Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:281

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
18/04865
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:764
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Medeplegen doodslag door om hoofd en nek van het slachtoffer een afgesloten plastic zak en een tuinslang te plaatsen. Door hof is vastgesteld dat het slachtoffer in aanwezigheid van enkel de verdachte en de medeverdachte is overleden. Niet is vast komen te staan wie precies welke geweldshandelingen heeft verricht. De verdachte klaagt onder meer dat (1) het hof ten onrechte en met gebruikmaking van een onjuist toetsingskader de verzoeken van de verdediging met betrekking tot het doen van nader onderzoek en het benoemen van een deskundige heeft afgewezen en (2) sprake is van een innerlijk tegenstrijdige bewijsvoering, nu de verklaring van de medeverdachte wel degelijk tot het bewijs is gebezigd en deze verklaring ook indirect terugkomt in voor het bewijs gebruikte de-auditu verklaringen. De AG komt tot de conclusie dat deze klachten tevergeefs zijn voorgesteld. Ambtshalve wordt opgemerkt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden en dat dit tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf moet leiden. Samenhang met 18/05153.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04865

Zitting 31 maart 2020

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 2 november 2018 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. subsidiair “medeplegen van doodslag” en 2. “diefstal, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstaf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren en zes maanden, met aftrek van het voorarrest zoals bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de benadeelde partijen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 18/05153. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, advocaten te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak

4. Volgens de, op de gebezigde bewijsmiddelen berustende, vaststellingen van het hof gaat het om het volgende. Op 12 december 2014 is in zijn woning aan de [a-straat 1] in Rotterdam het levenloze lichaam aangetroffen van [slachtoffer] (verder: het slachtoffer), toen 56 jaar oud, zittend in een stoel, met een plastic zak over zijn hoofd en een tuinslang om zijn nek, en met een gebroken neus en meerdere bloeduitstortingen in zijn gezicht. De sectie die op het lichaam van het slachtoffer is verricht, wijst uit dat het slachtoffer is overleden als gevolg van verstikking door omsnoerend en/of samendrukkend geweld op de hals en/of de aanwezigheid van een afgesloten plastic zak om het hoofd. Het slachtoffer was op 10 december 2014 omstreeks 18:58 uur door een taxi voor zijn woning afgezet. Uit telecommunicatiegegevens van de telefoon van het slachtoffer blijkt dat het laatste geregistreerde contact die dag met deze telefoon om 19:53 uur heeft plaatsgevonden. Dat het slachtoffer hierna niet meer reageerde op berichten is door een getuige uitzonderlijk genoemd. Naar het oordeel van het hof moet het slachtoffer op 10 december 2014 tussen circa 19:45 uur en uiterlijk 20:17 uur zijn overleden, in aanwezigheid van de verdachte en de medeverdachte. De verdachte werd op 10 december 2014 om 19:42 uur door de medeverdachte gebeld met de mededeling dat hij naar de woning van het slachtoffer kon komen; de verdachte hield zich op dat moment op in de buurt van de woning van het slachtoffer. De medeverdachte liet de verdachte binnen in de woning van het slachtoffer, en uit telecommunicatiegegevens is vastgesteld kunnen worden dat de verdachte en zijn medeverdachte tussen 19:42 uur en 20:17 uur samen in de woning van het slachtoffer hebben verbleven. In dat tijdsbestek is het dodelijke geweld op het slachtoffer toegepast. De verdachte heeft verklaard in de woning van het slachtoffer te zijn geweest, maar niet het dodelijke geweld op het slachtoffer te hebben uitgeoefend; daarvoor zouden de medeverdachte en een derde in de woning aanwezige persoon (‘de Afrikaan’) verantwoordelijk zijn. Het hof heeft (evenals de rechtbank al eerder) dit geschetste alternatieve scenario als volstrekt onaannemelijk terzijde geschoven. De medeverdachte ontkent op 10 december 2014 in de woning van het slachtoffer te zijn geweest. Uit de woning van het slachtoffer is in voormeld tijdsbestek ook een fles whisky weggenomen. Dit feit is door de verdachte bekend (feit 2).

5. Voordat ik overga tot bespreking van de middelen, geef ik de bewezenverklaringen en de bewijsoverwegingen van het hof weer. Van het aanhalen van de 34 bewijsmiddelen waarop het hof de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair heeft doen steunen, zie ik gelet op de omvang ervan en ter wille van de leesbaarheid van deze conclusie af. Wel zal ik bij de bespreking van het tweede middel een aantal in dat middel genoemde bewijsmiddelen aanhalen.

Bewezenverklaringen en bewijsoverwegingen

6. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“1. subsidiair

hij, op 10 december 2014 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk die [slachtoffer] geslagen en/of gestompt en een plastic tas over het hoofd van die [slachtoffer] geplaatst en een (water)slang om de hals van die [slachtoffer] geplaatst en (vervolgens) die (water)slang aangetrokken en omsnoerend/samendrukkend geweld op de hals van die [slachtoffer] toegepast, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij, op 10 december 2014 te Rotterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fles drank (whisky), toebehorende aan [slachtoffer] , zulks terwijl tijdens het plegen van dit misdrijf nog geen vijf jaren van zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.”

7. Ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft het hof het volgende vastgesteld en overwogen:

“Beoordeling van het onder 1 subsidiair impliciet subsidiair ten laste gelegde (medeplegen doodslag)

Aantreffen van het slachtoffer, sporenonderzoek en medische bevindingen.

Uit de verklaring van de getuige [getuige 1] volgt dat zij een vriendschappelijke relatie onderhield en zeer regelmatig contact had met [slachtoffer] (hierna ook: het slachtoffer). Zij heeft hem op 9 december 2014 in zijn woning bezocht en op 10 december 2014 overdag nog telefonisch gesproken doch heeft nadien geen contact meer met hem kunnen krijgen. Hij reageerde, tegen zijn gewoonte in, niet op de berichten die zij hem via de telefoon stuurde. In de avond van 12 december 2014 besloot zij daarom om poolshoogte te gaan nemen bij zijn woning aan de. [a-straat 1] te Rotterdam. Daar trof zij het slachtoffer - op het oog levenloos - aan, onderuit gezakt op een stoel en met een plastic zak over zijn hoofd. Zij belde vervolgens de politie.

De ter plaatse gekomen verbalisanten troffen het slachtoffer aan in een stoel in de woonkamer van voornoemde woning. Er zat een plastic zak over het hoofd van het slachtoffer en een tuinslang om zijn nek. Het slachtoffer had geen hartslag en er was geen sprake van ademhaling. De vingers van het slachtoffer waren donker gekleurd en op zijn buik werden lijkvlekken geconstateerd. Ambulancepersoneel constateerde dat het slachtoffer vermoedelijk al enige tijd was overleden. Links naast de stoel waarop het slachtoffer zat, lag een kunstgebit. Op de eettafel in de woning lag een paspoort op naam van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] .

Tijdens vervolgonderzoek werd vastgesteld dat zich bloedsporen bevonden op de grond naast het slachtoffer en aan de binnen- en buitenzijde van genoemde plastic zak. Het hoofd van het slachtoffer was bebloed en ook zijn trui en het onderliggende shirt waren sterk bebloed. Gelet op het bloedsporenbeeld is het waarschijnlijk dat het slachtoffer zich in een andere positie heeft bevonden dan waarin hij werd aangetroffen.

Er stond spanning op de tuinslang; het slachtoffer veranderde van positie toen deze werd verwijderd.

Op 17 maart 2015 heeft de politie in de woning een luminolonderzoek uitgevoerd. Luminol wordt toegepast om latent aanwezige bloedsporen (zoals schoongemaakt bloed) aan te tonen. Naar aanleiding van dit onderzoek is geconcludeerd dat er zeer waarschijnlijk bloedsporen aanwezig zijn geweest op de vloer in de woonkamer.

Op grond van deze bevindingen acht het hof het aannemelijk dat het bloedende slachtoffer op de grond heeft gelegen voordat hij in de stoel terecht is gekomen, en dat er bloedsporen zijn schoongemaakt c.q. verwijderd.

Op 13 december 2014 is het stoffelijk overschot van [slachtoffer] overgebracht naar een sectielokaal van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) alwaar op 14 december 2014 omstreeks 14.00 uur door de patholoog sectie is verricht. De patholoog heeft in haar rapport van 10 maart 2015 als volgt geconcludeerd:

"Er waren als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend botsend geweld onderhuidse bloeduitstortingen in het gezicht, de linkeroorschelp en in de linker handrug. De neus was daarbij gebroken en er was vocht (waarschijnlijk bloed) in de neusbijholte. Deze letsels zijn het gevolg van krachtige uitwendige 'inwerking van stomp botsend of samendrukkend mechanisch geweld, zoals door slaan, schoppen, vallen of (zich) stoten. Als gevolg van bij leven opgelopen samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals waren er in de halshuid en het ondergelegen spierweefsel bloeduitstortingen en waren de beide bovenste hoorntjes van het strottenhoofd gebroken.

Waarmee het geweld op de hals heeft plaatsgevonden kan op grond van de sectiebevindingen niet worden vastgesteld. Het overlijden kan goed worden verklaard als gevolg van verstikkingsverschijnselen als gevolg van acuut opgetreden zuurstofgebrek door geweld op de hals. De bij de sectie gevonden stipvormige bloeduitstortingen in de bindvliezen van de ogen ondersteunen deze hypothese. Het is goed mogelijk dat luchtwegbelemmering door slijmvlieszwelling als gevolg van bloeduitstorting in o.a. de neusbijholte aan het optreden van de verstikkingsverschijnselen en daarmee aan het overlijden heeft bijgedragen. Indien de plastic zak bij leven over het hoofd is getrokken kan dit eveneens aan het optreden van luchtwegbelemmering en daarmee aan het overlijden hebben bijgedragen.”

De conclusie van de patholoog luidt als volgt:

[slachtoffer] is overleden als gevolg van verstikking ten gevolge van bij leven opgelopen omsnoerend en/of samendrukkend geweld op de hals en/of de aanwezigheid van een afgesloten plastic zak om het hoofd. Het hof neemt deze conclusie over en gaat daar in zijn beoordeling van uit.

Reconstructie van hetgeen voorafgaand aan het overlijden heeft plaatsgevonden

Gebleken is dat er vóór en na het onderhavige geweldsdelict verdachte pintransacties hebben plaatsgevonden met de pinpas van het slachtoffer, die was ontvreemd. Uit onderzoek hiernaar is gebleken dat de medeverdachte [medeverdachte] daarbij betrokken is geweest.

Uit het door de politie ingestelde onderzoek met betrekking tot het overlijden van het slachtoffer is voorts het volgende naar voren gekomen.

Historische telecommunicatiegegevens en verklaringen daaromtrent

De medeverdachte [medeverdachte] maakt ten tijde van het ten laste gelegde gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] blijkt na onderzoek het nummer te zijn van de verdachte. Op 9 en 10 december 2014 hebben deze twee telefoonnummers veelvuldig contact met elkaar, terwijl dat daarvoor niet het geval was.

Uit een analyse van de historische gegevens van genoemde telefoonnummers volgt dat de verdachte en de medeverdachte zich op 10 december 2014 omstreeks 16.30 uur allebei in de buurt van de Sterkenburgsingel te Rotterdam bevonden. Dit vindt steun in de verklaring van de getuige [getuige 2] inhoudende dat hij de verdachte heeft afgezet bij een vrouw in de Beverwaard. Het hof acht aannemelijk dat [getuige 2] hier verklaart over de middag van 10 december 2014. Daarbij heeft het hof ook gelet op de verklaring van de verdachte dat hij in de namiddag van 10 december 2014 naar de medeverdachte in de Beverwaard is gegaan. De verdachte heeft verklaard naar [medeverdachte] te zijn toegegaan, omdat zij hem had toegezegd dat zij hem wat geld zou kunnen lenen.

Om 17.03 uur belt de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte] met het telefoonnummer [telefoonnummer 3] , dat in gebruik is bij het slachtoffer. Rond 17.30 uur verplaatsen de telefoons van de verdachte en de medeverdachte zich in de richting van de Stolwijkstraat. Zij nuttigen in die omgeving dan waarschijnlijk gezamenlijk een pizza, zoals zij beiden hebben verklaard. De verdachte heeft verklaard dat zij moesten wachten omdat de man van wie de medeverdachte geld zou kunnen regelen om 19.00 uur thuis zou komen, zo vertelde de medeverdachte hem.

Vanaf 19.41 uur maakt de telefoon van de medeverdachte gebruik van de zendmast aan de [a-straat] , in de directe omgeving van de woning van het slachtoffer. Om 19.42 uur belt de medeverdachte kort naar de verdachte, die zich blijkens de zendmastgegevens ook in de nabijheid van de [a-straat] bevindt. De verdachte heeft verklaard dat de medeverdachte hem had verteld dat hij naar de woning (het hof begrijpt: de woning van het slachtoffer) moest komen om het geld op te halen. De verdachte heeft verklaard dat de medeverdachte hem om 19.42 uur belde dat hij kon komen. Hij heeft verklaard dat hij zich vervolgens naar de woning van het slachtoffer heeft begeven, dat hij door de medeverdachte is binnengelaten en dat hij en de medeverdachte vervolgens beiden in de woning van het slachtoffer aanwezig waren.

Tot 20.22 uur heeft zowel de telefoon van de verdachte als de telefoon van de medeverdachte verbinding met de zendmast op de [a-straat] . Om 20.17 uur vindt een telefoongesprek plaats tussen de telefoons van de verdachte en de medeverdachte. Tussen 19.42 uur en 20.17 uur hebben de telefoons van de verdachte en de medeverdachte geen contact met elkaar.

Volgens de zus van het slachtoffer was in Whatsapp te zien dat het slachtoffer op 10 december 2014 omstreeks 19.50 uur voor het laatst online is geweest. Uit het onderzoek naar de historische telecommunicatiegegevens van de telefoon van het slachtoffer volgt dat op 10 december 2014 om 19.53 uur het laatste geregistreerde contact plaatsvond.

Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft verklaard, zoals hierboven reeds weergegeven, dat hij in de avond van 10 december 2014 in de woning van het slachtoffer is geweest nadat de medeverdachte [medeverdachte] hem had binnengelaten. In de hal van de woning zag hij een fiets staan, hetgeen overeenkomt met de bevindingen van de na het aantreffen van het slachtoffer ter plaatse gekomen verbalisanten. De verdachte heeft verder verklaard dat hij in de woning de oude blanke man (het hof begrijpt: het slachtoffer) een duw heeft gegeven en dat het slachtoffer klappen heeft gekregen.

Op de vraag wat [medeverdachte] over die oude blanke man had verteld antwoordt de verdachte dat de medeverdachte eerder die avond tegen hem had gezegd dat ze die man kende en dat die man dood moest. Over het handelen van [medeverdachte] in de woning van het slachtoffer verklaart de verdachte dat de medeverdachte iets met het slachtoffer deed, dat het slachtoffer in de stoel zat en dat de medeverdachte achter hem stond, dat [medeverdachte] met haar handen bezig was en dat het leek alsof ze het slachtoffer bij de schouders vasthield.

De verdachte heeft op de zitting in eerste aanleg van 2 juni 2016 voorts verklaard dat hij zag dat iemand een slang om de nek van het slachtoffer heeft gelegd en die heeft aangetrokken. De medeverdachte [medeverdachte] zat volgens hem bij die tuinslang. Weliswaar heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep betwist dat hij dit ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard, maar dit acht het hof niet aannemelijk. Het element van de slang komt namelijk op twee verschillende momenten terug in het verhoor van de verdachte, zoals dat is weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg. Bovendien heeft de verdediging pas ter terechtzitting in hoger beroep van 26 september 2018 opmerkingen gemaakt over dat proces-verbaal. Het hof ziet geen aanleiding om aan te nemen dat het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg een onjuiste weergave behelst van de aldaar door de verdachte afgelegde verklaring.

Verklaring van de medeverdachte

De medeverdachte [medeverdachte] heeft ontkend in de avond van 10 december 2014 in de woning van het slachtoffer te zijn geweest.

Audiobestand

Op de telefoon van de hierna te bespreken [betrokkene 1] is een audiobestand aangetroffen. Dit bestand betreft een opgenomen gesprek tussen de hierna te bespreken [betrokkene 2] en de medeverdachte [medeverdachte] , van 24 januari 2015. In dit gesprek zegt [betrokkene 2] : "Je hebt geluk dat je het in je eentje hebt gedaan", waarop [medeverdachte] zegt "alleen met die jongen. Maar hij wordt niet opgepakt (..) Maar er is ook geen getuige (bewijs)".

Getuige [getuige 3]

De getuige [getuige 3] , vriendin van de verdachte, heeft verklaard dat zij kort na 10 december 2014 van de verdachte heeft gehoord dat de medeverdachte [medeverdachte] een zak over het hoofd van die man (het hof begrijpt: het slachtoffer) wilde doen. Voorts heeft [getuige 3] verklaard dat zij (het hof begrijpt: op 10 december 2014) de verdachte belde, en dat de verdachte toen tegen haar zei dat hij bezig was. Volgens [getuige 3] was de verdachte toen bij "die meneer". De verdachte hijgde aan de telefoon en was volgens [getuige 3] met die man in een worsteling of zoiets. Hij zei dat hij zo terug zou bellen. Het was een heel kort gesprek. Dat er telefonisch contact is geweest tussen de verdachte en [getuige 3] wordt bevestigd door de historische telefoongegevens van de telefoon van de verdachte ( [telefoonnummer 2] ): 19.52.13 uur 2 seconden en 19.52.40 uur 23 seconden. Deze tijdstippen liggen twee minuten nadat het slachtoffer voor het laatst online is geweest. Dat is opmerkelijk.

Telefoongesprek

Op 30 december 2014 voert de verdachte een telefoongesprek met zijn (half)zus, waarin hij zegt dat hij voor het eind van het jaar "een klote ding" heeft gedaan, en dat dat ding fout is gegaan/gelopen. Hij zegt: "Misschien is de mens/persoon zelfs verneukt" en "als ze komen kloten, dan krijg ik zeker 12 jaar".

Tussenconclusie

Reeds op grond van het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - stelt het hof vast dat de verdachte en de medeverdachte tussen circa 19.45 uur en uiterlijk 20.17 uur enige tijd in elkaars gezelschap in de woning van het slachtoffer waren en dat in de tijd waarin de verdachte en de medeverdachte daar samen aanwezig waren geweld is toegepast op het slachtoffer. Er zijn geen aanwijzingen in het dossier dat na hun vertrek uit de woning nog door anderen geweld op het slachtoffer is uitgeoefend. Het hof concludeert daaruit en op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien dat het slachtoffer ten gevolge van het binnen voormeld tijdsbestek in aanwezigheid van de verdachte en de medeverdachte toegepaste geweld is overleden.

Het hof hecht, in het licht van de bewijsmiddelen, geen geloof aan de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] dat zij in de avond van 10 december 2014 niet in de woning van het slachtoffer is geweest.

De verdachte stelt dat hij het slachtoffer slechts een duw heeft gegeven en dat hij heeft gezien dat het slachtoffer daarna klappen heeft gekregen van een derde in de woning aanwezige persoon, een Afrikaanse man. Met de rechtbank acht het hof dit door de verdachte geschetste alternatieve scenario volstrekt onaannemelijk. Zie hiervoor de bespreking van de verweren van de verdediging.

Verklaringen van [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 3]

[betrokkene 2] , een nichtje van de medeverdachte [medeverdachte] , heeft verklaard dat [medeverdachte] heeft gezegd dat een Antilliaanse man hem (het hof begrijpt: het slachtoffer) een tik had gegeven. Eerst had [medeverdachte] het over één tik. Later werden het meer tikken en sprak [medeverdachte] over opgezette ogen. [medeverdachte] vertelde dat ze in paniek was geraakt omdat [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) de pinpas (het hof begrijpt: van het slachtoffer) niet had teruggebracht. [medeverdachte] vertelde dat zij een Antilliaanse man had gebeld, van wie zij wist dat hij geldproblemen had. Die man was langs qeweest en heeft hem (het hof begrijpt: het slachtoffer) een paar tikken gegeven. [medeverdachte] vertelde dat de man die was geslagen opgezette ogen had en dat er een plas bloed lag. [medeverdachte] heeft tegen [betrokkene 2] gezegd dat de Antilliaanse man de man heeft verstikt.

[betrokkene 2] verklaart verder dat [medeverdachte] , op de dag dat zij zichzelf ging aangeven bij de politie, haar in detail heeft verteld wat er is gebeurd. De Antilliaanse man is naar binnen gegaan en heeft hem (het hof begrijpt: het slachtoffer) een paar tikken gegeven. Het slachtoffer viel op de grond. Hij was nog niet dood. Hij vocht wel terug. [medeverdachte] heeft verteld dat hij haar nog aan keek en om hulp vroeg. [medeverdachte] is toen blijven kijken. [medeverdachte] heeft bewijsmateriaal weggehaald en ze hebben hem op de stoel achtergelaten. Het slachtoffer is dood in zijn stoel gezet. [medeverdachte] heeft gezegd dat hij op de grond is doodgegaan.

Op de vraag of [medeverdachte] nog aan [betrokkene 2] heeft verteld hoe die Antilliaanse man binnen was gekomen verklaart [betrokkene 2] dat [medeverdachte] de deur voor hem heeft opengemaakt . [medeverdachte] was binnen in huis. [medeverdachte] heeft aan [betrokkene 2] gevraagd of [betrokkene 2] wilde vertellen dat [medeverdachte] bij haar was rond die tijd.

Verder verklaart [betrokkene 2] dat [medeverdachte] haar vertelde dat die Antilliaan op het slachtoffer lag toen hij hem sloeg. Terwijl die Antilliaan hem sloeg zei de Antilliaan tegen [medeverdachte] dat zij alles moest opruimen.

Over de Antilliaanse man verklaart [betrokkene 2] dat [medeverdachte] haar heeft verteld dat hij handschoenen droeg, dat hij geen adres heeft omdat hij in het verleden een wietplantage had en daardoor zijn huis is kwijtgeraakt en dat hij daarom bij zijn vriendin woont. Het hof merkt op dat de verdachte voldoet aan de hier gegeven omschrijving van de Antilliaan en wijst in dit verband op de verklaring die de verdachte op 17 februari 2015 bij de politie heeft afgelegd.

[betrokkene 3] heeft verklaard dat er op 20 januari 2015, na de uitzending van Opsporing verzocht, een ontmoeting heeft plaatsgevonden in de woning van de nicht van [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ), tussen [betrokkene 3] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en de medeverdachte [medeverdachte] . Zij hoorde toen dat [medeverdachte] vertelde - toen aan [medeverdachte] werd gevraagd wie hem (hof het begrijpt: het slachtoffer) had vermoord - dat zij de deur had opengedaan, dat er iemand binnenkwam en dat die persoon de man (het hof begrijpt: het slachtoffer) had geslagen en spullen had meegenomen. [medeverdachte] was daar vrij stellig in. Op de vraag van [betrokkene 3] wie die binnengelaten persoon was, antwoordde [medeverdachte] dat die man tegen haar heeft gezegd dat zij elkaar na die dag niet meer kenden. [medeverdachte] vertelde verder dat ze hem (het hof begrijpt: het slachtoffer) dood heeft gezien.

Ook [betrokkene 1] heeft verklaard dat na de uitzending van Opsporing Verzocht een ontmoeting heeft plaatsgevonden in de woning van [betrokkene 2] , tussen haar, [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en de medeverdachte [medeverdachte] . Zij heeft toen gehoord dat [medeverdachte] sprak over een Antilliaanse man die zij niet kon vinden, die niet stond ingeschreven op een Nederlands adres en die bij zijn vriendin zou zijn.

Deze verklaringen van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] vormen naar het oordeel van het hof steunbewijs voor en verdere invulling van vorenstaande tussenconclusie.

Opzet

Op het slachtoffer is fors geweld toegepast waardoor hij een gebroken neus en blauwe plekken heeft opgelopen. Er is verder omsnoerend en/of samendrukkend geweld toegepast op zijn hals. Er is een plastic zak om zijn hoofd geplaatst, daar overheen is een tuinslang aangebracht en die slang is aangetrokken. Gelet op de aard van deze geweldshandelingen was bij degenen die dit letsel hebben aangebracht, onmiskenbaar sprake van opzet op de dood van het slachtoffer.

Medeplegen

Voor medeplegen is nodig dat bij het begaan van het feit sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de daders en dat het handelen van iedere dader een substantiële, bijdrage aan de totstandkoming van het feit oplevert.

Het hof stelt vast dat slechts de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] aanwezig waren bij de geweldpleging tegen het slachtoffer. [medeverdachte] heeft de verdachte benaderd om met haar naar de woning van het slachtoffer te gaan. Zij heeft de verdachte de woning van het slachtoffer binnen gelaten. Toen [medeverdachte] en de verdachte in de woning van het slachtoffer waren, is het dodelijk geweld tegen het slachtoffer uitgeoefend. Het hof neemt op grond van de bewijsmiddelen, tezamen en in onderling verband bezien, aan dat dit laatste een gezamenlijk handelen is geweest. Noch de verdachte noch [medeverdachte] heeft openheid van zaken gegeven. Wie van hen wel de handelingen heeft verricht, kan dus niet met zekerheid worden vastgesteld, maar dat is voor de het aannemen van medeplegen ook niet van groot belang. De bewijsmiddelen geven wel indicaties voor de handelingen die moeten zijn verricht (met de bevestiging ervan in de bevindingen bij het aantreffen van het slachtoffer en bij de sectie op het slachtoffer) en door wie ze zijn verricht: de verklaringen van de verdachte, [betrokkene 2] en [getuige 3] , als kort hiervoor aangeduid en uitgewerkt in de bewijsmiddelen. Bij het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte gaat het hof, mede gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, uit van een gezamenlijk handelen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] , gericht op het overlijden van het slachtoffer. Het hof concludeert dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking bij de dodelijke geweldpleging tegen het slachtoffer, en dat zowel de verdachte als [medeverdachte] daaraan een substantiële bijdrage heeft geleverd. Derhalve was sprake van medeplegen. Dat uitsluitend de verdachte geweldshandelingen heeft toegepast, zoals de medeverdachte aan [betrokkene 2] heeft verteld, acht het hof in het licht van de overige bewijsmiddelen niet aannemelijk.

In zoverre hecht het hof geen geloof aan de verklaringen van [betrokkene 2] .”

Het eerste middel en de beoordeling daarvan

8. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting, behelst de klacht dat het hof ten onrechte en met voorbijgaan aan het toepasselijke toetsingskader de verzoeken van de verdediging tot het doen van nader onderzoek en tot het benoemen van een deskundige heeft afgewezen, althans dat deze afwijzing onvoldoende met redenen is omkleed, hetgeen in het licht van de stellige ontkenning van de verdachte en het onderbouwde alternatieve scenario dat mogelijk een derde (‘de Afrikaan’) de geweldshandelingen heeft verricht een schending zou opleveren van het recht op een eerlijke procesvoering als bedoeld in art. 6 EVRM.

9. In aanloop naar mijn bespreking van het middel, komt het mij dienstig voor (eerst) de in de toelichting op het middel genoemde verzoeken en ’s hofs daarop gegeven beslissingen, voor zover hier van belang, voor te leggen.

10. Bij brief van 23 november 2016 is door de toenmalige raadsvrouw van de verdachte een twaalftal onderzoekswensen aan het hof en de advocaat-generaal toegezonden. Vijf daarvan vallen in de categorie waarop de stellers van het middel hun oog hebben. Ik citeer uit die brief het navolgende:

“[…]

4. De verdediging wenst dat er DNA-onderzoek wordt uitgevoerd op de haren die zijn aangetroffen in de linkerhand van het slachtoffer. Blijkens de brief van ing. M.J. van der Scheer van het NFI d.d. 20 april 2016 (zie p. 7 onderaan) kunnen deze haren worden onderworpen aan een mitochondriaal DNA-onderzoek en is dat niet gebeurd omdat de haren van Kaukasische oorsprong bleken te zijn. Vermoedelijk is deze beslissing gebaseerd op de aanname dat de haren van het slachtoffer afkomstig zijn. Het is echter zeer wel mogelijk dat de haren afkomstig zijn van (één van) de daders, te meer daar het slachtoffer blijkens het voorlopig sectierapport van het NFI een bloeduitstorting had op de linkerhandrug die het gevolg zou zijn van uitwendig inwerkend geweld. In dat verband verdient vermelding dat veel personen uit Noord- Afrika en een deel van Oost-Afrika niet tot het negroïde ras maar tot het Kaukasische ras behoren. De haren zouden derhalve van medeverdachte [medeverdachte] kunnen zijn, maar ook van de man (de Afrikaan) die cliënt in de woning van het slachtoffer heeft gezien. Cliënt heeft deze man niet goed kunnen zien omdat het donker was in de woning van het slachtoffer, maar in zijn herinnering had deze man ongeveer dezelfde (relatief lichte) huidskleur als [medeverdachte] . Hij zou dus afkomstig kunnen zijn uit Noord-Afrika of Oostelijk Afrika.

5. Uit het rapport van het NFI d.d. 21 april 2016 (p. 6 onderaan) blijkt dat de broek die het slachtoffer droeg toen hij werd aangetroffen, niet op biologische (contact)sporen is onderzocht. De verdediging beschouwt dat als een omissie en acht het van belang dat de broek alsnog op biologische (contact)sporen wordt onderzocht, zulks omdat zeker niet uit te sluiten valt dat sporen van de dader(s) op de broek zijn achtergebleven. Ook op de trui van het slachtoffer zaten ‘op haren lijkende sporen’ die nog niet zijn veilig gesteld en onderzocht (vgl. het NFI-rapport d.d. 29 mei 2015, p. 1). De verdediging wenst dat ook die sporen alsnog worden onderzocht, nu zij mogelijk informatie geven over de dader(s).

6. In het rapport van het NFI d.d. 12 februari 2015 (p. 113 e.v. van het forensisch dossier) wordt vermeld dat op de stukken tuinslang met nummer AAG03901NL en AAG03902NL ‘op haren lijkende sporen’ zijn aangetroffen. Die zijn blijkens het rapport niet veilig gesteld maar zijn nog op de stukken slang aanwezig. De verdediging begrijpt niet waarom deze sporen niet zijn veilig gesteld en onderzocht, nu de waarheidsvinding daarmee gediend kan zijn. De sporen zijn immers mogelijk afkomstig van de dader(s). Nu verdachte ontkent dat hij (één van) de dader(s) is, heeft hij er belang bij dat al het mogelijke technisch onderzoek wordt verricht, dus ook nader onderzoek naar de sporen op de tuinslang.

7. Blijkens p. 2 van voormeld rapport zijn ook aan de binnenzijde van de portemonnee die is aangetroffen in de woning van het slachtoffer ‘meerdere op haren lijkende sporen’ aangetroffen. Ook deze sporen zijn niet onderzocht. De verdediging wenst dat ook deze sporen worden onderzocht, nu zij duidelijkheid over de dader(s) zouden kunnen opleveren.

[…]

10. Voormelde heer [getuige 4] is bij de r.c. gehoord en heeft zich toen bereid verklaard DNA af te staan. De verdediging wenst dat zijn DNA wordt onderzocht omdat hij mogelijk de Afrikaan is die in de woning van het slachtoffer was met [medeverdachte] . Aanwijzingen daarvoor zijn de volgende: 1) zijn mobiele telefoon is op 10 december blijkens de zendmastgegevens op de [a-straat] (dus in de buurt van de woning van het slachtoffer) geweest, 2) hij heeft de medeverdachte [medeverdachte] meermalen bezocht in het HvB, 3) in de telefoongesprekken met de medeverdachte [medeverdachte] toont hij opvallend veel en frequent belangstelling voor het verloop van het strafrechtelijk onderzoek naar de dood van het slachtoffer en 4) hij geeft blijk van kennis van de zaak, terwijl hij er niets van zegt te weten. Zo verklaart hij op p. 462 van het dossier over het slachtoffer ‘Hij heeft het verpest omdat hij zoveel vrouwen binnenliet’.”

11. Deze onderzoekswensen zijn door de raadsvrouw per brief van 7 november 2017 aangevuld met een verwijzing naar het door haar bijgevoegde en door ing. Dankers opgestelde Forensica-rapport d.d. 21 april 2017 ten einde het door hem aanbevolen DNA-onderzoek met nieuwe technieken te doen plaatsvinden.

12. De advocaat-generaal heeft bij brief van 17 november 2017 zich tegen het toewijzen van deze onderzoekswensen verzet:

De onderzoekswensen en het standpunt van het Openbaar Ministerie

[…]

Nadere onderzoekswensen

4.4.1.

Het Openbaar Ministerie verzet zich tegen het laten verrichten van deze onderzoeken, aangezien de noodzaak daartoe niet aanwezig wordt geacht. Er heeft uitgebreid forensisch onderzoek plaatsgevonden. Er is, bijvoorbeeld, onderzoek gedaan door het NFI naar DNA op de trui van het slachtoffer, waar het slachtoffer mogelijk is vastgegrepen. Verder is de portemonnee van het slachtoffer onderzocht op DNA. Ook is de zak, aangetroffen over het hoofd van het slachtoffer bemonsterd, evenals de tuinslang.

4.4.2.

De verdediging stelt dat, als er een worsteling zou hebben plaatsgevonden, DNA van verdachte had moeten zijn aangetroffen en dat, nu dat niet het geval is, dit ontlastend is voor [verdachte] .

4.4.2.

Het Openbaar Ministerie betwist de juistheid van deze stelling. De afwezigheid van bewijsmateriaal levert nog niet op het bewijs van iemands afwezigheid. Zo kan de verdachte, bijvoorbeeld, handschoenen hebben gedragen. De omstandigheid dat er geen DNA op de trui van het slachtoffer is aangetroffen kan gelegen zijn in het feit dat de trui doordrenkt was met bloed van het slachtoffer. De omstandigheid dat er op de plaats delict verschillende haren zijn aangetroffen, is op zich niet opvallend. Echter, niet vast staat dat dit aan daderschap te relateren sporen zijn.

4.4.3.

De verdediging lijkt op zoek te zijn naar een andere verdachte, een Afrikaan. De rechtbank heeft overwogen dat de aanwezigheid van een Afrikaan in de woning van het slachtoffer niet aannemelijk is geworden. In de appelschriftuur worden geen controleerbare feiten of omstandigheden naar voren gebracht die dit oordeel bestrijden. Verdachte is eerst tijdens zijn derde verhoor met dit scenario op de proppen gekomen, terwijl hij eerder onjuist heeft verklaard over zijn aanwezigheid in de woning van het slachtoffer.

4.4.4.

Bij deze stand van zaken is de noodzaak tot nader onderzoek niet gebleken. Het verzoekt dient derhalve te worden afgewezen.

[…]

DNA-onderzoek [getuige 4]

7.1.

De verdediging wil dat [getuige 4] DNA-materiaal afstaan waartoe deze zich tegenover de rechter-commissaris bereid heeft verklaard, teneinde dat onderzoek te laten doen.

7.2

Het Openbaar Ministerie vermag de noodzaak tot het inwilligen van dit verzoek niet in te zien. De onderbouwing van dit verzoek bestaat uit louter de suggestie dat [getuige 4] mogelijk de ‘Afrikaan’ is die verdachte [verdachte] in de woning van het slachtoffer heeft gezien.

[…]

Nadere onderzoekswensen bij brief van 7 november 2017

10.1

Naar aanleiding van het door mr. Maduro, (toenmalig) raadsman van de verdachte [medeverdachte] in het geding gebrachte onderzoeksverslag verzoekt de verdediging van de verdachte [verdachte] het rapport aanbevolen DNA-onderzoek uit te laten voeren. De verdediging dient zoveel mogelijk technisch onderzoek te worden uitgevoerd dat een ander licht kan werpen op de vraag wie op of rond de datum delict sporen heeft achtergelaten in de woning van het slachtoffer.

10.2

Het is op zich begrijpelijk dat de verdediging al het onderzoek dat mogelijk is om een ‘derde’ dader aan te wezen wenst te benutten. Echter, in deze zaak heeft er, ook in overleg met de verdediging uitgebreid – al het mogelijk – forensische onderzoek plaatsgevonden. Alles met enige kans op bruikbare sporen is onderzocht, de tuinslang en de kleding van het slachtoffer is op cruciale plaatsen onderzocht en bemonsterd.

10.3

Aangezien de verdediging niet aangeeft welke goederen nader dienen te worden onderzocht, is, bij deze stand van zaken, de noodzaak tot het verrichten van nader onderzoek niet gebleken. Opmerking verdient nog dat de trui van het slachtoffer, als gevolg van de grote hoeveelheid bloed, niet te onderzoeken was.”

13. Op de pro forma-zitting van 5 februari 2018 is de raadsvrouw in de gelegenheid gesteld haar onderzoekswensen toe te lichten. Overeenkomstig haar overgelegde pleitnotities heeft de raadsvrouw toen haar onderzoekswensen ter zake herhaald:1

Ten aanzien van het verzoek om nader technisch onderzoek, waaronder DNA- onderzoek, te laten verrichten

Ik heb op 23 november 2016 gevraagd om DNA-onderzoek te verrichten op de 1) op haren lijkende sporen op de tuinslang 2) de haren in de linkerhand van het slachtoffer 3) sporen op de broek van het slachtoffer, 4) de op haren lijkende sporen op de trui van het slachtoffer en 5) de op haren lijkende sporen aan de binnenzijde van de portemonnee van het slachtoffer. Het is dus niet zo dat ik niet aangegeven heb ‘welke goederen’ nader onderzocht dienen te worden, zoals de AG onder punt 10.3 stelt. In mijn brief d.d. 7 november 2017 heb ik ook gevraagd het DNA-onderzoek te laten uitvoeren dat ingenieur Dankers van Forensica aanbeveelt. Dat verzoek sluit aan op hetgeen ik al eerder had gevraagd.

De advocaat-generaal stelt dat er reeds uitgebreid forensisch onderzoek heeft plaatsgevonden en stelt onder punt 10.2 van zijn reactie zelfs dat ‘al het mogelijke forensische onderzoek’ heeft plaatsgevonden. Dat betwist ik met klem. Het onderzoek dat ik op 23 november 2016 gevraagd heb, is juist onderzoek dat nog niet is uitgevoerd. Ingenieur Dankers van Forensica verklaart in zijn onderzoeksverslag d.d. 21 april 2017 dat het aannemelijk is dat er in de situatie zoals die is geschetst bij requisitoir, dus gezien de aard van de worsteling tussen slachtoffer en dader, DNA is overgedragen van de dader op het slachtoffer of van de dader op de tuinslang. Hij stelt dat nieuw DNA-onderzoek met nieuwe, gevoeligere technieken wellicht uitsluitsel kan geven over de aanwezigheid van DNA op de tuinslang en op het lichaam van het slachtoffer.

Het lijkt mij evident dat het noodzakelijk is dat alle technisch onderzoek dat redelijkerwijze van belang kan zijn voor het vinden van degene(n) die verantwoordelijk is of zijn voor de dood van het slachtoffer, wordt uitgevoerd. Cliënt heeft van meet af aan verklaard dat hij het slachtoffer niet heeft mishandeld of gedood. Dat hij, zoals de AG vermeldt, pas in zijn derde verhoor bij de politie heeft verteld dat hij een andere man (mogelijk een Afrikaan) in de woning van het slachtoffer heeft gezien, doet daar helemaal niets aan af. Overigens had het eerste verhoor d.d. 17 februari 2015 helemaal geen betrekking op het delict, maar op de persoonlijke omstandigheden van cliënt. In het tweede verhoor op 17 februari 2015, het verhoor waarin voor het eerst over het delict gesproken wordt, ontkent cliënt weliswaar dat hij in de woning van het slachtoffer is geweest, maar dat zet hij daags erna, in het verhoor d.d. 18 februari 2015, recht en dan vertelt hij ook meteen uit zichzelf over de Afrikaans uitziende man die hij in het huis van het slachtoffer gezien heeft.

De AG stelt dat niet vast staat dat de haren die op de plaats delict zijn gevonden aan de dader te relateren zijn. Dat staat inderdaad niet op voorhand vast, maar dat is natuurlijk geen reden om die haren niet te onderzoeken. De haren kunnen immers wel degelijk afkomstig zijn van de dader(s) en het verzochte DNA-onderzoek kan daarover mogelijk uitsluitsel geven. Als de dader handschoenen aan zou hebben gehad (cliënt ontkent trouwens dat hij handschoenen droeg toen hij in de woning van het slachtoffer was) ligt het juist in de rede onderzoek te doen naar gevonden haren, omdat die haren kunnen leiden naar de dader. Haren kun je immers ook verliezen als je met handschoenen aan vecht.

Ik heb ingenieur Dankers gevraagd welk instituut of onderzoeksburo het door hem in zijn rapport beschreven geavanceerde DNA-onderzoek kan uitvoeren. Hij vertelde mij dat het TMFI en Verilabs dit onderzoek kunnen uitvoeren. Mogelijk vindt uw Hof het van belang Dankers eerst als deskundige te horen, alvorens een beslissing over nader DNA-onderzoek te nemen. In dat geval verzoek ik u dhr. Dankers ter zitting als deskundige te horen.

[…]

Het verrichten van DNA onderzoek bij [getuige 4]

De AG stelt dat het verzoek om DNA af te nemen bij [getuige 4] , die overigens zelf bij de r.c. de bereidheid heeft geuit DNA af te gaan, uitsluitend gemotiveerd wordt met de suggestie dat hij de Afrikaan zou zijn die cliënt in de woning van het slachtoffer heeft gezien. Dat is niet waar. In mijn onderzoekswensen d.d. 23 november 2016 geef ik vier argumenten voor een verdenking richting [getuige 4] .”

In aanvulling daarop vermeldt het proces-verbaal van de op 5 februari en 14 februari 2018 gehouden terechtzittingen nog het volgende:

“De voorzitter vraagt aan de raadsvrouw of zij met betrekking tot de sporen 1 tot en met 5, zoals op pagina 4 in haar pleitnota vermeld, wil dat er zowel DNA-onderzoek als aanvullend onderzoek wordt verricht.

De raadsvrouw deelt mede dat een aantal dingen nog niet is onderzocht. Als er toch onderzoek plaatsvindt, zou daarin het onderzoek dat ingenieur Dankers noemt kunnen worden meegenomen. Bij de sporen die wel zijn onderzocht heeft ingenieur Dankers aangegeven dat volgens de nieuwste technieken aanvullend onderzoek mogelijk is.

De oudste raadsheer vraagt aan de raadsvrouw of zij iets kan vertellen over de deskundigheid van de heer Dankers.

De raadsvrouw deelt mede dat zij hem ontmoet heeft op een cursus voor deskundigen in Maastricht. Hij is ingenieur en pretendeert verstand te hebben van DNA, maar hij is niet degene die het onderzoek uiteindelijk kan uitvoeren omdat hij geen lab heeft.

De oudste raadsheer vraagt aan de raadsvrouw of zij de heer Dankers als deskundige op zitting wenst te horen.

De raadsvrouw deelt mede dat op zitting aan hem gevraagd kan worden of het DNA-onderzoek uitgevoerd kan worden.

De raadsvrouw deelt voorts mede dat cliënt erbij blijft dat er een andere man in de woning is geweest en dat zij het niet eens is met de reactie van de advocaat-generaal dat al het mogelijke onderzoek gedaan is. Van de haren wordt gezegd dat ze Kaukasisch zijn en dus niet onderzocht worden. Het gaat om technisch onderzoek dat van belang is voor de waarheidsvinding en daarom verricht dient te worden, aldus de raadsvrouw.

De oudste raadsheer vraagt aan de raadsvrouw of het nader technisch onderzoek bedoeld is voor het onderbouwen van het door de verdachte geschetste alternatieve scenario met de Afrikaan.

De raadsvrouw bevestigt dat en deelt mede dat cliënt zich op het standpunt stelt dat hij het niet gedaan heeft en dat daarom alles er aan gedaan moet worden om dat uit te zoeken. Nader onderzoek kan haar cliënt als verdachte uitsluiten.

[…]

De raadsvrouw, deelt als toelichting op haar laatste verzoek in de pleitnotities mede dat [getuige 4] op 10 december 2014 in de buurt is geweest van de woning van [slachtoffer] en dat [getuige 4] zelf heeft aangegeven dat hij geen bezwaar heeft tegen afname van zijn DNA.”

14. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzittingen van 5 februari en 14 februari 2018 heeft het hof ten aanzien van de bedoelde onderzoekswensen het volgende overwogen en beslist:

“Het verrichten van nader technisch onderzoek, waaronder DNA-onderzoek

De verdediging heeft verzocht om diverse nadere onderzoeken:

a. DNA-onderzoek op de haren in de linkerhand van het slachtoffer

b. onderzoek naar biologische (contact)sporen op de broek van het slachtoffer

c. onderzoek van de op haren lijkende sporen op de trui van het slachtoffer

d. onderzoek van de op haren lijkende sporen op stukken van de tuinslang

e. onderzoek van de op haren lijkende sporen aan de binnenzijde van de portemonnee

f. aanvullend DNA-onderzoek overeenkomstig de aanbeveling van Forensica.

Uit de toelichting op de verzoeken begrijpt het hof dat het bij al deze onderzoeken erom gaat om vast te stellen of sporenmateriaal wordt aangetroffen dat kan worden toegeschreven aan de door de verdachte gestelde "Afrikaan", dus ter onderbouwing van het door de verdachte gepresenteerde scenario. In de visie van de verdediging zou het aantreffen van dergelijk sporenmateriaal de verdachte als dader of mededader van het levensdelict kunnen uitsluiten.

Bij de beoordeling van de noodzaak van het verzochte onderzoek overweegt het hof als volgt.

Het onderzoek als verzocht is in de kern slechts dan relevant, indien het sporen betreft die moeten worden aangemerkt als dadersporen. Naar het oordeel van het hof is dat echter niet het geval.

Het slachtoffer had, zo blijkt uit het dossier, allerlei contacten met andere personen, ook in zijn woning. Het is tegen die achtergrond zeer wel mogelijk dat sporenmateriaal van derden op de kleding van het slachtoffer of op voorwerpen in diens woning terecht zijn gekomen voordat het bewuste geweldsincident waarbij het slachtoffer om het leven is gekomen heeft plaatsgevonden.

Het aantreffen van sporenmateriaal van derden op de kleding van het slachtoffer of op ter plaatse aangetroffen voorwerpen maakt niet dat met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid gesproken kan worden van dadersporen.

Met betrekking tot de in of op de hand van het slachtoffer aangetroffen haren is het hof van oordeel dat deze wel bij het geweldsincident daar terecht kunnen zijn gekomen, maar ook in dat geval hoeven het nog geen dadersporen te zijn.

Met andere woorden: indien op de plekken als door de verdediging aangeduid materiaal van een derde wordt aangetroffen, betekent dat niet dat die derde als vermoedelijke dader van het levensdelict moet worden aangemerkt en dat de verdachte daarmee als dader kan worden uitgesloten.

Evenzo geldt dat het niet aantreffen van materiaal afkomstig van de verdachte hem niet als dader uitsluit. Het is zeer wel mogelijk dat de dader gebruik heeft gemaakt van een zodanige lichaamsbedekking (bijvoorbeeld handschoenen en/of hoofd/gezichtsbedekking), dat zelfs bij een heftig geweldsincident geen identificeerbaar materiaal van de dader is achtergebleven. Daarnaast is het mogelijk dat wel achtergebleven materiaal van de dader niet meer zichtbaar is door het overvloedige bloeden van het slachtoffer of doordat er is schoongemaakt.

Daar komt bij dat bij gebrek aan concrete belastende aanwijzingen geen concrete persoon aangeduid kan worden van wie het DNA en/of de haren zouden kunnen worden vergeleken met eventueel voor vergelijking geschikt aangetroffen sporenmateriaal. De door de verdachte gegeven aanduiding van de "Afrikaan" biedt geen houvast voor een degelijke en zinvolle beoordeling of eventueel aangetroffen materiaal aan de "Afrikaan" kan worden toegeschreven. Immers, de verdachte heeft in zijn verklaringen geen heldere en consistente aanduiding van de "Afrikaan" gegeven. De aanduiding "Afrikaan" biedt in elk geval geen duidelijk referentiekader voor een sporenvergelijking.

Bij het voorgaande is voorts van belang dat de verdachte heeft verklaard dat hij vlak voor het overlijden van het slachtoffer wel in zijn woonkamer is geweest en hem toen ook heeft aangeraakt.

Het hof concludeert dat, nu het verzochte nadere technische onderzoek geen relevante ondersteuning kan geven voor het door de verdachte gestelde scenario van de "Afrikaan" noch dat scenario kan uitsluiten en dus geen bepalende betekenis kan hebben voor de beantwoording van de vraag of de verdachte wel of niet schuldig is aan het onderhavige geweldsincident, het verzochte onderzoek niet noodzakelijk is noch van belang voor enige in deze zaak te nemen beslissing. Het verzoek wordt afgewezen.

[…]

DNA-onderzoek getuige [getuige 4]

Het verzoek wordt afgewezen. De noodzaak van het verzochte onderzoek is niet gebleken. Hetgeen de verdediging daartoe aanvoert, namelijk dat deze [getuige 4] gelet op een aantal genoemde omstandigheden mogelijk de door de verdachte gestelde "Afrikaan" was die in de woning van het slachtoffer was met [medeverdachte] , is naar het oordeel van het hof niet voldoende.”

15. Tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak op 26 september 2018 heeft de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitnota het woord gevoerd en – kort gezegd – onder meer (opnieuw) aangevoerd dat de verdachte vanaf zijn eerste inhoudelijke verhoor heeft verklaard dat er een derde man – ‘de Afrikaan’ – in de woning aanwezig is geweest, dat de verdachte een uitgebreide beschrijving van deze man heeft gegeven, dat er in het geheel geen sporen van de verdachte in de woning van het slachtoffer zijn aangetroffen en dat er diverse sporen niet zijn onderzocht of slechts zijn onderzocht met basale technieken, terwijl geavanceerder onderzoek – gelet op het rapport van ing. Dankers – wel mogelijk zou zijn (geweest).

16. In het bestreden arrest is het hof daarop ingegaan, en wel als volgt:

Bespreking van de verweren van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe de navolgende - zakelijk weergegeven -verweren opgeworpen. Het hof verwijst naar de door de raadsman overgelegde pleitnotities.

[…]

e. Er is geen enkel spoor van de verdachte in de woning van het slachtoffer aangetroffen. Diverse sporen zijn niet onderzocht, hoewel daartoe uitdrukkelijk verzoeken zijn gedaan. Indien het ontbreken van sporen de verdachte niet uitsluit, geldt dat ook ten aanzien van andere personen. Als er gevochten zou zijn met het zich verzettende slachtoffer is het ondenkbaar dat geen haren, huidschilfers of ander lichaamsmateriaal van de verdachte zou zijn aangetroffen.

[…]

Ad e.

Het niet aantreffen van materiaal afkomstig van de verdachte sluit hem niet uit als (mede-)dader. Het is zeer wel mogelijk dat de verdachte en de medeverdachte gebruik hebben gemaakt van enige vorm van lichaamsbedekking (bijvoorbeeld handschoenen en/of hoofd/gezichtsbedekking). of andere hulpmiddelen en dat daardoor zelfs bij een heftig geweldsincident als het onderhavige geen identificeerbaar materiaal van de verdachte of de medeverdachte is achtergebleven.

Daarnaast is het mogelijk dat wel achtergebleven materiaal niet meer zichtbaar is door het overvloedige bloeden van het slachtoffer of doordat er is schoongemaakt. Tenslotte kan niet met zekerheid worden vastgesteld welke geweldhandelingen door de ene en welke door de andere dader zijn gepleegd. Het hof concludeert dat de omstandigheid dat geen materiaal van de verdachte is aangetroffen niet dwingt tot de conclusie dat de verdachte geen (mede-)dader geweest kan zijn. Het door de verdediging ingebrachte rapport van Forensica maakt dat niet anders. In dat rapport wordt geen aandacht gegeven aan de mogelijkheid van lichaamsbedekking of andere hulpmiddelen en de mogelijke effecten van overvloedig bloeden en schoonmaken.”

17. Vooreerst merk ik op dat de uitspraken waarnaar de stellers van het middel verwijzen een toetsingskader bieden voor verzoeken tot het doen verrichten van tegenonderzoek.2 Van een dergelijk verzoek is in de onderhavige zaak geen sprake. De verzoeken van de raadsvrouw betreffen alle het doen van nader (technisch) onderzoek dat nog niet eerder was gedaan. Aldus ook de raadsvrouw in haar (in randnummer 13 aangehaalde) pleitnotities: “Het onderzoek dat ik op 23 november 2016 gevraagd heb, is juist onderzoek dat nog niet is uitgevoerd.”3

18. De bedoelde verzoeken van de verdediging hebben te gelden als een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 330 Sv om gebruik te maken van een in art. 315 Sv (c.q. art. 316 Sv) omschreven bevoegdheid.4 Deze bepalingen zijn ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing. Gelet op het bepaalde in art. 315, derde lid, Sv (respectievelijk art. 316 Sv) is de maatstaf voor de beslissing op een zodanig verzoek of de rechter de noodzaak van het verzochte is gebleken.5 In de onderhavige zaak heeft het hof bij zijn beslissing tot afwijzing van de verzoeken dus de juiste maatstaf toegepast. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het verzochte onderzoek evenmin van belang is voor enige in deze zaak te nemen beslissing, ligt daarin tevens als het oordeel van het hof besloten dat de noodzaak tot het horen en/of benoemen van ing. Dankers als deskundige ten behoeve van het verrichten van nader onderzoek evenmin is gebleken. Nu het hof de juiste maatstaf heeft gehanteerd, staat in cassatie enkel ter beoordeling de vraag of de feitenrechter de afwijzing van de verzoeken begrijpelijk en/of toereikend heeft gemotiveerd.

19. In het overzichtsarrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers heeft de Hoge Raad een uiteenzetting gegeven van het noodzakelijkheidscriterium (rov. 2.8 en 2.9). Daarin valt te lezen dat dit criterium verband houdt met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. Met het oog daarop is de strafrechter de bevoegdheid toegekend om ambtshalve onder meer de oproeping van getuigen te bevelen voor het geval hem de noodzakelijkheid blijkt van dat verhoor, ongeacht wat de procespartijen daarvan vinden. Toegespitst op het horen en oproepen van getuigen op verzoek van de verdediging, is vanuit deze gezichtshoek bezien bij de beoordeling van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om ambtshalve gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen, slechts van belang of hij het horen van die getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Indien de feitenrechter van oordeel is dat hij voldoende is voorgelicht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken, kan hij op die grond een verzoek tot het doen van nader onderzoek afwijzen. De toetsing van de begrijpelijkheid van die beslissing hangt af van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.6Ik meen dat dit in het algemeen niet anders is in geval van een verzoek tot het horen en/of benoemen van een deskundige.

20. Uit het proces-verbaal van de terechtzittingen van 5 februari en 14 februari 2018 (zie randnummer 14) en ’s hofs arrest (zie randnummer 16) kan worden opgemaakt dat het hof de onderzoekswensen van de verdediging – niet onbegrijpelijk – aldus heeft opgevat dat zij alle erop zijn gericht vast te stellen of sporenmateriaal wordt aangetroffen ter onderbouwing van het door de verdachte geschetste alternatieve scenario dat er nog een derde persoon in de woning aanwezig is geweest, namelijk ‘de Afrikaan’, en de enkele stelling dat daarmee de verdachte als dader kan worden uitgesloten.

21. Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat de bedoelde verzoeken van de verdediging door het hof zijn afgewezen op gronden die deze afwijzing kunnen dragen. Het bestreden oordeel van het hof acht ik dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij heb ik in het bijzonder de volgende overwegingen van het hof in aanmerking genomen. Door het hof is vastgesteld dat uit het dossier blijkt dat de verdachte ook in zijn woning “allerlei contacten met andere personen” heeft gehad en het derhalve zeer wel mogelijk is dat sporenmateriaal van derden op de kleding van het slachtoffer of op voorwerpen in zijn woning terecht zijn gekomen voordat het geweldsincident plaatsvond. In het licht van het bewijsmateriaal maakt het aantreffen van sporenmateriaal van derden op de kleding van het slachtoffer of op ter plaatse aangetroffen voorwerpen niet dat met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid van dadersporen kan worden gesproken. Belangrijk in dit verband is vooral ook dat het hof op grond van hetgeen hij heeft vastgesteld – niet onbegrijpelijk – heeft geoordeeld dat het eventueel aantreffen van het geduide materiaal op de door de verdediging aangeduide plekken niet betekent dat die derde als vermoedelijke dader kan worden aangemerkt en – dit is de essentie van het geheel – de verdachte daarmee als dader kan worden uitgesloten.7 Ook als er sporen van een derde zouden worden aangetroffen, maakt dat de strafrechtelijke positie van de verdachte niet anders en staat dat bepaald niet in de weg aan het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de tenlastegelegde doodslag. En de omstandigheid dat van de verdachte in het geheel geen materieel is aangetroffen, sluit de verdachte evenmin als dader uit. Ook dat heeft het hof overwogen. Het zou, aldus het hof, immers zeer wel mogelijk zijn geweest dat de dader gebruik heeft gemaakt van lichaamsbedekking, en daarnaast is het mogelijk dat de sporen niet meer zichtbaar zijn door overvloedig bloedverlies of door schoonmaakwerkzaamheden. Voorts heeft het hof terecht gewezen op, en zulks van belang geacht, dat de verdachte zelf heeft verklaard dat hij in de woning van het slachtoffer is geweest en hem heeft aangeraakt. Dat door het hof is overwogen dat de haren die in de hand van het slachtoffer zijn aangetroffen daar bij het geweldsincident terecht kunnen zijn gekomen, doet aan het vorengaande niet af.

22. Voorts heeft het hof uitvoerig gemotiveerd dat het door de verdediging verzochte nadere onderzoek geen relevante ondersteuning kan geven voor het door de verdachte gestelde scenario van ‘de Afrikaan’, noch dat scenario kan uitsluiten, en zulks dus geen bepalende betekenis kan hebben voor beantwoording van de vraag of de verdachte wel of niet schuldig is aan het onder 1 subsidiair tenlastegelegde geweldsdelict. Daarbij heeft het hof mede betrokken dat de verdachte geen heldere consistente aanduiding van de ‘Afrikaan’ heeft gegeven en dat de enkele aanduiding ‘de Afrikaan’ geen duidelijk referentiekader biedt voor een adequate sporenvergelijking. Daarbij is door het hof onder meer vastgesteld dat de verdachte samen met zijn medeverdachte tussen circa 19:45 uur en uiterlijk 20:17 uur in elkaars gezelschap in de woning van het slachtoffer is geweest en dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat nog door andere personen geweld is gebruikt op het slachtoffer. Onderdeel van ’s hofs overweging dat het geen geloof hecht aan de verklaringen van de verdachte over de ‘Afrikaan’ vormen verder dat:

(i) [getuige 3] , de vriendin van de verdachte, verklaard heeft dat zij op 10 december 2014, nadat de verdachte naar de medeverdachte was toegegaan, diverse malen telefonisch contact met de verdachte heeft gehad en hij steeds aangaf alleen te zijn met de medeverdachte;

(ii) getuige [getuige 2] , die de verdachte heeft afgezet bij de medeverdachte aan de Beverwaard, niet heeft verklaard over een ‘Afrikaan’;

(iii) de medeverdachte evenmin heeft verklaard over een Afrikaan, die volgens de verdachte in haar gezelschap zou zijn geweest;

(iv) de medeverdachte op 10 december 2014 met haar telefoon tussen 07:49 uur en 22:42 uur 75 maal heeft gebeld en/of een sms-bericht heeft verzonden, waarbij het uitsluitend ging om contacten met de verdachte, het slachtoffer, [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [getuige 3] . Uit niets blijkt dat de medeverdachte contact heeft gehad met een nummer die van ‘de Afrikaan’ afkomstig zou kunnen zijn;

(v) het hoogst onaannemelijk is dat, zoals de verdachte heeft verklaard, de medeverdachte op die dag een ander toestel heeft gebruikt voor het contact met ‘de Afrikaan’, terwijl het dossier ook anderszins geen enkel aanknopingspunt biedt dat de verklaring van de verdachte over de aanwezigheid van een Afrikaanse man in de woning van het slachtoffer kan bevestigen;

(vi) de verdachte in zijn verhoor van 3 maart 2015 een verspreking maakte, in die zin dat de verbalisanten hem hebben horen zeggen: “Ik pakte, ja, gewoon zo”;

(vii) de verdachte op 30 december 2014, drie weken na het tenlastegelegde feit, een telefoongesprek heeft gevoerd met zijn (half)zus, waarin hij heeft gezegd dat hij “voor het eind van het jaar een klote ding” heeft gedaan en dat dit ding fout is gegaan. En hij vervolgens heeft gezegd: “Misschien is de persoon zelf verneukt” en “Als ze komen kloten, dan krijg ik zeker 12 jaar”.

Daaraan kan nog worden toegevoegd hetgeen het hof onder het cursiefje “Getuige [getuige 3]” heeft opgenomen, te weten dat zij van de verdachte heeft gehoord dat de medeverdachte [medeverdachte] een zak over het hoofd van die man wilde doen, dat, toen [getuige 3] de verdachte belde, hij tegen haar zei dat hij bezig was, dat volgens [getuige 3] de verdachte toen bij "die meneer" was, dat de verdachte aan de telefoon hijgde en volgens [getuige 3] met die man in een worsteling of zoiets was.

23. Tot slot. In aanmerking genomen dat de raadsvrouw het verzoek met betrekking tot – kort gezegd – het ‘DNA-onderzoek getuige [getuige 4] ’ slechts heeft onderbouwd met de opmerkingen dat [getuige 4] blijkens zijn telefoongegevens op 10 december 2014 in de buurt van de woning van het slachtoffer is geweest, hij de medeverdachte meermalen in het huis van bewaring heeft bezocht, hij in telefoongesprekken met de medeverdachte opvallend veel en frequent interesse toont in de voortgang van de zaak en hij blijk geeft van kennis van de zaak, kon het hof volstaan met de overweging dat de noodzaak van het verzochte onderzoek het hof niet is gebleken. Gelet op het door de raadsvrouw aangevoerde, was het hof niet tot een nadere motivering gehouden.

24. Het eerste middel faalt.

Het tweede middel en de beoordeling daarvan

25. Het tweede middel, mede bezien in samenhang met de toelichting, valt uiteen in drie klachten. De eerste klacht houdt in dat de overweging van het hof dat het de verklaringen van de verdachte niet voor het bewijs zal gebruiken onbegrijpelijk is, nu een door [medeverdachte] afgelegde verklaring wel degelijk voor het bewijs is gebruikt (bewijsmiddel 20).8 Volgens de tweede klacht heeft het hof daarnaast in de bewijsconstructie materieel wel degelijk gebruik gemaakt van de verklaringen van [medeverdachte] doordat “in de bewijsconstructie veelvuldig gebruik [is] gemaakt van de-auditu verklaringen inhoudende informatie” die [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 3] hebben verkregen van [medeverdachte] . De derde klacht, ingebracht aan het slot van de toelichting, luidt dat “het hof heeft gehandeld in strijd met art. 6 EVRM, nu verdachte niet in staat is gesteld [medeverdachte] en [betrokkene 2] te doen ondervragen, terwijl het hof die door die getuigen afgelegde verklaringen voor het bewijs heeft gebruikt”.

De eerste klacht

26. Uit het proces-verbaal van de op 26 september en 19 oktober 2018 gehouden terechtzitting van het hof blijkt dat de raadsvrouw het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig haar toen overgelegde pleitnotities, inhoudende onder meer:

“Dat neemt niet weg dat aan hetgeen [medeverdachte] wél bij de politie verklaard heeft, geen enkel geloof dient te worden gehecht, nu zij op vele punten aantoonbaar liegt.”

27. Het bestreden arrest houdt onder het hoofd “Bespreking van de verweren van de verdediging” in, voor zover hier van belang:

“De raadsman9 heeft bepleit dat de verdachte van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe de navolgende - zakelijk weergegeven -verweren opgeworpen. Het hof verwijst naar de door de raadsman overgelegde pleitnotities.

(…)

i. Aan de door [medeverdachte] bij de politie afgelegde verklaringen dient geen geloof te worden gehecht nu zij op vele punten aantoonbaar heeft gelogen. De verdediging heeft [medeverdachte] geen vragen kunnen stellen omdat [medeverdachte] bij de politie op onderdelen zich op haar zwijgrecht heeft beroepen en bij de rechter-commissaris en als getuige ter terechtzitting van het hof op haar verschoningsrecht. Het is echter de leugenachtigheid die haar verklaringen onbruikbaar maakt.

(…)

Ad i.

Nu het hof de verklaringen van [medeverdachte] niet voor het bewijs zal gebruiken, kan aan dit verweer voorbij worden gegaan.”

28. De bewezenverklaring van feit 1 subsidiair (zie randnummer 6) steunt, als gezegd, op de inhoud van 34 bewijsmiddelen. Daarvan maakt bewijsmiddel 20 deel uit. Dit bewijsmiddel bevat de volgende inhoud:

20. Het proces-verbaal van politie nummer 1502241105.V03 (pagina 1437 e.v. van zaaksdossier 2014499201), inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte] d.d. 24 februari 2015:

V: [medeverdachte] ik heb net een kruis getekend bij de pizzatent. Ik heb de weg ingetekend van de Herenoord via de Emelissedijk naar de Kerstendijk. Ben je zo gelopen?

A: Het kan niet anders. [...]

V: Dan kom je hem daar tegen. De Antilliaan die op de foto staat (het hof begrijpt: [verdachte] ), wat heb jij daar gedaan?

A: lk heb gegeten en gepraat.

V: Wat heb je besproken?

A: Dat weet ik niet meer.

[…]

A: Ik zat daar. Was aan het eten en aan het drinken en dat heb ik met hem gedeeld.

V: Oké, jullie eten samen een pizza en drinken wat toch?

A: Ja.”

29. Het hof heeft inderdaad tegenstrijdig met zijn ‘overweging ad i’ toch een verklaring van de medeverdachte tot het bewijs gebezigd. Het middel klaagt daarover terecht.

30. Tot cassatie hoeft dat niet te leiden. Het opnemen van de verklaring van de medeverdachte als bewijsmiddel 20 in de bewijsvoering kan naar het mij voorkomt als een kennelijke misslag worden aangemerkt. Een vergelijking met de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen in de zaak van de medeverdachte, in welke zaak ik vanmiddag eveneens concludeer en van welke zaak de Hoge Raad ook kennis zal nemen, laat zien dat dezelfde 33 bewijsmiddelen ook ten grondslag zijn gelegd aan de bewezenverklaring van het medeplegen van doodslag in de onderhavige zaak. De onderhavige zaak bevat één bewijsmiddel extra, en dat is bewijsmiddel 24: de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte. Kennelijk is de gewraakte verklaring van de medeverdachte per abuis als bewijsmiddel 20 blijven staan. De Hoge Raad kan de bestreden uitspraak lezen met verbetering van deze misslag,10 in welk geval aan de klacht de feitelijke grondslag komt te ontvallen.

31. Maar ook als daarover anders gedacht moet worden, treft de klacht geen doel. Het gebrek in de bewijsvoering doet namelijk geen afbreuk aan de motivering van de bewezenverklaring en zal bij een nieuwe behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst leiden.11 De bewuste verklaring van de medeverdachte (bewijsmiddel 20) is, gelet op de inhoud van de overige gebezigde bewijsmiddelen en de door het hof aan de bewezenverklaring van het medeplegen van doodslag voor het overige gegeven motivering, namelijk van zodanig ondergeschikte betekenis dat de bewezenverklaring ook met weglating van die verklaring toereikend is gemotiveerd. Ik wijs er daarbij op (i) dat de verdachte ook zelf heeft verklaard dat hij op die 10e december tussen 16:00 uur en 17:00 uur is gebeld door de medeverdachte om naar de Beverwaard te komen, hij daar door zijn stiefvader [getuige 2] is afgezet en de medeverdachte een energiedrankje had gekocht en een Turkse pizza voor hem had geregeld (bewijsmiddel 22). Een dag later verklaart de verdachte in antwoord op de vraag waar de medeverdachte het slachtoffer van kende: “Zij vertelde mij op het pleintje eerder toen we die pizza aten dat zij die man van het café kende. Zij zei dat die man dood moest” (bewijsmiddel 23; cursivering door mij, EH), en (ii) dat [getuige 2] (bewijsmiddel 19) heeft verklaard dat hij de verdachte in de Beverwaard heeft afgezet, dat de verdachte even met “die vrouw” wegging en dat de verdachte vervolgens met “die vrouw” in de richting van de Beverwaard is gelopen.12

De tweede klacht

32. Dan de klacht dat door het gebruik van de-auditu verklaringen van [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 3] ook indirect (materieel) gebruik zou zijn gemaakt van de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] . De stellers van het middel wijzen daarvoor op de bewijsmiddelen 13, 14, 15, 16, 17 en 26. Deze bewijsmiddelen houden het volgende in:

13. Het proces-verbaal van politie, inhoudende onder meer als verklaring van [betrokkene 3] :

"[…]

De tante van [betrokkene 1] was er ook. De tante is een kleine donkere vrouw. Ze heeft goud blond haar en is Eritrees. Die tante heet volgens mij [medeverdachte] maar wordt ook wel eens [medeverdachte] genoemd.

[…]

Ik plaats de schuld bij de tante van [betrokkene 1] want zij was in de woning toen die man werd vermoord. Dat heb ik gehoord van [betrokkene 1] . Ik heb aan die tante gevraagd wat er nou gebeurd was. Ik wilde dat gewoon weten. Uiteindelijk bleek dat de tante de deur van de woning voor de man heeft opengemaakt voor iemand die binnen kwam om spullen te pakken. Hij heeft die man ook geslagen. Ik denk dat het mis is gegaan omdat die man, ik bedoel daarmee het slachtoffer, door had dat de pas niet terug was."

14. Het proces-verbaal van politie, inhoudende onder meer als verklaring van [betrokkene 3] :

"A: [betrokkene 1] vertelde toen dat haar tante (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) open kaart moest spelen. Toen hoorde ik dat de tante vertelde dat zij de deur had opengedaan of opengelaten. Ik hoorde dat de tante zei dat er iemand naar binnen kwam en die had spullen meegenomen en die man blijkbaar geslagen. Ik vroeg wie die man was. De tante heeft toen verteld dat die man toen tegen haar gezegd heeft dat zij elkaar na deze dag niet meer kenden. Ik hoorde verder nog dat het een grote man was.

V: Zijn er mensen die hem kennen?

A: Nee. Zij was ook alleen in dat huis. Verder was er niemand anders. Later zei ze iets over die man die binnen kwam. Later, nadat [betrokkene 1] vertelde dat ze open kaart moest spelen, vertelde ze het verhaal over de deur en de man en dat ze uit huis was gerend.

[…]"

15. Het proces-verbaal van politie inhoudende onder meer als verklaring van [betrokkene 3] :

"V: Denk je dat [medeverdachte] wat met die moord te maken heeft?

A: Ja, ik denk het wel want ze heeft gezegd dat ze de deur open had gedaan of gelaten en dat er toen iemand de woning in was gegaan en spullen had gejat en toen die man op de kop of zo had geslagen. Dit heeft [medeverdachte] mij in het Nederlands verteld toen die nacht bij de nicht thuis. [medeverdachte] was daar ook vrij stellig in.

V: Heeft [medeverdachte] het ook over tijdstippen gehad?

A: Nee, zij heeft gezegd dat die man tussen 6 en 8 dood was."

16. Het proces-verbaal van politie, inhoudende onder meer als verklaring van [betrokkene 1] :

"[…]

[medeverdachte] had het over iemand, een persoon, niet over de persoon die overleden was, maar dus over een nieuwe persoon. Ze zei: ik kan die persoon niet vinden.

V: Het geslacht van die persoon waar [medeverdachte] het over had?

A: Man. Ze zei: ik kan hem toch niet vinden. Hij staat niet ingeschreven in Nederland. Hij heeft een vriendin. Hij is altijd met zijn vriendin. "

17. Het proces-verbaal inhoudende onder meer als verklaring van [betrokkene 1] :

"V: Is er nog meer omhoog gekomen over die onbekende persoon? Als je goed nadenkt.

A: Het gaat om een nationaliteit, Antilliaans.

V: Hoe heb je dit opgepikt?

A: [medeverdachte] maakte een opmerking. Toen zei ze: nee, een Antilliaan swa."

26. Het proces-verbaal van politie, inhoudende onder meer als verklaring van Amara:

"[…]

Ze heeft verteld dat een Antilliaanse man hem een tik had gegeven. Wij wisten niets van de moord af, van de plannen, maar het feit dat zij op die manier een pinpas heeft gepakt, maakte mij woedend.

[…]

Ik vroeg aan haar hoe het precies zat en wie hem had vermoord. Ze vertelde dat het een Antilliaanse man was, lang, rasta, hij woont bij zijn vriendin want hij heeft zijn huis verloren door een wietplantage.

[…]

Zij vertelde toen dat zij een Antilliaanse man had gebeld, die was langs geweest en die heeft hem een paar tikken gegeven.

[…]

Die Antilliaanse man heeft hem verstikt. Dat heeft ze gezegd.

[…]

A: Hij is naar binnen gegaan hij heeft hem een paar tikken gegeven en hij viel op de grond. Hij was nog niet dood. Hij vocht wel terug. [medeverdachte] heeft verteld dat hij haar nog aankeek en om hulp vroeg. Hij zei "help [medeverdachte] ." Zij is toen blijven kijken. [medeverdachte] heeft verteld dat zij bekers had weggehaald. Bewijsmateriaal zeg maar. Zij vertelde ook nog dat zij de portemonnee heeft weggehaald. Verder vertelde ze dat ze hem op de stoel hebben achtergelaten.

[…]

A: Hij is dood in zijn stoel gezet. Ze zegt dat hij op de grond is doodgegaan.

V: Hoe heeft hij die klappen gehad?

A: Ze zei met de handen.

V: Waar heeft zij al die spullen gelaten?

A: Ze zei dat ze die spullen hadden meegenomen en dat zij die spullen heeft weggegooid bij de bushalte.

[…]

A: Ze vertelde "Je wil niet weten, er lag een hele plas bloed op de grond en zijn ogen waren helemaal dik." Die Antilliaan lag op hem toen hij hem sloeg. Zij heeft vanaf het begin aangegeven dat hij was overleden en dat die Antilliaan hem maar 1 tik heeft gegeven.

V: Dat blijkt wel anders te zijn.

A: Ja."

33. In de toelichting op het middel wordt naar voren gebracht dat door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd dat het bewijs voor het daderschap van de verdachte in belangrijke mate is gebaseerd op het gebruik van de-auditu verklaringen van [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 3] .

34. Vooropgesteld moet worden dat geen rechtsregel eraan in de weg staat een de-auditu verklaring te gebruiken als wettig bewijsmiddel. Dat wordt door de stellers van het middel (uiteraard) niet betwist. Zij miskennen evenwel dat het bedoelde bewijs niet in belangrijke mate is ontleend aan de verklaringen van [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 3] . In het bestreden arrest heeft het hof onder het cursiefje “Verklaringen van [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 3] ” – niet onbegrijpelijk – benadrukt dat hun verklaringen “naar het oordeel van het hof steunbewijs [vormen] voor en verdere invulling van vorenstaande conclusies”. Ik wijs er in dit verband ook nog op dat het hof in respons op het verweer van de raadsvrouw van de verdachte dat de-auditu verklaringen moeten worden uitgesloten van het bewijs, onder het hoofd “Bespreking van de verweren van de verdediging” – evenmin onbegrijpelijk – als volgt heeft beslist en overwogen:

“Ad f.

Het is juist dat [betrokkene 2] wel diverse malen bij de politie is gehoord en dat zij zich ten overstaan van de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris op haar verschoningsrecht heeft beroepen. De verdediging heeft derhalve het ondervragingsrecht niet effectief kunnen uitoefenen. Een en ander kan aan het gebruik van verklaringen van [betrokkene 2] voor het bewijs tegen de verdachte in de weg staan wanneer het bewijs tegen de verdachte in overwegende mate op die verklaringen wordt gebaseerd.

Het hof stelt vast dat het bewijs tegen de verdachte niet in overwegende of belangrijke mate is gebaseerd op verklaringen van [betrokkene 2] . De kern van het bewijs wordt geleverd door:

- De eigen verklaring van de verdachte omtrent zijn aanwezigheid in de woning en de aanwezigheid van de medeverdachte [medeverdachte] daar toen er geweld tegen het slachtoffer werd toegepast.

- De verklaring van de verdachte omtrent het telefonisch contact met [medeverdachte] waarin [medeverdachte] aangaf dat de verdachte naar de woning kon komen.

- De zendmastgegevens waaruit blijkt dat de telefoons van zowel de verdachte als [medeverdachte] de zendmast aan de [a-straat] aanstraalden toen zij om 19.42 en 20.17 uur telefonisch contact met elkaar hadden.

- De wijze van aantreffen van het overleden slachtoffer en de medische bevindingen omtrent het toegepaste geweld.

- Het opgenomen gesprek tussen [medeverdachte] en [betrokkene 2] op 24 januari 2015 om 15.10 uur.

- Het opgenomen telefoongesprek tussen de verdachte en zijn (half)zus [betrokkene 5] op 30 december 2014.

- De verklaring van [getuige 3] over wat zij van [verdachte] heeft gehoord en over het telefonisch contact met hem op 10 december 2014 omstreeks 19.52 uur, en de daarop betrekking hebbende historische telefoongegevens.

De in de bewijsmiddelen aangehaalde verklaring van [betrokkene 2] is voor dat bewijs ondersteunend. Daarmee staat niets aan het gebruik van die verklaring in de weg.

Ad g.

Hetgeen de verdediging ten aanzien van de verklaringen van [betrokkene 2] heeft opgemerkt (een mogelijk eigen belang om te liegen, het mogelijk beschermen van "de Afrikaanse” man omdat deze wellicht ook uit het Eritrese milieu afkomstig is), is speculatief en niet onderbouwd. In hetgeen de verdediging heeft opgeworpen is geen grond gelegen om de verklaringen van [betrokkene 2] buiten beschouwing te laten.

Hetgeen [betrokkene 2] heeft verklaard (politieverklaring d.d. 12 februari 2015) over hetgeen volgens mededelingen van de medeverdachte [medeverdachte] gebeurd is in de woning van het slachtoffer, vindt op diverse onderdelen ook elders steun (bij voorbeeld het binnenlaten van de Antiliaan, de plas bloed op de grond en het schoonmaken, dat het slachtoffer vanaf de grond in een stoel gezet is, het meenemen van spullen door de Antiliaan). Het hof is van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [betrokkene 2] over hetgeen zij van [medeverdachte] gehoord heeft. Dat [betrokkene 2] op (minder belangrijke) onderdelen in haar verklaringen wellicht niet steeds consistent is geweest, maakt dat niet anders. Het hof is van oordeel dat er geen reden is om de verklaringen van [betrokkene 2] als onbetrouwbaar van het bewijs uit te sluiten.

Er is ook geen reden om de verklaringen van [betrokkene 3] , voor zover die bevestiging vinden in andere bewijsmiddelen, van het bewijs uit te sluiten.”

35. Dat het bewijs ter zake van de betrokkenheid van de verdachte in belangrijke mate zou zijn gebaseerd op de-auditu verklaringen, berust op een onjuiste lezing van het arrest.13

De derde klacht

36. Op hetgeen ik met betrekking tot de eerste en de tweede klacht heb uiteengezet, stuit tevens de derde klacht af. De verklaring van de medeverdachte kan voor de bewijsvoering immers worden weggedacht en is hier dus niet van belang, en de verklaring van [betrokkene 2] is niet ‘sole and decisive’, noch van ‘significant weight’. Dat in de toelichting van het middel overvloedig wordt verwezen naar Straatsburgse rechtspraak, maakt dat niet anders.

37. Het tweede middel faalt in al zijn onderdelen.

Slotsom

38. Beide middelen falen en lenen zich voor afdoening met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

39. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. Namens de verdachte is op 14 november 2018 cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan zestien maanden is verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering van de opgelegde gevangenisstraf.

40. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

41. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ook de advocaat-generaal bracht zijn eerder geuite bezwaren (zie het vorige randnummer) opnieuw in.

2 De stellers van het middel wijzen daarbij op HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7228, NJ 2005/514, m.nt. Mevis en HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1065, NJ 2019/303. De eis van een eerlijke procesvoering kan meebrengen dat aan een dergelijk verzoek tot het doen verrichten van een tegenonderzoek gevolg behoort te worden gegeven (zie ook HR 14 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO2966, NJ 2011/313, m.nt. Reijntjes). Of zich zo een geval voordoet, is afhankelijk van de omstandigheden van de desbetreffende zaak. Daarbij kan worden gedacht aan onder meer (a) de gronden waarop het verzoek steunt, (b) het belang van het gevraagde tegenonderzoek in het licht van – bijvoorbeeld – de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal dan wel de overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat, (c) de omstandigheid dat het verzoek is gedaan op een zodanig tijdstip dat een dergelijk onderzoek nog mogelijk is, en (d) de omstandigheid dat het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen worden gedaan.

3 Ook de aangetroffen haren zijn niet aan een nader onderzoek onderworpen. In de brief van de raadsvrouw van 23 november 2016 is verwezen naar een door het NFI opgesteld rapport van 20 april 2016. Dit rapport is opgesteld naar aanleiding van nadere onderzoekswensen in eerste aanleg. Onder het kopje “Mogelijkheden nader onderzoek” laat de genoemde onderzoeker weten dat “gezien de constatering dat betreffende haren van Kaukasische oorsprong blijken te zijn (zie genoemde NFI-deskundigenrapport; rapport van 12 februari 2015) de officier van justitie mr. M. Blom in overleg met J. de Koeijer heeft besloten het mt-DNA-onderzoek (ik, EH, begrijp: mitochondriaal-onderzoek) niet te verrichten”. In het, zich in het procesdossier bevindende, NFI-rapport van 12 februari 2015 staat verder nog dat door het bloed op de haren nader onderzoek niet mogelijk is. Op grond van dit een en ander, en nu de stukken van het geding niet in een andere richting wijzen, ga ik er vanuit dat ook op de haren geen nader deskundigenonderzoek is gedaan (niet gedaan is kunnen worden).

4 Zie ook art. 299 Sv.

5 Vgl. voorts HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2856, NJ 2015/323, m.nt. Borgers.

6 Zie verder G.J.M. Corstens, Het Nederlands Strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 758 e.v.

7 Vgl. ook de conclusie (onder 13 en 14) van mijn ambtgenoot Bleichrodt voorafgaand aan HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1741.

8 Overigens heeft het hof nog een verklaring van medeverdachte [medeverdachte] tot het bewijs gebezigd. Bewijsmiddel 18 betreft een proces-verbaal van politie waarin aan [medeverdachte] drie vragen worden gesteld over haar mobiele telefoon en haar telefoonnummer. Deze verklaring wordt in de schriftuur door de stellers van het middel buiten beschouwing gelaten.

9 Ik begrijp: de raadsvrouw.

10 Deze kennelijke misslag is mijns inziens een voorbeeld van een misslag die zich bij uitstek zou hebben geleend voor (eenvoudig) herstel door het hof zelf. Vgl. HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243, NJ 2012/248, m.nt. Borgers en HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478, NJ 2012/490, m.nt. Borgers.

11 Vgl. o.m. HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2547, NJ 2013/577, m.nt. Van Kempen.

12 Terzijde zij opgemerkt dat de door de stellers van het middel aangehaalde rechtspraak – te weten HR 7 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3160, HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4355, HR 8 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6712 en HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4877 – hier niet van (overeenkomstige) toepassing is, nu deze uitspraken gaan over door de (mede)verdachte afgelegde (bekennende) verklaringen die direct de betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit raken én overige bewijsmiddelen die het bewezenverklaarde niet zelfstandig kunnen dragen.

13 Het door de stellers van het middel aangehaalde arrest van HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1247, NJ 2015/489, m.nt. Borgers gaat hier niet op, aangezien het hof in de onderhavige zaak wel degelijk toereikend heeft gemotiveerd waarom de de-auditu verklaringen steun vinden in de overige bewijsmiddelen.