Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:31

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-01-2020
Datum publicatie
29-01-2020
Zaaknummer
18/05175
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:437
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Niet-ontvankelijk verklaring in hoger beroep. Art. 453 lid 1 Sv. Interpretatie van de schriftelijke intrekking van hoger beroep door de verdachte, die bij brief afstand doet van een inbeslaggenomen auto en daarbij schrijft "deze was in hoger beroep, maar ook hoger beroep trek ik hierbij in”. De AG stelt zich op het standpunt dat, hoewel ook een andere uitleg mogelijk is, het oordeel van het hof dat de strafgriffie de brief van de verdachte kon en mocht verstaan als een bijzondere volmacht tot het intrekking van hoger beroep, niet onbegrijpelijk is. Ook van bijzondere omstandigheden die aanleiding hadden moeten geven tot het oordeel dat geen sprake was van een geldige intrekking, is volgens de AG geen sprake. De AG adviseert het cassatieberoep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05175

Zitting 28 januari 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1.

De verdachte is bij arrest van 5 december 2018 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij vonnis van 10 maart 2017 de verdachte wegens “overtreding van art. 9 lid 2 WVW 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken. Ook heeft de rechtbank een personenauto verbeurd verklaard.

1.2.

In deze zaak is de verdachte door de politierechter veroordeeld wegens rijden in een auto zonder geldig rijbewijs. De politierechter heeft daarnaast de auto, die toebehoorde aan zijn vrouw, verbeurd verklaard. De raadsman heeft op de dag van het vonnis, 10 maart 2017, namens de verdachte hoger beroep ingesteld, waarbij tevens een grievenformulier is ingevuld. Vervolgens is op 14 juni 2018 een brief, ondertekend door de verdachte en zijn vrouw, binnengekomen bij de strafgriffie van de rechtbank waarin zij kort gezegd schrijven afstand te doen van de auto, met de toevoeging “deze was in hoger beroep, maar ook hoger beroep trek ik hierbij in”. Naar aanleiding hiervan heeft de strafgriffie een akte intrekking hoger beroep opgemaakt. Daarna is op 26 juni 2018 door de raadsman van de verdachte een e-mailbericht verstuurd naar de rechtbank waarin te kennen wordt gegeven dat het verzoek tot intrekking enkel zag op de verbeurdverklaring van de auto. Ook ter terechtzitting is betoogd dat het niet de bedoeling was geweest van de verdachte om het hoger beroep integraal in te trekken en dat sprake was van een bijzondere omstandigheid. Het hof heeft geoordeeld dat de strafgriffie van de rechtbank de brief van 14 juni 2018 kon en mocht verstaan als een bijzondere volmacht tot het intrekken van het hoger beroep en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

1.3.

Het cassatieberoep is ingesteld1 namens de verdachte en mr. R.J.M. Oerlemans, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft één middel van cassatie voorgesteld, dat zich richt tegen de niet-ontvankelijk verklaring van de verdachte in zijn hoger beroep.

2 Het middel

2.1.

Het middel bevat de klacht dat het hof het verweer dat de brief van de verdachte van 14 juni 2018 niet kon worden verstaan als een bijzondere volmacht tot het intrekken van het hoger beroep, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

2.2.

De brief van 14 juni 2018 houdt, blijkens het bestreden arrest, het volgende in:

“ “parketnummer 9624242216

“ na telefonisch contact, schrijf ik u deze brief, waarin zowel [betrokkene 1] , als ik, [verdachte] , u willen laten weten dat wij afstand doen van de inbeslaggenomen auto, een Mazda met kenteken [kenteken] . Deze was in hoger beroep, maar ook hoger beroep trek ik hierbij in (cursivering hof).”

2.3.

Het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2018 houdt het volgende in:

“ “De voorzitter deelt mede:

“ Het hof zal zich allereerst dienen te buigen over de vraag of de verdachte ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep. De politierechter Zeeland- West-Brabant, locatie Breda, heeft de verdachte op 10 maart 2017 ter zake van overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken. Namens de verdachte is op diezelfde dag hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis, waarbij tevens een grievenformulier is ingediend. Vervolgens is op 14 juni 2018 een brief ondertekend door verdachte en zijn vrouw binnengekomen, waarin onder meer is geschreven ‘... maar ook hoger beroep trek ik hierbij in ’. Naar aanleiding van deze brief heeft de griffie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant een akte intrekking hoger beroep opgemaakt. Vervolgens heeft de raadsman van verdachte op 26 juni 2018 een e-mailbericht gericht aan [betrokkene 2] , administratief medewerker bij de rechtbank Zeeland-West- Brabant, gestuurd waarin te kennen wordt gegeven dat het verzoek tot intrekking enkel zag op de verbeurdverklaring van de onder verdachte inbeslaggenomen auto en niet op het gehele door verdachte ingestelde hoger beroep.

“ De verdachte verklaart desgevraagd:

“ De brief van 14 juni 2018 is geschreven door mijn partner en haar buurvrouw. Mijn partner vertelde mij dat zij met mijn advocaat had gebeld en dat hij haar had geadviseerd om een brief naar de rechtbank te sturen met de mededeling dat ik afstand zou doen van de inbeslaggenomen auto. Daarna zou de auto kunnen worden geschorst en zou de verplichting tot het betalen van belasting komen te vervallen. Ik heb in de brief enkel gelezen dat hierin stond vermeld dat ik afstand zou doen van de auto. Indien dit niet het geval was geweest, had ik de brief nooit ondertekend. Vanwege de scheiding had ik veel gezeik aan mijn hoofd. Ik dacht dat als ik snel de brief zou ondertekenen, het afgelopen zou zijn met het gezeur over de auto. Het was niet mijn bedoeling om het gehele hoger beroep in te trekken.

“ U, voorzitter, vraagt mij waarom ik voordat ik de brief heb ondertekend geen contact heb opgenomen met mijn raadsman. Ik heb geen contact met mijn raadsman opgenomen, omdat mijn vrouw aangaf dat zij mijn raadsman al had gebeld en dat het zijn advies was om een brief op te stellen waarin ik afstand deed van de auto. Dan is het klaar en hoef ik mijn raadsman niet meer te bellen. Mijn vrouw heeft ook gezegd dat zij niet wist dat door deze brief het gehele hoger beroep zou worden ingetrokken. Mijn vrouw heeft de brief van 14 juni 2018 opgestuurd, omdat ik vanwege de ziekte van mijn broer steeds naar Turkije moest afreizen. Mijn raadsman deed niets.

“ De raadsman deelt mede:

“ Ik persisteer bij hetgeen ik in de brief van 26 juni 2018 heb gesteld. De daarbij gevoegde productie 4 betreft alle e-mails die ik namens de partner van cliënt heb geschreven. Ik heb haar 5 à 6 keer aan de telefoon gehad en ik heb haar medegedeeld dat nu de zaak in hoger beroep loopt, ik niets voor haar kan betekenen. Uiteindelijk heb ik haar geadviseerd om een brief op te stellen gericht aan de strafgriffie van de rechtbank Breda waarin vermeld staat dat cliënt afstand doet van de inbeslaggenomen auto en waarin wordt verzocht om een vrijwaringsbewijs.

“ Cliënt heeft in totaal tegen drie vonnissen, waarbij een gevangenisstraf was opgelegd, hoger beroep ingesteld. Het eerste hoger beroep is behandeld door de kamer Van Es. Het tweede appel heeft gediend voor de kamer van mr. Gründemann.

“ Destijds heb ik echter verzocht om alle drie de zaken tegelijk te behandelen. Het hof heeft mij middels een brief te kennen gegeven dat dit niet mogelijk was, omdat zij het dossier in de onderhavige zaak nog niet binnen hadden. Waren de zaken destijds wel gelijktijdig behandeld, dan hadden wij dit gezeur van vandaag niet gehad.

“ De advocaat-generaal deelt desgevraagd mede:

“ Gelet op de toelichting van de raadsman, ben ik van mening dat alhoewel verdachte heel onnozel is geweest om de brief van 14 juni 2018 te ondertekenen zonder eerst contact op te nemen met zijn raadsman, hij duidelijk niet de intentie heeft gehad om het namens hem ingestelde hoger beroep in te trekken. Ik verzoek uw hof dan ook om verdachte ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep.

“ De raadsman deelt mede:

“ Naar aanleiding van mijn e-mailbericht van 26 juni 2018 heeft [betrokkene 2] de intrekking hoger beroep uit het systeem gehaald, zodat de tenuitvoerlegging van het vonnis van de Politierechter een halt werd toegeroepen. Cliënt en zijn vrouw zijn al maanden bezig met de inbeslaggenomen auto.

“ Daarnaast blijkt uit het feit dat verdachte in twee andere strafzaken eveneens hoger beroep heeft ingesteld, met als doel om in het kader van de straftoemeting een werkstraf opgelegd te krijgen in plaats van een gevangenisstraf, dat hij het onderhavige appel niet wilde intrekken. In de eerste twee hoger beroepzaken zijn de in eerste aanleg opgelegde straffen omgezet in een andere strafmodaliteit. Dit betreft het laatste appel in rij.

“ Blijkens artikel 453 jo. 454 van het Wetboek van Strafvordering is in de regel een intrekking van het hoger beroep een intrekking, tenzij sprake is van een bijzondere omstandigheid. In mijn brief gericht aan [betrokkene 2] heb ik uitgelegd waarom in de onderhavige zaak sprake is van een dergelijke omstandigheid. De verdediging is van mening dat gelet op al het voorgaande, cliënt ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep.

“ De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad.

“ Het onderzoek wordt hervat.

“ De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.

“ De voorzitter spreekt het arrest uit:

“ Het hof is van oordeel dat verdachte het namens hem ingestelde hoger beroep heeft ingetrokken. Verdachte heeft op 14 juni 2018 een brief verzonden naar de griffie. Gelet op de inhoud van deze brief, is het hof van oordeel dat de strafgriffie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, deze mededeling kon en mocht verstaan als een bijzondere volmacht tot het intrekken van het hoger beroep. Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep ook bevestigd dat hij de betreffende brief heeft ondertekend. Tenslotte geldt dat blijkens het uittreksel van de justitiële documentatie d.d. 25 september 2018 verdachte in de loop van de jaren veelvuldig te maken heeft gehad met delicten als de onderhavige zodat hij geacht moet worden voldoende op de hoogte te zijn met de regels van het strafproces.

“ Het is hof is daarom van oordeel dat verdachte het hoger beroep rechtsgeldig heeft ingetrokken, waardoor er in hoger beroep geen zaak is. Een en ander zal nog duidelijk schriftelijk worden vastgelegd.”

2.4.

Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, in:

“ “Het hof is van oordeel dat de in de brief van 14 juni 2018 gedane mededeling dusdanig duidelijk is verwoord dat de strafgriffie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, deze mededeling kon en mocht verstaan als een bijzondere volmacht tot het intrekken van het hoger beroep. Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep ook bevestigd dat hij de betreffende brief heeft ondertekend. Tenslotte geldt dat blijkens het uittreksel van de justitiële documentatie d.d. 25 september 2018 verdachte in de loop van de jaren veelvuldig te maken heeft gehad met delicten als de onderhavige zodat hij geacht moet worden voldoende op de hoogte te zijn met de regels van het strafproces.

“ Hetgeen door en namens de verdediging verder is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Gelet op voorgaande is het hof van oordeel dat het namens verdachte ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 10 maart 2017 is ingetrokken overeenkomstig de vereisten van artikel 453 jo. 454 van het Wetboek van Strafvordering. Nu het onderzoek ter terechtzitting desondanks was aangevangen met het uitroepen van de zaak, zal het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.”

2.5.

De volgende wetsbepalingen zijn van belang:

“ “Art. 450 lid 1 sub b Sv:

“ 1. Het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, kan ook geschieden door tussenkomst van:

“ (…)

“ b. een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd.

“ Art 451 lid 1 Sv:

“ 1. Van iedere verklaring of inlevering, als bedoeld in de beide voorgaande artikelen, maakt de griffier eene akte op, die hij met dengene, die de verklaring aflegt of het bezwaarschrift inlevert, onderteekent. Indien deze niet kan teekenen, wordt de oorzaak van het beletsel in de akte vermeld. De griffier vraagt aan degene die de verklaring aflegt, naar het adres in Nederland waaraan de dagvaarding of oproeping voor de terechtzitting kan worden toegezonden.

“ Art. 453 lid 1 Sv:

“ 1. Uiterlijk tot den aanvang der behandeling van het beroep of bezwaarschrift kan degene door wien het rechtsmiddel is aangewend, dat intrekken. Deze intrekking brengt mede afstand van de bevoegdheid om het rechtsmiddel opnieuw aan te wenden.

“ Art. 454 lid 1 en lid 3 Sv:

“ 1. Intrekking en afstand geschieden door eene verklaring, af te leggen op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven of de handeling is verricht.

“ (…)

“ 3. De artikelen 450 en 451 zijn van overeenkomstige toepassing.”

2.6.

Vooropgesteld moet worden dat een eenmaal ingesteld rechtsmiddel tot de aanvang van de behandeling kan worden ingetrokken door degene die het heeft aangewend.2 Een dergelijke intrekking kan ook geschieden door een schriftelijke bijzondere volmacht te verlenen aan de griffiemedewerker. Met de intrekking wordt ook afstand gedaan van de bevoegdheid tot het instellen van het rechtsmiddel. Een dergelijke intrekking is dus in beginsel onherroepelijk en kan niet meer worden teruggedraaid. Dit is slechts anders als bijzondere omstandigheden aanleiding geven tot het oordeel dat de intrekking van het hoger beroep, en de daarmee gedane afstand, niet kan gelden als intrekking in de zin van de art. 453-455 Sv.3 Daarvan is niet snel sprake. Een voorbeeld van zo’n bijzondere omstandigheid is te vinden in HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:521 (art. 81 RO), waarin de raadsman van de verdachte het ingestelde cassatieberoep had doen intrekken en het direct daarna weer had doen instellen, uitsluitend met het oog op het herstellen van een – vermeende – misslag in de oorspronkelijk volmacht. Ook kan worden gewezen op het ex art. 381 Sv mondeling doen van afstand tijdens een politierechterzitting. Daar kan zich als bijzondere omstandigheid voordoen dat de verdachte verschoonbaar dwaalde omtrent de betekenis van zijn afstandsverklaring.4 In deze gevallen was het tamelijk evident dat de intrekking van het rechtsmiddel niet als zodanig bedoeld was.

2.7.

Aan de andere kant wordt, als het gaat om het aanwenden van een rechtsmiddel, ruimhartig omgegaan met van de verdachte afkomstige brieven aan de strafgriffie. Deze worden welwillend opgevat als bijzondere schriftelijke volmacht tot het instellen van een rechtsmiddel in de zin van art. 450 lid 1 sub b Sv.

2.8.

Hoe dan ook geldt dat als een verdachte in hoger beroep stelt dat een akte van intrekking van het hoger beroep onterecht is opgemaakt, het aan de feitenrechter is te onderzoeken en te beoordelen wat de griffie had kunnen en moeten begrijpen.5 Het oordeel van de feitenrechter hierover kan in cassatie slechts in beperkte mate, te weten op de begrijpelijkheid, worden getoetst.6

2.9.

De eerste vraag is of het oordeel van het hof dat de strafgriffie van de rechtbank de brief van 14 juni 2018 kon en mocht verstaan als een bijzondere volmacht tot het intrekken van het hoger beroep, onbegrijpelijk is.

2.10.

Het hof heeft overwogen dat de brief van 14 juni 2018 dusdanig duidelijk is verwoord, dat de strafgriffie dit schrijven redelijkerwijs kon en mocht opvatten als een intrekking van het hoger beroep. Hierbij heeft het hof blijkens de cursivering van “maar ook hoger beroep trek ik hierbij in” bijzonder gewicht toegekend aan deze laatste zinsnede. Dit oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk, waarbij ik niet wil verhelen dat, mede gelet op de overige bewoordingen van de brief, waaruit blijkt dat de schrijver ervan de Nederlandse taal niet vlekkeloos beheerst, een andere uitkomst naar mijn oordeel ook goed voorstelbaar was geweest.

2.11.

Hetzelfde geldt voor het kennelijk oordeel van het hof dat er in casu geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat er geen sprake is van een rechtsgeldige intrekking van het hoger beroep. Het hof had kunnen meegaan met de advocaat-generaal die door hetgeen door de raadsman en de verdachte was aangevoerd, ervan overtuigd was geraakt dat de verdachte niet de intentie heeft gehad het hoger beroep in te trekken en ervoor gepleit heeft de verdachte ontvankelijk te verklaren. Door de verdachte is kort gezegd aangevoerd dat hij in de brief enkel had gelezen dat hierin stond vermeld dat hij afstand zou doen van de auto. Dit was volgens hem ook de enige bedoeling geweest van de brief, zodat de auto kon worden ‘geschorst’ en de verplichting tot het betalen van belasting zou komen te vervallen. Het hof heeft echter in het e-mailbericht van 26 juni 2018 van de raadsman en het aangevoerde ter terechtzitting geen aanleiding gezien aan te nemen dat sprake was van een bijzondere omstandigheid. Onbegrijpelijk is dat niet, nu de verdachte de brief waarin toch staat dat hij het hoger beroep intrekt zelf heeft ondertekend en volgens het hof, gezien zijn justitiële documentatie, geacht moest worden op de hoogte te zijn van de regels van het strafproces. Dat het hof zich wat soepeler had kunnen opstellen is nu eenmaal geen grond voor cassatie, zodat mijn conclusie is dat het middel faalt.

3 Conclusie

3.1.

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

3.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

3.3.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Uit de cassatieakte kan ik niet opmaken dat de advocaat, die bij de griffie van het hof is verschenen en verklaarde beroep in cassatie in te stellen, bepaaldelijk gevolmachtigd was. Aangezien de akte is opgemaakt en ter ondertekening is aangeboden door een justitiële autoriteit, mocht de advocaat erop vertrouwen dat deze geen later fataal blijkende fouten of leemten bevatte en dat door de ondertekening en inlevering ook het beoogde doel van het rechtsgeldig instellen van het rechtsmiddel werd bereikt, zie HR 1 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9116 en Van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2018, p. 41. Vgl. ook HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924.

2 Daarbij verdient opmerking dat een partiele intrekking van hoger beroep door de verdachte in beginsel niet mogelijk is, tenzij het gaat om gevoegde zaken of cumulatief ten laste gelegde feiten. Ingevolge art. 407 Sv kan ook slechts in die gevallen partieel appel worden ingesteld.

3 Zoals bepaald in HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:888.

4 Vgl. HR 17 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6775.

5 Vgl. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810.

6 Vgl. HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2709 met betrekking tot de toetsing door de Hoge Raad van beslissingen van feitenrechters over toepassing van art. 416 Sv.