Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:308

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-01-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
19/04023
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:554
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Veroordelingen t.z.v. snelheidsovertredingen, art. 62 jo bord A1 RVV 1990. Aangevoerd wordt dat op de antwoordformulieren aan het CJIB waarop aanvrager telkens wordt aangemerkt als bestuurder van de auto’s t.t.v. de bewezenverklaarde snelheidsovertredingen, handtekeningen staan als zijnde van de bestuurder die daarop niet zijn geplaatst door aanvrager, en dat aanvrager zich t.t.v. de op 26 april 2013 en 27 oktober 2013 gepleegde snelheidsovertreding niet in Nederland, maar in Spanje bevond. HR: Op in CAG vermelde gronden is aanvraag gegrond. CAG: AG constateert verschillen tussen enerzijds de handtekeningen op de antwoordformulieren en anderzijds die op door aanvrager overgelegde stukken. Tevens heeft aanvrager een door drie personen ondertekende schriftelijke verklaring overgelegd die inhoudt dat hij vanaf 26 april 2013 tot 27 oktober 2013 in Spanje verbleef. Deze gronden zijn in onderling verband en samenhang toereikend voor de conclusie dat er sprake is van gegevens die bij het onderzoek op de ttz. aan de rechter niet bekend waren en die op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraken niet bestaanbaar schijnen. HR verklaart aanvraag gegrond en verwijst zaak naar hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04023 H

Zitting 21 januari 2020

CONCLUSIE

P.C. Vegter

In de zaak

[aanvrager],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: aanvrager (van herziening).

1. Aanvrager van herziening is bij verstek door de kantonrechter uit de rechtbank Den Haag bij vonnis van 31 maart 2014 wegens overtreding van het bepaalde in art. 62 jo bord A1 [van bijlage I] Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 gepleegd op 26 april 2013 veroordeeld tot een geldboete van 970 euro subsidiair 19 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden (parketnummer 09-176415-13)1 en eveneens bij verstek door de kantonrechter uit de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, bij vonnis van 8 april 2015 wegens overtreding van het bepaalde in art. 62 jo bord A1 van bijlage I Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 gepleegd op 27 oktober 2013 veroordeeld tot een geldboete van 1850 euro subsidiair 28 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden (parketnummer 10-084131-14).

2. Namens de aanvrager heeft mr. S. Wortel, advocaat te Utrecht, bij brief van 27 augustus 2019 een aanvraag tot herziening van de genoemde uitspraken met acht bijlagen (producties) ingediend.

3. De aanvraag is gegrond op art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. Deze bepaling luidt:

4. “1. Op aanvraag van de procureur-generaal of van de gewezen verdachte te wiens aanzien een vonnis of arrest onherroepelijk is geworden, kan de Hoge Raad ten voordele van de gewezen verdachte een uitspraak van de rechter in Nederland houdende een veroordeling herzien:

5. (…)

6. c. indien er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.”

7. Het gaat hier om twee alleen op kenteken geverbaliseerde snelheidsovertredingen die automatisch en langs elektronische weg zijn geconstateerd en vastgelegd. Bij de stukken bevindt zich een verklaring van de griffier van de rechtbank Den Haag van 29 oktober 2019 dat tegen de bovengenoemde uitspraak van 31 maart 2014 (parketnummer 09/176415-13) geen rechtsmiddel meer openstaat. In een de inzending van het dossier met parketnummer 10-084131-14 aan de Hoge Raad begeleidende brief van 9 oktober 2019 van een juridisch medewerker van de rechtbank Rotterdam wordt meegedeeld dat in die zaak geen rechtsmiddel meer openstaat.

8. De aanvraag berust op de stelling dat een ander dan de aanvrager indertijd de bewezenverklaarde feiten heeft begaan en gebruik heeft gemaakt van de persoonsgegevens van de aanvrager. Ter ondersteuning van deze stelling wordt verwezen naar verschillende, met documenten onderbouwde, feiten en omstandigheden. Kortweg gaat het om het handschrift van aanvrager, zijn handtekeningen en een schriftelijke verklaring van getuigen met een alibi.

9. Voor wat betreft de op 26 april 2013 geconstateerde snelheidsovertreding geldt het volgende. Een op 15 augustus 2013 opgemaakt proces-verbaal houdt onder meer in: “Personalia verdachte. Volgens de opgave van de Rijksdienst voor het Wegverkeer dan wel uit een ingesteld onderzoek bleek het voertuig toe te behoren aan: [A] (…).” Op 8 mei 2013 heeft de officier van justitie een kennisgeving aan deze rechtspersoon gezonden waarin (kort gezegd) wordt gewezen op de mogelijkheid aannemelijk te maken dat een ander op het moment van de overtreding bestuurder was van het voertuig. In een antwoordformulier aan het Centraal Justitieel Incassobureau, blijkens een stempel op het formulier daar ontvangen op 23 mei 2013, wordt aanvrager vermeld als bestuurder. Het formulier bevat een handtekening waarin een voorletter en de achternaam van aanvrager leesbaar is.

10. Voor wat betreft de op 27 oktober 2013 geconstateerde snelheidsovertreding geldt het volgende. Een op 24 januari 2014 opgemaakt proces-verbaal houdt onder meer in: “Personalia verdachte. Volgens de opgave van de Rijksdienst voor het Wegverkeer dan wel uit een ingesteld onderzoek bleek het voertuig toe te behoren aan: [B] B.V. (…).” Op 13 november 2013 heeft de officier van justitie een kennisgeving gezonden aan deze rechtspersoon waarin (kort gezegd) wordt gewezen op de mogelijkheid aannemelijk te maken dat een ander op het moment van de overtreding bestuurder was van het voertuig. In een antwoordformulier aan het Centraal Justitieel Incassobureau wordt aanvrager vermeld als bestuurder. Het formulier bevat bij de rubriek handtekening van de opgegeven bestuurder een handtekening waarin de achternaam van aanvrager leesbaar is. Een sterk gelijkende handtekening staat bij de rubriek handtekening kentekenhouder.

11. Gesteld wordt dat de op beide antwoordformulieren geplaatste handtekeningen niet van aanvrager zijn. Dit zou volgens de aanvraag kunnen blijken uit de vergelijking met enige wel door aanvrager geplaatste handtekeningen en wel (1) op zijn paspoort (productie 5), (2) naar ik begrijp enkele op verzoek van zijn advocaat geplaatste handtekeningen (productie 6) en (3) een handtekening op een Opgaveformulier betreffende Opheffen onderneming van 15 maart 2013 (productie 7). Uit productie 6 zou tevens blijken dat het handschrift daarop niet overeenkomt met het handschrift op de antwoordformulieren. Ik constateer verschillen (al dan niet aanwezige rondingen/krullen) tussen enerzijds de handtekeningen op de antwoordformulieren en anderzijds die op de andere stukken, al kan ik er niet om heen dat de handtekeningen op die andere stukken onderling ook wel enigszins verschillen. Dat in het antwoordformulier van de op 27 oktober 2013 geconstateerde snelheidsovertreding bij de rubriek ‘kentekenhouder’ en bij de rubriek ‘bestuurder’ sterk gelijkende handtekeningen zijn opgenomen waarin in beide gevallen de achternaam van de aanvrager valt te lezen, kan niet juist zijn. Ik wijs verder nog op de handtekeningen op aktes van uitreiking van 12 maart 2018 en van 4 juni 2018. Die handtekeningen komen meer overeen met de handtekeningen op de andere stukken dan met die op de antwoordformulieren. Mogelijk in iets mindere mate, maar desondanks geldt hetzelfde voor de handtekening op een akte van uitreiking van 2 maart 2018. Ik acht mij niet in staat te oordelen over het verschil in het handschrift waarop eveneens wordt gewezen, maar sluit het verschil niet uit.

12. Voorts wordt gesteld dat verdachte ten tijde van de snelheidsovertredingen niet in Nederland verbleef. Daaraan wordt ten grondslag gelegd een handgeschreven verklaring die inhoudt dat aanvrager vanaf 26 april 2013 tot 27 oktober 2013 in Spanje verbleef en (redelijk goed leesbaar) ondertekend door drie personen met datering en kennelijk drie mobiele telefoonnummers waarop deze personen bereikbaar zijn. Strikt genomen sluit die verklaring niet uit dat aanvrager op 27 oktober 2013 (pleegdatum van de veroordeling van de rechtbank Rotterdam) in Nederland was. Een zich in het dossier bevindende kopie van een boardingcard ondersteunt dat aanvrager wel eens in Spanje verblijft, maar deze card heeft betrekking op een periode voorafgaande aan de pleegdata (het betreft een periode voorafgaande aan 23 augustus 2012).

13. De gronden als genoemd onder randnummer 8 en 9 zijn in onderling verband en samenhang toereikend voor de conclusie dat er sprake is van gegevens die bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend waren en die op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraken niet bestaanbaar schijnen. Ik concludeer daarom dat hier sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv, zodat de aanvraag gegrond is. Voor zover nodig geef ik in overweging de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de rechtbank Den Haag alsmede voormeld vonnis van de rechtbank Rotterdam te bevelen.2

11. Deze conclusie strekt tot verwijzing van de zaak naar het hof Den Haag, opdat de beide zaken op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw zullen worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bij de afronding van deze conclusie kwam een bericht binnen van mr. Wortel gedateerd 31 december 2019 dat gratie is verleend in de zaak met parketnummer 09/176415-13, terwijl het gratieverzoek in de zaak met parketnummer 10/084131-14 is afgewezen. Bij dat bericht is een bijlage gevoegd met de gratiebeslissing van 10 december 2019 inzake de veroordeling door de kantonrechter te ‘s-Gravenhage bij vonnis van 31 maart 2014.

2 Uit de aanwezige stukken komt naar voren dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Den Haag op 27 juli 2018 door de officier van justitie voor een jaar is opgeschort.