Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:311

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
18/02713
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1054
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Mislukte ripdeal in een hotel in Zeist. Doodslag en poging doodslag op Colombianen. Het hof heeft wat betreft het beroep op noodweerexces bij het doodschieten van A overwogen dat niet aannemelijk is

geworden dat verdachte heeft geschoten ten gevolge van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de dreigende ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf (en dat van zijn medeverdachte). Maar in de bewijsmiddelen heeft het hof onder meer vastgesteld dat verdachte bang en in paniek was en met een arm voor zijn ogen heeft geschoten. Die tegenstrijdigheid moet al tot cassatie leiden. Voorts sluit volgens de AG “gericht schieten“ niet uit dat dat angstig en in paniek was. Het advies aan de Hoge Raad is het arrest te vernietigen wat betreft de beslissingen omtrent de bewezenverklaarde doodslag en de strafoplegging, zodat het hof daar opnieuw naar kan kijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/02713

Zitting 21 april 2020

CONCLUSIE

P.C. Vegter

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 19 juni 2018 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1.“doodslag”, 2. “poging tot doodslag”, 3. “medeplegen van afpersing” en 4: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot 14 jaren gevangenisstraf. Voorts zijn beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als nader in het arrest opgenomen.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mrs. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het gaat in het onderhavige geval, voor zover in cassatie van belang, om het volgende. Op 2 juni 2015 heeft in een hotel in Zeist een schietincident plaatsgevonden tussen enerzijds Colombianen en anderzijds de verdachte en zijn kompaan. Aangenomen kan worden dat er een conflict is ontstaan bij de handel in verdovende middelen. Uiteindelijk heeft de verdachte één van de Colombianen doodgeschoten en geschoten in de richting van twee andere Colombianen.

  4. Het eerste middel klaagt dat het hof het beroep op noodweer(exces) bij de feiten 1 en 2 op onjuiste, althans onbegrijpelijk gronden heeft verworpen.

  5. Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 bewezenverklaard dat:

1. “hij op 02 juni 2015 te Zeist, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk meermalen met een vuurwapen in de richting van voornoemde man geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde man is overleden”

2. “hij op 02 juni 2015 te Zeist, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte, meermalen met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] geschoten, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.”

6. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van politie Eenheid Midden-Nederland, proces-verbaalnummér PL0900-2015169100-3, d.d. 3 juni 2015 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] , brigadier van politie (pagina’s 131 en 132 van het politiedossier), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende: als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op woensdag 3 juni 2015 omstreeks 11.46 uur kregen collega’s van wijkteam Zeist/Bunnik opdracht te gaan naar het [A] aan de [a-straat] te Zeist in verband met een mogelijke onwelwording. (...) Tijdens het aanrijden werd door de meldkamer van de eenheid Midden-Nederland de locatie gewijzigd naar de [b-straat] te Zeist. Aldaar is een appartementencomplex gesitueerd die bij het [A] behoord. Ik ben samen met collega [verbalisant 2] aangekomen bij het appartementencomplex en werd door een blanke man met bril aangesproken. De man had het slachtoffer in een van de kamers aangetroffen en heeft 112 gebeld. (...) Bij kamernummer 302 zag ik voor de toegangsdeur een patroonhuls liggen. Deze man die voor mij aan was gelopen had inmiddels de deur van deze kamer geopend. (...) Op dat moment zag ik voor het aanwezige bed een tweede huls liggen. (...) Samen met de ambulancebroeder ben ik de kamer ingegaan om te bekijken of het slachtoffer nog een hartslag had. De broeder constateerde dat het slachtoffer al lijkstijfheid vertoonde. (...) De ambulancebroeder en ik troffen het slachtoffer aan in de badkamer. Ik zag dat het slachtoffer tussen de toiletpot en de muur was gevallen op zijn linkerzij. Ik zag dat het slachtoffer in het zwart gekleed was met een muts op zijn hoofd.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de Koninklijke Marechaussee, District Landelijke en Buitenlandse Eenheden, rnutatienummer PT27Qr/15-048041, d.d. 6 juni 2015 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , bieden wachtmeester 1e klasse der Koninklijke Marechaussee, documentdeskundigen (pagina’s 162 tot en met 166 van het politiedossier), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende: als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

Onderzocht Document:

(...)

Document : verblijfsvergunning

Land : Spanje

Nummer : [001] (...)

Ten name van:

Naam : [slachtoffer 1]

Voornamen : [slachtoffer 1]

Geboorteplaats : Colombia

Geboortedatum : [geboortedatum] 1978 (...)

Kenmerken:

Aan de onderzochte verblijfsvergunning zijn geen kenmerken van valsheid of vervalsing aangetroffen.

Conclusie:

De verblijfsvergunning is echt en onvervalst.

Onderzocht Document:

(…)

Document: nationaal rijbewijs

Land : Spanje

Nummer : [002] (...)

Ten name van:

Naam : [slachtoffer 1]

Voornamen : [slachtoffer 1]

Geboorteplaats : Colombia

Geboortedatum : [geboortedatum] 1978 (...)

Kenmerken:

Aan het onderzochte rijbewijs zijn geen kenmerken van valsheid of vervalsing aangetroffen.

Conclusie:

Het onderzochte rijbewijs is echt en onvervalst.

3. Het in de wettelijke Vorm opgemaakte proces-verbaal PV bevindingen identificatie [slachtoffer 1] van Team Grootschalige Opsporing (MD), onderzoek […] /

MDRAB15002, d.d. 18 juni 2015 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 5] , hoofdagent van politie, [verbalisant 6] , brigadier van politie, en [verbalisant 7] , brigadier van politie (pagina’s 167 tot en met 169 van het politiedossier), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als relaas van verbalisanten [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 7] :

Op dinsdag 16 juni 2015 werden wij, verbalisanten, gevraagd te gaan naar het mortuarium van het Meander ziekenhuis in Amersfoort in verband met een confrontatie en identificatie van de vermoedelijk genaamd zijnde overleden slachtoffer [slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum] 1978. (...)

Dezelfde dag omstreeks 16.00 uur troffen wij, [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , bij de informatiebalie van het Meander ziekenhuis een tweetal Spaans sprekende dames. (...) In het mortuarium troffen wij collega [verbalisant 5] , (...). Ik, [verbalisant 5] , heb uitgelegd dat wij vragen gaan stellen, ondanks de emoties en dat er een confrontatie gevolgd door identificatie zou plaats moeten gaan vinden. (...) Hierop heb ik, [verbalisant 5] , beide betrokken gevraagd om een identificatiebewijs. (...)

De vrouw die aangaf de vriendin van het overleden slachtoffer te zijn is genaamd: [betrokkene 1] , geboren [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] .

De meegekomen vriendin van [betrokkene 1] bleek te zijn genaamd:

[betrokkene 2] geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] .(...)

Vervolgens gaf [betrokkene 3] te kennen dat hij het slachtoffer in een afgesloten aansluitende kamer op zou baren ten behoeve van de conformatie c.q. identificatie. Korte tijd later gaf [betrokkene 3] aan dat het slachtoffer opgebaard lag in de afgesloten kamer. (...) Op het moment dat [betrokkene 1] de kamer inkeek en het slachtoffer zag liggen, hoorde ik haar zeggen, in de voor mij bekende Spaanse taal: “Mijn lieverd! Ik was naar je op zoek.” Of woorden van gelijke strekking. (...) Wij, verbalisanten, zagen beide betrokkenen huilen en emotioneel reageren. (...)

4. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 11 juni 2015, zaaknummer 2015.06.04.030, aanvraagnummer 001, opgemaakt door de beëdigd deskundige A. Maes, NFI-deskundige forensische pathologie, (pagina’s 188 tot en met 193 van het FO-dossier) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als relaas van rapporteur:

De persoon is dood aangetroffen te Zeist aan de [b-straat 1] op 2 juni 2015 omstreeks een onbekend tijdstip. (...) Volgens ontvangen inlichtingen werd het lichaam van deze onbekende man in de wc/doucheruimte van een hotel aangetroffen. Er waren letsel aan het lichaam en in de hotelkamer werden enkele kogelhulzen aangetroffen. Er werd sectie verzocht om de doodsoorzaak te onderzoeken. (...) Bij sectie werden als gevolg van twee bij leven opgelopen inschoten twee schotkanalen in het lichaam herleid en er werden twee kogels in het lichaam aangetroffen. Er was een schotkanaal door de romp van links naar rechts en voetwaarts met perforatie van de borstkas links en de linkerlong en er was perforatie van de buikholte. In de buikholte waren de maag, de alvleesklier, de aorta en de rechternier geraakt. Er was veel bloed verloren, zowel in de weke delen als in de vrije buikhotel. Het andere schotkanaal verliep vanaf de linkerlies naar de weke delen rechts achter het bekken (bil). In dit schotkanaal waren geen zichtbare grote bloedvaten geraakt. Er was wel veel bloedverlies in de weke delen naast het schotkanaal. Het overlijden kan goed worden verklaard als gevolg van massaal bloedverlies en algehele weefselschade door het opgetreden zuurstofgebrek door beide schotverwondingen tezamen. (...)

Conclusie

Deze onbekende man is overleden als gevolg van verwikkelingen van het bij leven opgelopen schotverwondingen.

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van politie Eenheid Midden-Nederland, proces-verbaalnummer PL0900-2015168419-10, d.d. 3 juni 2015 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 8] , brigadier van politie, en [verbalisant 9] , aspirant van politie (pagina’s 102 tot en met 104 van het politiedossier), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende: als relaas van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] :

Op dinsdag 02 juli omstreeks 19.10 uur werden wij, verbalisanten gestuurd naar het Antonius ziekenhuis Leidsche Rijn, gelegen aan de Soestwetering te Utrecht,(...) Wij, verbalisanten zagen dat de betreffende zwarte auto ons inhaalde. Wij, verbalisanten zagen dat het rechterachterportier van deze auto open ging en dat er een man min of meer uit de auto kwam vallen en naar voren strompelde. Hierop zijn wij, verbalisanten naar deze man gelopen. Wij, verbalisanten zagen dat hij zijn shirt omhoog trok en zagen dat er 2 gaten in zijn romp zaten. Deze gaten waren ongeveer 1 centimeter in doorsnede. Tevens zagen wij, verbalisanten een dezelfde soort gat in zijn rechterbovenarm zitten. Wij, verbalisanten zagen dat de man nog nauwelijks op zijn benen kon staan. (...) Aangekomen op de Spoedeisende Eerste hulp werd de man vrijwel direct een traumakamer ingereden. Ik, [verbalisant 8] , zag kort voordat de man daadwerkelijk deze kamer ingereden werd, een paspoort in de rechterbroekzak van de man. (...) Wij, verbalisanten hoorden van het behandeld medisch personeel dat de verdachte met spoed overgebracht zou gaan worden naar het Antonius ziekenhuisje Nieuwegein, alwaar hij direct geopereerd zou worden, Een van de dienstdoende verpleegsters bevestigde tegenover ons, verbalisanten, dat zij de verwondingen dat de verdachten in zijn lijf had, beschouwden als schotwonden.

6. Het niet ondertekende en derhalve als ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van bevindingen van politie Eenheid Midden-Nederland, proces-verbaalnummer PL090Q- 201569384-5, d.d. opgemaakt door [verbalisant 10] , brigadier van politie, en [verbalisant 11] , agent van politie (pagina 121 van het politiedossier), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende: als relaas van verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] :

Op woensdag 3 juni 2015 omstreeks 14.15 uur kregen wij de opdracht van de operationeel coördinator om te gaan naar het ziekenhuis Antonius, gelegen Koekoekslaan 1 te Nieuwegein. Aldaar moest op bevel van de officier van justitie mr. L. Linssen

[slachtoffer 2]

Geboren [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats]

worden aangehouden (...). Wij zijn vervolgens naar het ziekenhuis gegaan.

7. De geneeskundige verklaring opgemaakt door [betrokkene 4] , chirurg, d.d. 10 juli 2015 (pagina 128 van het politiedossier), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als medische informatie betreffende [slachtoffer 2] :

Op dinsdagavond 2 juni 2015 kreeg ik [slachtoffer 2] geboren op [geboortedatum] 1986, onder behandeling.

Hij had een in- en een uitschotwond aan de rechter onderarm zonder dat er tekenen waren van belangrijk vaat- of zenuwletsel. Tevens had hij twee inschotopeningen in de bovenbuik. Hij was goed aanspreekbaar en er waren geen tekenen van groot bloedverlies maar hij gaf wel pijn in de buik aan. Op een röntgenfoto’s waren twee kogels zichtbaar, beiden gelegen inwendig links tegen het bekken aan. Ik heb een spoedoperatie uitgevoerd en daarbij vastgesteld dat de dunne darm in totaal op zeven plaatsen was doorboord. Beperkt bloedverlies, geen tekenen van grote bloeding en geen andere orgaanschade. De beide kogels zaten vast in het weefsel tegen het bekken of zaten in het bot van het bekken, in ieder geval niet waarneembaar vanuit de geopende buik. Ik heb geen poging ondernomen deze kogels te verwijderen omdat ik daarmee onnodig grote schade zou kunnen veroorzaken. Twee delen dunne darm heb ik verwijderd én de darm weer aan elkaar gekoppeld. Daarmee waren alle perforatie openingen uit de buik verwijderd en was de darm weer gesloten. (...)

8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van politie Eenheid Midden-Nederland, proces-verbaalnummer PL0900-2015168430-22, d.d. 3 juni 2015 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 12] en [verbalisant 13] , beiden surveillant van politie (pagina 95 van het politiedossier), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als relaas van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 13] :

Op dinsdag 2 juni 2015 omstreeks 19:10 uur bevonden wij, verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 13] , ons in uniform gekleed en met toezicht belast op de openbare weg Utrechtseweg te De Bilt. Wij, verbalisanten, kregen de melding om te gaan naar de huisartsenpost op de Professor Lorentzlaan 76 te Zeist. Daar zou een man zijn binnengelopen met een schotwond in zijn buik. Ter plaatse sprak de beveiliger ons aan. Deze verklaarde het volgende: “Ik zag een man bij ons naar binnen lopen die voorover naar de grond keek en beiden handen op zijn buik hield. Ik zag dat er bloed op zijn shirt zat.” Ter plaatse werd de man behandeld door een arts welke aangaf de wond te herkennen als een schotwond. (...) De man is vervolgens overgebracht naar het UMC ziekenhuis te Utrecht. (...) Het slachtoffer is na aankomst bij het UMC direct de OK opgegaan voor een operatie.

Het slachtoffer bleek te zijn genaamd: (identiteit vastgesteld door middel van een Colombiaans rijbewijs en een Colombiaanse identiteitskaart) (...)

[slachtoffer 3] Geboren. [geboortedatum] -1967

9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte van politie Team Grootschalige Opsporing (MD), proces-verbaalnummer 2015169100, onderzoek […] / MDRAB15002, d.d. 17 juli 2015 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 14] , brigadier van politie, en [verbalisant 15] , aspirant recherchekundige van politie (pagina’s-564 tot en met 582 van het politiedossier), voor zover - zakelijk weergegéven - inhoudende: als weergave van het verhoor van verdachte [verdachte] :

V: Vragen verbalisanten

A: Antwoord verdachte

A: (...) We kwamen terug voor de deal in Zeist. (...) We kwamen aan voor het hotel waar we ook de vorige keer waren geweest. (...)

V: Hoe konden jullie daar naar binnen?

A: We volgden de Colombianen, een van hen deed deur open. We kwamen bij een kamerdeur. Hij klopte. We wachtten even en de deur ging open. (...)

We zijn binnen gekomen en de kennis is op de stoel aan de linkerkant gaan zitten.

En ik ben op het bed gaan zitten. Toen ging het heel snel. Een Colombiaan nam mij bij de schouder. “Kom naar de cocaïne kijken” zei hij. Hij brengt mij bij een tafel links bij de toilet. Er was een koffer half onder de tafel. Hij begint een pakket te openen. Ik kijk en ik zeg tegen de kennis: “Dit lijkt nep. Het is niet echt.” Op dat moment, neemt de Colombiaan me bij mijn hoofd en zegt: “Kijk en tel hoeveel kilo’s er zijn”. En de andere Colombiaan gaat naar mijn kennis en neemt een tas. Op het moment dat hij de tas pakt staat mijn kennis op. Ik volg hem naar de tas. Ik neem de tas uit zijn handen en meteen hoorde ik dat een van de twee Colombianen achter mij op de deur van de wc klopt. Ik weet niet welke van de twee klopte. Het was niet het geluid van de kamerdeur maar van de wc deur dat ik hoorde. Toen ik de tas pakte hoorde ik meteen kloppen. Die Colombiaan daar gaat naar de wc en de kennis volgt hem. De kennis schreeuwt: “Er is een wapen er is een wapen.” Ze waren met zijn tweeën en ze probeerden mij vast te pakken een van de twee had een bivakmuts. De kennis zegt tegen mij: “Neem snel het wapen uit de zwarte tas. Pak snel het wapen.” De kennis was aan het vechten met de Colombiaan.(...)

A: (...) Ik nam het wapen uit de tas. De kennis is rennend uit de wc gekomen. Hij heeft de Colombiaan van zich af kunnen doen. Hij rende uit de wc en ik raakte in paniek. Ik heb dat (maakt gebaar) gedaan en ik begon te schieten.

Noot verbalisant: Verdachte demonstreert hoe hij schoot. Hij doet zijn arm voor zijn ogen en strekt zijn andere arm uit. (...)

A: (...) Ik heb mijn hand op mijn hoofd gezet en ben begonnen te schieten. (...)

V: Wie van de personen in de kamer hadden wapens bij zich?

A: Alleen degene die de bivakmuts had, had een mitrailleur bij zich. Ik was zo (arm voor het hoofd) aan het schieten. Ik kan me alleen die persoon met de bivakmuts en de mitrailleur herinneren. (...)

A: (…) Toen ik de man met de bivakmuts zag werd ik echt bang.

V: Waar kwam die vandaan?

A: Toen de wc-deur openging heb ik hem gezien. Hij was al in de wc-kamer vanaf het begin.

V: Wat zag jij van zijn wapen, van de man met de bivakmuts?

A: Dat was een mitrailleur.

V : Hoe hield hij dat wapen?

A: Ze waren aan het vechten en de kennis was hem aan het overmeesteren dus ik weet het niet precies. (...)

V: Dus je had je arm gestrekt en je andere arm voor je ogen?

A: Ja dat klopt en tussendoor keek ik in een fractie van een seconde nog om me heen. (...)

V: Hoe vaak heb jij geschoten?

A: Ik wil niet liegen, ik weet het echt niet. In zo’n situatie heb je geen tijd om te tellen hoe vaak je schiet.

V: Wat voor wapen was het waarmee jij schoot?

A: een pistool mitrailleur.

10. Het proces-verbaal van de terechtzitting van dit gerechtshof d.d. 5 juni 2018, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

De voorzitter deelt mede dat de volgende stukken aan het dossier zijn toegevoegd:

Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht d.d. 13 en 14 juli 2017 in de zaak van [betrokkene 5] (16/700115-15).

11. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht d.d. 13 en 14 juli 2017, in de zaak van medeverdachte [betrokkene 5] (16/700115-15), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende: als verklaring van getuige [verdachte] :

Het wapen was van mij. (...) Dat wapen was van mij en ik was de enige die daar vanaf wist. (...) We zijn naar het appartement gegaan om een deal te sluiten, om 20 kilo cocaïne te kopen. Eigenlijk ging het meteen al mis. Alles is heel snel gegaan. De Colombianen waren op een rare manier opgesteld. Ik hoorde kloppen. Een van de Colombianen liep naar het toilet, gevolgd door de verdachte. Toen kwam er een man met een bivakmuts en een wapen en werd er gevochten. Toen ik de Colombiaan zag aankomen die de deur opendeed, zag ik meteen de man met de bivakmuts en het wapen. De verdachte ging er meteen op af. (...) Toen ik de man met de bivakmuts en de verdachte zag vechten en zag dat de man met de bivakmuts een wapen had, heb ik maar geschoten. De verdachte heeft mij niet gevraagd om te schieten. (...) Het wapen dat ik bij mij had was een pistool mitrailleur, type Scorpion. De man met de bivakmuts had ook een wapen in zijn hand toen hij met de verdachte aan het vechten was. Ik heb toen geschoten. (...). Ik had beide wapens in de zwarte tas. Ik heb de Scorpion uit de tas gehaald toen het gevecht tussen de verdachte en de Colombiaan gaande was. Het andere wapen hield ik in mijn andere hand, maar daar heb ik niet mee geschoten. Ik heb meteen beide wapens uit de tas getrokken. (...) Ik heb met een vuurwapen geschoten. Ik heb niet alleen geschoten op de man waarmee de verdachte aan het worstelen was, maar ook op de anderen. Ik was bang dat zij ook gewapend waren. Ik had de Scorpion in mijn rechterhand en daarmee heb ik geschoten.

12. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 15 december 2017, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende: als verklaring van [betrokkene 5] :

U zegt toen we in het appartement waren. U vraagt of het klopt dat [verdachte] in de koffer met drugs heeft gekeken. Ja dat klopt. De Colombiaan heeft laten zien hier zijn de drugs. Hij deed de koffer open en direct weer dicht. Er kwam een Colombiaan. Die had de tas gepakt die op de grond lag bij mijn voeten. De Colombiaan is gaan lopen met de tas in zijn hand naar het toilet toe. De Colombiaan liep van de stoel naar de ingang. Ik liep ook zo. Daar hoorde ik geklop. (...) De Colombiaan pakte de tas, liep naar de uitgang, toen hoorde ik geklop. Toen kwamen gewapende mannen binnen en toen ben ik met hen gaan vechten. De gewapende mannen kwamen uit de badkamer. De tas die de Colombiaan bij mijn voeten wegpakte was de tas met het geld. Ik heb twee mannen gezien, zij hadden een bivakmuts op. (...) Ik heb gezegd: ‘Er zijn gewapende mannen, er zijn gewapende mannen”. Ik heb gevochten met de twee Colombianen in de badkamer. Er was een Colombiaan voor mij en een die mij sloeg. Dat waren de Colombianen met de bivakmutsen. Ik schreeuwde: “Er zijn mannen, gewapende mannen”. Ik heb gevochten en toen heeft meneer [verdachte] geschoten.

13. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 5 juni 2018, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Toen de man met de bivakmuts uit de WC kwam heb ik geschoten. (...) Ik heb de beide wapens uit de tas gepakt op het moment dat ik de man met de bivakmuts en het wapen zag. Ik heb alleen met het automatische vuurwapen geschoten.”

7. De in het middel bedoelde verweren heeft het hof als volgt verworpen:

“Toedracht

Voor het vaststellen van de feiten en omstandigheden gaat het hof uit van de verklaring die verdachte op 17 juli 2015 bij de politie heeft afgelegd, de verklaring die verdachte in de strafzaak in eerste aanleg van de medeverdachte [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ) op 13 - 14 juli 2017 als getuige heeft afgelegd en de verklaring die medeverdachte [betrokkene 5] heeft afgelegd als getuige in de strafzaak van verdachte op 15 december 2017 bij de raadsheer- commissaris.

Op 2 juni 2015 heeft er in een hotel in Zeist een ontmoeting plaatsgevonden tussen verdachte en medeverdachte [betrokkene 5] enerzijds en een aantal Colombianen anderzijds. Verdachte en zijn medeverdachte wilden 20 kilo cocaïne kopen van de Colombianen. Verdachte had twee vuurwapens bij zich, waaronder een Zastava machinepistool. De sfeer was gespannen, aldus verdachte en er stonden twee Colombianen geposteerd voor de deur van de hotelkamer.

Eenmaal in de hotelkamer liet een-van de Colombianen verdachte een korte blik werpen op pakketjes verpakt in een koffer, daarna pakte de Colombiaan de tas waarin - naar verdachte zegt - het geld gestopt was. Deze tas werd weer door verdachte teruggepakt. Pal daarop liep een van de Colombianen naar de deur van de badkamer/toilet en hoorde verdachte kloppen op een deur. Uit de badkamer/toilet kwam vervolgens een man met een bivakmuts op (Hof: [slachtoffer 1] ). [betrokkene 5] ging op de man af en er ontstond een worsteling tussen hen. [betrokkene 5] riep daarbij tot tweemaal toe, dat de man bewapend was. Meteen daarop heeft verdachte geschoten met zijn Zastava machinepistool, niet alleen op de man waarmee [betrokkene 5] worstelde maar ook op de andere Colombianen.

Het hof acht de verklaring van verdachte dat de man met de bivakmuts het wapen op hem richtte, niet geloofwaardig. Verdachte heeft dit voor het eerst verklaard ter zitting in hoger beroep, en het wordt niet aannemelijk geacht dat de man met de bivakmuts zijn wapen op verdachte richtte terwijl hij worstelde met [betrokkene 5] .

Naast de dodelijk getroffen man met de bivakmuts is een stroomstootwapen aangetroffen en een bivakmuts. Er kan dus niet onomstotelijk worden vastgesteld dat de man met de bivakmuts een vuurwapen had. Het hof gaat er wel van uit dat verdachte geloofde dat er sprake was van een vuurwapen.

Beroep op noodweer ten aanzien van feit 1

Wat betreft de man met de bivakmuts is aannemelijk geworden dat sprake was van een dreigend gevaar van een wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf en van [betrokkene 5] lijf. Het hof is echter van oordeel dat de door verdachte gekozen verdediging - het onmiddellijk, zonder aarzeling meteen afvuren van meerdere kogels richting de man met de bivakmuts - in de gegeven omstandigheden niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van de dreigende aanranding van [betrokkene 5] en verdachte, te weten het enkel voorhanden hebben van een (vuur)wapen. Een en ander heeft immers plaatsgevonden in een milieu waarin het niet ongebruikelijk is dat betrokkenen wapens bij zich dragen, getuige ook het feit dat verdachte zelf twee wapens had meegenomen naar de ontmoeting met de Colombianen. Verdachte mocht er dan ook niet zonder meer van uit gaan dat er bij het te voorschijn komen van een vuurwapen meteen geschoten zou gaan worden. Temeer niet nu [betrokkene 5] zijn belager, de man met de bivakmuts, naar de bewoordingen van verdachte (verklaring 17 juli 2015) aan het overmeesteren was.

Nu de gekozen verdediging niet geboden was, wordt het beroep op noodweer ten aanzien van feit 1 verworpen.

Beroep op noodweerexces ten aanzien van feit 1

Verdachte heeft verklaard dat hij in paniek met een arm voor zijn ogen geschoten heeft. Het hof vindt deze verklaring niet aannemelijk. Forensisch onderzoek heeft uitgewezen dat er minimaal 5 keer door verdachte geschoten is en dat alle aangetroffen projectielen in de lichamen van de getroffen Colombianen en in de hotelkamer aangetroffen hulzen afkomstig kunnen zijn uit het door verdachte gehanteerde Zastava machinepistool. In de hotelkamer zijn geen (kogel-)beschadigingen aangetroffen dan enkel één in de post van de badkamer/toiletdeur. Dit alles wijst veeleer op een gericht en beheerst schieten.

Aldus is volgens het hof niet aannemelijk geworden dat verdachte heeft geschoten ten gevolge van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de dreigende ogenblikkelijke aanranding van zijn en [betrokkene 5] lijf.

Het beroep op noodweerexces wordt derhalve verworpen.

Beroep op noodweer ten aanzien van feit 2

Wat betreft de andere twee mannen waarop verdachte heeft geschoten is er naar oordeel van het hof geen sprake geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij op de andere mannen heeft geschoten, omdat hij bang was dat zij ook gewapend waren. Verdachte heeft niet gezien of de andere mannen ook wapens hadden. De enkele vrees dat deze mannen op hem zouden gaan schieten is onvoldoende om een noodweersituatie aannemelijk te achten. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Beroep op noodweerexces ten aanzien van feit 2

Het feit dat naar het oordeel van het hof geen sprake is geweest van een noodweersituatie staat ook een beroep op noodweerexces in de weg. Het beroep op noodweerexces kan reeds daarom niet slagen. Het beroep wordt verworpen.”

8. De stellers van het middel achten het oordeel van het hof met betrekking tot het beroep op noodweer bij feit 1 onjuist, althans onbegrijpelijk. Volgens de stellers van het middel is het oordeel van het hof dat het schieten met een pistoolmitrailleur op [slachtoffer 1] (verder: het slachtoffer) niet in verhouding staat met de situatie toen en daar ter plekke onjuist, althans onbegrijpelijk.

9. De verdediging (te weten door: schieten met een pistoolmitrailleur) ‘enkel’ tegen het voorhanden hebben van een vuurwapen is volgens het hof gegeven de omstandigheden disproportioneel. Twee omstandigheden worden door het hof geëxpliciteerd: (1) verdachte handelde in een omgeving (milieu) waarin het voorhanden hebben van een vuurwapen niet ongebruikelijk is; verdachte mocht er dan ook niet zonder meer van uit gaan dat er bij het te voorschijn komen van een vuurwapen meteen geschoten zou gaan worden (2) medeverdachte [betrokkene 5] was het slachtoffer aan het overmeesteren. In de schriftuur van cassatie onder 1.12 wordt de redengevende kracht van die beide omstandigheden betwist.

10. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof het oog op alle omstandigheden van het geval en niet de slechts op de twee uitdrukkelijk vermelde. Daarin ligt besloten dat het hof ook het oog heeft op omstandigheden als: verdachte weet dat hij met illegale handel bezig is; hij bewapent zich tevoren met niet zomaar een pistool, maar met een automatisch pistool; het slachtoffer heeft het vuurwapen niet op verdachte gericht. Dat betekent dat verdachte hoe dan ook niet zomaar in een situatie terecht komt dat de onderhavige wijze van verdediging volgens hem nodig is. Wat hier is gebeurd is geen toeval; verdachte stapte bewust in een illegale drugshandel met daarbij horende veiligheidsmaatregelen en kon daar rekening mee houden. Het lijkt er op dat de stellers van het middel menen dat het hof deze ‘overige’ omstandigheden niet in de beoordeling heeft betrokken. Dat is echter wel het geval en in zoverre faalt het middel al omdat het feitelijke grondslag mist.

11. Tegen de eerste door het hof uitdrukkelijk vermelde omstandigheid wordt in de schriftuur ingebracht: “Gelet op het milieu waarin een en ander heeft plaatsgevonden is het immers nu juist ook (en helaas) gebruikelijk, althans niet ongebruikelijk om een meegenomen vuurwapen daadwerkelijk te gebruiken.” In feitelijke aanleg is niet aangevoerd dat verdachte gelet op het milieu waarin een en ander plaatsvond er min of meer op rekende dat het slachtoffer het wapen zou gebruiken. De motivering van het hof schiet dus (anders dan de stellers van het middel kennelijk menen) niet te kort omdat een antwoord op een cruciale stelling in feitelijke aanleg zou ontbreken. Bovendien staat de zojuist uit de schriftuur geciteerde tegenwerping op zichzelf niet in de weg aan het uitgangspunt van het hof dat verdachte handelde in een omgeving waarin het voorhanden hebben van een vuurwapen niet ongebruikelijk is. Het is geenszins onbegrijpelijk dat het hof anders dan de stellers van het middel niet tot uitgangspunt heeft genomen dat het tevens gebruikelijk, althans niet ongebruikelijk is dat er met een wapen dat iemand voorhanden heeft daadwerkelijk wordt geschoten. Voor zover de stellers van het middel menen dat iemand die een vuurwapen heeft dat gewoonlijk in een crimineel milieu dan ook maar onmiddellijk gebruikt, gaat mij dat te ver.

12. Voor zover de stellers van het middel tegen de tweede door het hof uitdrukkelijk vermelde omstandigheid in willen brengen dat de vaststelling van het hof dat [betrokkene 5] het slachtoffer aan het overmeesteren was in strijd is met de bewijsmiddelen waaruit blijkt dat er sprake was van een worsteling volg ik dat niet. Van tegenstrijdigheid is geen sprake nu het hof er kennelijk vanuit is gegaan dat de worsteling in een stadium was gekomen dat het slachtoffer werd overmeesterd. Het oordeel van het hof dat in dat stadium verdediging door te schieten met een automatisch pistool niet (meer) nodig is, acht ik niet onjuist of onbegrijpelijk.

13. Als ik het slot van de toelichting op het middel onder 1.12 goed begrijp wordt tevens geklaagd over de vaststelling van het hof dat er geen sprake was van een feitelijke aantasting, maar -in de woorden van het hof - dat er voor wat betreft “de man met de bivakmuts is aannemelijk geworden dat sprake was van een dreigend gevaar van een wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf en van [betrokkene 5] lijf.” Ik kan mij met de stellers van het middel wel iets voorstellen bij een gedeeltelijke kwalificatie van het handelen van het slachtoffer als feitelijke aantasting namelijk voor zover het de aanranding van het lijf van [betrokkene 5] betrof. Van een fysieke aantasting van het lijf van verdachte is echter geen sprake geweest. Dat heeft het hof kennelijk in de bestreden formulering het zwaarst laten wegen. Overigens zie ik niet welk belang verdachte hier heeft om het gedrag van het slachtoffer jegens [betrokkene 5] alsnog aan te merken als een feitelijke fysieke aantasting. Grond voor cassatie is het niet nu het hof zowel het handelen van het slachtoffer jegens [betrokkene 5] als jegens verdachte heeft gekwalificeerd als een ogenblikkelijke aanranding als bedoeld in art. 41, eerste lid, Sr.

14. Het oordeel van het hof dat gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden het schieten op het latere slachtoffer niet in redelijke verhouding staat met de (dreigende) situatie, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd. In zoverre faalt het middel.

15. Dan de klacht over de verwerping van het beroep op noodweerexces bij feit 1. Bij ontbrekende proportionaliteit van de verdediging is er ruimte voor een beroep op het exces, indien tenminste aan de andere voorwaarden die in art. 41, tweede lid, Sr zijn vervat, is voldaan. Daartoe behoort de aanwezigheid van een hevige gemoedsbeweging ten gevolge van de (dreigende) aanranding. Het handelen van verdachte moet van die hevige gemoedsbeweging het onmiddellijke gevolg zijn geweest.1 De stellers van het middel wijzen er in punt 1.13 van de schriftuur op dat het oordeel van het hof dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte heeft geschoten ten gevolge van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de dreigende ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn en [betrokkene 5] lijf onbegrijpelijk is en in strijd is met hetgeen het hof zelf in de bewijsmiddelen heeft vastgesteld, te weten dat verdachte bang was en met een arm voor zijn ogen heeft geschoten, in paniek was en in de situatie ook geen tijd heeft gehad om te tellen hoe vaak er is geschoten.2

16. De verwerping door het hof van het beroep op noodweerexces bij feit 1 begint als volgt: “Verdachte heeft verklaard dat hij in paniek met een arm voor zijn ogen geschoten heeft. Het hof vindt deze verklaring niet aannemelijk.” Hoewel het hof die verklaring niet aannemelijk acht is deze in bewijsmiddel 9 opgenomen en dus voor het bewijs gebruikt. Dat laat zich niet met elkaar rijmen. Volgens het bewijsmiddel heeft verdachte in paniek met een arm voor zijn ogen geschoten en volgens de feitenvaststelling in het kader van de verwerping van het verweer juist niet. Al hierom slaagt het middel.

17. Daar komt nog wat bij. Bij de verwerping van het verweer baseert het hof het oordeel dat niet in paniek met een arm voor de ogen is geschoten op forensisch onderzoek. Uit dat onderzoek wordt afgeleid dat verdachte gericht heeft geschoten. Dan komt de vraag op of gericht schieten inderdaad uitsluit dat er is geschoten, terwijl of omdat verdachte bang (angst) of in paniek was. Het komt mij voor dat van absolute uitsluiting van gericht schieten door angst geen sprake hoeft te zijn. Het behoeft dan toelichting waarom angst en/of paniek en gericht schieten zich in een concreet geval niet met elkaar verdragen. Immers het gericht schieten sluit zonder ontbrekende toelichting nog niet zonder meer uit dat er sprake was van een hevige gemoedsbeweging als angst en/of paniek.

18. De klacht over de verwerping van het beroep op noodweerexces bij feit 1 treft doel en in zoverre slaagt het middel.

19. Wat betreft de gemotiveerde beslissing van het hof op het beroep op noodweer(exces) bij feit 2, de poging tot doodslag op de twee andere Colombianen, geldt het volgende.

20. Volgens de stellers van het middel is het hof bij de verwerping daarvan uitgegaan van een te beperkt aanrandingsbegrip.

21. Het hof heeft geoordeeld dat er voor het schieten op de in feit 2 genoemde Colombiaanse mannen geen voorafgaande(dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van die mannen bestond omdat verdachte heeft verklaard dat hij op de andere mannen heeft geschoten, omdat hij bang was dat zij ook gewapend waren. Verdachte heeft echter niet gezien of de andere mannen ook wapens hadden. Het hof heeft daarmee kennelijk voor ogen gehad dat de (dreigende) aanranding enkel en alleen kwam van de Colombiaan met het vuurwapen in de hand en de bivakmuts op (slachtoffer van feit 1), terwijl bij de andere twee Colombianen een wapen niet zichtbaar was. Er is niet gesteld noch aannemelijk geworden dat deze twee Colombianen de verdachte of zijn medeverdachte aanrandden. Anders dan de stellers van het middel zonder nadere toelichting betogen, brengt de enkele omstandigheid dat beide mannen deel uitmaakten van “de tegenpartij” nog niet met zich dat ook zij de verdachte of zijn medeverdachte aanrandden en dat tegenover hen een verdediging noodzakelijk was.

22. Het beroep op noodweer is in het kader van feit 2 op goede gronden verworpen. Nu er ten aanzien van deze twee Colombianen geen sprake is van ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding kan ook een beroep op noodweerexces niet slagen.

23. Voor zover in het middel wordt geklaagd over het beroep op noodweer(exces) met betrekking tot feit 2, is het tevergeefs voorgesteld.

24. Het tweede middel klaagt terecht over de overschrijding van de redelijke termijn. Nu het eerste middel deels slaagt zie ik geen aanleiding dit middel nader inhoudelijk te bespreken. Na terugwijzing kan het hof bij de strafoplegging met de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie rekening houden.

25. Het eerste middel slaagt deels, het middel is voor het overige tevergeefs voorgesteld en het tweede middel behoeft geen bespreking.

26. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen wat betreft de beslissingen inzake feit 1 en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak in zoverre naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie ook het overzichtsarrest HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:517, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond. Voorts De Hullu, Materieel strafrecht, 7e druk, p. 332.

2 Verwezen wordt naar HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3171 en HR 10 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1307.