uitkering ook nog werd verlaagd naar 65-80% en op 10 juni 2011 door [eiser] verzekeringsadviseur een toenameclaim was ingediend (op basis van 100% arbeidsongeschiktheid), waarvoor (eveneens) onderzoek is verricht dat voor de medisch adviseur van Delta Lloyd uiteindelijk aanleiding was (om nader te overwegen) om (in het geheel) geen arbeidsongeschiktheid te erkennen en voor te stellen een nader onderzoek te laten verrichten bij een internist infectioloog (zie hierboven onder 1.1 sub (viii)-(xi)).

2.6

Ten aanzien van sub c van het onderdeel merk ik nog op dat mij uit de vindplaats in de stukken in feitelijke instantie waarnaar daar wordt verwezen,22 niet is gebleken van enige (relevante) concrete feiten en omstandigheden die in het hiervoor besproken oordeel van het hof niet al zijn betrokken en die, indien bewezen, de conclusie kunnen dragen dat [eiser] er onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat Delta Lloyd – in weerwil van het uitdrukkelijk opgenomen voorbehoud – niet meer op haar in de brief van 12 november 2010 opgenomen dekkingsbeslissing zou terugkomen. Aldaar wordt vooral aan de orde gesteld dat de medewerking van [eiser] aan nader onderzoek geen afbreuk deed aan het door hem gestelde gerechtvaardigde vertrouwen, zoals de rechtbank leek te hebben aangenomen (in rov. 4.1). Deze overweging van de rechtbank is door het hof echter niet gevolgd of overgenomen, en aan de medewerking van [eiser] heeft het hof in dit kader geen enkele waarde of belang gehecht. Ook in cassatie speelt deze overweging derhalve geen rol meer. Het hof heeft ten slotte met zijn overweging in de slotzin van rov. 3.4 wel degelijk geoordeeld dat er geen sprake was van het hier bedoelde gerechtvaardigde vertrouwen.

2.7

Al met al slaagt het onderdeel mijns inziens niet.

De beoordeling van arbeidsongeschiktheid in de zin van de verzekeringsvoorwaarden

2.8

Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 3.8 van het bestreden arrest. Die overweging – en de daaraan voorafgaande rov. 3.7 – luiden als volgt:

“3.7 Naar het oordeel van het hof maken de toepasselijke voorwaarden voldoende duidelijk dat voor een beroep op de polis noodzakelijk is dat sprake is van een objectief medisch vast te stellen stoornis die in relatie staat tot ziekte of ongeval. De normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde verzekerde moet op basis van de door de Delta Lloyd verstrekte informatie redelijkerwijs begrijpen dat lichamelijke klachten moeten kunnen worden herleid tot een ziektebeeld. Uit de tekst van de polisvoorwaarden volgt afdoende duidelijk dat de artikelen 3 en 4 van de algemene voorwaarden een scheidslijn beogen aan te brengen tussen klachten die op zichzelf serieus zijn, maar waarvoor geen medische grond valt aan te wijzen, en klachten waarbij dat wel het geval is. Om aanspraak te kunnen maken op een uitkering onder de polis moet sprake zijn van klachten die behoren tot laatstgenoemde categorie. Klachten waarvoor geen medische grond is aan te wijzen zijn in de onderhavige verzekering van dekking uitgesloten, onafhankelijk van het (in de praktijk soms lastig te geven) antwoord op de vraag of de klachten op zichzelf alleszins serieus te nemen zijn dan wel of er reden is om aan te nemen dat sprake is van aanstellerij, inbeelding of aggravatie. Dit betekent dat voor het aannemen van dekking niet voldoende is dat de verzekerde klachten ervaart en dat dit door de beoordelende artsen als reëel wordt ervaren, zonder dat zij de klachten op hun vakgebied kunnen verklaren. In dat laatste geval ontbreekt immers het verband met een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld, en is dus geen sprake van in relatie tot ziekte of ongeval objectief medisch vast te stellen stoornissen. In het onderhavige geval wordt niet betwist dat als objectief medisch zou worden vastgesteld – in lijn met de CRO-richtlijn Lymeziekte uit juli 2013 – dat de belemmeringen van [eiser] hun oorzaak vinden in een besmetting met de ziekte van Lyme, sprake is van arbeidsongeschiktheid die is gedekt onder de polis. In geschil is echter of [eiser] een (actieve chronische of persisterende) ziekte van Lyme heeft, waarover hieronder meer. Hier verdient tot slot nog opmerking dat een redelijke uitleg van de polisvoorwaarden meebrengt dat ook ingeval sprake is van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld doch de oorzaak daarvan onbekend is, reeds kan worden gesproken van een medisch vaststelbare stoornis gerelateerd aan ziekte. Echter, in het onderhavige geval is, zoals hieronder nog aan de orde komt, niet komen vast te staan dat sprake is een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld.

3.8

Nu [eiser] een beroep doet op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat hij arbeidsongeschikt is in de zin van de polis, ligt op hem, ingevolge artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in beginsel de stelplicht en bewijslast, zoals ook de rechtbank heeft vooropgesteld. Ter onderbouwing van zijn stelling dat de beperkingen die hem het uitoefenen van zijn beroep verhinderen worden veroorzaakt door een ziekte van Lyme, verwijst [eiser] naar de overgelegde medische verklaringen. Dienaangaande overweegt het hof – in navolging van de rechtbank – dat internist-infectioloog [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) weliswaar aangeeft dat de klachten van [eiser] passen bij en daarom verklaard kunnen worden door een persisterende ziekte van Lyme, maar ook dat dit niet met zekerheid kan worden vastgesteld. “Er is”, zo constateert hij in zijn brief van 8 januari 2013, “sprake van een sterk positieve Borrelia IgG (antistoffen) dit kan echter geen onderscheid maken tussen een persisterende infectie dan wel een oude genezen infectie. Ik vond geen aanwijzingen voor een andere somatische oorzaak.” Daartegenover staat dat internist-infectioloog [betrokkene 1] in zijn medische rapportage die op verzoek van Delta Lloyd op 9 november 2011 tot stand is gekomen, verklaart dat er geen objectieve aanwijzingen zijn voor de ziekte van Lyme. “Met name is er geen sprake van (myo-)carditis of atrioventrixculaire geleidingsstoornissen, geen objectieve neurologische stoornissen, normale bevindingen in de liquor cerebrospinalis (geen Borrelia antistoffen, negatieve Borrelia PCR), normale EEG en MRI, geen objectiveerbare artritis (niet bij klinisch lichamelijk onderzoek door reumatoloog en niet bij beeldvormend onderzoek)”, zo rapporteert [betrokkene 1]. “De enige positieve bevinding is een positieve Elisa en Blot voor IgG antistoffen tegen Borrelia dit betekent dat betrokkene ooit is besmet door Borrelia maar zeker niet dat hij de ziekte van Lyme heeft.” Naar aanleiding van een in opdracht van Delta Lloyd verricht onderzoek bij [eiser] heeft internist-infectioloog i.o. [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]) in zijn rapportage d.d. 23 november 2012 mede namens internist-infectioloog dr. M. van Vugt opgemerkt dat met de antistoffen tegen Borrelia niet wordt gedifferentieerd tussen een doorgemaakte of actieve ziekte van Lyme. Voorts wordt hierin het volgende overwogen: “Gezien de weinig specifieke klachten, de eerdere antibiotische behandelingen, een negatieve lumbaalfunctie [lumbaalpunctie, A-G] elders is het onwaarschijnlijk dat er sprake is van actieve ziekte van Lyme (een persisterende Borrelia infectie)”. Op basis van deze medische rapportages heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof terecht geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat objectief medisch vaststaat dat de beperkingen van [eiser] hun oorzaak vinden in een ziekte van Lyme. In hoger beroep heeft [eiser] ter onderbouwing van zijn stellingen twee brieven d.d. 8 mei 2017 respectievelijk 15 september 2017 overgelegd van een arts van de Oosteinde Walborg Kliniek, Centrum voor preventieve en curatieve geneeskunde, [betrokkene 6] (hierna [betrokkene 6]). Daarin concludeert [betrokkene 6] met zoveel woorden dat bij [eiser] de diagnose chronische ziekte van Lyme behoort te worden gesteld.

Delta Lloyd heeft de geloofwaardigheid van deze vaststelling en de betrouwbaarheid van de gebruikte LTT-lest om chronische Lyme te diagnosticeren gemotiveerd bestreden. Delta Lloyd voert meer algemeen aan dat [eiser] zijn stellingen in het geheel niet heeft onderbouwd, gedocumenteerd of toegelicht en dat daaraan reeds daarom voorbij moet worden gegaan.

Het hof stelt vast dat ook [betrokkene 6] in zijn brief van 15 september 2017 onderschrijft dat de LTT-test niet gevalideerd is en dat die test daarom op zichzelf geen voldoende grondslag kan zijn voor een positieve diagnose ziekte van Lyme. [eiser] heeft de meer algemene opmerking van [betrokkene 6] dat de diagnose chronische ziekte van Lyme wordt gesteld "op basis van het totaal aan gegevens: de klachten en het onderzoek", niet nader ingevuld, toegelicht of onderbouwd aan de hand van medische literatuur of de CBO-richtlijn Lymeziekte uit juli 2013. [eiser] heeft zich evenmin concreet beroepen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat zijn klachten in relatie staan tot een objectief medisch te diagnosticeren persisterende ziekte van Lyme. Dit betekent dat [eiser] de hierboven aangehaalde conclusies van [betrokkene 1] en [betrokkene 3] niet heeft weten te weerleggen. Zijn verwijzing naar de stelling van [betrokkene 6] dat de klachten van [eiser] in hun brede samenstelling een uitstekende illustratie zijn van de klachten die chronische Lymepatiënten ondervinden en een beeld schetsen van persisterende ziekte van Lyme, is daartoe onvoldoende. Voor zover [eiser] zich op het standpunt stelt dat bij hem sprake is van de aandoening CVS/ME met bijbehorende beperkingen als een andere toereikende medische grondslag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering, overweegt het hof dat [eiser] heeft nagelaten de door hem overgelegde medische stukken die deze conclusie zouden kunnen dragen, toe te lichten. De in het geding gebrachte stukken en brieven uit de behandelende sector bieden zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen voldoende feitelijke onderbouwing van de stelling dat sprake is van een objectief medisch vast te stellen stoornis die in relatie staat tot ziekte of ongeval en daarmee van een door de polis gedekte arbeidsongeschiktheid.” (onderstrepingen toegevoegd, A-G)

2.9

Het onderdeel klaagt in subonderdeel A dat deze onderstreepte overwegingen onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn. Volgens het subonderdeel heeft het hof in rov. 3.8 klaarblijkelijk, in navolging van de rechtbank, geoordeeld dat uit de medische verklaringen van [betrokkene 2] niet kan worden afgeleid dat objectief kan worden vastgesteld dat de klachten van [eiser] hun oorzaak vinden in een infectie met de ziekte van Lyme. Primair stelt het subonderdeel dat het er niet om ging te bepalen of alsnog objectief kon worden vastgesteld dat de klachten van [eiser] hun oorzaak vinden in een infectie met de ziekte van Lyme. Waar het wel om ging is te bepalen of uit de na de erkenning door Delta Lloyd door “de specialist” aan te reiken informatie een andere, voor [eiser] ongunstiger diagnose zou moeten blijken ten opzichte van de diagnose die voor Delta Lloyd aanleiding was de aanspraak van [eiser] te erkennen, omdat het Delta Lloyd, volgens haar eigen bewoordingen, alleen dan vrij zou hebben gestaan op haar erkenning terug te komen. Subsidiair wordt geklaagd dat het hof, gelet op art. 24 Rv., (meer) aandacht had moeten besteden aan de door [eiser] met vermelding van relevante vindplaatsen genoemde medische berichtgeving van andere deskundigen.23 Het betreft hier bevindingen en conclusies van [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9] en [betrokkene 10]. [eiser] heeft in dit verband gesteld dat de verklaringen van deze deskundigen (in de kern) voldoende eenduidig en onderling consistent zijn, elkaar (en de bevindingen van [betrokkene 2] en de huisarts) op onderdelen aanvullen en er op wijzen dat [eiser] al vele jaren gekampt heeft met chronische/persisterende Lyme(klachten). Indien het hof heeft geoordeeld dat deze stellingen van [eiser] niet van (doorslaggevend) belang waren in de zin van art. 24 Rv., heeft het zich onvoldoende gerealiseerd dat de stellingen zien op de kern van het debat en/of dit oordeel ten onrechte niet in zijn arrest opgenomen.

2.10

De primaire klacht van subonderdeel A kan niet slagen, omdat het een herhaling vormt van klachten die hierboven in onderdeel 1 al aan de orde kwamen. Als de stap eenmaal is gezet tot het oordeel dat het Delta Lloyd vrijstond om haar aanvankelijk standpunt te herzien – zoals het hof in rov. 3.4 heeft gedaan en zoals mijns inziens stand kan houden – dan is wel degelijk (alleen nog) de vraag aan de orde of de klachten van [eiser] onder de dekking van de verzekering vallen, en daarvoor is vereist – zo oordeelt het hof in rov. 3.7, in cassatie onbestreden – dat sprake is van een objectief medisch vast te stellen stoornis die in relatie staat tot ziekte of ongeval (conform de verzekeringsvoorwaarden; eerste volzin rov. 3.7) en dat betekent dat ten minste sprake moet zijn van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld (zesde en laatste volzin rov. 3.7). De stap of kon worden teruggekomen op een eerder ingenomen standpunt van Delta Lloyd, en of (daarbij van belang is dat) er sprake is van een wel of niet ongunstiger diagnose, is dan dus al in rov. 3.4 meegenomen.

Ten aanzien van de subsidiaire klacht van subonderdeel A kan worden opgemerkt dat het hof in rov. 3.8 inderdaad niet alle (overigens reeds in eerste aanleg overgelegde en door de rechtbank in haar oordeel in rov. 4.5 meegenomen) medische verklaringen individueel besproken heeft. Het heeft echter wel overwogen dat [eiser] zich niet concreet heeft beroepen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat zijn klachten in relatie staan tot een objectief medisch te diagnosticeren persisterende ziekte van Lyme en dat de in het geding gebrachte stukken en brieven uit de behandelende sector zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen voldoende feitelijke onderbouwing bieden van de stelling dat sprake is van een objectief medisch vast te stellen stoornis die in relatie staat tot ziekte of ongeval en daarmee van een door de polis gedekte arbeidsongeschiktheid. In de klacht wordt niet gesteld dat [eiser] dit wel zou hebben gedaan en/of om welke concrete, uit de producties blijkende feiten en omstandigheden of feitelijke onderbouwing het dan zou gaan. Er wordt enkel aangegeven dat de medische verklaringen er op zouden wijzen dat [eiser] al vele jaren gekampt heeft met chronische/persisterende Lyme(klachten), hetgeen niet als een dergelijk concreet, uit een verklaring blijkend feit of omstandigheid of als een voldoende feitelijke onderbouwing kan worden aangemerkt. De vraag is immers juist, binnen het door het hof in rov. 3.7 vastgestelde en in cassatie niet bestreden beoordelingscriterium24, of die – vrij algemene en een breed spectrum beslaande – klachten wel terug te voeren zijn op een (actieve of persisterende) ziekte van Lyme of ten minste een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld vormen. In de meeste overgelegde medische verklaringen (althans de gedeeltes daarvan waarnaar in de memorie van grieven werd verwezen) vind ik, zonder enige toelichting, ook weinig meer dan een beschrijving van de klachten- en behandelingsgeschiedenis van [eiser] en een (kennelijk) positieve uitslag op antistoffen tegen Borrelia. Er wordt daarbij eenmaal vermeld dat geen alternatieve diagnose kon worden gevonden en het dus “het meest waarschijnlijk lijkt” dat er persisterende Lyme-klachten zijn (verklaring [betrokkene 9]25). Eenmaal wordt ook – overigens zonder enige onderbouwing daarvan, los van een lijst van klachten en onderzoeksuitslagen – geconcludeerd dat sprake is van een chronische ziekte van Lyme (verklaring [betrokkene 8]26) of niet meer vermeld dan “bij ons onder behandeling Lyme Expertise Centrum met chronische Borreliose en Bartonella en bijkomende factoren” (verklaring [betrokkene 10]27). Dit alles moet echter ook gezien worden in het licht van het feit dat door onder meer de internist-infectiologen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] wordt gesteld dat een positieve uitslag op antistoffen tegen Borrelia (zeker) niet betekent dat iemand een actieve of persisterende ziekte van Lyme heeft (zoals ook bevestigd werd in de hierboven onder 2.4 geciteerde verklaring van [betrokkene 2]), maar, aldus [betrokkene 3], dat dat in dit geval zelfs onwaarschijnlijk is gezien onder meer de weinig specifieke klachten, de eerdere antibiotische behandelingen en een negatieve lumbaalpunctie elders (zie hiervoor rov. 3.8). Het oordeel van het hof is daarmee niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd omdat het niet nader op alle overgelegde medische verklaringen is ingegaan.

2.11

In subonderdeel B wordt geklaagd over de overwegingen uit rov. 3.8 waarin de medische rapportages van [betrokkene 1] en [betrokkene 3] tegen de door [eiser] overgelegde medische verklaringen worden gesteld en wordt geconcludeerd dat de rechtbank op basis van deze medische rapportages terecht heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat objectief medisch vaststaat dat de beperkingen van [eiser] hun oorzaak vinden in een ziekte van Lyme. Het subonderdeel voert aan dat deze overwegingen onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn. [eiser] heeft namelijk kritiek geleverd op genoemde twee medici en gemotiveerd aangevoerd dat de vraagstellingen van Delta Lloyd aan hen onjuist zijn geweest, wat de resultaten/rapporten onbruikbaar en ondeugdelijk maakt. Voorts heeft een onderzoek aan de hand van uitvoerige, door [eiser] in te vullen vragenlijsten (goeddeels) ontbroken.28 Het hof heeft aan deze kritiek geen overweging gewijd, hetgeen onjuist dan wel onbegrijpelijk is.

2.12

Op aangehaalde feitelijke vindplaats lees ik slechts de terloopse opmerking dat door [eiser] ingevulde uitvoerige vragenlijsten in de onderzoeken van [betrokkene 1] en [betrokkene 3] (goeddeels) zouden hebben ontbroken29, maar niet waarom die vragenlijsten van essentieel belang zouden zijn en of en waarom het ontbreken ervan tot ondeugdelijke en onbruikbare rapportages zou leiden. Voorts wordt hier opgemerkt dat de vraagstellingen van Delta Lloyd aan [betrokkene 1] en [betrokkene 3] onjuist zouden zijn geweest, kennelijk omdat het criterium dat [eiser] beperkingen zouden moeten voortkomen uit een actieve Lyme-besmetting onjuist zou zijn.30 Er wordt niet toegelicht waarom dat criterium en/of (om die reden ook) de vraagstellingen aan [betrokkene 1] en [betrokkene 3] onjuist zouden zijn. Voor zover daarin op een tegenstelling tussen een actieve en een chronische ziekte van Lyme zou zijn gedoeld, zie ik die niet. Ik wijs er daarbij voorts nog op dat ook het hof – in cassatie onbestreden – in rov. 3.7 heeft overwogen dat in geschil is of [eiser] een (actieve chronische of persisterende) ziekte van Lyme heeft.

Het hof was niet gehouden op dergelijke niet onderbouwde stellingen expliciet in te gaan.

2.13

In subonderdeel C wordt ten slotte geklaagd over de overwegingen van het hof in het slot van rov. 3.8 dat – voor zover [eiser] zich op het standpunt stelt dat bij hem sprake is van de aandoening CVS/ME met bijbehorende beperkingen als een andere toereikende medische grondslag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering – hij heeft nagelaten de door hem overgelegde medische stukken die deze conclusie zouden kunnen dragen, toe te lichten en dat de in het geding gebrachte stukken en brieven uit de behandelende sector zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen voldoende feitelijke onderbouwing bieden van de stelling dat sprake is van een objectief medisch vast te stellen stoornis die in relatie staat tot ziekte of ongeval en daarmee van een door de polis gedekte arbeidsongeschiktheid. Het subonderdeel voert aan dat deze overwegingen onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn. Het verwijst naar een door [eiser] overgelegde brief van [betrokkene 6]31 (hierna: [betrokkene 6]) van mei 2017 waarnaar ook in hoger beroep werd verwezen.32 Daar is volgens het subonderdeel gesteld dat [betrokkene 6] in deze brief beschrijft dat [eiser] sinds eind juli 2016 in behandeling is voor persisterende en recidiverende klachten van de ziekte van Lyme en voor andere (daarmee gepaard gaande c.q. zelfstandige) chronische aandoeningen die (mede) in zijn praktijk bij hem zijn gediagnosticeerd: Chronisch Vermoeidheid Syndroom en Myalgische Encephalitis (CVS/ME), Chronisch Pijn Syndroom en chronische migraine. Ook uit een in een later stadium nog overgelegde brief van arts I.V. de Jong (hierna: De Jong) zou blijken dat de diagnose CVS/ME bij [eiser] is gesteld.

2.14

De brief van [betrokkene 6] vermeldt met betrekking tot de aangevoerde diagnose van de aandoening CVS/ME slechts dat [eiser] (mede) in zijn praktijk is gediagnosticeerd met verschillende chronische aandoeningen, waaronder CVS/ME (en dat hij daarvoor bij zijn praktijk in behandeling was). Er wordt geen enkele toelichting gegeven waarop de diagnose CVS/ME is gebaseerd en door wie deze diagnose is gesteld. Voor het overige heeft de brief betrekking op de aangevoerde diagnose van een (actieve chronische of persisterende) ziekte van Lyme, niet op CVS/ME. De brief van De Jong bevat, naast vele niet nader toegelichte resultaten van onderzoek, met betrekking tot een diagnose slechts de – kennelijk (alleen) op door [eiser] ingevulde vragenlijsten gebaseerde – opmerking “De klachten van patiënt passen bij de diagnose CVS volgens de Fukuda criteria (...), bij ME volgens de Canadese criteria (…) en bij de diagnose ME of Systemic Exercise Intolerance Disease (SEID) volgens de Institute of Medicine of the National Academies 2015 criteria (…).” Verder worden – op grond van de (overige) resultaten van onderzoek – in de brief geen diagnoses gesteld.

2.15

In dit licht is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd dat het hof heeft geoordeeld dat [eiser] met betrekking tot de aangevoerde diagnose van de aandoening CVS/ME heeft nagelaten de door hem overgelegde medische stukken die deze conclusie zouden kunnen dragen, toe te lichten, zodat (ook op die grond) geen voldoende feitelijke onderbouwing bestaat van de stelling dat sprake is van een objectief medisch vast te stellen stoornis die in relatie staat tot ziekte of ongeval en daarmee van een door de polis gedekte arbeidsongeschiktheid. Voor zover het subonderdeel nog een klacht inhoudt over de aangevoerde diagnose van een (actieve chronische of persisterende) ziekte van Lyme voor zover onderbouwd met de verklaringen van [betrokkene 6], kan worden opgemerkt dat het hof op deze verklaringen in rov. 3.8 uitgebreid is ingegaan en dat deze overwegingen van het hof in cassatie niet worden bestreden.

2.16

Daarmee falen alle (sub)onderdelen van het cassatiemiddel.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 2.1-2.12 van het bestreden arrest.

2 ECLI:NL:GHAMS:2019:623.

3 De procesinleiding is ingediend op 25 mei 2019; het bestreden arrest dateert van 26 februari 2019.

4 Het onderdeel verwijst hier naar de memorie van grieven onder (met name) 6, 7 en 8.

5 Het onderdeel verwijst hier naar de memorie van grieven onder 7.

6 Het onderdeel verwijst hier naar par. 14 van de dagvaarding in eerste aanleg.

7 Het onderdeel verwijst hier naar productie 9 bij de dagvaarding in eerste aanleg.

8 Procesinleiding onder 1.4 sub a.

9 Het onderdeel verwijst hier naar de memorie van grieven onder 9.

10 Procesinleiding onder 1.2 sub c.

11 Het onderdeel verwijst hier naar de memorie van grieven onder 7.

12 Procesinleiding onder 1.5 sub a en c.

13 Het onderdeel verwijst hier naar de memorie van grieven onder 9 en 10.

14 Procesinleiding onder 1.6.

15 Procesinleiding onder 1.7-1.8; hier wordt verwezen naar de memorie van grieven onder 9, 10 en 11. In die laatste paragraaf wordt bedoelde stelling echter in een geheel andere context ingenomen, namelijk als uitvloeisel van [eiser] standpunt dat de bepaling dat de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar de arts aanwijst die de arbeidsongeschiktheid moet beoordelen, een oneerlijk beding vormt in de zin van Richtlijn 93/13 EEG (welke standpunt door het hof in rov. 3.5 werd afgewezen, waarover in cassatie niet wordt geklaagd).

16 Productie 9 bij de inleidende dagvaarding; zie ook rov. 2.7 van het vonnis in eerste aanleg van 5 oktober 2016.

17 Productie 12 bij de inleidende dagvaarding.

18 Productie 13 bij de inleidende dagvaarding; zie ook hierboven onder 1.1 sub (vii).

19 Productie 14 bij de inleidende dagvaarding; zie ook rov. 2.10 van het vonnis in eerste aanleg van 5 oktober 2016.

20 Productie 15 bij de inleidende dagvaarding; zie ook rov. 2.11 van het vonnis in eerste aanleg van 5 oktober 2016.

21 Een voorlopig oordeel van de rechtbank in eerste instantie (waar naar wordt verwezen in de memorie van grieven onder 8) kan hieraan uiteraard niet afdoen.

22 Memorie van grieven onder 9.

23 Het subonderdeel verwijst hier naar de memorie van grieven onder 13 en naar (gedeeltes uit) overgelegde producties.

24 Eenzelfde beoordelingscriterium werd overigens door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch gebruikt in zijn in HR 16 april 1999 (L./Interpolis), ECLI:NL:HR:1999:ZC2887, NJ 1999/666 m.nt. P. Clausing bestreden arrest, dat in cassatie stand hield.

25 Productie 53a bij de inleidende dagvaarding, p. 3.

26 Productie 53 bij de inleidende dagvaarding, p. 3.

27 Productie 54 bij de inleidende dagvaarding, p. 1.

28 Het subonderdeel verwijst hier naar de memorie van grieven onder 17-19.

29 Memorie van grieven onder 19.

30 Memorie van grieven onder 17-18.

31 Productie 3 bij de memorie van grieven.

32 Het subonderdeel verwijst hier naar de memorie van grieven onder 21. Er wordt voorts nog verwezen naar de akte van 19 september 2019 onder 4 en 5.