Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:294

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-05-2020
Datum publicatie
12-05-2020
Zaaknummer
19/00373
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1097
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

CAG. Schuldheling, art. 417bis Sr. Aankoop scooteronderdelen via Marktplaats.nl. Slagende bewijsklacht t.a.v. redelijkerwijs moeten vermoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/00373

Zitting 12 mei 2020

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 9 januari 2019 door het gerechtshof Den Haag wegens “schuldheling”, veroordeeld tot een geldboete van € 350,00, subsidiair 7 dagen hechtenis.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M.T. de Vaal, advocaat te 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1.

Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring.

3.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:


“hij in de periode van 7 juni 2018 tot en met 10 juni 2018 te ’s-Gravenhage, goederen, te weten diverse Vespa scooter onderdelen waaronder beugels en het windscherm heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.”

3.3.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:


“1. Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 10 juni 2018 van de Politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018153531-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als relaas van de opsporingsambtenaren:

Op 10 juni 2018 omstreeks 15.00 uur, kregen wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , de opdracht te gaan naar [a-straat 1] te Den Haag. Daar zou een vrouw haar gestolen goederen hebben aangetroffen. Deze goederen zouden te koop zijn aangeboden op marktplaats.

Ter plaatse troffen wij de meldster. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , hoorde dat de meldster verklaarde dat:

- haar scooter een Vespa met kenteken [kenteken] was;

- deze scooter op 7 juni 2018 was gestolen;

- deze scooter op 7 juni was teruggevonden;

- zij hier aangifte van deed bij de politie;

- deze scooter op naam van haar vader [betrokkene 1] geregistreerd staat;

- deze scooter verschillende onderdelen miste;

- ze deze onderdelen op marktplaats heeft teruggevonden;

- ze een afspraak had gemaakt met de verkoper om deze onderdelen te kopen;

- ze had afgesproken met de verkoper op 10 juni 2018 op de [a-straat 1] te Den Haag;

- ze de goederen van de verkoper herkende als haar goederen;

- ze hierop contact heeft opgenomen met de meldkamer van politie.


De meldster bleek te zijn genaamd:

[betrokkene 2] , geboren [geboortedatum] -1999.


Wij liepen samen met [betrokkene 2] richting de garagebox waar de goederen verkocht werden. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag dat er drie personen richting ons liepen. [betrokkene 2] verklaarde dat het haar vader, moeder en de verkoper waren. Ik vroeg aan [betrokkene 2] wie is de verkoper. Ik zag dat ze naar de meest rechter persoon wees. Ik hoorde haar zeggen: dat is de man die mijn goederen te koop aanbood. Ik zag dat de andere twee personen scooterbeugels bij zich droegen. [betrokkene 2] verklaarde dat deze beugels aan haar scooter toebehoorden.

Op 10 juni 2018 omstreeks 15:15 uur hielden wij op de locatie [a-straat 1] als verdachte aan:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1990.


2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juli 2018 van de Politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018153531-11, met bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als relaas van de opsporingsambtenaar:


Op 10 juni 2018 heb ik, verbalisant [verbalisant 2] , aan [betrokkene 2] het verzoek gedaan of zij de fotobijlage van de onderdelen van haar snorfiets naar mij wilde e-mailen.

Ik ontving twee e-mails. Ik verwijs door naar de fotobijlagen, bijgevoegd bij dit proces-verbaal van bevindingen.

2a. Een geschrift, zijnde een e-mailbericht d.d. 10 juni 2018 van [betrokkene 2] gericht aan [verbalisant 2] , als bijlage gevoegd bij het onder bewijsmiddel 2 vermelde proces-verbaal. Dit geschrift houdt onder meer in:


[verbalisant 2]
Van: [betrokkene 2] < [e-mailadres] >
Verzonden: zondag 10 juni 2018 15:59
Aan: [verbalisant 2]
Onderwerp: Proces-verbaalnummer: PL1500-2018150609-1
Martplaats advertentie 1:
https://www.marktplaats.nl/a/fietsen-en-brommers/brommeronderdelen-scooters/ [internetsite]
Marktplaats advertentie 2:
https://www.marktplaats.nl/a/fietsen-en-brommers/brommeronderdelen-scooters/ [internetsite]
2b. Een geschrift, zijnde een fotobijlage, als bijlage gevoegd bij het onder bewijsmiddel 2 vermelde proces-verbaal. Dit geschrift houdt onder meer in:


(afbeelding)
Vespa sprint primavera smoke windscherm
€ 55,-

2c. Een geschrift, zijnde een fotobijlage, als bijlage gevoegd bij het onder bewijsmiddel 2 vermelde proces-verbaal. Dit geschrift houdt onder meer in:
(afbeelding)
Set beugels Vespa sprint primavera mat zwart valbeugels
€ 225,-

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 juni 2018 van de Politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018153531- 5. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als de op 10 juni 2018 afgelegde verklaring van de verdachte:

De garagebox aan de [a-straat 1] in Den Haag is van een kennis van mij. Ik heb goederen te koop aangeboden via Marktplaats. Die heb ik zelf op Marktplaats gezet.

4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 juni 2018 van de Politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018153531- 6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:


als de op 10 juni 2018 afgelegde verklaring van de verdachte:


Ik heb de beugels gisteren via Marktplaats gekocht en ook zelf op Marktplaats gezet.


Vraag verbalisant:

Van wie heb je de beugel set gekocht?


Antwoord verdachte:

Dat weet ik niet. Ik ken hem niet. Ik heb gewoon op straat afgesproken bij station Moerwijk. Ik heb geen naam van de verkoper. Ik heb zaken gedaan via de mail.


Vraag verbalisant:

Kan jij deze mail nog tonen?


Antwoord verdachte:

Ik weet het niet, misschien.


Vraag verbalisant:

Misschien?


Antwoord verdachte:

Ja misschien als ik het nog kan vinden.


Vraag verbalisant:

Hoe zag de man er uit van wie je het hebt gekocht?


Antwoord verdachte:

Moet ik nu met vooroordelen komen?


Vraag verbalisant:

Wat bedoel je?


Antwoord verdachte:

Moet ik zijn ras zeggen?


Vraag verbalisant:

Ik vraag je hoe deze man er uitzag. Al is het een lilliputter met 2 pukkels op zijn neus. Hoe zag hij eruit.


Antwoord verdachte:

Een Marokkaan of Turk. 18 / 19 jaar. 170 lang.


Vraag verbalisant:

Waar heb je precies afgesproken?

Antwoord verdachte:

Bij die oude brandweer kazerne.


Vraag verbalisant:

Op dat parkeerterrein daarvoor?


Antwoord verdachte:

Daar op de hoek.”

3.4.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 januari 2019 heeft de raadsman van de verdachte, overeenkomstig zijn aldaar overgelegde pleitnota, het volgende aangevoerd:


“De verdediging stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is zodat cl dient te worden vrijgesproken.
De verklaring van cl bij de politie is voldoende aannemelijk (in- en verkoop) en wordt onvoldoende door het dossier weerlegt. Het is volstrekt onaannemelijk dat cl de goederen te koop aanbiedt op een openbare site als hij weet dat de goederen gestolen waren.
Hij verklaart: dat beugelsetje (en daar bedoelt cl mee de hele set, de goederen zoals is tll) heb ik gister ingekocht voor € 150 en wilde het doorverkopen voor € 200. Dat zijn normale prijzen en marges om weer door te verkopen.
Tijdens de aanhouding lopen er drie personen richting de politie waaronder de verkoper (cl) en cl werkte netjes mee met de politie want, zoals hij verklaart, (o.a. bij de vgl): hij heeft niets te verbergen.
Nu er niets bekend is over de schakel tussen de verkoper en cl als koper, en gezien genoemde omstandigheden zijn er onvoldoende aanwijzingen voor heling en kan niet worden vastgesteld dat cl ten tijde van het voorhanden hebben of verkopen wist of moest vermoeden dat die goederen van diefstal afkomstig waren.”

3.5.

Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:


“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich – overeenkomstig de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotitie – op het standpunt gesteld, dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van de verdachte dat hij de door hem aangeboden goederen een dag tevoren via Marktplaats heeft gekocht voor € 150,- en wilde doorverkopen voor € 200,-, hetgeen marktconforme prijzen zijn, voldoende aannemelijk is en door het dossier onvoldoende wordt weerlegd. Het komt erop neer dat de verdachte niet wist en ook niet had moeten vermoeden dat de goederen gestolen waren.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.


De verdachte heeft op 9 juni 2018 onderdelen van een Vespa te koop aangeboden. De betreffende Vespa was twee dagen daarvoor gestolen. Op 10 juni 2018 heeft de verdachte deze onderdelen aan de eigenaar van de bewuste Vespa geprobeerd te verkopen. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat de verdachte daadwerkelijk wist dat hij te maken had met gestolen waar zodat hem geen opzetheling kan worden verweten.

De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 9 juni 2018 de onderdelen tegenkwam op Marktplaats en deze vervolgens heeft gekocht van de aanbieder. De overdracht vond volgens de verdachte plaats op een parkeerterrein bij een station. Het onderlinge contact was via de e-mail tot stand gekomen. De verdachte geeft aan niet te weten hoe de verkoper heet en heeft ook moeite om diens signalement te omschrijven.

Deze door de verdachte geschetste omstandigheden zijn in het voor de verdachte meest gunstige geval als schimmig te omschrijven en rechtvaardigen het oordeel dat de verdachte in elk geval had moeten vermoeden dat de goederen van misdrijf afkomstig waren. Dat oordeel wordt gesterkt door het gegeven dat de verdachte de hem eventueel disculperende e-mail-wisseling niet heeft kunnen of willen verstrekken.

Al het bovenstaande leidt tot de bewezenverklaring van de aan de verdachte verweten schuldheling.”

3.6.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat – mede gelet op hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd – het oordeel van het hof dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof, niet naar de eis der met wet redenen is omkleed.

3.7.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In art. 417bis, lid 1, aanhef en onder a, Sr is vastgelegd dat degene die een goed voorhanden heeft, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof, zich schuldig maakt aan schuldheling. De vereiste schuld blijkt uit de zinsnede “redelijkerwijs had moeten vermoeden” in de wettekst. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is daarvan sprake in geval van “grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid”.1 Bepalend daarvoor is dat de pleger bij enig nadenken over de hem bekende gegevens over het goed had kunnen vermoeden dat het goed gestolen was en hij zonder nader onderzoek niet had mogen handelen. Het hangt van de omstandigheden van het geval af hoe ver de van de verdachte te verwachten voorzichtigheid reikt. Daarbij zij aangetekend dat het tekortschieten in deze onderzoeksplicht uit de bewijsvoering moet kunnen worden afgeleid, teneinde te kunnen spreken van aanmerkelijke onvoorzichtigheid.2 Recentelijk heeft de Hoge Raad daaraan toegevoegd dat bij die bewijsvoering betrokken mag worden dat aanwijzingen ontbreken dat het redelijke vermoeden van de herkomst uit misdrijf eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen van het goed, waarbij de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen. In dat licht mag de rechter in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven.3 Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de vraag of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot het voorhanden hebben van het bewuste goed.4

3.8.

Voorts wijs ik, met betrekking tot de vraag onder welke omstandigheden op de verdachte de hiervoor bedoelde onderzoeksplicht rust, op het volgende. In zijn conclusie voorafgaand aan HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3191, heeft mijn voormalig ambtgenoot Vellinga opgemerkt dat het kopen van een voorwerp op straat van een particulier tegen een prijs waarvan niet vaststaat dat deze opvallend laag was nog niet betekent dat de koper redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het voorwerp van misdrijf afkomstig was. Daarvoor is meer nodig. Niet voldoende is bijvoorbeeld het ontbreken van een nota van de aankoop door de verkoper, het niet verstrekken van een aankoopbon door de verkoper of het op een fiets ontbreken van een sticker van een rijwielhandelaar.5 In de zojuist genoemde zaak merkte Vellinga op dat de verdachte een voor € 230,- aangeboden iPhone voor € 170,- had gekocht van iemand die hij niet kende en met wie hij via een vriend in contact was gekomen en met wie hij had afgesproken bij een winkelcentrum in de buurt in Apeldoorn. Het hof had echter niets vastgesteld omtrent de verhouding van dat aankoopbedrag tot de marktwaarde en de staat waarin dat goed op dat moment verkeerde.6 De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof en nam in aanmerking dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kon worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de telefoon in die mate is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid had gehandeld.

3.9.

Bovendien heb ik bij de beoordeling van dit type situaties – waarin het kort gezegd gaat om de aankoop van goederen via de internetsite Marktplaats.nl – in mijn eerdere conclusie bij HR 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1694, reeds geconstateerd dat het bij koop en verkoop via voornoemde website niet vreemd is om af te spreken op een andere locatie dan bij de verkoper thuis, nadat partijen overeenstemming hebben bereikt over de prijs van het goed. Daarnaast is het ook niet ongebruikelijk dat de verkopende partij om privacy- en veiligheidsredenen zoveel mogelijk zijn adres- en persoonlijke gegevens probeert af te schermen voor de buitenwereld.7 De Hoge Raad vernietigde ook in deze zaak de uitspraak van het hof en nam daarbij in aanmerking hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep was aangevoerd, te weten dat het bewuste goed naar eigen zeggen tegen een normale prijs zou zijn gekocht.8

3.10.

Welnu, in het onderhavige geval heeft het hof in de kern niet méér vastgesteld dan dat de verdachte diverse Vespa scooteronderdelen – een windscherm en een set valbeugels – heeft gekocht van een aanbieder op Marktplaats, dat de overdracht plaatsvond op een parkeerterrein bij een station, dat het onderlinge contact via de e-mail tot stand is gekomen, dat de verdachte aangeeft niet te weten hoe de verkoper heet en moeite heeft om diens signalement te omschrijven, en dat “de verdachte de hem eventueel disculperende e-mail-wisseling niet heeft kunnen of willen verstrekken”. Daarmee heeft het hof mijns inziens niet voldoende inzichtelijk gemaakt in welke mate de verdachte is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht en dus dat hij met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de – hiervoor onder 3.5 weergegeven – pleitnota blijkt dat de raadsman in hoger beroep onder meer heeft aangevoerd dat de verdachte de bewuste scooteronderdelen heeft gekocht voor € 150 en ze wilde doorverkopen voor € 200. Dit betreft volgens de raadsman “normale prijzen en marges om weer door te verkopen”. Het hof heeft hieromtrent echter niets vastgesteld, bijvoorbeeld in welke staat deze onderdelen op dat moment verkeerden of welke marktwaarde zij op dat moment vertegenwoordigden. De vaststellingen die het hof wél heeft gedaan lijken eerder te wijzen op een voor Marktplaats.nl niet ongebruikelijke gang van zaken. Hoewel ik onderken – als feit van algemene bekendheid – dat (onderdelen van) scooters, gelet ook op de doorgaans aanzienlijke waarde daarvan, veelvuldig het voorwerp zijn van diefstal en heling, lijkt mij dit enkele feit onvoldoende om bij de koop van bepaalde scooteronderdelen van een gebrek aan de vereiste voorzichtigheid te spreken. Het gegeven dat het hof kennelijk ook de procesopstelling van de verdachte in zijn bewijsvoering heeft betrokken door te overwegen dat zijn “oordeel wordt gesterkt door het gegeven dat de verdachte de hem eventueel disculperende e-mail-wisseling niet heeft kunnen of willen verstrekken”, maakt dat niet anders. Daarbij merk ik nog op dat dit door het hof aangenomen gegeven niet zonder meer spoort met de als bewijsmiddel gebezigde verklaring van de verdachte, dat hij “misschien” de bedoelde e-mail kon tonen, als hij hem nog terug kon vinden. Het oordeel van het hof inhoudende dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de goederen van misdrijf afkomstig waren, is al met al niet zonder meer begrijpelijk en aldus ontoereikend gemotiveerd.

3.11.

Het middel is terecht voorgesteld.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 17 december 1985, NJ 1986/428.

2 HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:647, rov. 2.3. Vgl. mijn eerdere conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:355, onder 3.7) bij HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:618.

3 HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97, NJ 2019/310, m.nt. Rozemond, rov. 2.5.1 en 2.5.5. Vgl. ook de bij deze zaak horende conclusie van mijn ambtgenoot Paridaens (ECLI:NL:PHR:2018:1329, onder 3.8 tot en met 3.13).

4 Zie HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:644, NJ 2017/277, m.nt. Kooijmans, rov. 2.3.1, HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:652, NJ 2017/278, m.nt. Kooijmans, rov. 2.3.1.

5 Vgl. zijn conclusie van 7 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1365, onder 7 tot en met 11, en de aldaar besproken jurisprudentie. Een recent, specifiek geval waarin de Hoge Raad het cassatieberoep verwierp

6 Vgl. voor een recent geval waarin dergelijke gegevens wél uit de bewijsvoering van het hof konden worden afgeleid de conclusie van mijn ambtgenoot Paridaens (ECLI:NL:PHR:2019:850, onder 11 en 12) bij HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1593. De Hoge Raad verwierp in deze zaak het cassatieberoep met art. 81 RO.

7 Vgl. mijn conclusie van 19 mei 2015, ECLI:NL:PHR:2015:948, onder 3.7.

8 Zie voor overige jurisprudentie waar het ging om aankoop via Marktplaats.nl onder meer HR 25 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5625, NJ 2010/305, en HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3263. De Hoge Raad kwam ook in deze zaken tot een vernietiging.