Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:324

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-04-2020
Datum publicatie
22-04-2020
Zaaknummer
18/05498
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1199
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. A is met verdachten (moeder en dochter) in contact gekomen en daarbij is besproken om drie personen te ontvoeren en vervolgens losgeld te vragen. Verdachten hebben door hen verzamelde informatie over deze personen aan A verstrekt om hem in staat te stellen het plan uit te voeren. A wilde echter het plan helemaal niet daadwerkelijk uitvoeren. Hij heeft de gesprekken met verdachten opgenomen om hen in voorkomend geval onder druk te kunnen zetten door (te dreigen) aangifte tegen hen te doen van strafbare feiten. A heeft de opnames ter beschikking van de politie gesteld. De AG gaat meer in het bijzonder in op de vraag of in casu sprake is van een strafbare voorbereiding ex art. 46 Sr. De AG geeft de Hoge Raad in overweging de beroepen te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05498

Zitting 21 april 2020

CONCLUSIE

P.C. Vegter

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 25 oktober 2018 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde en wegens “medeplegen van voorbereiding van medeplegen van gijzeling en/of medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en/of afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 18/04908, de dochter van de verdachte. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. De feitelijke toedracht in de onderhavige zaak is globaal als volgt. Een zekere [betrokkene 1] is met verdachte en haar dochter in contact gekomen en daarbij is besproken om [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , ex-man van de verdachte en vader van de dochter, en de broer van deze ex-man en dus oom van de dochter [betrokkene 4] te ontvoeren en vervolgens losgeld te vragen. Verdachte en haar dochter hebben door hen verzamelde informatie over deze personen aan [betrokkene 1] verstrekt om hem in staat te stellen het plan uit te voeren. [betrokkene 1] wilde echter het plan helemaal niet daadwerkelijk uitvoeren. Hij heeft de gesprekken met moeder en dochter opgenomen om hen in voorkomend geval onder druk te kunnen zetten door (te dreigen) aangifte tegen hen te doen van strafbare feiten. [betrokkene 1] heeft de opnames ter beschikking van de politie gesteld.

  5. Het eerste middel bevat de klacht dat de gemotiveerde verwerping van een beroep op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat de verklaringen van [betrokkene 1] wegens ongeloofwaardigheid en leugenachtigheid niet bruikbaar zijn voor het bewijs onbegrijpelijk is. Het tweede middel bestrijdt de strafbaarheid van de gedragingen van verdachte. Voor de bespreking van beide middelen is zowel de bewezenverklaring als een nadere overweging van hof van betekenis. Ik citeer daarom nu eerst de bewezenverklaring en overweging uit het arrest.

  6. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

    “zij op tijdstippen in de periode van 1 september 2014 tot en met 1 april 2015 te Almelo en/of te Deventer en/of te Zwolle en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het (medeplegen van) gijzeling als bedoeld in artikel 282a Wetboek van Strafrecht en/of wederrechtelijke vrijheidsberoving als bedoel in artikel 282 Wetboek van Strafrecht en/of afpersing als bedoeld in artikel 317 Wetboek van Strafrecht, opzettelijk informatie heeft verzameld over meerdere personen te weten

    - [betrokkene 3] ,

    - [betrokkene 2] en

    - [betrokkene 4]

    en vervolgens die informatie op schrift heeft gesteld, welke geschriften onder meer de navolgende informatie over voormelde personen bevatten:

    - personalia,

    - adresgegevens,

    - merk en/of type en/of kentekengegevens van door voormelde personen bestuurde/gebruikte voertuigen,

    - foto's,

    - andere persoonlijke en/of zakelijke informatie en

    - het te eisen losgeldbedrag (1.000.000 euro of 1.250.000 euro of 750.000 euro)

    en aldus geschriften en foto's, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft vervaardigd en voorhanden heeft gehad.”

7. Door het hof gebezigde bewijsmiddelen:

1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte (als bijlage op pagina 62 e.v. van voornoemd proces-verbaal) d.d. 7 mei 2015, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

V= Er zijn door de verdachte [betrokkene 1] geluidsopnames aangeleverd bij de politie. Daarop is een gesprek te horen tussen [betrokkene 1] , jou en je dochter [medeverdachte] . Er wordt gesproken over het plannen van een ontvoering van [betrokkene 2] en een ex familielid van de familie [naam] . [betrokkene 1] zou in opdracht van jullie de ontvoering gaan uitvoeren. Wat kun je over dit gesprek zeggen?

A= Ik kan mij wel herinneren dat ik gesprekken hierover heb gevoerd. Ik heb die uitspraken wel gedaan (...).

V= Wanneer ben je voor het eerst in contact gekomen met [betrokkene 1] ?

A= U heeft het over [betrokkene 1] maar ik ken hem alleen als [betrokkene 1] . Hij kwam voor het eerst in beeld in oktober 2014. De eerste ontmoetingen gingen over het zogenaamde zwijggeld contract.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte (als bijlage op pagina 111 e.v. van voornoemd proces-verbaal) d.d. 30 april 2015, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :

(...) V= Waar heb je met [verdachte] afgesproken?

A= 3 keer in Deventer, 3 keer in Zwolle en 1 keer in Almelo.

V= Wie waren daar nog meer bij?

A= Met haar dochters in verschillende samenstelling. (...)

V- We tonen je nu een aantal foto’s. Wat kun je daarop zeggen?

A= Dat zijn foto’s gemaakt van de ontmoeting die ik had met [verdachte] en haar jongste dochter

V= Waarom nam je dit op en nam je foto’s?

A= Om bewijs te verzamelen (...)

V= We hebben ook geluidsopnames gehoord gemaakt in een horecagelegenheid. Waar was dit?

A= Dat is gemaakt in een horecagelegenheid in Deventer (...).

V= Wie waren er bij dit gesprek?

A= [verdachte] en haar beide dochters.

V= Volgens ons gaat het gesprek over haar ex familie, klopt dat?

A= Dat kan kloppen.

A= Ik noem ze de familie [naam] . [verdachte] en haar dochters wilden deze familie gaan afpersen. Ze wilden dit omdat haar dochter was misbruikt door de vader van haar oudste dochter of door een buurman. Ook had de opa een rol.

V= Hoe moest die afpersing uitgevoerd gaan worden?

A= Ze kwamen met het voorstel om de familie [naam] te gaan ontvoeren. De familie [naam] zou heel veel geld hebben. Ik moest de familie gaan gijzelen. Ik kreeg via [verdachte] foto’s aangeleverd van de familieleden. Ook kreeg ik namen. Ze hadden ook gepost samen met haar dochters vertelde ze. Ik moest dit gaan organiseren. (...)

V= Hoeveel geld wilden ze hebben?

A= In totaal om een paar miljoen. (...)

3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een bijlage 2 bij het NFI-rapport. d.d. 26 april 2017 in zaak met nummer 2016.08.02.253 / 001-006 (transcriptie "gesprek 2" voor zover inhoudende:

V = Vrouw ( [verdachte] ), M = Man ( [betrokkene 1] ), J = Jonge Vrouw ( [medeverdachte] )

V: [Mijn ex-familie die heeft ook] [...] [geld].

(...)

V: Mijn schoonvader heeft ons zo bedonderd.

J: Oh ja, oh dat is echt de ergste familie die ik heb [...].

(...)

V: Die heeft me zo genaaid, na de scheiding, [dat wil je niet] weten.

(...)

V: [en] m'n zwager, [...].

M: Je zwager V: Ja.

(...)

M: Van, van [C] .

V: Ken je dat?

(...)

V: [C] .

(...)

V: Zo genaaid, [ook] na de scheiding, [...] echt waar, met z'n drieën tegen mij, hè.

(...)

M: En die wil je bij hun thuis sturen? Heb je [hun/een] adres?

V: Ja.

J: Ja.

M: Waar is dat?

J: [plaats] .

(...)

V: [plaats] .

(...)

M: Die kennen we, die kunnen we wel aanpakken.

V: Ja, [...] zo.

V: Oh, dat zou, dat zou mij een kick geven, dat wil je niet weten.

(...)

J: Daar word ik echt blij van.

(...)

M: Maar dat is jouw vader?

J: ja, mijn vader en mijn opa.

(...)

M: Maar het zijn gasten, die gaan ernaartoe, niet om te praten.

V: Wat gaan ze dan doen?

M: Ja. Als je zegt van eh, wat voor bedrag moet er ongeveer betaald worden“?

(...)

M: Dan stuur je een serieuze incassogroep naartoe, zeg maar.

V: Ja.

M: En dan wordt 'r eentje gewoon in z'n knieën geschoten. En dan is het gewoon van eh hup, jij moet dit betalen, anders komen we terug. Gewoon zo.

(...)

M: Echt waar. Hij verwacht toch nooit dat dat uitjouw hoek komt.

V: Nou dat hebben m'n kinderen wel verdiend.

(...)

V: Half miljoen.

M: Ja. Een half miljoen heeft-ie van je gepakt.

V: Neuh, [gewoon wat ik] [...]

M: Een half miljoen. Da's een serieus [bedrag].

(...)

M: Kan zo georganiseerd geworden.

V: Maar wat is dan [jullie deel]?

M: Als ze een half miljoen betalen, dan zullen ze zeker wel twee [betrokkene 10] willen, of iets.

V: Ja, dat begrijp ik

M: Ja. Ja. Maar daarvoor wordt het wel met een zodanige overtuigingskracht uitgevoerd dat die mensen wel voelen dat ze moeten betalen.

(...)

V: Maar ik heb wel het adres nodig, de namen, foto's.

J: Ja.

M: Dat ik weet van oké, dit is die, dit is die, dit is die.

V: [En nu heb ik d'r ook één]

(...)

V: Die [eigenlijk zelf al] eh M: [aan wou pakken]?

V: Die mijn dochter heeft misbruikt.

M: Wie is dat?

V: Mijn ex-buurman.

(...)

M: Maar hoe snel kan je voor mij zeg maar hun adres hebben, en eh namen en foto's1?

(...)

V: Foto van [betrokkene 2] heb ik [...] vanavond al wel.

(...)

M: Ja, dan gaan ze d'r gelijk [...] mee aan de slag. Morgenavond 7 uur.

(...)

V: Oh, ik word helemaal emotioneel.

4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een schriftelijke weergave van de geluidsopname van gesprek 3, (als bijlage op pagina 161 e.v. van voornoemd proces-verbaal) voor zover inhoudende:

(...)

Vrouw ( [verdachte] ): Ja, weetje, ik was er zo mee bezig, maar ja, zij heeft er niet zoveel moeite mee.

Kind ( [medeverdachte] ): Nee, ik heb dat niet zo erg.

Man ( [betrokkene 1] ): Ja, het is niet niks natuurlijk, het is spannend.

Kind: Ze heeft het de hele tijd over vingers.

Man: Ja.

Vrouw: Over de vingers, ik denk oeh! Straks lopen er 3 in [plaats] zonder vingers hahaha.

Man: Maar goed, dat is, zeg maar kijk, als die mensen jou zoiets geflikt hebben.. En uh.. Vrouw: Ja! Zoveel pijn! Zoveel pijn. En uh... Maar nou hebben we heel veel opgezocht. We hebben al heel veel gereden, gisteravond al.

Man: Oh, super.

Vrouw: Het nummer van die pedofiel hadden we direct.

Kind: Ja, kentekenplaat.

Vrouw: Nou, als je dat ziet, die rijdt gewoon in de nieuwste BMW. En zijn vrouw in een uh..

Kind: In een Vogue.

Vrouw: In een Vogue, ook de nieuwste. Daar zit geld genoeg.

Man: Hoe heet hij?

Vrouw: [betrokkene 2] .

Man: [betrokkene 2] .

Vrouw: Maar adres en alles staat op papier.

Kind: Ja.

Man: Ah, dat is super.

Vrouw: En van mijn zwager, maar ja, dat was moe, wij durfden niet op internet te gaan zoeken naar foto’s en zo.

Man: Nee?

Vrouw: Nee, maar ik weet niet wie dat bij jullie doet, of jij dat doet of iemand anders maar op Facebook staan ze wel, is die zo te vinden. Ik durf het niet, stel je voor dat...

Man: Heb je namen?

Vrouw: Ja alles! Adres, namen..

Kind: Namen...

Vrouw: Foto’s...

Kind: En ook auto, ja..

Man: Welke auto ze uh rijden.

Vrouw: Ja maar alle kentekens niet.

Kind: Ja opa in een zwarte Q7. Met een Duits kenteken, begint met […] .

(...)

Man: En hoe heet die man dan?

Vrouw en kind: [betrokkene 4] .

Vrouw: Dat is de zwager.

Man: [betrokkene 4] is dus de broer van jouw, van jouw vader.

Vrouw: Van mijn ex ja. En [betrokkene 3] , dat is de vader.

Man: [betrokkene 3] .

Vrouw: Ja.

Man: Oké. En wat voor bedrag moeten we aan hem vragen?

Vrouw: Ja we hebben het opgeschreven, ik uh, ik hou het maar hoog aan.

Man: Ja.

Vrouw: Ik zeg [betrokkene 2] 1,2.. Wat heb jij gezegd?

Kind: 1.250.000.

(...)

Vrouw: Heeft centjes genoeg, hij heeft mijn dochter veel te veel pijn gedaan.

Kind: [betrokkene 5] , dat vind ik echt...

Vrouw: En mijn schoonvader een miljoen.

Man: Ja.

Vrouw: En mijn zwager 7,5 [betrokkene 10] .

Kind: 750.000.

(...)

Vrouw: Wij hebben thuis niks opgezocht op de computer, helemaal niks.

(...)

Man: Dus ik denk misschien als we geluk hebben, kunnen ze 2 van die opdrachten uitvoeren. 2 van die mensen pakken.

Vrouw: Ja.

Man: En dan uh, als zij betalen, het bedrag, dan heb je, als 1 al betaalt, heb je waanzinnig veel geld.

Kind: Ja.

Man: Dan heb je waanzinnig veel geld, heb je, mag ik je papieren even zien?

Kind: Oh ja, staat hier.

(...)

Man: Oh, [betrokkene 3] zeg maar, dat is de opa.

Vrouw: Dat is de vader.

Man: Ja, maar hoe lang zijn jullie al weg daar dan?

Vrouw: 7 jaar.

(...)

Vrouw: En ik heb foto’s van [betrokkene 2] natuurlijk, ik heb alle boeken nagekeken, maar bij mijn dochter...

Kind: Weggelaten.

Vrouw: Heb ik ze weggelaten. Of geknipt, dan wil ik niet dat ze daarmee geconfronteerd werd.

Man: Nee nee.

Kind: Als ze later die boeken door kijkt, dat ze dan hem ziet.

Vrouw: Nog 1 fotootje, van die [betrokkene 2] .

Man: Ja, dit is goede informatie, met die kentekens en zo kunnen ze zo zien, op welke naam staat die auto.

Vrouw: Ja maar dat weten we niet precies van mijn schoonvader.

Kind: Ja die BMW sowieso, dat is 100%.

Vrouw: Ja van die pedofiel dat is, maar is dat dan, je gaat ze niet alle 3 pakken?

(...)

Vrouw: Oké. Dus je pakt eerst de pedo.

Man: Ja je zou die pedo kunnen pakken. Of, zeg maar, zo’n oudere man, die wil natuurlijk zo snel mogelijk vrij worden gelaten.

Vrouw: Ja maar die pedo ook.

Man: Die pedo ook, denk je?

Vrouw: Ja tuurlijk

Kind: Weet ik zeker ja. Misschien nog wel sneller.

Vrouw: En die.... Die komt het makkelijkste aan geld, want die heb het meeste geld.

Man: Die heeft het meeste geld, oké.

Kind: Maar? 1,25 miljoen?

Vrouw: Maak er dan maar anderhalf miljoen van. Bij 2.

(...)

Vrouw: Nou [betrokkene 6] , die pedo, [betrokkene 6] zijn vrouw, die regelt zijn geldzaken.

Man: Die zal gelijk met geld komen?

Vrouw: Ja die weet alles over het geld. En over de zaken die ze hebben

(...)

Vrouw: Zij is de accountant, en uh... zij weet van precies van hoe en wat.

Kind: Ja, hoe ze aan geld kan komen.

Man: En het is niet zo datje zegt van “pak zijn vrouw maar” en dat die dan eerder gaat betalen? Zogenaamd.

Vrouw: Nee, je moet hem pakken.

Man: Je moet hem pakken. Ja...

Vrouw: Ja dat denk ik wel, ik denk datje hem moet pakken, dan.., ja, hij heeft het gedaan. Hij moet het voelen.

Kind: Ja.

Vrouw: Bij mijn schoonvader weet ik dus niet, ja dat gaat, dat lost de familie dan wel op. Kind: Ja, [betrokkene 4] of zo. Dan zou ik, ik zou [betrokkene 3] en dan [betrokkene 2] .

Man: [betrokkene 3] en dan [betrokkene 2] . En, en wie is [betrokkene 3] ?

Vrouw: Oh je doet er 2? Je doet er niet 3?

Man: [betrokkene 3] is de opa?

Kind: Ja.

Man: En dan uh [betrokkene 2] ..

Kind: Is die pedo.

Man: Is die pedo, en wie betaalt dan voor [betrokkene 3] denk je?

Vrouw: Dat doet [betrokkene 4] wel, zijn zoon Man: Zijn zoon die kan wel...

Kind: Ja die zijn heel close.

Vrouw: Ja dat trekken ze wel uit de zaak.

Man: Oké. Ja.

Kind: Of zou je dan [betrokkene 4] doen?

Vrouw: Ja, kan je beter [betrokkene 4] doen en dan [betrokkene 3] zorgt voor het geld. Schoonvader zorgt voor het geld.

Kind: Ja, kan je beter [betrokkene 4] doen. Dat is ook minder.. Als ze aan ons gaan denken, dan denken ze niet dat wij [betrokkene 4] gaan nemen.

Vrouw: Nee klopt Man: Oké. Ja.

Vrouw: Ja, aan [betrokkene 4] heeft iedereen een hekel. In heel [plaats] .

Man: Ja?

Vrouw: Ja. Aan mijn schoonvader ook, maar aan [betrokkene 4] ook.

Kind: Ja dan zou ik [betrokkene 4] doen.

Vrouw: Ja maar dan zou ik [betrokkene 4] voor een hoger bedrag inzetten.

Kind: Ja, niet voor 750.

Vrouw: Maar je doet er 2? Maar geen 3?

Man: Ik denk dat de meeste kans van slagen is, als je 2 mensen pakt en geen 3.

Vrouw: Nou dan moetje 2.. [betrokkene 2] .. Dan moet alle 2 anderhalf miljoen worden.

(...)

Vrouw: Nee dat zei ik direct al. Dus [betrokkene 2] die pedofiel en [betrokkene 4] .

Man: Ja.

Vrouw: En alle 2 anderhalf miljoen.

Man: Ja. Ja...Oké.

Vrouw: Dan kan mijn schoonvader, die kan wel anderhalf miljoen betalen.

Kind: Ja en anders privé en anders zakelijk. Dat sowieso.

Vrouw: Juist. Die kan, die kan dat regelen, die gaat over het geld.

Kind: Ja, die heeft jachtgebieden en huizen in Duitsland en ik weet niet wat die allemaal heeft.

(...)

Man: Want uh, nu uh, ze willen dus 50.000 euro per persoon per opdracht.

Vrouw: Ja.

Man: 5.000 heb ik ze gister gegeven, en ze moeten nu nog 5.000 zeg maar om uh volledig te starten.

Vrouw: Ja.

Man: En zo weten zij dat het geen uh gekkigheid is.

Vrouw: Nee het is geen gekkigheid.

Man: Of puur belust op wraak of wat dan ook.

Vrouw: Ja het is wel op wraak belust, het is wel belust op wraak.

Man: Ja.

Kind: Anders ja...

Vrouw: Anders doe ik dat niet, het is wel belust op wraak.

Man: Ja.

Vrouw: Om die pedo weer te pakken en mijn familie weer te pakken.

Kind: Ja.

(...)

Man: Ja, op het moment datje zeg maar bij een celletje zit met een stuk touw om je nek heen en je ziet dan gelijk van uh, hier, hier ben ik met een krant, en er gaat gewoon een vinger af.

Vrouw: Oké. Ja.

Man: Dan uh, dan is het gewoon serieus. En als ze niet in staat zijn om te betalen, dan laten ze hem verdwijnen. Dat is de keerzijde van de medaille.

Vrouw: Ja. Nee, alle 2 heb ik wel een goed gevoel bij.

Kind: Ja (…)

Man: Wantje hebt niet altijd een tip van mensen die zodanig vermogend zijn, met de namen en adressen. Jullie hebben de kentekens, dus er is heel veel voorwerk al gedaan.

Vrouw: Ja.

Man: Maar nu hoeft er alleen nog gepost te worden en dan wordt diegene gewoon op een tijdstip van de dag, wat een mooi moment is, nu is het winter, dus het wordt eerder donker. Het wordt allemaal veel makkelijker. En dan kun je zo iemand pakken en vaak, voor de feestdagen dan wil de familie wel compleet zijn.

5. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een schriftelijke weergave van de geluidsopname van gesprek 4. (als bijlage op pagina 187 e.v. van voornoemd proces-verbaal) voor zover inhoudende:

M ( [betrokkene 1] ): (...) daarom hebben we vanaf het begin ook gezegd, als die mensen niet betalen, laten ze hun ook niet naar huis gaan, of hebben jullie je bedacht?

V ( [verdachte] ): Nee.

JV ( [medeverdachte] ): Nee.

(...)

M: Dan worden ze naar een veilige locatie toegebracht, dan gaat er gelijk een vinger af, dan gaat de reactie gelijk terug naar de familie, dat zij...

V: Ja, dat bedoel ik, dat er geen dag over gaat, want dan gaan ze naar de politie.

V: Maar 5 december is op een vrijdag.

(...)

M. Ze hebben een locatie. Een team hebben ze bij elkaar. Ze hebben een observatiebus, hebben ze nu, een andere. En uh...Ja, goed, er zijn wat spullen aangeschaft.

JV: Oké.

V: Een bijl.

M: Een bijl bijvoorbeeld, ja.

(...)

V: Hahahaha. Maar wat ik dan apart vind, dan lopen er straks 2 in [plaats] zonder pink, hahahaha!

(...)

JV: Je kunt niet één de teen of zo.

M: Zou ook kunnen.

JV : Kan niet één de teen en de ander de pink?

M: Als je een verlanglijstje hebt, waarvan je zegt van uh...

V: Ja! Bij die ene de lui!

(...)

V: Dat die een pedofiel is. Dat dat niet wordt genoemd, want stel je voor, dan linkt hij dat weer naar ons.

JV: Naar [betrokkene 5] .

(...)

V: En dan worden ze in die auto gezet en vervoerd.

(...)

M: Als ze niet zouden betalen, dan zouden ze sowieso niet naar huis toe.

V: Dat weet ik! Dat weet ik!

(...)

M: Dan komen ze sowieso niet naar huis.

V: Dat begrijp ik.

JV: Dat begrijp ik.

M: Dat betekent dat ze dood gaan.

(...)

V: Ja, dus dan heb ik voor, voor 2015, dan ben ik miljonair?

(...)

V: Ja, ik ook! Nee, want toen had je gezegd, 1 december.

M: Nee.

V: [betrokkene 5] zegt, ja echt wel!

M: Ik had 14 gezegd.

V: Nee.

M: Ik heb een fotografisch geheugen, ik heb de 14e gezegd. En toen zei ze “Oh dan ben ik jarig” en toen zei ik “Dan doen we dan gewoon, dan doen we dan..”

V: En hoeveel doe je dan?

M: Doen we dan de 1 Ie.

(...)

V: Dat [betrokkene 5] straks haar rijbewijs kan halen, dat ze kan blijven paardrijden, allemaal zulke dingen, weetje.

M: Ja.

V: En dat mijn broertje dat die het ook goed heeft.

V: Hé, 10 december zei je?

M: Ja.

6. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een schriftelijke weergave van de geluidsopname van gesprek 5, (als bijlage op pagina 212 e.v. van voornoemd proces-verbaal) voor zover inhoudende:

V ( [verdachte] ): Wat gaaf!....Zenuwachtig M ( [betrokkene 1] ): Champagne.

V: Die is voor jou.

(...)

V: Wie is nou geweest? Ben zo benieuwd.

M: Ja een groep van onze vrienden is dat.

V: Ja, maar wie? Wie?

M: Wie er gepakt is? Die pedo.

JV ( [betrokkene 3] ): Ja?

(...)

V: Hoeveel is het?

M: 2,3 miljoen.

V: JA!

(gelach en geklap)

V: YEAH!!! YES!!! OOH GAAF! Ooh, ik ben zo blij.

M: Hahahaha.

V: Hoeveel had je gevraagd dan?

M: Ja we vroegen 4 miljoen.

V: Ooh 4...

M: Ja en dat wilden ze niet betalen.

V: Nee.

M: En uh... Hahahaha.

JV: Wat goed man! Wat goed!

7. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een door verdachte [verdachte] aan het hof overgelegde "Tijdlijn zaak [verdachte] / [medeverdachte] ". (als bijlage bij het proces-verbaal terechtzitting van het hof d.d. 15 mei 2018) inhoudende:

13 oktober 2014 Opname 1 contractbespreking

(...)

30 oktober 2014 Opname 2 cafégesprek

(...)

31 oktober 2014 Opname 3 voorbereiding ontvoering

(...)

19 november 2014 Opname 4 uitvoering ontvoering

(...)

10 december 2014 Opname 5 champagnegesprek

8. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten informatie over " [betrokkene 2] ". (als bijlage op pagina 225 van voornoemd proces-verbaal) inhoudende:

[betrokkene 2] Adres: [a-straat 1] [postcode] [plaats] Tel: [telefoonnummer 1]

Eigenaar van:

- [A] B.V.

- [B]

Auto: zwarte BMW X5 (vrouw [betrokkene 6] rijdt kenteken: [kenteken] in een Evoque)

Hij is ook te vinden op internet

2 kinderen:

- meisje van 15 ( [betrokkene 7] )

-jongen van 13 ( [betrokkene 8] )

Hij is pedofiel, heeft mijn dochter op 4-jarige leeftijd misbruikt Eis: € 1.250.000,-

Opmerking hof: aan het geschrift zit een foto gehecht, kennelijk van [betrokkene 2] .

9. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten informatie over " [betrokkene 4] ". (als bijlage op pagina 226 van voornoemd proces-verbaal) inhoudende:

[betrokkene 4]

Adres: [b-straat 1] [postcode] [plaats]

Eigenaar van:

[C] [postcode] Almelo tel: [telefoonnummer 2] / [telefoonnummer 3]

Auto: zwarte auto met onbekend Duits kenteken (denk Audi, weet ik niet zeker)

3 kinderen:

- [betrokkene 9] 23/24 jaar

- [betrokkene 10] 20 jaar (rijdt in een Golf)

- [betrokkene 11] 18 jaar

Hij is ook te vinden op internet.

Vrouw [betrokkene 12] rijdt in een hoge grijze auto met NL-kenteken (waarschijnlijk Mercedes)

Eis: € 750.000,-

Opmerking hof: aan het geschrift zit een foto gehecht, kennelijk van [betrokkene 4] .

10.Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten informatie over " [betrokkene 3] ". (als bijlage op pagina 227 van voornoemd proces-verbaal) inhoudende:

[betrokkene 3]

Adres:

[c-straat 1] [postcode] [plaats]

Eigenaar van:

- [D]

- [C]

[postcode] Almelo

tel: [telefoonnummer 2] / [telefoonnummer 3]

Auto: zwarte Audi Q7

Kenteken: Duits kenteken, begint met: […] Eis: € 1.000.000,-

Opmerking hof aan het geschrift zitten twee foto's gehecht, kennelijk van [betrokkene 3] .

11. Het proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 15 september 2015 opgemaakt door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Overijssel, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :

(...) U vraagt naar het moment dat de mogelijkheid van een ontvoering ter sprake kwam. De exacte datum daarvan weet ik niet meer. (...) [medeverdachte] en [verdachte] wilden een manier hebben om aan geld te komen. Zij waren beiden even actief in het plannen maken daarvoor.

[medeverdachte] deed een rechtenstudie en die wist hoe de rechtsgang was en zij adviseerde haar moeder ook. Zij hebben, naar ik van hen begreep, samen plannen gemaakt en uitgeschreven op een paar A4’tjes. Daarop staat dan bv. de naam van [betrokkene 3] met daarbij hoeveel geld er voor hem als losgeld geëist zou kunnen worden. (...)

U wijst mij op pag. 136 e.v., gesprek 2, en vraagt of dat het gesprek was waarin er voor het eerst tussen [verdachte] en [medeverdachte] en mij over de ontvoering is gesproken. Dat zou goed kunnen, maar dat weet ik niet zeker. (...)

U wijst mij op pag. 158. Daar wordt volgens u plots over een ontvoering gesproken. Dat is niet plots en niet door mij bedacht. Ik leidde het gesprek ook niet. Dat idee kwam van [verdachte] en [medeverdachte] . Dat begrijpt u wel als u het hele gesprek in zijn context zou kennen.

Het is deels niet goed te horen omdat wij in een horecagelegenheid zaten. Het initiatief kwam juist van [verdachte] en [medeverdachte] (...).

Bij alle zeven gesprekken die ik heb gehad, waren altijd [verdachte] en [medeverdachte] aanwezig Slechts één keer in Deventer, was [medeverdachte] er niet bij. Toen werd er geld in ontvangst genomen. Toen was de dertienjarige dochter van [verdachte] erbij. (...)

U vraagt mij naar het moment dat het gesprek komt op de familie [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . Ik weet dat niet goed meer. [verdachte] vertelde over haar familie en dat die veel geld hebben en dat zij benadeeld zijn bij de verdeling van geld. Zij zou niet gekregen hebben waar zij vond dat zij wel recht op had. Zij was boos op die familie. Zij zou boos zijn op [betrokkene 2] omdat hij in het verleden een dochter van haar seksueel zou hebben misbruikt. (...)

Zij toonden mij foto’s die zij hadden geknipt uit foto’s die zij nog van de familie hadden. [verdachte] en [medeverdachte] zeiden dat zij bewust niet op de computer hadden gezocht om geen digitale sporen achter te laten. Daarom waren de A4’tjes ook door hen geschreven en niet op een computer getypt. Zij vroegen ook steeds bij dingen of het toch niet aan hen terug te linken was. Ook hadden zij haast. Zij vonden dat het onderzoek dat zij deden naar hoe de ontvoering plaats zou moeten vinden, op enig moment te lang duren. Hun dochter was geloof ik op de 14 jarig, ik meen van december, en dan hadden ze weer geld nodig. (...)

12. De verklaring van getuige [betrokkene 1] afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 11 oktober 2018, voor zover inhoudende:

U vraagt mij naar de sfeer tijdens de gesprekken met [verdachte] en [betrokkene 3] .

Ze waren heel erg blij dat de daad ging gebeuren.

Ze hebben kentekens en adressen opgeschreven. Ze waren elke keer blij om mij te zien omdat ik geld meebracht. Ik heb ongetwijfeld links en rechts wat bijgestuurd. Ik maakte opmerkingen en ik heb volledig meegepraat, maar ik heb ze niet gepusht. Op de laatste opname hoort u ook hoe enthousiast ze waren. Ik heb ook de consequenties uitgelegd, daar hadden ze geen problemen mee.

13. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 15 mei 2018, voor zover inhoudende:

We hebben gegeten en gepraat, eerst over domme dingen. Hij zei gewoon dat ik zoiets moest gaan doen. Daar ben ik niet op ingegaan, ik wilde dat absoluut niet.

[medeverdachte] was bij dit gesprek aanwezig, zij wordt in de uitwerkingen aangeduid als "J (Jonge vrouw)". [betrokkene 1] ging door over het oplichten van mijn huisbaas [betrokkene 15] . Toen ik aangaf dat ik dat niet wilde, gooide hij het over een hele andere boeg en wist hij mij op mijn zwakke plekken te pakken. Hij wist hoe mijn schoonfamilie met mij is omgegaan en dat mijn jongste dochter is misbruikt. Hij zei: "Ik kan een incassogroep erop afsturen en ze laten gijzelen". Ik ben daar in meegegaan, omdat ik boos en verdrietig was. Boos op mijn toenmalige buurman, die mijn dochter heeft misbruikt, en boos op mijn ex-schoonfamilie, die mijn kinderen in de steek heeft gelaten. Er is veel gebeurd en altijd stank voor dank.

(.;.)

Hij vroeg om de adressen. Ik heb gezegd dat ik foto's had. [medeverdachte] en ik hebben die briefjes met de gegevens van [betrokkene 2] , [betrokkene 4] en [betrokkene 3] samen aan [betrokkene 1] gegeven. [medeverdachte] heeft die briefjes gemaakt, in opdracht van mij.

14. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 11 oktober 2018, voor zover inhoudende:

[betrokkene 14] gebruikte voor [betrokkene 1] de naam [betrokkene 1] , maar ik kende hem als [betrokkene 1] . [betrokkene 1] zijn naam heb ik gehoord van [betrokkene 14] . Pas bij de laatste opname kwam ik erachter dat [betrokkene 1] dezelfde persoon als [betrokkene 1] was.

8. Het bestreden arrest houdt de volgende overweging in:

“De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan haar onder 1 tenlastegelegde feit. Daartoe heeft de raadsman, kort samengevat, aangevoerd dat:

- de uitwerkingen van de gesprekken die ná 31 oktober 2014 zijn gevoerd tussen verdachte, haar dochter en [betrokkene 1] dienen te worden uitgesloten van het bewijs omdat verdachte de haar verweten handelingen al op 31 oktober 2014 had verricht en de nadien gevoerde gesprekken niet redengevend kunnen zijn voor het verwijt dat verdachte wordt gemaakt;

- de verklaringen van [betrokkene 1] afgelegd bij de politie op 30 april 2015 en bij de rechter-commissaris op 15 september 2015 dienen te worden uitgesloten van het bewijs omdat deze verklaringen ongeloofwaardig en zelfs leugenachtig zijn, nu deze verklaringen haaks staan op de uitwerking van het opgenomen "cafégesprek";

- geen sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen nu verdachte enkel inlichtingen heeft verschaft aan [betrokkene 1] tot het plegen van een door hem en anderen te begaan misdrijf en [betrokkene 1] niets met die inlichtingen heeft gedaan;

- geen sprake is van een "daadwerkelijke voorbereiding", zodat het bestanddeel "ter voorbereiding van het misdrijf' niet kan worden bewezen.

De raadsman heeft voorts bepleit dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van een groot gedeelte van de tenlastegelegde pleegperiode.

Toetsingskader

Artikel 46, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht luidt:

"Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft."

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213, bepaald dat bij de beantwoording van de vraag of de in artikel 46, eerste lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht vermelde voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen (hierna gezamenlijk ook als 'voorwerpen' aan te duiden), afzonderlijk of gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm "kennelijk bestemd" zijn tot het begaan van het misdrijf in de zin van deze bepaling, niet kan worden geabstraheerd van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had. De rechter dient te beoordelen of deze voorwerpen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen had.

Voorts volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1233, dat niet is vereist dat de misdrijven ter voorbereiding waarvan de tenlastegelegde handelingen plaatsvonden, konden worden voltooid. Voldoende is dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde gedragingen strekten ter voorbereiding van feiten als in de bewezenverklaring bedoeld en dat het opzet van de verdachte op het begaan daarvan was gericht.

Feiten en omstandigheden

Het politiedossier omvat naast processen-verbaal van bevindingen en verhoren onder meer de uitwerking van geluidsfragmenten die op een USB-stick zijn ingebracht door de advocaat van [betrokkene 1] en zoals die zijn aangetroffen op een door de politie in de woning van [betrokkene 1] in beslaggenomen memorecorder. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft op verzoek van de verdediging in hoger beroep de aanvankelijk niet te verstane passages zoveel mogelijk toegankelijk gemaakt en de uitwerking daarvan (transcripties) aan de raadsheer- commissaris verstrekt.

Het hof stelt vast dat verdachte de inhoud van de transcripties inhoudelijk niet heeft bestreden. Met andere woorden, de weergegeven gesprekken zijn gevoerd en verdachte heeft daadwerkelijk de haar toegedichte bewoordingen gebezigd.

Uit de inhoud van het dossier, waaronder de verklaring van verdachte en voornoemde transcripties, is - samengevat - af te leiden dat verdachte werd benaderd door [betrokkene 1] , die samen met de zoon van [betrokkene 14] (hierna: [betrokkene 14] ), een ex-partner van verdachte, op de oprit van de woning van verdachte stond. Op zijn verzoek heeft verdachte vervolgens contact met [betrokkene 1] opgenomen en is een gesprek in een café, op 30 oktober 2014, tot stand gebracht. Ook nadien heeft verdachte samen met [medeverdachte] meerdere malen met [betrokkene 1] een gesprek gevoerd. Aanvankelijk is tijdens die gesprekken, onder meer, gesproken over mogelijkheden om de huurbaas van verdachte te (laten) benaderen en onder druk te zetten teneinde aan geld te komen. [betrokkene 1] heeft in de gesprekken de mogelijkheden geïnventariseerd en meegedeeld op welke wijze hij daarin door inschakelingen van (criminele) derden behulpzaam kon zijn. In de loop van de gesprekken zijn door verdachte de namen van [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 2] (hierna ook gezamenlijk als de slachtoffers' aan te duiden) genoemd als vermogende personen jegens wie zij wraakgevoelens koesterde en die, door de door [betrokkene 1] in te schakelen groep mensen, konden worden benaderd, zodanig dat er grote geldbedragen zouden worden betaald. Verdachte en [medeverdachte] hebben daartoe [betrokkene 1] voorzien van schriftelijke informatie over de slachtoffers met foto’s en de te eisen losgeldbedragen. Nadien is meermalen gesproken over de wijze waarop er gehandeld moest worden en hebben verdachte en [medeverdachte] de plannen tezamen met [betrokkene 1] geconcretiseerd. Daarbij zijn de te betalen bedragen besproken en is aan de orde gekomen dat er een vinger, teen dan wel een geslachtsdeel zou worden afgeknipt. Ook is de door [betrokkene 1] geopperde mogelijkheid doorgenomen dat als er niet betaald zou worden, de slachtoffers mogelijk zouden verdwijnen. Daar stemde verdachte mee in. Uiteindelijk is er, na circa anderhalve maand, tijdens een laatste euforische bijeenkomst gevierd dat [betrokkene 2] was ontvoerd en dat er 2,3 miljoen euro losgeld was betaald, dat zich in de door [betrokkene 1] getoonde tas bevond. Dat bleek echter niet zo te zijn. [betrokkene 1] heeft in dit laatste gesprek uit de doeken gedaan dat hij alles in scène heeft gezet en dat hij alle gesprekken heeft opgenomen.

Bespreking verweren

Volgens de verdediging is geen sprake van strafbare voorbereidingshandelingen nu verdachte enkel inlichtingen heeft verschaft aan [betrokkene 1] tot het plegen van een door hem en anderen te begaan misdrijf en [betrokkene 1] voorts niets met die inlichtingen heeft gedaan. Bovendien is geen sprake is van een "daadwerkelijke voorbereiding", zodat het bestanddeel "ter voorbereiding van het misdrijf” niet kan worden bewezen.

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben ter zitting van het hof van 15 mei 2018 beiden erkend dat [medeverdachte] in opdracht van verdachte de informatie over de slachtoffers op schrift heeft gesteld en dat zij deze geschriften samen aan [betrokkene 1] hebben overhandigd.

Het hof is van oordeel dat deze geschriften tezamen met de daaraan gehechte foto's, gelet op de bewoordingen die de verdachten hebben gebezigd tijdens de opgenomen gesprekken, naar hun uiterlijke verschijningsvorm bestemd zijn tot het begaan van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. Uit de inhoud van de gesprekken blijkt onmiskenbaar het misdadige doel dat verdachte en [medeverdachte] voor ogen hadden. De geschriften met daarop de informatie over de slachtoffers, met onder meer hun namen, adresgegevens, telefoonnummers en autogegevens, in combinatie met de foto's van de slachtoffers alsmede de op de geschriften vermelde hoogte van de te eisen losgeldbedragen, kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig zijn voor het misdadige doel dat de verdachte en haar medeverdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen hadden. Immers, zonder deze essentiële informatie over de slachtoffers, zouden de in te schakelen criminele derden niet weten welke personen het doelwit waren.

Dat [betrokkene 1] alles in scène heeft gezet en hij niet daadwerkelijk van plan was het beoogde misdrijf te laten uitvoeren en daartoe ook niet daadwerkelijk actie heeft ondernomen, is niet van belang voor de beoordeling of sprake is van strafbare voorbereiding door verdachte samen met [medeverdachte] . Voor strafbare voorbereiding is immers niet vereist dat de misdrijven, ter voorbereiding waarvan de tenlastegelegde handelingen hebben plaatsgevonden, ook daadwerkelijk tot uitvoering hadden kunnen komen. Voldoende is dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde gedragingen strekten ter voorbereiding van feiten als in de bewezenverklaring bedoeld en dat het opzet van de verdachte op het begaan daarvan was gericht. Hoewel verdachte ter zitting van het hof heeft verklaard dat zij niet wilde dat de slachtoffers daadwerkelijk zouden worden gegijzeld of anderszins zouden worden gedwongen tot het betalen van losgeld, blijkt uit de inhoud van de door verdachte en [betrokkene 3] met [betrokkene 1] gevoerde gesprekken dat haar opzet wel degelijk was gericht op het medeplegen van dergelijke misdrijven. Zo is in het dossier, onder meer, te lezen (op pagina 174) dat verdachte heeft gezegd: "Nee, het is geen gekkigheid" en "Ja, het is wel op wraak belust en Anders doe ik dat niet, het is wel belust op wraak".

Hoewel het niet direct een in het kader van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafrecht te beantwoorden vraag betreft, dringt zich de kwestie op in hoeverre het handelen van [betrokkene 1] door de beugel kan.

Het hof stelt daarover vast dat het door hemzelf aangevoerde motief, namelijk dat hij door [betrokkene 14] was gevraagd om te “bemiddelen” tussen [betrokkene 14] en verdachte omdat verdachte [betrokkene 14] zou afpersen, niet is komen vast te staan. Vast staat wel dat het handelen van [betrokkene 1] voortkomt uit de aanwezigheid van een hennepkwekerij in de woning van [betrokkene 14] , waarvan verdachte weet had, en waarin [betrokkene 14] , al dan niet tezamen met [betrokkene 1] , mogelijk een belang had.

Het hof heeft zowel [betrokkene 14] als [betrokkene 1] ter zitting ondervraagd. Het hof heeft aldus zoveel mogelijk de verklaringen van deze betrokkenen willen toetsen en ook de dynamiek en het besprokene tijdens de vastgelegde gesprekken willen toetsen. Het is immers [betrokkene 1] die om hem moverende redenen een USB-stick in handen van de politie heeft gesteld. De in transcripties uitgewerkte geluidsbestanden op die gegevensdrager en de nadien door de politie inbeslaggenomen memorecorder vormen een belangrijk onderdeel van het bewijs.

Het hof is van oordeel dat het handelen van [betrokkene 1] weliswaar vragen oproept over zijn motief om met verdachte en [medeverdachte] contact op te nemen, maar aan de betrouwbaarheid van de transcripties van de gesprekken doet dat niet af.

Het hof stelt ook vast dat zonder de inmenging van [betrokkene 1] verdachte en [medeverdachte] mogelijk niet tot de verweten voorbereidingshandelingen zouden zijn gekomen. Uit de transcripties leidt het hof evenwel af dat verdachte met het initiatief kwam niet de huurbaas maar de drie in de tenlastelegging genoemde personen - met wie zij een moeizame relatie had - onderwerp te maken van op dat moment nog nader te concretiseren misdadige plannen waarbij met de achteraf niet werkelijke hulp van [betrokkene 1] en een door hem in te schakelen criminele motorclub, geld door verdachte en [medeverdachte] zou worden geïncasseerd. Die plannen werden door verdachte en [medeverdachte] in de gesprekken met [betrokkene 1] besproken en geconcretiseerd. Daartoe heeft verdachte samen met [medeverdachte] informatie verzameld en op schrift gesteld. Ook hebben de verdachten de hoogte van de te vragen losgeldbedragen op deze geschriften vermeld. Deze schriftelijke informatie voorzien van foto’s hebben zij [betrokkene 1] ter hand gesteld.

De conclusie is dat verdachte ondanks de rol van [betrokkene 1] zelfstandig een strafrechtelijk feit heeft begaan. Verdachte heeft tezamen met [medeverdachte] gedragingen verricht die strekten ter voorbereiding van de ernstige feiten als in de bewezenverklaring bedoeld. Daarnaast is het opzet van de verdachte op het begaan van die feiten gericht geweest.

Het hof begrijpt de verweren van de verdediging ten aanzien van de uitwerkingen van de gesprekken die ná 31 oktober 2014 zijn gevoerd en ten aanzien van de verklaringen van [betrokkene 1] , afgelegd bij de politie op 30 april 2015 en bij de rechter-commissaris op 15 september 2015, aldus dat het hof deze gesprekken en verklaringen niet voor het bewijs mag selecteren.

Het hof overweegt dat in de gesprekken met [betrokkene 1] die plaatsvonden ná 31 oktober 2014, werd gesproken over de wijze waarop er gehandeld moest worden en werden de op 30 en 31 oktober 2014 gemaakte plannen verder geconcretiseerd. Het hof ziet in hetgeen door de raadsman is aangevoerd - en evenmin vanuit de wetssystematiek - geen reden waarom deze gesprekken niet mee zouden mogen worden genomen voor het bewijs van het tenlastegelegde.

Voor zover de raadsman de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] in twijfel trekt, overweegt het hof dat het de te bezigen bewijsmiddelen behoedzaam zal selecteren en alleen die bewijsmiddelen voor het bewijs zal gebruiken waarvoor steun kan worden gevonden in de overige bewijsmiddelen. Daarbij merkt het hof op dat het bij de bewijsvoering met name afgaat op de inhoud van de transcripties en de door verdachte zelf afgelegde verklaringen.

Ten aanzien van de tenlastegelegde periode overweegt het hof dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de gesprekken tussen de verdachten en [betrokkene 1] (aangeduid als de gesprekken 2 tot en met 5), waarin werd gesproken over de te plegen misdrijven en de verdere details met betrekking tot die misdrijven, hebben plaatsgevonden in de tenlastegelegde periode. Daarover bestaat ook geen discussie. Derhalve kan het bestanddeel "in de periode van 1 september 2014 tot en met 1 april 2015" worden bewezen. Dat de verdachte en haar medeverdachte de geschriften met de informatie van de slachtoffers reeds op 31 oktober 2014 hebben overhandigd aan [betrokkene 1] en daarna dus niet meer voorhanden hebben gehad, maakt niet dat deze periode niet zou kunnen worden bewezen verklaard.

Gelet op het bovenstaande, verwerpt het hof integraal de verweren van de verdediging.

Nu het hof de verweren van de raadsman met betrekking tot de bewezenverklaring heeft verworpen en het hof tot een bewezenverklaring komt van het onder 1 tenlastegelegde, behoeft het "ten overvloede" door de raadsman gevoerde verweer, te weten dat het handelen van verdachte hooguit het niet tenlastegelegde en mogelijk niet eens strafbare "pogen medeplichtig te zijn aan het medeplegen van gijzeling" oplevert, geen bespreking.”

9. Op het eerste middel over de onbegrijpelijke verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zal ik nu eerst ondanks het nogal feitelijke karakter van het middel in verband met de aard van het strafbare feit nogal uitvoerig ingaan. In cassatie is er geen discussie over de vraag of er een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen inhoudende dat de verklaringen van [betrokkene 1] van het bewijs moeten worden uitgesloten omdat ze ongeloofwaardig en zelfs leugenachtig zijn, nu deze verklaringen haaks staan op de uitwerking van het opgenomen "cafégesprek". Evenmin bestaat er in cassatie dispuut over de vraag of het hof op dat standpunt heeft beslist. De kern van de klacht in cassatie is dat de motivering van de verwerping onbegrijpelijk is. Daarbij heeft de steller van het middel in het bijzonder het oog op de volgende overweging van het hof: “Voor zover de raadsman de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] in twijfel trekt, overweegt het hof dat het de te bezigen bewijsmiddelen behoedzaam zal selecteren en alleen die bewijsmiddelen voor het bewijs zal gebruiken waarvoor steun kan worden gevonden in de overige bewijsmiddelen. Daarbij merkt het hof op dat het bij de bewijsvoering met name afgaat op de inhoud van de transcripties en de door verdachte zelf afgelegde verklaringen.” Van een behoedzame selectie is naar ik de steller van het middel begrijp geen sprake gelet op de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [betrokkene 1] , voor zover die verklaringen inhouden dat hij, [betrokkene 1] , alleen is ingeschakeld voor de uitvoering, terwijl het initiatief bij verdachte en de medeverdachte lag. Die verklaringen van [betrokkene 1] zouden namelijk wel degelijk haaks staan op de inhoud van het cafégesprek en de overige opgenomen gesprekken (zie verder randnummer 10 t/m 15) en de verklaring van verdachte (zie verder randnummer 16 en 17).

10. De bedoelde verklaringen van [betrokkene 1] zijn als bewijsmiddel 2 en 11 voor het bewijs gebruikt. De rolverdeling tussen enerzijds [betrokkene 1] en anderzijds verdachte en medeverdachte komt uit die verklaringen als volgt naar voren: (bewijsmiddel 2) Verdachte en medeverdachte wilden de familie (…) gaan afpersen. Ze kwamen met het voorstel de familie te gaan ontvoeren. Ik moest de familie gaan gijzelen. Ik moest dit gaan organiseren en (bewijsmiddel 11) verdachte en medeverdachte waren beiden even actief in het plannen maken. Naar ik van hen begreep hebben verdachte en medeverdachte samen plannen gemaakt en uitgeschreven op een paar A4-tjes. Verder nog letterlijk: “U wijst mij op pag. 158. Daar wordt volgens u plots over een ontvoering gesproken. Dat is niet plots en niet door mij bedacht. Ik leidde het gesprek ook niet. Dat idee kwam van [verdachte] en [medeverdachte] . Dat begrijpt u wel als u het hele gesprek in zijn context zou kennen. Het is deels niet goed te horen omdat wij in een horecagelegenheid zaten. Het initiatief kwam juist van [verdachte] en [medeverdachte] (...).”

11. De vraag is nu eerst of deze verklaringen van [betrokkene 1] over de rolverdeling ‘haaks staan’ op het opgenomen cafégesprek. Gelet op bewijsmiddel 7 wordt met het cafégesprek bedoeld het in bewijsmiddel 3 vervatte gesprek van “30 oktober 2014 Opname 2 cafégesprek.” Ik zie het ‘haakse’ karakter niet en constateer nog veel algemener dat de verklaringen van [betrokkene 1] niet in strijd zijn met de inhoud van de voor het bewijs gebruikte opgenomen gesprekken. De schriftelijke weergaven van de geluidsopnames zijn behalve in het al vermelde bewijsmiddel 3 vervat in de bewijsmiddelen 4, 5 en 6. Die voor het bewijs gebruikte geluidsopnamen kunnen mijns inziens niet zonder meer alleen zo worden uitgelegd dat het initiatief volledig en uitsluitend bij [betrokkene 1] heeft gelegen. In die geluidsopnamen lees ik niet dat het oorspronkelijk initiatief om juist de bedoelde familie te ontvoeren van [betrokkene 1] kwam. In zoverre is de overweging van het hof naar aanleiding van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt niet onbegrijpelijk.

12. Ik licht dat nader toe door er allereerst op te wijzen dat het begrip ‘initiatief’ in de weergave van de opgenomen gesprekken niet voorkomt. Wat bedoelt de steller van het middel ermee als hij meent dat uit die gesprekken naar voren komt dat [betrokkene 1] het initiatief had? Volgens Van Dale online staat initiatief voor: de eerste stap of aanzet. Het woord ‘initiatief’ legt de steller van het middel mogelijk ruimer uit. Bedoelt hij dat uit de gesprekken naar voren komt dat [betrokkene 1] de initiator was in de zin dat hij als eerste kwam met het voorstel een strafbaar feit te plegen (en zo ja welk dan?) en/of wordt bedoeld dat hij tevens bepaalde op welke wijze de strafbare feiten zouden worden uitgevoerd? In de schriftuur is dit niet nader uitgewerkt. Ik lees in bewijsmiddel 1 wel dat de eerste ontmoetingen gingen over een zwijggeldcontract en uit het tweede bewijsmiddel komt naar voren dat er zeven ontmoetingen zijn geweest. Dat (ook) [betrokkene 1] een actieve rol had en dat hij stuurde sluiten de in de bewijsmiddelen opgenomen gesprekken niet uit, maar dat (alleen) hij de eerste stap of aanzet tot de afpersing van de slachtoffers heeft gegeven komt niet uit die gesprekken naar voren.

13. Naar ik begrijp is de steller van het middel in het bijzonder nog van opvatting dat er strijd is tussen de voor het bewijs gebruikte gesprekken van [betrokkene 1] en de voor het bewijs gebruikte inhoud van de opgenomen gesprekken, omdat de weergave van die opgenomen gesprekken niet ‘ongeschonden’ in de bewijsmiddelen terecht is gekomen. Er zou sprake zijn van denaturering van de inhoud van de opgenomen gesprekken. Of een denaturering nu zonder meer de verwerping van het standpunt van de verdediging onbegrijpelijk maakt zie ik niet in, maar desondanks bespreek ik de (vermeende) denaturering.

14. De denaturering zou in de eerste plaats betrekking hebben op een uitlating van [betrokkene 1] , zoals opgenomen in het als bewijsmiddel 3 weergegeven gesprek: “M: En die wil je bij hun thuis sturen? Heb je [hun/een] adres?”. Die zin zou uit zijn context zijn gehaald nu met ‘die’ een (top)advocaat wordt bedoeld die één van de af te persen personen in een echtscheidingsprocedure heeft bijgestaan. Ik neem aan dat de steller van het middel bedoelt dat de zojuist geciteerde zin wel is uitgesproken door [betrokkene 1] , maar dat die zin door het weglaten van andere uitlatingen in het bewijsmiddel een andere betekenis heeft gekregen. Mij is niet duidelijk op welke andere betekenis door de steller van het middel wordt gedoeld. In die zin mist het middel feitelijke grondslag. De zin houdt niet meer in dan dat er iemand (wie dan ook) naar ‘hun thuis’ wordt gestuurd en dat er behoefte is het adres te weten. Dat heeft bewijsbetekenis (zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat het de advocaat is die naar het huis wordt gestuurd) en van denaturering is geen sprake.

15. Verder zou er sprake zijn van denaturering in verband met de volgende zin uit bewijsmiddel 3: “V: Maar ik heb wel het adres nodig, de namen, foto's.” Die zin is volgens de steller van het middel gelet op bijlage II bij het NFI rapport ten onrechte toegeschreven aan V (verdachte). De zin zou namelijk uitgesproken zijn door M ( [betrokkene 1] ). Ik ga ervan uit dat de steller van het middel gelijk heeft dat ‘M’ en ‘V’ zijn verwisseld, omdat het gelet op het verloop van het gesprek voor de hand ligt dat [betrokkene 1] de geciteerde woorden heeft gesproken. Een dergelijke verwisseling levert niet meer dan een kennelijke misslag op die ook overigens van zo ondergeschikt belang is dat deze misslag niet tot cassatie behoeft te leiden.

16. Dan de vraag of de verwerping van het standpunt onbegrijpelijk is omdat de verklaringen van verdachte (bewijsmiddelen 1, 13 en 14) haaks staan op de onder randnummer 10 al samengevatte verklaringen van [betrokkene 1] . Het gaat hierbij de steller van het middel kennelijk in het bijzonder om de verklaring van verdachte als opgenomen in bewijsmiddel 13. Ik stel voorop dat die stelling geen deel uitmaakt van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt en dat daarom van een onbegrijpelijke motivering van de verwerping van het standpunt al geen sprake is. Ik licht ten overvloede nog toe dat de verklaring van verdachte niet zonder meer haaks staat op die van [betrokkene 1] .

17. Volgens verdachte voelde ze niets voor het oplichten van haar huisbaas. Ik neem aan dat de steller van het middel met name het oog heeft op de volgende passage uit de verklaring van verdachte (bewijsmiddel 13): “(…) gooide hij het over een hele andere boeg en wist hij mij op mijn zwakke plekken te pakken. Hij wist hoe mijn schoonfamilie met mij is omgegaan en dat mijn jongste dochter is misbruikt. Hij zei: ‘Ik kan een incassogroep erop afsturen en ze laten gijzelen". Ik ben daar in meegegaan, omdat ik boos en verdrietig was’.” Hieruit blijkt niet zonder meer en ligt evenmin zonder meer besloten dat [betrokkene 1] de eerste stap heeft gezet naar of de aanzet heeft gegeven tot de afpersing. [betrokkene 1] schetst in ieder geval wel een mogelijkheid om nadere uitvoering aan de afpersing te geven, maar dat ontkent hij zelf, voor zover ik zie, ook niet. Dat de verklaringen van verdachte en [betrokkene 1] op dit punt zonder meer tegenstrijdig zijn, zie ik derhalve anders dan de steller van het middel niet.

18. Van een onbegrijpelijke motivering van de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is geen sprake. De betwisting van de begrijpelijkheid van het standpunt is in cassatie overigens vrijwel volledig in de sleutel gezet van de vraag naar de tegenstrijdigheid in de bewijsmiddelen inzake het initiatief tot de afpersing van de in de bewezenverklaring vermelde personen. Zelfs als er met de steller van het middel van zou worden uitgegaan dat de bewijsmiddelen voor wat betreft het initiatief tegenstrijdig zijn, is de betekenis daarvan zo beperkt dat mijns inziens cassatie niet voor de hand ligt. Immers ook als ervan wordt uitgegaan dat alleen [betrokkene 1] de initiatiefnemer voor de afpersing is geweest, sluit dat de strafbaarheid van de voorbereiding door verdachte niet uit. Dat het bepalende betekenis heeft voor de ernst en de aard van die voorbereiding zie ik, althans zonder nadere toelichting, niet in. Zelfs uitlokking – uitlokking is niet gesteld of vastgesteld - tot voorbereiding sluit de strafbaarheid van verdachte niet uit. Of uitlokking door [betrokkene 1] voor de ernst en aard van de voorbereiding betekenis heeft laat ik in het midden, omdat dat kan samenhangen met feitelijke omstandigheden.

19. Het eerste middel faalt.

20. Het tweede middel komt met verschillende klachten op tegen oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde strafbare voorbereiding als bedoeld in art. 46 Sr oplevert, althans tegen de motivering van de bewezenverklaring. Het middel vertoont nogal wat tekenen van herhaling van in feitelijke aanleg gevoerde verweren of aldaar ingenomen standpunten.

21. Het toetsingskader zoals dat in de overweging van het hof onder randnummer 8 is vooropgesteld wordt in het middel niet betwist.1 Het hof heeft terecht steun gezocht bij twee bepalende arresten van de Hoge Raad uit 2007 (Samir A.)2 respectievelijk 2014 (fictief meisje).3 De centrale overwegingen uit beide arresten citeer ik hierna. Voor de (sinds 1 februari 2007 geldende) tekst van art. 46 Sr verwijs ik naar de overweging van hof en teken aan dat de wijziging van ‘kennelijk bestemd’ in ‘bestemd’ (met ingang van 1 februari 2007) voor het tweede middel in de onderhavige zaak geen betekenis heeft, omdat de huidige en in deze zaak geldende bewoordingen (bestemd) een verruiming beogen te zijn ten opzichte van het eerder geldende ‘kennelijk bestemd’ dat de Hoge Raad voor de feiten gepleegd voor 1 februari 2007 in het arrest van Samir A. nader inhoud geeft.4

22. Rechtsoverweging 3.7 van het genoemde arrest uit 2007 luidt:

“3.7. Bij de beantwoording van de vraag of de in art. 46, eerste lid, (oud) Sr vermelde voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen (hierna gezamenlijk ook als 'voorwerpen' aan te duiden), afzonderlijk of gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm "kennelijk bestemd" zijn tot het begaan van het misdrijf in de zin van deze bepaling, kan, naar mede volgt uit de vorenweergegeven wetsgeschiedenis, niet worden geabstraheerd van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had.

Het Hof, dat heeft overwogen aan de terroristische intentie van de verdachte niet te twijfelen, heeft geoordeeld dat de in de tenlastelegging opgesomde voorwerpen, stoffen en informatiedragers die de verdachte heeft vervaardigd of voorhanden heeft gehad, niet kennelijk bestemd zijn tot voorbereiding van een aanslag zoals tenlastegelegd, omdat die voorwerpen die bestemming in objectieve zin redelijkerwijs niet kunnen hebben. Daarmee heeft het Hof kennelijk als maatstaf aangelegd of die voorwerpen naar hun aard of hun concreet dan wel acuut gevaarzettend karakter daadwerkelijk zouden kunnen bijdragen aan het begaan van dat misdrijf.

Aldus heeft het Hof blijk gegeven van een te beperkte en dus onjuiste opvatting omtrent art. 46, eerste lid, (oud) Sr. Het Hof heeft immers nagelaten te beoordelen of deze voorwerpen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen had.”

23. De rechtsoverwegingen 2.4 en 2.5 uit het arrest uit 2014 luiden:

“2.4. De middelen berusten op de stelling dat de tenlastegelegde feiten niet bewezenverklaard kunnen worden omdat de misdrijven ter voorbereiding waarvan de tenlastegelegde handelingen plaatsvonden, niet konden worden voltooid. De persoon jegens wie die voorgenomen misdrijven zouden worden begaan, bleek immers een fictief 10-jarig meisje.

2.5.

De middelen stellen daarmee echter aan de strafbaarheid van de voorbereiding van een misdrijf een eis die de wet niet kent en die ook niet bij het karakter van strafbare voorbereiding past. Voldoende is dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde gedragingen strekten ter voorbereiding van feiten als in de bewezenverklaring bedoeld en dat het opzet van de verdachte op het begaan daarvan was gericht. Gelet daarop alsmede gelet op hetgeen het Hof blijkens de in 2.2.2 weergegeven bewijsoverwegingen heeft vastgesteld, is de bewezenverklaring, ook in het licht van hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, toereikend gemotiveerd.”

24. De bewezenverklaring houdt in dat verdachte samen met haar dochter geschriften (briefjes) en foto’s heeft verzameld en voorhanden gehad. Dat is zo te lezen dat er gegevens en foto’s door verdachte en haar medeverdachte zijn verzameld en dat verdachte en medeverdachte vervolgens de in een geschrift (briefje) vastgelegde gegevens en de foto’s hebben voorhanden gehad. In cassatie wordt niet bestreden dat geschriften en foto’s kunnen worden aangemerkt als informatiedragers als bedoeld in art. 46 Sr.5 Anders dan de steller van het middel kennelijk meent komt uit de bewijsmiddelen 2, 11 en 13 toereikend naar voren dat verdachte en haar dochter de geschriften (in de bedoelde zin van de op de briefjes staande gegevens) en foto’s hebben verzameld en voorhanden gehad. Verdachte en medeverdachte zijn nog een stap verder gegaan (dan voor strafbaarheid strikt noodzakelijk) omdat uit de bewijsvoering naar voren komt dat ze de briefjes en foto’s ook daadwerkelijk hebben verstrekt aan [betrokkene 1] .

25. In de schriftuur (onder 14 en 15) valt te lezen (met vernummering van de noten): “Hoewel de casus in het 'brief in jaszak-arrest'6 enigszins afwijkt van de casus in de onderhavige zaak, meen ik dat uit dat arrest kan worden afgeleid dat het enkel voorhanden hebben van een informatiedrager, zelfs als dat een niet-onschuldig voorwerp zou betreffen, niet zonder meer zal leiden tot een strafbare voorbereiding. Steun voor het standpunt dat er voor aannemen van strafbare voorbereiding sprake moet zijn van 'daadwerkelijke voorbereiding' kan gevonden worden in de literatuur7, alsmede in de wetsgeschiedenis.”8

26. In het vermelde ‘brief in jaszak-arrest’ was tijdens een huiszoeking in de woning van de verdachte een, zes pagina's tellende, handgeschreven brief aangetroffen. Deze brief bevatte informatie over verschillende manieren en de benodigdheden om een gewapende overval op een geldtransportauto uit te voeren. Tevens werd in deze brief onder meer informatie gegeven over de werkwijze en de beveiligingssystemen van de geldtransportonderneming Geldnet. De verdachte heeft de brief, toen hij gedetineerd was, gekregen van een medegedetineerde. De brief zat in een blanco dichtgeplakte enveloppe. De verdachte heeft de brief helemaal gelezen en vervolgens in een zak van zijn winterjas gestopt. De jas heeft hij niet meer aan gehad en de brief heeft al die tijd in die jaszak gezeten. De Hoge Raad overweegt:

“In aanmerking genomen dat voor wat betreft het handelen en het opzet van de verdachte uit de gebezigde bewijsmiddelen niet meer kan worden afgeleid dan dat de verdachte de desbetreffende brief heeft ontvangen, gelezen en vervolgens gedurende ongeveer twee maanden in zijn bezit heeft gehouden, is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Uit de bewijsmiddelen kan immers niet worden afgeleid dat bedoeld voorhanden hebben strekte ter voorbereiding van enig feit als in de bewezenverklaring bedoeld, op het begaan waarvan het opzet van de verdachte was gericht.”

27. Er bestaan anders dan de steller van het middel kennelijk meent cruciale en daarmee bepalende verschillen tussen het ‘brief in jaszak-arrest’ en de hier in cassatie aan de orde zijnde zaak. Het opzet (en het misdadige doel) kan namelijk in de hier aan de orde zijnde zaak eenvoudig worden afgeleid uit andere bewijsmiddelen dan de informatiedrager zelf te weten de opgenomen gesprekken en de verklaring van [betrokkene 1] . Bovendien is de informatiedrager hier niet twee maanden ongebruikt in een jaszak blijven zitten, maar daadwerkelijk verstrekt aan [betrokkene 1] .

28. Dat verdachte (en haar dochter) een misdadig doel voor ogen stond(en) wordt in cassatie niet bestreden. Zij (en haar dochter) had(den) voor ogen dat de in de bewezenverklaring genoemde personen zouden worden afgeperst, gegijzeld en van hun vrijheid beroofd. De opgenomen gesprekken laten inderdaad aan duidelijkheid over die strafbare feiten ten aanzien van de personen van wie de gegevens zijn verstrekt niets te wensen over. Ik wijs ook op het gesprek over het afsnijden van vingers (bewijsmiddel 4). Gelet op het verzamelen, voorhanden hebben en verstrekken van briefjes en foto’s kan ik de steller van het middel niet volgen wanneer hij zich op het standpunt stelt dat er nog geen daadwerkelijk voorbereiding is cq dat de briefjes en foto’s nog niet zijn gebruikt. Die briefjes en foto’s vervullen voor de latere uitvoering van een concreet misdadig doel namelijk nu juist een cruciale functie in de voorbereiding te weten ze maken identificatie van de slachtoffers bij de uitvoering van de afpersing (en dergelijke) mogelijk. Het hof kon derhalve oordelen: “zonder deze essentiële informatie over de slachtoffers, zouden de in te schakelen criminele derden niet weten welke personen het doelwit waren.”

29. Omdat in de cassatieschriftuur met name het bewijs van de bestemming van de briefjes en foto’s wordt bestreden, sta ik hierbij nog nader stil. Ik volg de steller van het middel niet dat de bewezenverklaring voor wat betreft de bestemming onjuist, ontoereikend of onbegrijpelijk is. Uit de nadere overweging in het arrest blijkt dat het hof de juiste maatstaf heeft toegepast. Volgens de bewezenverklaring moet zijn bewezen dat de briefjes en foto’s zijn bestemd voor ‘dat misdrijf’ en daarmee bestemd voor afpersing, gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het karakter van het voorwerp9 is niet primair bepalend, maar (zie de in randnummer 22 geciteerde rechtsoverweging uit het arrest van 2007) “of de voorwerpen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen had.” In het oordeel van het hof ligt – zoals uit het vorige randnummer (28) al naar voren kwam – op zijn minst besloten dat de briefjes en foto’s naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte en een ander met het gebruik van de briefjes en foto’s voor ogen hadden. Het hof heeft in dat kader ook nog gewezen op de combinatie van de verzamelde en verstrekte gegevens zoals deze uit de bewijsmiddelen 8, 9 en 10 naar voren komt. Voor de bestemming is hier gelet op het concrete misdadige doel en de combinatie van de gegevens op briefjes en de foto’s nog aanzienlijk meer bewijs dan in het arrest inzake de plattegrond uit 2015.10

30. Voor zover in de toelichting op het middel wordt betoogd dat voor de strafbaarheid van de voorbereiding door verdachte bepalend is of zij (ook) bij de uitvoering van afpersing betrokken is, volg ik dat niet. Ook als ervan wordt uitgegaan dat [betrokkene 1] met anderen de uitvoering van de afpersing voor zijn rekening neemt, sluit dat de strafbaarheid van verdachte ter zake van art. 46 Sr niet uit. Voor strafbare voorbereiding geldt niet de eis dat de voorbereider het voornemen heeft zelf het (voorbereide) misdrijf (mede) te plegen. Of verdachte een potentiele (mede)pleger van de afpersing is doet derhalve niet ter zake. Machielse wijst er in dit verband terecht op dat ook in de memorie van toelichting wordt beklemtoond dat de voorbereider niet zelf bij de uitvoering van door hem of haar voorgenomen misdrijf betrokken behoeft te zijn.11

31. Dan het in cassatie herhaalde punt over de betekenis van de vaststelling dat [betrokkene 1] niet (met anderen) de (daadwerkelijke) uitvoering van de afpersing zou aanvangen en voltooien. Het optreden van [betrokkene 1] kan zonder twijfel worden gekarakteriseerd als een vorm van misleiding van verdachte nu hij kennelijk de daadwerkelijke realisering van het plegen van afpersing, gijzeling en vrijheidsberoving niet voor ogen had. Het antwoord op de begrijpelijke vraag van het hof of het optreden van [betrokkene 1] door beugel kan, ligt voor de hand. Of [betrokkene 1] al dan niet een strafbaar feit heeft gepleegd is echter niet bepalend voor de strafbaarheid van verdachte op grond van art. 46 Sr. Evenmin is bepalend dat de misdrijven ter voorbereiding waarvan de bewezenverklaarde handelingen plaatsvonden, niet konden worden voltooid. Aan de hand van dat criterium uit het eerder geciteerde arrest uit 2014 (randnummer 23) heeft het hof beslist dat niet bepalend voor de strafbaarheid van de voorbereiding is of een ander ( [betrokkene 1] ) (al dan niet met anderen) (nog) tot afpersing, gijzeling en vrijheidsberoving wil overgaan.12 Het gevaar voor dergelijke delicten is hiermee ook niet zonder meer verdwenen. De voorbereiding is niet absoluut ondeugdelijk geworden.13 Wellicht vindt verdachte iemand anders bereid. Het gevaar zit dus (mede) in de al gebleken bereidheid om de afpersing, gijzeling en vrijheidsberoving te (laten) plegen.14 Daarbij komt mijns inziens gewicht toe aan het karakter en de ernst van die bereidheid. Dat gevaar wordt hier toch wel uiterst serieus als zelfs het afsnijden van vingers als onderdeel van de voorgenomen uitvoering naar voren komt.15 Het zou hier alleen anders kunnen zijn als verdachte (al dan niet in samenspraak met [betrokkene 1] ) zich alsnog vrijwillig zou hebben teruggetrokken (art. 46b Sr). Voor zover ook in dit kader door de steller van de middel wordt herhaald dat de voorbereiding door verdachte niet strafbaar is omdat het initiatief uitsluitend bij [betrokkene 1] lag, verwijs ik naar de bespreking van het eerste middel.

32. Het tweede middel treft geen doel.

33. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering, terwijl dat voor het tweede middel minder voor de hand ligt.

34. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

35. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie voor dat toetsingskader ook J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Wolters Kluwer Deventer, p. 412-428.

2 HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213, NJ 2007/659.

3 HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1233, NJ 2014/338 m.nt. Rozemond.

4 Zie Noyon-Langemeijer-Remmelink (verder: NLR), aantek. 6 bij art. 46 Sr (bijgewerkt tot 26 mei 2015).

5 In de kern gaat het om zelfstandige zaken die informatie bevatten. Vgl. NLR, aantek. 5 bij art. 46 Sr (bijgewerkt tot 26 mei 2015). Een voorwerp als een stuk papier met tekst (briefje in jaszak HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9358, NJ 2004/400), met een tekening of plattegrond (HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1503, NJ 2015/450 m.nt. Reijntjes) wordt in de rechtspraak van de Hoge Raad aangemerkt als een informatiedrager. Ook een foto is een informatie dragend voorwerp. Zie ook T&C Sr, 12e druk, aantek. 5 bij art. 46 Sr (Pelser).

6 HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9358 [NJ 2004/400 m.nt. Reijntjes].

7 Zie Ars Aequi december 2010, p. 893, annotatie Prof. mr. E. van Sliedregt, Strafbare voorbereiding na Samir A. Daadwerkelijke voorbereiding. En: Ars Aequi Libri Strafrechtcahier, Voorbereidingshandelingen, Eerste druk, Eelke Sikkema, paragraaf 7.6 (p. 45 en verder): Paragraaf 7.6 is als bijlage aan de schriftuur gehecht.

8 Kamerstukken I 2006/2007, 30 164 D, p. 24. In dat kamerstuk staat letterlijk: ''Om een strafbare voorbereiding aan te nemen, zal vervolgens nog moeten worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk met het voorwerp een misdrijf heeft voorbereid."

9 NLR, aantek. 6 bij art. 46 Sr (bijgewerkt tot 26 mei 2015): “Het woord ‘kennelijk’ suggereerde volgens de minister dat het karakter van het voorwerp doorslaggevend zou zijn, maar zo’n interpretatie levert niet altijd aanvaardbare uitkomsten op. De minister wijst dan bijvoorbeeld op het feit dat wanneer geld wordt ingezameld voor een crimineel doel de bestemming van dat geld niet uit het karakter van het voorwerp is op te maken.”

10 HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1503, NJ 2015/450 m.nt. Reijntjes.

11 NLR, aantek. 2 bij art. 46 Sr (bijgewerkt tot 26 mei 2015) onder verwijzing naar HR 24 mei 1996, NJ 1996/587.

12 De steller van het middel wijst ook op de noot van G.P.M.F. Mols onder dit arrest uit 2014 in NbSr 2014/156.

13 Vgl. ook reeds AG Keijzer in zijn conclusie voor HR 18 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ5035: Het feit dat niet zeker is dat een voorwerp daadwerkelijk wordt gebruikt staat niet in de weg aan het aannemen van strafbare voorbereiding.

14 Zie ook A.N. Kesteloo, Strafbaarheid in de voorfase, Wolters Kluwer Deventer 2015, p. 50-53.

15 De Hullu, a.w., p. 420 gebruikt hier het woord compensatie: de ernstige abstracte gevaarzetting in de voorfase compenseert het ontbreken van concreet gevaar in de laatste fase.