Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:274

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
19/01885
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Promis-werkwijze. Grootschalige hennepstekkenteelt. Hof heeft Promis-vonnis rechtbank in verkort arrest bevestigd met aanvulling van bewijsmotivering en bewijsmiddelen. De aanvullende bewijsmiddelen bestaan uit een grote hoeveelheid tapgesprekken, zonder dat het hof redengevende inhoud hiervan heeft weergegeven. Daardoor voldoet het arrest niet aan de wettelijke motiveringseisen. Het advies aan de Hoge Raad is het arrest te vernietigen.(samenhang met 19/01967, 19/02065 en 19/01929)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01885

Zitting 24 maart 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1.

Bij arrest van 12 april 2019 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch met aanvulling van de bewijsmiddelen, verbetering van de bewijsvoering en inachtneming van het overschrijden van de redelijke termijn in de appelfase, het vonnis van de rechtbank Limburg van 2 juni 2016 bevestigd. Bij dat vonnis is de verdachte veroordeeld wegens feit 1. “deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid van de Opiumwet” en feit 2. “medeplegen van in de uitoefening van beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”. Het hof heeft de verdachte een gevangenisstraf van 8 maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest.

1.2.

Er bestaat samenhang met de zaken 19/01967, 19/02065 en 19/01929. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

1.3.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. B.H.S. Brinkman, advocaat te Heerlen, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel bevat de klachten dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de verdachte zich ter terechtzitting in hoger beroep heeft beroepen op zijn zwijgrecht en dat het hof deze houding van de verdachte in aanmerking neemt bij zijn bewijsoordeel en dat het hof in zijn arrest heeft verzuimd een met redenen omklede beslissing te geven op het gevoerde verweer dat de verdachte niet betrokken was bij de hennepstekkenplantage te Amstenrade (feit 2) en daarmee ook niet voor gehele duur van de bewezenverklaarde periode bij de criminele organisatie (feit 1).

1.4.

In deze zaak is bewezenverklaard dat de verdachte gedurende een periode van vier maanden deel heeft uitgemaakt van een organisatie die zich uitsluitend en op grote schaal bezighield met de handel in hennepstekken. De organisatie beheerde meerdere hennepstekkenplantages waarin stekken werden gekweekt en moederplanten aanwezig waren. Daarnaast is bewezenverklaard dat de verdachte als medepleger betrokken was bij een hennepstekkenplantage te Amstenrade.

1.5.

Voor een goed begrip geef ik eerst de bewezenverklaring weer, daarna de bewijsoverwegingen van de rechtbank, de aanvullende bewijsoverwegingen van het hof en hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

“1. in de periode van 15 september 2014 tot en met 9 december 2014 binnen het arrondissement Limburg, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem zelf, verdachte, en medeverdachten [medeverdachte 3], [betrokkene 1], [betrokkene 2], [medeverdachte 1], [medeverdachte 4], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 3 jo. artikel 11 van de Opiumwet.

2. op 16 oktober 2014 te Amstenrade, tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en bewerkt in een pand aan de [a-straat 1], 672 moederhennepplanten en 16.611 hennepstekken, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

2.2.

Het hof heeft zich verenigd met het vonnis van de rechtbank en met de gronden waarop het berust, onder aanvulling van de bewijs- en strafoverwegingen en met verbetering van de bewijsvoering. Ik zal daarom eerst de bewijsoverwegingen van de rechtbank weergeven en daarna de aanvullende overwegingen van het hof.

2.3.

De bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 is door de rechtbank met gebruik van de Promis-werkwijze gemotiveerd en bevat 45 voetnoten met verwijzingen naar voornamelijk tapgesprekken. Vanwege de leesbaarheid worden hierna de voetnoten uit de bewijsmotivering weggelaten. Voor zover nodig zullen deze bij de bespreking van het middel worden weergegeven. De bewijsoverwegingen luiden als volgt:

“4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Hiertoe heeft hij verwezen naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 2 ten laste gelegde. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat er hennep werd geteeld in het pand aan de [a-straat 1] in Amstenrade. Evenmin kan worden vastgesteld dat verdachte betrokken was bij deze hennepplantage. Ook van het onder feit 1 ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat verdachte wist van de ten laste gelegde criminele organisatie, laat staan dat hij daar deel van heeft uitgemaakt of enige rol bij heeft gehad.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

1. Inleiding

Naar aanleiding van informatie van het Team Criminele Inlichtingen, werd in september 2014 een opsporingsonderzoek gestart naar een criminele organisatie die zich bezighield met de grootschalige teelt en handel in hennepstekken. Bij dit onderzoek werden onder andere [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] als verdachten aangemerkt. Zij werden ervan verdacht dat zij leiding gaven aan deze criminele organisatie. Anderen, onder wie onder meer [betrokkene 2] en [medeverdachte 1], worden verdacht van het verrichten van werkzaamheden als de opbouw en het onderhouden van hennep- en stekkenplantages.

Gedurende het opsporingsonderzoek zijn er telefoongesprekken opgenomen en afgeluisterd, zijn er observaties en waarnemingen verricht door opsporingsambtenaren, is er sporenonderzoek verricht en hebben getuigen verklaringen afgelegd.

2. De feiten

Algemene overweging

De politie heeft na het beluisteren van de getapte telefoongesprekken conclusies getrokken over de betekenis en inhoud van die gesprekken en de deelnemers aan deze gesprekken. De rechtbank stelt vast dat de verdediging deze conclusies van de politie niet heeft bestreden. Voor zover de rechtbank in haar overwegingen gebruik maakt van de getapte telefoongesprekken, zal zij dan ook uitgaan van de juistheid van de conclusies van de politie en - waar nodig - deze conclusies overnemen.

Met betrekking tot feit 2

Op 16 oktober 2014 werd door de politie binnengetreden in het pand aan de [a-straat 1] in Amstenrade. Om de hoek van dit pand, ligt een securitybedrijf. Het dak van dit bedrijf loopt over naar het dak van het pand aan de [a-straat 1] in Amstenrade. Het pand aan de [a-straat 1] bleek een leegstaand winkel-/bedrijfspand te zijn. In het pand werden 40 dozen aangetroffen met daarin in totaal 3.325 hennepstekken. Daarnaast werd door de politie een stekkenkwekerij aangetroffen in een ruimte die via een dossierkast kon worden bereikt. In een daar achterliggende ruimte bevond zich een hennepkwekerij met in totaal 672 moederhennepplanten die in beslag werden genomen. In de stekkenkwekerij werden 13.286 hennepstekken in beslag genomen. Door de politie werd geconstateerd dat de planten die in beslag waren genomen hennepplanten waren.

Onderzoek wees uit dat de kwekerij beveiligd werd door middel van een GSM alarmsysteem. Dit alarm en het zich daarin bevindende SIM-kaartje, voorzien van telefoonnummer [telefoonnummer], werd in beslag genomen. Op het moment dat het pand werd betreden en het alarmsysteem werd geactiveerd, werd een ingesproken tekst of een SMS-bericht verzonden naar de telefoonnummers die aan het alarm waren gekoppeld. In de periode van 1 oktober 2014 tot en met 16 oktober 2014 heeft het alarmsysteem meerdere malen contact gehad met de telefoonnummers die in gebruik waren bij [betrokkene 4], [verdachte] en [medeverdachte 1].

In de stekkenkwekerij werden 2 sigarettenpeuken en 4 lege drankblikjes aangetroffen die werden veiliggesteld voor DNA-onderzoek. Op de sigarettenpeuken werd het DNA van [betrokkene 2] en [verdachte] aangetroffen. Op een blikje Energy drank werd het DNA van [medeverdachte 4] aangetroffen. Ook werd in de stekkenkwekerij een kartonnen doos aangetroffen met daarop het adres van [betrokkene 2], [d-straat 1] in [plaats].

De eigenaar van het pand, [betrokkene 7], heeft verklaard dat hij het pand vanaf 1 september 2014 verhuurde aan [betrokkene 8]. Onderzoek wees uit dat [betrokkene 9] ingeschreven had gestaan op het adres en dat in het register van de Kamer van Koophandel op dat adres nog twee bedrijven stonden geregistreerd.

Op 13 oktober 2014, omstreeks 16.50 uur zag de politie dat een Renault Kangoo, die door [medeverdachte 1] werd bestuurd, stopte ter hoogte van het pand aan de [a-straat 1] in Amstenrade. Rechts naast dat pand werd een sectionaalpoort geopend en de Kangoo reed achteruit door de geopende poort naar binnen.

Uit de telefoongesprekken die de verdachten voorafgaand aan en na het binnenvallen van de plantage voeren, kan worden afgeleid dat:

- [medeverdachte 3] betrokken was bij de hennepstekkenplantage. Hij was de leider. In die hoedanigheid gaf hij orders, regelde en organiseerde de inzet van personen en aan hem moest verantwoording worden afgelegd. Hij zorgde dat de huur die door de huurder/katvanger, [betrokkene 8], moest worden betaald, betaald werd op de dag van de inval. [betrokkene 8] kwam na zijn verhoor bij de politie verslag uitbrengen bij [medeverdachte 3].

- [betrokkene 1] op de hoogte was van het bestaan en betrokken was bij de hennepstekkenplantage. Hij was waarschijnlijk met anderen aan het werk in de plantage. Hij werd door [medeverdachte 3] op de hoogte gehouden van het oprollen van de plantage, regelde daarna het opruimen van de achtergebleven goederen in de plantage en beheerde kennelijk geld voor de opruimingskosten. Hij beloofde [betrokkene 8] dat de huur van het pand, € 500,- per week, tot het einde van het jaar zou worden betaald.

- [medeverdachte 1] betrokken was bij de hennepstekkenplantage. Hij vervoerde de personen die daar werkzaamheden moesten verrichten in de door hem gebruikte auto naar de [a-straat 1] in Heerlen en had een sleutel van het pand. Ook was [medeverdachte 1] betrokken bij het opruimen van de plantage na de inval waarbij hij tevens een organiserende rol had. Bovendien was [medeverdachte 1] een van de drie personen van wie de telefoon geprogrammeerd was op het alarmsysteem van de plantage.

- [betrokkene 2] betrokken was bij de hennepstekkenplantage. Hij verrichte werkzaamheden in en aan de hennepstekkenplantage dan wel het pand waarin de plantage was ingericht. Hij gaf aantallen geoogste stekken door aan [medeverdachte 3]. Hij regelde personeel dat in de plantage moest werken. [betrokkene 2] werd door [medeverdachte 3] op de hoogte gebracht van het oprollen van de plantage en hij gaf aan [medeverdachte 3] advies over het controleren van de auto van [medeverdachte 1] en het weggooien van de telefoons van leden van de organisatie. Hij was op de hoogte van de herstelwerkzaamheden in het pand na het oprollen van de plantage. In de plantage werd een sigarettenpeuk aangetroffen waarop een DNA-spoor werd aangetroffen dat overeenkwam met het DNA van [betrokkene 2].

- [betrokkene 4] betrokken was bij de hennepstekkenplantage. Hij was in het bezit van een sleutel van het pand waarin de hennepstekkenplantage was gevestigd. Hij organiseerde dakdekkers voor het pand en verrichte kennelijk werkzaamheden in de plantage. [betrokkene 4] werd door [medeverdachte 3] op de hoogte gebracht van het oprollen van de plantage.

- [medeverdachte 4] betrokken was bij de hennepstekkenplantage. Hij verrichte werkzaamheden in en aan de hennepplantage en verrichte opruim- en herstelwerkzaamheden in het pand na het oprollen van de plantage.

- [verdachte] betrokken was bij de hennepstekkenplantage. Hij verrichte werkzaamheden in en aan de plantage. [verdachte] was verder een van de drie personen van wie de telefoon geprogrammeerd was op het alarmsysteem van de plantage. In opdracht van [medeverdachte 3] werd de telefoon na de inval niet meer gebruikt en gebruikte [verdachte] een ander telefoonnummer. In de plantage werd een sigarettenpeuk aangetroffen waarop een DNA-spoor werd aangetroffen dat overeenkwam met het DNA van [verdachte].

De rechtbank is ervan overtuigd dat de hennepplanten en -stekken in de hiervoor beschreven plantage is geteeld en bewerkt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, gelet op de omvang van elke plantage, de professionele inrichting ervan en de werkzaamheden die de verdachten verrichten ten behoeve van het opbouwen en onderhouden van de hennep(stekken)plantage. Dit is duidelijk niet het werk geweest van personen die “het er bij deden”, maar van professionals.

Met betrekking tot feit 1

Onder feit 1 wordt [verdachte] in het kader van het voorgaande verweten dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 15 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:403) overwogen dat van deelneming aan een criminele organisatie slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in de wet bedoelde oogmerk.

De criminele organisatie had het oogmerk om hennepstekkenplantages op te zetten en te onderhouden en hennepstekken te verkopen. [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] waren de leidinggevenden binnen deze organisatie. Zij hadden dagelijks telefonisch en persoonlijk contact met elkaar en andere deelnemers van de organisatie. [medeverdachte 3] was het hoofd van de organisatie, [betrokkene 1] was zijn rechterhand en verving [medeverdachte 3] tijdens zijn afwezigheid. [betrokkene 1] hield zich meer met de financiën en de organisatie bezig. [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] gaven opdrachten en regelden de verkoop van hennepstekken. Zij betaalden loon en reiskosten uit aan deelnemers van de organisatie en onderhielden de contacten met klanten en ontvingen de bestelopdrachten. Op basis van deze bestelopdrachten gaven zij andere leden van de organisatie opdracht de bestellingen klaar te maken en te vervoeren. Ook andere leden van de organisatie hadden “eigen” klanten waaraan de hennepstekken die door de organisatie werden geteeld, werden verkocht. [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] werden om hulp gevraagd als er problemen waren en met hen werd contact gezocht als er aankopen van goederen om plantages in te richten moesten worden gedaan. [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] bepaalden de werktijden en inzetmomenten van andere leden van de organisatie. Zij financierden de hennepstekkenplantages ook mede.

De organisatie beschikte over meerdere hennepstekkenplantages waarin stekken werden gekweekt en moederplanten aanwezig waren. Op die manier was gezorgd voor risicospreiding: als een plantage ontmanteld was, kon de organisatie - weliswaar met een lichte stagnatie - toch blijven leveren aan klanten.

Veel leden van de organisatie hadden een uitkering (Ziektewet- of Bijstandsuitkering) of hadden geen uitkering dan wel een andere legale inkomstenbron. Zij waren dagelijks voortdurend bezig met de werkzaamheden voor de organisatie.

[medeverdachte 1] was een belangrijke en onmisbare schakel binnen de organisatie. Hij vervoerde de hennepstekken, onderhield contacten met klanten en anderen leden van de organisatie en was een vertrouweling van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1].

[betrokkene 2] woonde samen met een zus van [betrokkene 1] en [medeverdachte 3], [betrokkene 6]. Hij had eigen, meer zelfstandige hennepstekkenplantages, bijvoorbeeld de hennepstekkenplantage aan de Berkenlaan 2 in Spaubeek. De verkoop en het vervoer van de hennepstekken verliep echter via de organisatie.

[betrokkene 4], [medeverdachte 4], [betrokkene 3] en [verdachte] voerden werkzaamheden uit in opdracht van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1], [medeverdachte 1] en [betrokkene 2]. Zij waren veel bezig met het opzetten en onderhouden van de plantages en het klaarmaken van bestellingen hennepstekken.

[betrokkene 5], de vrouw van [medeverdachte 3], en [betrokkene 6], de vrouw van [betrokkene 2], waren ook betrokken bij de organisatie. Zij gaven berichten door van en aan hun mannen voor wat betreft de zaken die de organisatie betroffen. [betrokkene 5] en [betrokkene 6] fungeerden als afhaaladres voor de hennepstekken die door hun klanten en/of leden van de organisatie waren besteld. [betrokkene 5] zorgde er ook voor dat de leden van de organisatie werden betaald en incasseerde geld van klanten. [betrokkene 6] verrichte werkzaamheden in de hennepstekkenplantage in haar woning.

[verdachte] was, zoals hiervoor overwogen, betrokken bij de hennepstekkenplantage aan de [a-straat 1] in Amstenrade. Hij verrichte werkzaamheden in en aan deze plantage. Ook was [verdachte] een van de drie personen van wie de telefoon geprogrammeerd was op het alarmsysteem van de plantage. Uit de tapgesprekken kan daarnaast worden afgeleid dat [verdachte] ook nog na het oprollen van deze plantage in opdracht van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1], [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] andere hennepplantages heeft opgezet en onderhouden en bestellingen hennepstekken klaar heeft gemaakt.

Op 17 november 2014 belde [medeverdachte 1] namelijk naar [verdachte] en vroeg aan hem “je hebt er 400 he”. [verdachte] antwoordde “ja, die heb ik sowieso, misschien nog wel meer.” [medeverdachte 1] zei vervolgens “ja, die moet je apart doen en dan moeten we afspreken in Hoensbroek ergens.” Op 28 november 2014 belde [betrokkene 2] naar [verdachte] en vroeg aan hem “heb je vanavond tijd?” [verdachte] antwoordde “waar, bij [...] (...) wat wil je doen met alles, naar onderen lopen dan of wat?” [betrokkene 2] zei vervolgens “nee, alles staat al in de kelder. Ik heb net niet gedweild, voor de rest heb ik alles opgeruimd maar dan moeten we effe dan moeten we vanavond effe dan want komt [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]) met de bus en dan hoeven we alleen vanuit de kelder met een paar man weet je wel hop hop hop in de Caddy te flikkeren alle afval en pluggen en aan de grond en zo is alles weg.” [verdachte] belde op 1 december 2014 naar [betrokkene 2]. [betrokkene 2] zei toen tegen hem “ik heb net met [medeverdachte 1] de rotzooi erin gedaan. Ik heb gewacht tot [medeverdachte 1] onder de rotzooi erin heeft gegooid (...) ik moet effe ergens voeding gaan oppikken.” [verdachte] vroeg vervolgens “bij [betrokkene 1] of wat? Of wat voor voeding? Echte voeding?” en hij zei “ik heb van allebei geen nummer, dus geef effe een belletje dat ik er over 10 minuten ben, dan kunnen ze alvast in gaan pakken. Ik ga daar niet nog een half uur wachten voordat ik hun kan wegbrengen”. Ook zei [verdachte] “ik ben vertrokken, kijk weet je tot een uur of 10, half 11 wil ik wel rijden. Ik ga dadelijk niet om half 12 nog, is het me te link.” [betrokkene 2] zei daarna “nee, want als ik ze onder de lamp heb staan wil ik effe een scheut water kunnen geven snap je wat ik bedoel?” Op 4 december 2014 belde [verdachte] naar [betrokkene 2]. [betrokkene 2] zei tegen hem “ik ga dalijk even kijken hoe het erbij staat”. [verdachte] antwoordde “die eentje die voren aan staat, we waren eentje vergeten uit te pakken gek (...) dus heb ook 2 maatbekers erover gegooid (...) ik vind ze, of het is door het licht, een beetje licht van kleur. Niet gelig, maar licht van kleur (...) ik dacht dat ze normaal donkerder waren. Misschien dat de lampen zo hoog hangen, ik weet het niet. Ik vind ze best hoog hangen.” Nadat [betrokkene 2] zei “dat kan die ook morgen maken” vroeg [verdachte] “dat weet ik, maar kom je wel uit met je budget en de uren en weet ik wat allemaal. Ik weet niet watje met die jongens hebt afgesproken.” [betrokkene 2] antwoordde “die krijgen gewoon 15 euro per uur (...) ik schrijf dat toch op, ik hou dat wel bij.”

De rechtbank acht dan ook bewezen dat [verdachte] gedurende bijna 3 maanden, van september tot en met december 2014, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die naast hem bestond uit [medeverdachte 3] en [betrokkene 1], [betrokkene 2], [medeverdachte 1], [medeverdachte 4], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6].”

2.4.

Voorts heeft het hof in zijn arrest het navolgende overwogen ten aanzien van het bewijs:

“Bewijsmiddelen

Het hof vult de hierna genoemde voetnoten uit het vonnis aan met de volgende pagina’s uit het dossier zoals genoemd in noot 1 van het vonnis:

- Noot 2 met proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 26 oktober 2014, pagina 1658.
- Noot 6 met het proces-verbaal identificatie n.a.v. DNA-sporen inzake HVC-Cluster 30608, pagina’s 1818-1821.

- Noot 16 met tapgesprek d.d. 4 oktober 2014, pagina 1623 en tapgesprek d.d. 3 november 2014, pagina 1855.

- Noot 19 met tapgesprek d.d. 16 oktober 2014, pagina 1840 en tapgesprek d.d. 16 oktober 2014, pagina 1842.

- Noot 35 met tapgesprek d.d. 3 december 2014, pagina 1522.

- Noot 41 met tapgesprek d.d. 12 november 2014, pagina 1601.

Indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, wordt de inhoud van de door het hof gebruikte aanvullende bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Criminele organisatie

Bij de beoordeling van feit 1 is het hof uitgegaan van het van het volgende toetsingskader.

Voor wat betreft het juridisch kader ter zake van artikel 11a (oud) Opiumwet geldt dat deze bepaling moet worden gezien als een specialis van artikel 140 Sr. Voor de invulling van het juridisch kader geldt derhalve dat in belangrijke mate wordt verwezen naar de uitleg van de bestanddelen van artikel 140 Sr.

Ad a) In de eerste plaats moet kunnen worden vastgesteld dat sprake is van een organisatie. Onder een organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) Opiumwet moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één ander persoon (vgl. ECLI:NL:HR:1993:AD1974 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378). Het moet in ieder geval gaan om een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband, dat als eenheid kan opereren (vgl. HR 26 juni 1984, NJ 1985, 92 en HR 26 november 1985, NJ 1986, 389). Er is reeds sprake van een dergelijke organisatie wanneer één persoon met minimaal één of meer anderen voor een door hen gesteld doel – i.c. het plegen van een of meer Opiumwetdelicten – samenwerken. Het optreden als eenheid is geen absolute voorwaarde, terwijl de juridische status van het samenwerkingsverband niet relevant is. Ook hoeft er geen sprake te zijn van formeel afgebakende taken, maar het samenwerkingsverband moet wel meer dan een incidenteel karakter hebben (vgl. HR 16 oktober 1990, NJ 1991, 442 en HR 10 juli 2001, NJ 2001, 687). Van een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband kan al blijken als er gedurende een vaste periode door bepaalde personen volgens een vast patroon wordt samengewerkt. Niet noodzakelijk is daarbij dat het enkel steeds dezelfde personen betreft, wel dient er sprake te zijn van een vaste kern (vgl. HR 29 januari 1991, NJB 1991, 50). Ook is in dezen niet vereist dat al de personen van de organisatie onderling met elkaar samengewerkt hebben of bekend waren met de andere deelnemers aan de organisatie en hun bezigheden voor die organisatie (vgl. HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470 en HR 22 januari 2008, NJ 2008, 72). Ten slotte hebben duurzaamheid en gestructureerdheid betrekking op het bestanddeel ‘organisatie’ en niet op ‘deelneming’, zodat ook een relatief korte bijdrage aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband strafbaar kan zijn.

Ad b) Om tot een bewezenverklaring van artikel 11a (oud) Opiumwet te kunnen komen is voorts vereist dat de organisatie het oogmerk heeft van het plegen van een misdrijf in de zin van artikel 11a (oud) Opiumwet. Het oogmerk kan daarbij gericht zijn op een enkel, specifiek genoemd delict of delicten uit de Opiumwet. Het oogmerk of naaste doel betreft het oogmerk van de organisatie en niet dat van de verdachte/deelnemer aan de organisatie. Het oogmerk impliceert dat het betreffende misdrijf of misdrijven (of pogingen of voorbereidingen daartoe) nog niet hoeft te hebben plaatsgevonden (vgl. HR 13 oktober 1987, NJ 1988, 425). Niet is vereist dat het plegen van het misdrijf uit de Opiumwet de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is of dat de organisatie de uitsluitende bedoeling heeft een misdrijf uit de Opiumwet te plegen. Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten die met dit doel worden verricht.

Ad c) Tot slot moet voor een bewezenverklaring van artikel 11a (oud) Opiumwet worden vastgesteld of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan de organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (vgl. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:BW5161 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413). Beide vereisten zijn te beschouwen als nevengeschikt, maar zijn tevens onderling nadrukkelijk samenhangend.

Uit de bewijsmiddelen moet derhalve duidelijk worden dat de verdachte behoort tot de organisatie en niet enkel is te beschouwen als een sympathisant. Daarnaast moet sprake zijn van enige, naar buiten gerichte activiteit die in nauw verband staat met het misdrijf of misdrijven die de organisatie nastreeft. Deze activiteit kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar kan ook bestaan uit het feitelijk verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet zo zeer zijn te kwalificeren als een strafbare vorm van daderschap, maar wel zijn aan te merken als bovenbedoeld een aandeel hebben in of ondersteuning van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet is vereist dat de verdachte aan enig concreet misdrijf van de organisatie heeft deelgenomen.

Naast deze objectieve vereisten dient de verdachte in subjectieve zin in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie als oogmerk heeft het plegen van een of meer specifieke misdrijven uit de Opiumwet. Wetenschap bij de verdachte in de vorm van voorwaardelijk opzet is op dit punt niet voldoende (vgl. HR 18 november 1997, LJN:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 8 oktober 2002, 2002:AE5651/NJ 2003, 64 en HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:B09814). Niet is vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op een door de organisatie beoogd concreet misdrijf.

De rechtbank heeft kennelijk gebruikgemaakt van deze of een vergelijkbare maatstaf nu zij heeft overwogen dat er sprake is van een samenwerkingsverband dat tenminste drie maanden heeft bestaan, waarbinnen sprake was van een vaste samenstelling en dat gericht was op het opzetten, onderhouden en uitbaten van hennepstekkenplantages. Beschreven wordt welke taken en rollen verdachte en ieder van zijn medeverdachten op zich hadden genomen. Vastgesteld is dat verdachte onder regie van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] en ten behoeve van de organisatie.

De werkzaamheden van de organisatie heeft de rechtbank uiteengezet in het vonnis, p. 5 derde alinea tot en met pagina 8 (tot het kopje 4.4.) en daarbij verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het procesdossier bevinden. Het hof neemt deze overwegingen en bewijsmiddelen over en voegt hieraan voor wat betreft het bewijs van de criminele organisatie (feit 1) alle bewijsmiddelen toe die door de rechtbank zijn genoemd bij de bespreking van de feit 2 en die zijn vermeld op de pagina’s 3 tweede alinea tot en met p. 5 (eerste vier alinea’s). Verder voegt het hof hieraan met betrekking tot feit 1 de volgende bewijsmiddelen toe.

Uit de selectie van de uitdraaien van de tapgesprekken die als bijlage zijn gevoegd bij het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 20142972, gesloten d.d. 17 maart 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 4388, de volgende weergave van de gesprekken:

Tapgesprek 25 september 2014, p. 1422, tapgesprek 26 september 2014, p. 1424, tapgesprek 14 oktober 2014, p. 1430, tapgesprek 17 oktober 2014, p. 1432, tapgesprek 17 oktober 2014, p. 1433, tapgesprek 20 oktober 2014, p. 1435, tapgesprek 20 oktober 2014, p. 1436, tapgesprek 20 oktober 2014, p. 1437, tapgesprek 23 oktober 2014, p. 1438, tapgesprek 24 oktober 2014, p. 1439, tapgesprek 29 oktober 2014, p. 1442, tapgesprek 29 oktober 2014, p. 1443, inhoud SMS 30 oktober 2014, p. 1444, inhoud SMS 30 oktober 2014, p. 1445, inhoud SMS 30 oktober 2014, p. 14446, inhoud SMS 30 oktober 2014, p. 1447, inhoud SMS 31 oktober 2014, p. 1450, tapgesprek 1 november 2014, p. 1451 en 1452, tapgesprek 3 november 2014, p. 1453 en 1454, tapgesprek 13 november 2014, p. 1459, tapgesprek 14 november 2014, p. 1460, tapgesprek 17 november 2014, p. 1464, tapgesprek 17 november 2014, p. 1467, tapgesprek 17 november 2014, p. 1468, tapgesprek 17 november 2014, p. 1469, tapgesprek 18 november 2014, p. 1473, tapgesprek 20 november 2014, p. 1477, tapgesprek 21 november 2014, p. 1482, tapgesprek 21 november 2014, p. 1483, tapgesprek 24 november 2014, p. 1484, tapgesprek 24 november 2014, p. 1485, tapgesprek 24 november 2014, p. 1486, tapgesprek 24 november 2014, p. 1487, tapgesprek 24 november 2014, p. 1488, tapgesprek 24 november 2014, p. 1489, tapgesprek 24 november 2014, p. 1490, tapgesprek 24 november 2014, p. 1491, tapgesprek 24 november 2014, p. 1492, tapgesprek 24 november 2014, p. 1493, tapgesprek 24 november 2014, p. 1495, tapgesprek 24 november 2014, p. 1497, tapgesprek 25 november 2014, p. 1498, tapgesprek 26 november 2014, p. 1500 en 1501, 27 november 2014, p. 1502, tapgesprek 28 november 2014, p. 1503 en 1504, tapgesprek 30 november 2014, p. 1505, tapgesprek 1 december 2014, p. 1506, tapgesprek 1 december 2014, p. 1507, tapgesprek 1 december 2014, p. 1508, tapgesprek 1 december 2014, p. 1509, tapgesprek 1 december 2014, p. 1510, tapgesprek 1 december 2014, p. 1511 en 1512, tapgesprek 1 december 2014, p. 1513, tapgesprek 2 december 2014, p. 1514, tapgesprek 2 december 2014, p. 1515 en 1516, tapgesprek 2 december 2014, p. 1517, tapgesprek 2 december 2014, p. 1518 en 1519, tapgesprek 2 december 2014, p. 1520, tapgesprek 3 december 2014, p. 1521 en 1522, tapgesprek 4 december 2014, p. 1523, tapgesprek 4 december 2014, p. 1524, tapgesprek 4 december 2014, p. 1525, tapgesprek 4 december 2014, p. 1526, 1527 en 1528, tapgesprek 4 december 2014, p. 1529, tapgesprek 4 december 2014, p. 1530, tapgesprek 4 december 2014, p. 1531, tapgesprek 5 december 2014, p. 1532, tapgesprek 5 december 2014, p. 1533, 5 december 2014, p. 1534, tapgesprek 6 december 2014, p. 1535, tapgesprek 6 december 2014, p. 1536, tapgesprek 7 december 2014, p. 1537 en 1538, tapgesprek 7 december 2014, p. 1539, 8 december 2014, p. 1540, 1541 en 1542.

Medeplegen

Bij de beoordeling van feit 2 is het hof voor zover daarbij is ten laste gelegd dat verdachte dat strafbare feit heeft gepleegd samen met een ander of anderen uitgegaan van het volgende toetsingskader.

In de arresten HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekeninghouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De vraag of aan de bovenstaande eisen is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Daarbij kan van belang zijn in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen. Ter zake van die procesopstelling is door de Hoge Raad overwogen dat de omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs kan bijdragen. Dat brengt volgens bestendige jurisprudentie echter niet mee dat de rechter, indien de verdachte voor zo'n omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken (vgl. HR 3 juni 1997,

ECLI:NL:HR: 1997:ZD0733, NJ 1997/584; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1323, NJ 2016/412 en meer recent HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1767 en HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97).

In het onderhavige geval kan ten aanzien van de verdachte worden vastgesteld dat deze geconfronteerd met feiten en omstandigheden waaruit zijn mogelijke betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten zou kunnen blijken, zowel bij de politie, ter terechtzitting in eerste aanleg, als ter terechtzitting in hoger beroep zich heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Het hof neemt deze houding van verdachte gezien het bovenstaande dan ook in aanmerking bij zijn bewijsoordeel.

De rechtbank heeft kennelijk gebruikgemaakt van dit of een soortgelijk toetsingskader nu zij met betrekking tot de feit 2 heeft overwogen welke rol verdachte en welke rol zijn medeverdachten hebben vervuld bij het plegen van dit delict en heeft vastgesteld dat sprake is van een voldoende relevante en significante bijdrage van elk van de verdachten aan het ten laste gelegde feit. Verdachte heeft actief meegewerkt aan de exploitatie van de hennepstekkenplantage. Verder is vastgesteld dat verdachte geen aannemelijke, de redengevendheid van de inhoud van de bewijsmiddelen, ontzenuwende verklaring heeft afgelegd.”

2.5.

De ‘Aanvulling bewijsmiddelen’ bevat een opsomming van de vindplaatsen van de 74 bewijsmiddelen die het hof in de nadere bewijsoverweging ter zake feit 1 heeft opgesomd en zoals ik die hiervoor heb weergegeven. Deze 74 bewijsmiddelen zien op 70 tapgesprekken en 4 sms-berichten. In de stukken van het hof heb ik daarnaast een losse bundel kopieën van de uitdraaien van deze tapgesprekken en sms-berichten aangetroffen waarnaar kennelijk in de ‘Aanvulling bewijsmiddelen’ wordt verwezen.

2.6.

Volgens het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2019 heeft de verdachte, voor zover voor beoordeling van het middel van belang, het volgende verklaard:

“U, voorzitter, houdt mij voor dat er onderzoek is ingesteld naar de kwekerij aan de [a-straat] in Amstenrade, alwaar een alarmsysteem bleek te zitten met een automatische telefoonkiezer waaraan onder meer mijn telefoonnummer gekoppeld was. Dat alarm hing in de winkel, niet in de kwekerij. Vandaar ook dat mijn telefoonnummer gekoppeld was aan het alarm. Het pand was een winkel. Die winkel was niet van mij, maar ik kon de ruimte gebruiken om mijn spullen op te slaan. In heb daar één keer spullen neergezet. Omdat er niemand woonde, was het veilig dat er een alarm zou afgaan als er iemand zou komen. Op het moment van het oprollen van de kwekerij stonden er spullen van mij: een bankstel, een salontafel, wat schilderijen en bureaustoelen. Een kleine inboedel. Meubilair dat ik had opgekocht bij een veiling in België. U, voorzitter, houdt mij voor dat er ook DNA van mij is aangetroffen. Ja, op een peuk. Ik rook, dus het zou kunnen dat ik daar een peuk heb gerookt. Dat kan niet gebeurd zijn in de ruimte waar de kwekerij is aangetroffen. U vraagt mij of iemand de peuk dan onder zijn schoen moet hebben meegenomen en houdt mij voor dat er diverse mensen gezien zijn die daar in en uit liepen. Ik heb er verder niets mee te maken. U houdt mij voor dat er twee peuken in de stekkenkwekerij zijn aangetroffen. Ik ben daar nooit geweest. Ik weet niet wie de huurder was van het pand. De naam ‘[betrokkene 8]’ zegt mij niks. Ik heb de ruimte van [betrokkene 2] ter beschikking gekregen. Hij was vroeger een vriend van me. Hij wist dat ik inkopen deed in België. U houdt mij voor dat de rechtbank van oordeel is dat ik werkzaamheden heb verricht in die plantage. Nee, dat klopt niet. Ik ben er twee keer geweest, niet voor de kwekerij, maar voor mijn spullen. Dat was begin september. Verder weet ik er niets van. U vraagt mij of het klopt dat ik het telefoonnummer waaraan het alarm gekoppeld was na de inval niet meer heb gebruikt. Dat kan. Ik kan me niet herinneren of dat op bevel van [medeverdachte 3] zou zijn geweest. Op verzoek heb ik hem weggedaan. U vraagt mij waarom ik die telefoon wegdeed terwijl ik zelf niet betrokken was bij de kwekerij. Tja, dat werd verzocht door [betrokkene 2], waarschijnlijk gemakshalve. U houdt mij voor dat de meeste mensen niet zoveel telefoons hebben en dat je, wanneer je je privételefoon weggooit, iedereen moet laten weten dat je een nieuw nummer hebt. Ik weet niet meer hoe het toen zat. Ik denk dat ik gewoon van prepaidkaartje gewisseld ben. Volgens mij had ik niet nog een nummer. Dit was gewoon mijn telefoon.

De advocaat-generaal vraagt mij of ik geld moest betalen voor het gebruik van de opslagruimte. Nee, ik heb er maar één keer spullen kunnen zetten. Toen ging al snel het alarm en was het voorbij. De advocaat-generaal vraagt mij waarom het alarm aan mijn telefoonnummer was gekoppeld. Dat was omdat mijn spullen daar stonden. Het pand had een slechte voorgevel met een poortje erin. Toen het alarm afging heb ik [betrokkene 2] gebeld, zodat hij kon gaat kijken. Ik vertel dat nu pas omdat ik er bij de politie achter kwam dat er ook anderen bij betrokken waren. Ik wilde niemand benadelen. Ter terechtzitting in eerste aanleg ben ik niet aanwezig geweest, maar mijn raadsman wel. Dat was een andere raadsman dan mr. Brinkman. Ik durf niet te zeggen wat er toen naar voren is gebracht. Ik durf ook niet te zeggen of ik het eerder niet relevant vond om te melden. Ik ben mij uiteindelijk wezenloos geschrokken. Daarom zit ik nu hier.

Ik ben destijds met spoed naar Spanje gegaan voor mijn toenmalige vriendin. Haar vader was terminaal en had nog een paar dagen te leven. Zij kreeg een telefoontje dat als ze hem nog levend wilde zien, ze gelijk moest komen. Toen ben ik met haar naar Spanje gegaan. Na de begrafenis ben ik teruggekomen. Het moet rond 11 oktober 2014 zijn geweest, haar vader overleed op 13 oktober.

Mijn raadsman vraagt mij of ik [betrokkene 7] (p. 1832 van het dossier) kende. Nee en [betrokkene 9] ook niet. Ook heb ik geen betrokkenheid bij het dakdekken van het pand.”

2.7.

Volgens het proces-verbaal ter terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte ten overstaan van het hof het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt – voor zover voor beoordeling van het middel van belang – in:

“Feit 2

Het pand aan de [a-straat 1] behoort in eigendom toe aan [betrokkene 7] en die verhuurt het pand aan [betrokkene 8]. (p. 1733-1740) Op het adres staan op dat moment tevens twee bedrijven van [betrokkene 9] ingeschreven in de KvK. [betrokkene 9] is een contact van [medeverdachte 3]. (p. 1612) [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij de eigenaar van het pand, [betrokkene 7], niet kent en nooit contact met hem heeft gehad. [verdachte] heeft ook ter zitting verklaard dat hij ook [betrokkene 8] en [betrokkene 9] niet kent en nooit contact met hen heeft gehad. [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij goederen opkocht op veilingen en dat hij die goederen weer doorverkocht, (p.3336) [betrokkene 2] heeft [verdachte] benaderd om samen met hem de opgekochte goederen van veilingen op te slaan en vervolgens te verkopen in de winkelruimte aan de [a-straat]. [verdachte] beschikte niet over een sleutel van het pand en was derhalve afhankelijk van [betrokkene 2] om überhaupt het pand te kunnen bezichtigen en spullen van de veiling te plaatsen. [verdachte] heeft verklaard dat hij begin september 2014 twee maal in het pand is geweest en dat hij er ook al spullen had opgeslagen. Omdat er al spullen van [verdachte] in de winkelruimte stonden, heeft [betrokkene 2] hem gevraagd om zijn nummer door te geven aan [betrokkene 4], zodat als er iets zou zijn met de winkelruimte, er ook een bericht aan [verdachte] werd gezonden.

Op de vraag of [verdachte] bij die bezoeken aan de winkelruimte heeft gerookt, heeft [verdachte] bevestigend geantwoord. Als het procesdossier wordt bekeken, dan valt op dat [verdachte] op geen enkele wijze betrokken is bij de eigendom van het pand, de huur van het pand of de inschrijvingen bij de KvK van het pand. Het procesdossier bevat ook geen enkele aanwijzing dat [verdachte] betrokken is geweest bij het wel/niet uitzetten van afzuiging in het pand en/of het inschakelen van een dakdekker en/of het regelen van de aansluitingen in het pand. (p.1618, p. 1619, 1621 en 1632-1634) Op 13 oktober vindt een observatie plaats van het pand. [verdachte] wordt niet geobserveerd (p. 1647).

Dat [verdachte] niets te maken heeft met hennepteelt en hennepstekken in het pand blijkt verder uit het feit dat [verdachte] op 11 oktober 2014 naar Spanje vertrekt om samen met zijn toenmalige vriendin naar de vader van die vriendin af te reizen in verband met zijn gezondheidstoestand. De vader van de vriendin was woonachtig in Lorette de Mar en is op 13 oktober 2014 overleden, waarna [verdachte] op 14 oktober 2014 het mortuarium bezoekt in Spanje en hij vervolgens op 15 oktober 2014 is teruggevlogen. Uit de tapgesprekken blijkt ook dat het alarm bij [verdachte] afgaat op 12 oktober 2014. [verdachte] belt dan met [betrokkene 1] en geeft aan dat het alarm afgaat. [verdachte] heeft het in die gesprekken in het geheel niet over hennep of hennepstekken en meldt alleen dat hij een sms heeft gekregen dat het alarm was afgegaan. De gesprekspartner deelt mede dat ze bezig zijn en de stroom was uitgevallen. In datzelfde gesprek deelt [verdachte] mede dat hij op dat moment in Spanje zit. (p.1832)

Op 16 oktober belt [verdachte] naar [medeverdachte 3] dat hij berichten binnenkrijgt en dat hij zijn vriendin zo moet ophalen van het vliegveld. Wederom wordt er op geen enkele wijze gesproken over hennep en blijkt het verhaal van [verdachte] inzake zijn verblijf in Spanje te kloppen, (p.1834) Uit het dossier blijkt verder ook geen enkele betrokkenheid van [verdachte] bij het opruimen van het pand. Het enige aanknopingspunt tussen de [a-straat 1] te Amstenrade en [verdachte] is het feit dat er een sigarettenpeuk is aangetroffen en dat zijn nummer is aangesloten op het alarm. De verklaring daarvoor heeft [verdachte] in hoger beroep gegeven. Uit de tapgesprekken kan op geen enkele wijze worden afgeleid dat er sprake was van wetenschap en/of actieve betrokkenheid bij hennepteelt in de zin van een nauwe en bewuste samenwerking. Ook na de inval is er geen sprake van contacten tussen [verdachte] en anderen omtrent opruimen of ontdekking. Dat [verdachte] begin september 2014 twee maal in het pand is geweest, op een moment dat er nog geen sprake was van hennepstekken/planten en dat hij bij die gelegenheden een sigaret heeft gerookt in het pand, kan naar de mening van de verdediging geen wettig en overtuigend bewijs opleveren voor een nauwe en bewuste samenwerking inzake hennepteelt. De overweging van de rechtbank in eerste aanleg dat uit de telefoongesprekken die de verdachten voorafgaand aan en na het binnenvallen van de plantage voerden kan worden afgeleid dat [verdachte] betrokken was bij de hennepplantage en dat hij werkzaamheden verrichte in en aan de plantage is naar de mening van de verdediging onjuist en wordt in het vonnis ook niet onderbouwd met een verwijzing naar enig tapgesprek. Dat de AG stelt dat er lege stellingen te zien zijn blijkt niet uit de foto op p.1708 en 1710, waarop stoelen, een stellage, dozen en andere goederen te zien zijn. De AG stelt eveneens dat [verdachte] met een verklaring komt ruim 4 jaar later na het feit. Dat klopt. Er is sprake van een fors tijdverloop, hetgeen [verdachte] niet kan worden verweten. Verdachte is naïef geweest in het verleden en heeft bij de politie verklaard:

‘’Ik heb geen zin om mensen te belasten. Als alles uitkomt, weet ik dat het wel goed komt met mij. Maar ik heb geen zin om voor andere op te gaan draaien.” (p.3341).

[verdachte] had nooit rekening gehouden met het feit dat er een veroordeling zou komen voor de [a-straat], waar hij niets mee te maken heeft en dat is ook de voornaamste reden dat [verdachte] in beroep is gekomen en nu wel uitleg heeft gegeven.

Feit 1

De rechtbank geeft in haar overweging voor het bewijs van deelname aan een criminele organisatie aan dat [verdachte] betrokken was bij de hennepplantage in Amstenrade. Als U de verdediging volgt in haar verweer dat er geen sprake is van wettig en overtuigend bewijs voor de betrokkenheid van [verdachte] bij de [a-straat 1] te Amstenrade, dan zou dat tot gevolg moeten hebben dat de periode waarin de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen voor deelname aan een criminele organisatie dient te worden beperkt. De tapgesprekken bieden slechts een aanknopingspunt voor de periode van 31 oktober 2014 t/m 4 december 2014 (35 dagen).

Conclusie

De verdediging verzoekt U om het vonnis van de rechtbank te vernietigen en opnieuw rechtdoende [verdachte] vrij te spreken van deelname aan een criminele organisatie over de periode van 1 september tot en met 30 oktober 2014, nu hier geen wettig en overtuigend bewijs voor aanwezig is. Voor het overige refereert de verdediging zich aan Uw oordeel met betrekking tot feit 1.

Met betrekking tot feit 2 verzoekt de verdediging U om [verdachte] vrij te spreken.”

3 Bespreking van het middel

3.1.

Het middel bevat, zoals hiervoor al weergegeven, samengevat de volgende klachten:

(i) dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de verdachte zich ter terechtzitting in hoger beroep heeft beroepen op zijn zwijgrecht en dat het hof deze houding van de verdachte in aanmerking neemt bij zijn bewijsoordeel en

(ii) dat het hof in zijn arrest heeft verzuimd een met redenen omklede beslissing te geven op het gevoerde verweer dat de verdachte niet betrokken was bij de hennepstekkenplantage te Amstenrade (feit 2) en daarmee ook niet voor gehele duur van de bewezenverklaarde periode bij de criminele organisatie (feit 1). 1

3.2.

Het door en namens de verdachte gevoerde bewijsverweer kan naar mijn mening worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Daarvan is sprake indien het standpunt duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. Als de strafrechter afwijkt van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd bewijsverweer, is deze op grond van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv gehouden de beslissing tot afwijking te motiveren. Het hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwd standpunt afgeweken, maar heeft niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Het hof heeft ook ten onrechte overwogen dat verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen en die houding betrokken in zijn bewijsoordeel. Dit is immers niet te verenigen met de verklaring die de verdachte op de zitting van het hof van 11 maart 2019 heeft afgelegd. Het middel klaagt dan ook terecht over schending van art. 359 lid 2 Sv.

3.3.

De vraag is of dit tot cassatie moet leiden. Bij de beantwoording van die vraag komt het er voornamelijk op aan of de redenen voor het afwijken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt besloten ligt in de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.

3.4.

In dat kader is van belang dat het bevestigde vonnis van de rechtbank volgens de Promis-werkwijze is opgesteld. Bij het hanteren van die werkwijze steunt de beslissing dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op een bewijsredenering waarin de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen zakelijk zijn samengevat en waarin voor de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewijsbeslissing steunt, wordt verwezen naar de precieze vindplaats in de bewijsmiddelen waaraan deze feiten en omstandigheden zijn ontleend.2

3.5.

Ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte ten aanzien van feit 2 is in het bevestigde vonnis overwogen, mét vermelding van voetnoten, dat:

“[verdachte] betrokken was bij de hennepstekkenplantage. Hij verrichte werkzaamheden in en aan de plantage. [verdachte] was verder een van de drie personen van wie de telefoon geprogrammeerd was op het alarmsysteem van de plantage. In opdracht van [medeverdachte 3] werd de telefoon na de inval niet meer gebruikt en gebruikte [verdachte] een ander telefoonnummer.25 In de plantage werd een sigarettenpeuk aangetroffen waarop een DNA-spoor werd aangetroffen dat overeenkwam met het DNA van [verdachte].26

Voetnoten

25. 25 Tapgesprekken d.d. 16 oktober 2014, pagina’s 1834 en 1840 (met betrekking tot weggooien van het telefoonnummer dat gekoppeld was aan het alarmsysteem)

26. 26 Proces-verbaal van bevindingen [a-straat] d.d. 19 februari 2015, pagina’s 1830 en 1831.”

3.6.

Door en namens de verdachte is betwist dat hij werkzaamheden heeft verricht in de plantage zoals tenlastegelegd in feit 2. In dat kader is tevens aangevoerd dat de overweging van de rechtbank hierover onjuist is. Uit de tapgesprekken kan volgens de verdediging niet van betrokkenheid in de zin van medeplegen worden gesproken, terwijl de verdachte – kort gezegd – voor het aantreffen van de sigarettenpeuk en de koppeling van zijn nummer aan het alarmsysteem een verklaring heeft. Gelet op het gevoerde bewijsverweer betreft het geschilpunt dan ook de vermeende werkzaamheden die verdachte zou hebben verricht in de plantage. In het bevestigde vonnis wordt ten aanzien van feit 2 volstaan met de enkele overweging dat verdachte in en aan de plantage werkzaamheden verrichtte en daarbij wordt uitsluitend in voetnoot 25 verwezen naar tapgesprekken waarin het kennelijk gaat over het weggooien van het telefoonnummer en een proces-verbaal bevindingen waarin is beschreven dat een sigarettenpeuk is veilig gesteld in de hennepstekkenplantage en dat daarop het DNA van verdachte is aangetroffen.

3.7.

In het bevestigde vonnis is verzuimd de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen weer te geven waaruit de conclusie zou volgen dat de verdachte in en aan de plantage werkzaamheden heeft verricht.3 Hierdoor kan niet worden getoetst of de redenen voor afwijking van het uitdrukkelijk gevoerde standpunt reeds besloten ligt in de bewijsvoering.

3.8.

Het hof heeft voorts – in zijn aanvullende overwegingen – ten onrechte overwogen dat het in zijn bewijsoordeel heeft betrokken dat de verdachte een beroep heeft gedaan op zijn zwijgrecht. Indien het hof verdachte heeft verward met een van de medeverdachten (zoals de steller van het middel meent), geldt dat het hof het gevoerde verweer niet heeft meegenomen in zijn bewijsoordeel zodat een weerlegging van het gevoerde verweer daardoor uitblijft. Indien het hof deze overweging abusievelijk in het arrest heeft opgenomen (de verdachte heeft verwisseld met een medeverdachte), dan wordt door de gebrekkig uitgevoerde Promis-werkwijze in het bevestigde vonnis juist ten aanzien van het geschilpunt niet inzichtelijk of de weerlegging daarvan in de bewijsmiddelen besloten ligt. Hoe dan ook kom ik tot de slotsom dat het middel voor zover het betrekking heeft op feit 2 slaagt en tot cassatie moet leiden.

3.9.

De vraag is vervolgens of dit ook gevolgen moet hebben voor het oordeel van het hof over de bewezenverklaring van feit 1, deelname aan de criminele organisatie. In het middel wordt alleen opgekomen tegen de bewezenverklaarde periode van 1 september tot en met 30 oktober 2014, omdat voor deze periode geen bewijs aanwezig is dat de verdachte aan de criminele organisatie heeft deelgenomen.

3.10.

In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de bewezenverklaarde periode van deelname door de verdachte aan de criminele organisatie volgens het door het hof bevestigde vonnis niet begint op 1 september 2014 maar op 15 september 2014, zodat het om een periode gaat van 15 september tot en met 30 oktober 2014 waarvoor geen bewijs voorhanden zou zijn.

3.11.

De steller van het middel heeft gelijk dat de door de rechtbank voor het bewijs gebezigde tapgesprekken slechts aanknopingspunten bevatten voor de betrokkenheid van de verdachte bij de criminele organisatie voor de periode van 31 oktober 2014 tot en met 4 december 2014.4

3.12.

Weliswaar heeft het hof in zijn arrest aan de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen voor de betrokkenheid van de verdachte bij de criminele organisatie 74 tapgesprekken toegevoegd waarvan de uitdraaien zijn gevoegd bij de “Aanvulling van de bewijsmiddelen”, het hof heeft hierbij echter niet de redengevende inhoud van deze gesprekken weergegeven, noch aangegeven op welke onderdelen van de tenlastelegging deze betrekking hebben. Dus de ontoereikende onderdelen van de bewijsvoering van de rechtbank zijn door het opnemen van nieuwe tapgesprekken door het hof niet hersteld. De door het hof gehanteerde aanvullende bewijsvoering kan niet door de beugel en heeft het karakter van een hooiberg waarin naar de spreekwoordelijke naald gezocht moet worden. Voor het invullen van een dergelijk zoekplaatje leent zich de cassatieprocedure niet.5

3.13.

Daarom meen ik dat het middel ook slaagt voor zover het betrekking heeft op de bewezenverklaarde periode dat de verdachte deel heeft genomen aan de criminele organisatie. Nu het gaat om anderhalve maand van de bewezenverklaarde periode van in totaal drie maanden dat de verdachte zou hebben deelgenomen aan de criminele organisatie kan ook niet gezegd worden dat dit geen invloed kan hebben gehad op de straftoemeting, zodat de verdachte belang heeft bij deze klacht.

4 Conclusie

4.1.

Het middel slaagt.

4.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m. nt. Buruma.

2 Vgl. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387, rov. 5.6.1.

3 Zie ook HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387, m. nt. Buruma, waarin ten onrechte was volstaan met de overweging dat de verdachte en zijn medeverdachte op de hoogte waren van de aanwezigheid van hennepplanten in de woning zonder dat de onderliggende redengevende feiten en omstandigheden waaraan deze conclusie was ontleend, waren opgenomen. Zie ook HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9240, NJ 2010/638, m. nt. Mevis en HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5628.

4 Zie de tapgesprekken vermeld in voetnoot 39 van het vonnis: 39 Tapgesprekken d.d. 5 december 2014, pagina’s 670 tot en met 672, tapgesprek d.d. 28 november 2014, pagina 886, tapgesprek d.d. 1 december 2014, pagina 896, tapgesprek d.d. 4 december 2014, pagina 914 en tapgesprek d.d. 31 oktober 2014, pagina 1450; voetnoot 43 Tapgesprek d.d. 28 november 2014, pagina’s 885 en 886; voetnoot 44 Tapgesprekken d.d. 1 december 2014, pagina’s 895 en 896 en 45 Tapgesprek d.d. 4 december 2014, pagina’s 913 en 914.

5 Zie voor een vergelijkbaar geval HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:252, met name de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt, ECLI:NL:PHR:2017:1545, onder kantlijnnummer 8-11.