Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:297

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-03-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
20/00655
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:805, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Machtiging tot voortgezet verblijf. Art. 18 lid 1 Wet Bopz. Vraag of betrokkene verblijft in psychiatrisch ziekenhuis in de zin van art. 1 Wet Bopz. HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3254.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00655

Zitting 20 maart 2020

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[betrokkene] ,

verzoeker tot cassatie,

hierna: betrokkene,

advocaat: mr. G.E.M. Later

tegen

De Officier van Justitie in het arrondissementsparket Oost-Brabant,

hierna: de officier van justitie

niet verschenen

In deze Bopz-zaak wordt geklaagd dat de locatie waar betrokkene verblijft niet is aangemerkt als ‘psychiatrisch ziekenhuis’ in de zin van art. 1, lid 1 onder h, Wet Bopz. Daarnaast betoogt het middel dat de rechtbank de officier van justitie op de voet van art. 8a Wet Bopz in de gelegenheid had moeten stellen een voorwaardelijke machtiging te verzoeken.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Betrokkene is op grond van een machtiging voortgezet verblijf met een looptijd tot en met 9 november 2019 opgenomen in een inrichting van GGzE “De Woenselse Poort” te Eindhoven.

1.2

Bij verzoekschrift, ter griffie van de rechtbank Oost-Brabant ingekomen op 29 oktober 2019, heeft de officier van justitie verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 15-17 Wet Bopz). Volgens dit verzoekschrift verbleef betrokkene toen op de locatie van de inrichting aan de Doctor Poletlaan 91 te Eindhoven. Bij het verzoekschrift was een op 8 oktober 2019 ondertekende geneeskundige verklaring gevoegd van [betrokkene 1] , geneesheer-directeur van De Woenselse Poort. Deze heeft betrokkene met het oog hierop laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 2] . In de geneeskundige verklaring is aangegeven dat betrokkene verblijft in een woning van De Woenselse Poort gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] .

1.3

Op 21 november 2019 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat; [betrokkene 3] , psychiater; [betrokkene 4] in zijn hoedanigheid van mentor van betrokkene en de vader van betrokkene.

1.4

Bij beschikking van 21 november 2019 heeft de rechtbank machtiging verleend tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis met ingang van 21 november 2019 tot en met 9 mei 2020.

1.5

Namens betrokkene is – tijdig1 – beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van 21 november 2019. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

De Wet Bopz is per 1 januari 2020 vervallen. Op grond van het overgangsrecht in art. 15:1 lid 1 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Stb. 2018, 37) blijft de Wet Bopz op de behandeling van deze zaak van toepassing.

2.2

Het cassatiemiddel valt uiteen in drie onderdelen. Onderdeel I houdt in dat de rechtbank heeft miskend dat een machtiging tot voortgezet verblijf slechts kan worden verleend indien de betrokkene op grond van een rechterlijke machtiging verblijft in een ‘psychiatrisch ziekenhuis’ in de zin van art. 1 Wet Bopz. Voor zover de rechtbank ervan is uitgegaan dat betrokkene op 21 november 2019 in een als zodanig aangemerkt psychiatrisch ziekenhuis verbleef, geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting gezien het verweer van de advocaat van betrokkene omtrent de aanmerking, althans is onbegrijpelijk dat de rechtbank zonder nader onderzoek tot dit oordeel is gekomen.

2.3

Op grond van art. 18 Wet Bopz kan de rechter op verzoek van de officier van justitie met betrekking tot een persoon die op grond van een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, een nieuwe machtiging tot voortgezet verblijf verlenen. Art. 1 lid 1, aanhef en onder h, Wet Bopz bepaalt, voor zover in cassatie van belang, dat voor de toepassing van de Wet Bopz onder een psychiatrisch ziekenhuis moet worden verstaan een door de minister als psychiatrisch ziekenhuis aangemerkte zorginstelling. Op grond van art. 1 lid 1 van de Regeling Aanmerking Psychiatrisch ziekenhuis Bopz van 11 januari 19942 worden als psychiatrisch ziekenhuis in de hiervoor bedoelde zin aangemerkt de zorginstellingen en afdelingen van zorginstellingen, opgenomen in Bijlage 1 bij deze regeling.

2.4

De advocaat van betrokkene heeft ter zitting aangegeven dat het adres waar betrokkene verblijft niet kan worden aangemerkt als een Bopz-instelling. Volgens het inleidend verzoekschrift van de officier van justitie verbleef betrokkene op dat moment in De Woenselse Poort in een locatie aan de Doctor Poletlaan 91 te Eindhoven. Uit de geneeskundige verklaring en ter zitting3 is door de advocaat van betrokkene aangegeven dat betrokkene thans verblijft in een locatie aan de [a-straat 1] te [plaats] . Anders dan de GGZE locaties van De Woenselse Poort gelegen aan de Doctor Poletlaan 23a, 25, 36, 64, 66, 72, 80, 84 en 86 te Eindhoven, ontbreekt een aanwijzing dat de locatie aan de [a-straat 1]4 te [plaats] is aangemerkt als ‘psychiatrisch ziekenhuis’ in de zin van art. 1, lid 1, aanhef en onder h, Wet Bopz in verbinding met Bijlage 1 van de Regeling Aanmerking Psychiatrisch Ziekenhuis Bopz5. De advocaat van betrokkene heeft gewezen op de lijst van Bopz-instellingen van mei 2019. De rechtbank heeft dit verweer verworpen, omdat het niet voldoende zou zijn onderbouwd. De rechtbank heeft vervolgens de machtiging tot voortgezet verblijf toegewezen. De rechtbank is er kennelijk vanuit gegaan dat betrokkene ingevolge een eerdere verblijfsmachtiging verbleef in een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz. Dit oordeel van de rechtbank geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De locatie aan de [a-straat 1] te [plaats] is niet vermeld in de lijst van als zodanig aangemerkte psychiatrische ziekenhuizen in de Staatscourant. Dat betekent dat toewijzing van de machtiging tot voortgezet verblijf niet mogelijk was. Bovendien is het oordeel van de rechtbank dat de advocaat van betrokkene onvoldoende heeft onderbouwd dat de woning waar betrokkene verblijft geen GGZ-instelling is onbegrijpelijk. Het onderdeel slaagt dan ook.

2.5

Op grond van het voorgaande slaagt ook onderdeel III. Het oordeel van de rechtbank dat de stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken en dat dit gevaar niet buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend, is immers onbegrijpelijk nu betrokkene verblijft op een locatie die niet is aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis in de zin van art. 1 lid 1 Wet Bopz.

2.6

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven. Hoewel onderdeel II geen behandeling meer behoeft, merk ik daar kort nog het volgende over op. Het onderdeel klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet op de voet van art. 8a Wet Bopz de officier van justitie in de gelegenheid heeft gesteld een andersoortig verzoek in te dienen.

2.7

Deze klacht kan niet tot cassatie leiden. Vooropgesteld wordt dat de rechtbank bevoegd is, maar niet verplicht om gebruik te maken van de mogelijkheid die art. 8a Wet Bopz biedt om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een andersoortig verzoek in te dienen. Hoewel in de onderhavige zaak de advocaat van betrokkene heeft gesteld dat de situatie van betrokkene zich leent voor een voorwaardelijke machtiging, is de psychiater daar niet zo zeker van. De psychiater heeft immers aangegeven dat de psychiater van het FACT-team een voorwaardelijk machtiging zou moeten aanvragen en dat die nog niet bekend is. Ook weet de psychiater niet hoe lang de intakeprocedure bij het FACT gaat duren en of betrokkene op die locatie met een voorwaardelijke machtiging kan blijven. In dat licht bezien is het oordeel van de rechtbank niet onjuist of onbegrijpelijk. Deze klacht faalt dan ook.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het verzoekschrift is op 21 februari 2019 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.

2 Stcrt. 1994, 12.

3 Zie het proces-verbaal van 21 november 2019 van de rechtbank Oost-Brabant.

4 Dit geldt overigens ook voor de in het verzoekschrift van de officier van justitie aangemerkte verblijfplaats van betrokkene, zijnde het adres Doctor Poletlaan 91 te Eindhoven.

5 Laatstelijk gepubliceerd in de Staatscourant van 7 mei 2019, nr. 24942, blz 4.