Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:273

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
19/01967
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:911
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Promis-werkwijze. Grootschalige hennepstekkenteelt. Hof heeft Promis-vonnis rechtbank in verkort arrest bevestigd met aanvulling van bewijsmotivering en bewijsmiddelen. De aanvullende bewijsmiddelen bestaan uit een grote hoeveelheid tapgesprekken, zonder dat het hof redengevende inhoud hiervan heeft weergegeven. Daardoor voldoet het arrest niet aan de wettelijke motiveringseisen. Het advies aan de Hoge Raad is het arrest te vernietigen. (samenhang met 19/01885, 19/02065 en 19/01929)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01967

Zitting 24 maart 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1.

Bij arrest van 12 april 2019 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch met aanvulling van de bewijsmiddelen, verbetering van de bewijsvoering en inachtneming van het overschrijden van de redelijke termijn in de appelfase, het vonnis van de rechtbank Limburg van 2 juni 2016 bevestigd. Bij dat vonnis is de verdachte veroordeeld wegens feit 1 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid van de Opiumwet, feiten 2, 3 en 4, alle “medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feitelijk betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” en feit 5 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod”. Het hof heeft de verdachte een gevangenisstraf van 14 maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest.

1.2.

Er bestaat samenhang met de zaken 19/01885, 19/02065 en 19/01929. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

1.3.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof het vonnis van de rechtbank heeft bevestigd met slechts een opgave van bewijsmiddelen terwijl de feiten niet door verdachte zijn bekend en namens hem vrijspraak is bepleit. De klachten van het tweede en derde middel zien op de motiveringseisen die gelden bij toepassing van de zogenoemde Promis-werkwijze.

1.4.

In deze zaak is bewezenverklaard dat de verdachte gedurende een periode van bijna drie maanden deel uitmaakte van een organisatie die zich op grote schaal bezighield met de handel in hennepstekken. De organisatie beheerde meerdere hennepstekkenplantages waarin stekken werden gekweekt en moederplanten aanwezig waren. Daarnaast is bewezenverklaard dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij drie plantages waarin stekken werden gekweekt.

1.5.

Voor een goed begrip geef ik eerst de bewezenverklaring weer, daarna de bewijsoverwegingen van de rechtbank, de aanvullende bewijsoverwegingen van het hof en ten slotte de inhoud van de aanvulling bewijsmiddelen. Hierbij zal ik mij beperken tot de feiten 1 t/m 4, aangezien ten aanzien van feit 5 geen cassatiemiddelen zijn ingediend.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is ten aanzien van de feiten 1 t/m 4 bewezenverklaard dat hij:

“1. in de periode van 15 september 2014 tot en met 9 december 2014 binnen het arrondissement Limburg, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem zelf, verdachte, en medeverdachten [medeverdachte 3] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [medeverdachte 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [medeverdachte 2] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 3 jo. artikel 11 van de Opiumwet.

2. op 16 oktober 2014 te Amstenrade, tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en bewerkt in een pand aan de [a-straat 1] , 672 moederhennepplanten en 16.611 hennepstekken, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

3. op 6 november 2014 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en bewerkt in een pand aan [b-straat 1] , 1.892 hennepstekken en 80 moederhennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

4. op 9 december 2014 te Eijsden, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en bewerkt in een pand aan de [c-straat 1] , 12.516 hennepstekken en 896 moederhennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

2.2.

De bewezenverklaring van de feiten 1 t/m 4 is door de rechtbank met gebruik van de Promis-werkwijze gemotiveerd en bevat 75 voetnoten met verwijzingen naar voornamelijk tapgesprekken en processen-verbaal met verwijzingen naar paginanummers van het dossier. Vanwege de leesbaarheid worden hierna de voetnoten uit de bewijsmotivering weggelaten. Voor zover nodig zal de inhoud van de voetnoten bij de bespreking van de middelen worden weergegeven. De bewijsoverwegingen luiden als volgt:

“2. De feiten

2. Algemene overweging

2. De politie heeft na het beluisteren van de getapte telefoongesprekken conclusies getrokken over de betekenis en inhoud van die gesprekken en de deelnemers aan deze gesprekken. De rechtbank stelt vast dat de verdediging deze conclusies van de politie niet heeft bestreden. Voor zover de rechtbank in haar overwegingen gebruik maakt van de getapte telefoongesprekken, zal zij dan ook uitgaan van de juistheid van de conclusies van de politie en - waar nodig - deze conclusies overnemen.

Met betrekking tot de feiten 2 tot en met 5:

Feit 2. De hennepstekkenplantage op het adres [a-straat 1] in Amstenrade

Op 16 oktober 2014 werd door de politie binnengetreden in het pand aan de [a-straat 1] in Amstenrade. Om de hoek van dit pand, ligt een securitybedrijf. Het dak van dit bedrijf loopt over naar het dak van het pand aan de [a-straat 1] in Amstenrade. Het pand aan de [a-straat 1] bleek een leegstaand winkel-/bedrijfspand te zijn. In het pand werden 40 dozen aangetroffen met daarin in totaal 3.325 hennepstekken. Daarnaast werd door de politie een stekkenkwekerij aangetroffen in een ruimte die via een dossierkast kon worden bereikt. In een daar achterliggende ruimte bevond zich een hennepkwekerij met in totaal 672 moederhennepplanten die in beslag werden genomen. In de stekkenkwekerij werden 13.286 hennepstekken in beslag genomen. Door de politie werd geconstateerd dat de planten die in beslag waren genomen hennepplanten waren.

Onderzoek wees uit dat de kwekerij beveiligd werd door middel van een GSM alarmsysteem. Dit alarm en het zich daarin bevindende SIM-kaartje, voorzien van telefoonnummer [telefoonnummer] , werd in beslag genomen. Op het moment dat het pand werd betreden en het alarmsysteem werd geactiveerd, werd een ingesproken tekst of een SMS-bericht verzonden naar de telefoonnummers die aan het alarm waren gekoppeld. In de periode van 1 oktober 2014 tot en met 16 oktober 2014 heeft het alarmsysteem meerdere malen contact gehad met de telefoonnummers die in gebruik waren bij [betrokkene 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .

In de stekkenkwekerij werden 2 sigarettenpeuken en 4 lege drankblikjes aangetroffen die werden veiliggesteld voor DNA-onderzoek. Op de sigarettenpeuken werd het DNA van [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] aangetroffen. Op een blikje Energy drank werd het DNA van [verdachte] aangetroffen. Ook werd in de stekkenkwekerij een kartonnen doos aangetroffen met daarop het adres van [betrokkene 2] , [d-straat 1] in [plaats] .

De eigenaar van het pand, [betrokkene 7] , heeft verklaard dat hij het pand vanaf 1 september 2014 verhuurde aan [betrokkene 8] . Onderzoek wees uit dat [betrokkene 9] ingeschreven had gestaan op het adres en dat in het register van de Kamer van Koophandel op dat adres nog twee bedrijven stonden geregistreerd.

Op 13 oktober 2014, omstreeks 16.50 uur zag de politie dat een Renault Kangoo, die door [medeverdachte 1] werd bestuurd, stopte ter hoogte van het pand aan de [a-straat 1] in Amstenrade. Rechts naast dat pand werd een sectionaalpoort geopend en de Kangoo reed achteruit door de geopende poort naar binnen.

Uit de telefoongesprekken die de verdachten voorafgaand aan en na het binnenvallen van de plantage voeren, kan worden afgeleid dat:

- [medeverdachte 3] betrokken was bij de hennepstekkenplantage. Hij was de leider. In die hoedanigheid gaf hij orders, regelde en organiseerde de inzet van personen en aan hem moest verantwoording worden afgelegd. Hij zorgde dat de huur die door de huurder/katvanger, [betrokkene 8] , moest worden betaald, betaald werd op de dag van de inval. [betrokkene 8] kwam na zijn verhoor bij de politie verslag uitbrengen bij [medeverdachte 3] .

- [betrokkene 1] op de hoogte was van het bestaan en betrokken was bij de hennepstekkenplantage. Hij was waarschijnlijk met anderen aan het werk in de plantage. Hij werd door [medeverdachte 3] op de hoogte gehouden van het oprollen van de plantage, regelde daarna het opruimen van de achtergebleven goederen in de plantage en beheerde kennelijk geld voor de opruimingskosten. Hij beloofde [betrokkene 8] dat de huur van het pand, € 500,- per week, tot het einde van het jaar zou worden betaald.

- [medeverdachte 1] betrokken was bij de hennepstekkenplantage. Hij vervoerde de personen die daar werkzaamheden moesten verrichten in de door hem gebruikte auto naar de [a-straat 1] in Heerlen en had een sleutel van het pand. Ook was [medeverdachte 1] betrokken bij het opruimen van de plantage na de inval waarbij hij tevens een organiserende rol had. Bovendien was [medeverdachte 1] een van de drie personen van wie de telefoon geprogrammeerd was op het alarmsysteem van de plantage.

- [betrokkene 2] betrokken was bij de hennepstekkenplantage. Hij verrichte werkzaamheden in en aan de hennepstekkenplantage dan wel het pand waarin de plantage was ingericht. Hij gaf aantallen geoogste stekken door aan [medeverdachte 3] . Hij regelde personeel dat in de plantage moest werken. [betrokkene 2] werd door [medeverdachte 3] op de hoogte gebracht van het oprollen van de plantage en hij gaf aan [medeverdachte 3] advies over het controleren van de auto van [medeverdachte 1] en het weggooien van de telefoons van leden van de organisatie. Hij was op de hoogte van de herstelwerkzaamheden in het pand na het oprollen van de plantage. In de plantage werd een sigarettenpeuk aangetroffen waarop een DNA-spoor werd aangetroffen dat overeenkwam met het DNA van [betrokkene 2] .

- [betrokkene 4] betrokken was bij de hennepstekkenplantage. Hij was in het bezit van een sleutel van het pand waarin de hennepstekkenplantage was gevestigd. Hij organiseerde dakdekkers voor het pand en verrichte kennelijk werkzaamheden in de plantage. [betrokkene 4] werd door [medeverdachte 3] op de hoogte gebracht van het oprollen van de plantage.

- [verdachte] betrokken was bij de hennepstekkenplantage. Hij verrichte werkzaamheden in en aan de hennepplantage en verrichte opruim- en herstelwerkzaamheden in het pand na het oprollen van de plantage.

- [medeverdachte 2] betrokken was bij de hennepstekkenplantage. Hij verrichte werkzaamheden in en aan de plantage. [medeverdachte 2] was verder een van de drie personen van wie de telefoon geprogrammeerd was op het alarmsysteem van de plantage. In opdracht van [medeverdachte 3] werd de telefoon na de inval niet meer gebruikt en gebruikte [medeverdachte 2] een ander telefoonnummer. In de plantage werd een sigarettenpeuk aangetroffen waarop een DNA-spoor werd aangetroffen dat overeenkwam met het DNA van [medeverdachte 2] .

Feit 3. De hennep(stekken)plantage op het adres [b-straat 1] in Heerlen

Op 6 november 2014 werd door de politie binnengetreden in de woning aan de [b-straat 1] in Heerlen. In de garage van de woning was een hennepplantage ingericht waarin 80 moederhennepplanten stonden die in beslag werden genomen. Onder de garage was een kelder gegraven die via een verborgen luik kon worden bereikt. In de kelder bevond zich een stekkenkwekerij waarin in totaal 1.892 hennepstekken in beslag werden genomen. Door de politie werd geconstateerd dat de planten die in beslag waren genomen, hennepplanten waren.

[betrokkene 10] stond ingeschreven in het pand aan de [b-straat 1] in Heerlen.

Op 31 oktober 2014, werd door de politie gezien dat [medeverdachte 1] gebruik maakte van een Seat Inca personenauto met het kenteken [kenteken] . Deze auto stond omstreeks 13.40 uur stil aan de achterzijde van het pand aan de [b-straat 1] , aan de Heerlerbaan in Heerlen. Eén minuut later reed [medeverdachte 1] weg.

Op 3 november 2014 zag de politie dat [medeverdachte 1] achterom naar het pand [b-straat] ging, op een gegeven moment uit het pand kwam en vertrok.

Op 3 november 2014 belde [medeverdachte 1] naar [verdachte] en zei tegen hem dat hij naar de Heerlerbaan moet. [verdachte] “moet daar gaan uitzoeken”. [medeverdachte 1] vroeg of [verdachte] een sleutel heeft, [verdachte] antwoordde vervolgens dat “die aan zijn autosleutel hangt”. [verdachte] vroeg hoeveel [medeverdachte 1] er nodig heeft, [medeverdachte 1] antwoordde vervolgens “3 dozen”. [verdachte] moet meteen [medeverdachte 1] bellen als hij ze uitgezocht heeft.

Om 11.56 uur belde [verdachte] naar [medeverdachte 1] en zei tegen hem dat “hij ze kan ophalen”. [verdachte] zei ook dat de Heerlerbaan nog wat inpakdozen nodig heeft, want die zijn helemaal week.

Voorafgaand en na het binnenvallen van deze plantage vonden er meerdere telefoongesprekken tussen de verdachten plaats. Uit deze gesprekken kan worden afgeleid dat:

- [medeverdachte 3] de leider op de achtergrond is. Hij wordt door [medeverdachte 1] op de hoogte gehouden van de oogsten in de plantage. Verder informeert [medeverdachte 3] ook of bepaalde werkzaamheden zijn uitgevoerd. Bij problemen moet er door werknemers contact worden opgenomen met [medeverdachte 3] of [betrokkene 1] . [medeverdachte 3] informeert ook bij werknemers die bij de plantage betrokken zijn naar de inval van de politie.

- [betrokkene 1] de dagelijkse leiding heeft over de plantage. Hij verrichte ook werkzaamheden in de plantage. [betrokkene 1] wordt op de hoogte gehouden van aantallen planten. Hij geeft ook de hoogte van orders aan en belt deze door naar bijvoorbeeld [medeverdachte 1] . Bij problemen moet er door werknemers contact worden opgenomen met [medeverdachte 3] of [betrokkene 1] . [betrokkene 1] onderhoudt contacten met de bewoner van het pand.

- [medeverdachte 1] betrokken is bij de plantage. Hij is tussenpersoon voor [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] voor deze plantage. Tevens is [medeverdachte 1] op de hoogte van hetgeen de andere werknemers van de organisatie, met name [verdachte] , daar doen en instrueert hen. Ook heeft [medeverdachte 1] telefonisch contact met werknemers, met name [verdachte] , over aantallen hennepstekken en orders. [medeverdachte 1] geeft ook aan dat andere werknemers contact moeten opnemen met [medeverdachte 3] of [betrokkene 1] . [medeverdachte 1] wordt gebeld als er politie op de Heerlerbaan is.

- [verdachte] betrokken is bij de hennepplantage. Hij verrichte werkzaamheden in de plantage en maakte bestellingen klaar. [verdachte] heeft hierover regelmatig contact met andere leden van de organisatie. Hij spreekt over aantallen stekken. Hij werk nauw samen met [betrokkene 3] .

- [betrokkene 3] betrokken is bij de hennepplantage. Hij verrichte werkzaamheden in de plantage en maakte bestellingen klaar. Hij heeft hierover contact met andere leden van de organisatie. [betrokkene 3] spreekt ook over aantallen stekken. Hij werkt hierin nauw samen met [verdachte] . Hij brengt [medeverdachte 1] op de hoogte van het oprollen van de plantage.

Feit 4 De hennep(stekken)plantage op het adres [c-straat 1] in Eijsden

Op 9 december 2014 werd binnengetreden in het pand aan de [c-straat 1] in Eijsden. Dit pand betreft een leegstaand café met een feestzaal. Boven het café is een woning gelegen. In de feestzaal was een hennepplantage ingericht waarin 896 moederhennepplanten stonden die in beslag werden genomen. De kelder onder de feestzaal was ingericht als stekkenkwekerij. Daar werden in totaal 12.516 hennepstekken aangetroffen en in beslag genomen. Door de politie werd geconstateerd dat de aangetroffen planten, hennepplanten waren.

De huurder van het pand aan de [c-straat 1] in Eijsden, [betrokkene 11] , heeft verklaard dat de huur werd betaald door “de jongens” van wie de moederplanten in de kelder waren. Deze personen hadden hem verteld dat je elke 10 dagen 6 tot 10 stekken van een moederplant kon afsnijden. [betrokkene 11] haalde elke zondag, omstreeks 18.00 uur, elke dinsdag omstreeks 17.00 uur en elke donderdag omstreeks 09.30 met zijn auto, een witte Fiat Doblo, 8 of 9 mensen op die enige tijd in de hennepplantage bleven. [betrokkene 11] neemt aan dat deze personen de planten knipten, verzorgden en inpakten. Als zij klaar waren, bracht [betrokkene 11] deze personen terug. In de garage van de woning stonden bruine rechthoekige kartonnen dozen van ongeveer 60 bij 30 bij 20 centimeter klaar die gevuld waren met stekjes. Deze stekjes stonden in zwarte plastic traytjes. De dozen werden door de eigenaren van de plantage in de garage klaargezet. Bij vertrek werd aan [betrokkene 11] gevraagd of hij deze weg kon brengen. Hij bracht deze dozen op afgesproken tijden naar de haven Portofino, de jachthaven bij Oost Maarland.

Op donderdag 20 november 2014, omstreeks 11.20 uur, zag de politie dat een Lancia Lybra die door [betrokkene 1] werd bestuurd, werd geparkeerd op een parkeerplaats aan de Kasteellaan in Eijsden. Deze straat ligt in de directe omgeving van de [c-straat] in Eijsden en de haven Portofino.

Onderzoek wees uit dat met meerdere telefoonnummers die in gebruik waren bij [medeverdachte 3] , [betrokkene 1] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] op verschillende data en tijdstippen telefoongesprekken werden gevoerd via de mastlocaties Stationsstraat in Gronsveld en Schietkelderweg in Eijsden. Het is aannemelijk dat telecommunicatie vanuit het pand aan de [c-straat 1] in Eijsden deze zelfde mastlocaties aanstraalt.

Zo werd [medeverdachte 3] op 4 oktober 2014 door [betrokkene 5] gebeld. Hij zei toen tegen haar dat hij “in Maastricht is geweest met “ [betrokkene 4] ” (de rechtbank begrijpt: “ [betrokkene 4] ”, een bijnaam van medeverdachte [betrokkene 4] ). De telefoon van [medeverdachte 3] straalde op dat moment de telefoonmast aan de Gronsvelderweg in Maastricht aan.

Op 26 oktober werd [medeverdachte 3] door “ [betrokkene 12] ” gebeld die vroeg of zij daar al klaar stonden. De telefoon van [medeverdachte 3] straalde toen de telefoonmast aan de Stationsstraat in Gronsveld aan.

[medeverdachte 1] werd op 2 november 2014 door [betrokkene 2] gebeld. [betrokkene 2] vroeg hoe laat [medeverdachte 1] morgen komt. [medeverdachte 1] zei dat hij in Maastricht was en op en neer moet. De telefoon van [medeverdachte 1] bevond zich op dat moment onder de mast Stationsstraat in Gronsveld.

In een gesprek op 3 november 2014 zei [medeverdachte 1] ook dat hij in Maastricht is. Zijn telefoon straalde op dat moment de telefoonmast aan de Stationsstraat in Gronsveld aan.

Op zaterdag 27 november 2014 belde [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] en zei tegen hem “ik moet een PH-meter en drinken, 2 traytjes energydrank voor Maastricht, want ik moet dadelijk naar Maastricht”.

Bij de doorzoeking van de woning van [betrokkene 1] werden papieren aangetroffen. Op de ene zijde stond onder meer de naam “ [betrokkene 12] ” geschreven. Op de andere zijde stond de opbrengst van het aantal stekken vermeld en de dagen waarop deze stekken waren geoogst: zondag, dinsdag en donderdag.

Voorafgaand aan het binnenvallen van deze plantage vonden er meerdere telefoongesprekken tussen de verdachten plaats. Uit deze gesprekken kan worden afgeleid dat:

- [medeverdachte 3] de leider was. Hij gaf orders, regelde en organiseerde de inzet van het personeel. Hij bezocht ook de plantage en overlegde met [medeverdachte 1] en [betrokkene 11] over de levering van geoogste stekken.

- [betrokkene 1] betrokken was bij de hennepstekkenplantage. Hij was regelmatig op locatie en verrichte daar werkzaamheden. Hij regelde het personeel en overlegde hierover met andere leden van de organisatie. In zijn woning werd “de boekhouding” van de plantage aangetroffen.

- [medeverdachte 1] betrokken was bij de hennepstekkenplantage. Hij was zeer regelmatig in de plantage. Hij regelde vervoer van personeel en van de hennepstekken. [medeverdachte 1] verrichte ook opruimwerkzaamheden en had een belangrijke rol in deze plantage. Hij overlegde hierover met meerdere leden van de organisatie.

- [betrokkene 4] betrokken was bij de hennepstekkenplantage. Hij verrichte werkzaamheden in de plantage.

- [verdachte] betrokken was, zo blijkt ook uit een uitgevoerde observatie, bij de hennepstekkenplantage. Hij verrichte samen met [betrokkene 3] werkzaamheden in de plantage en werd aangestuurd door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] .

- [betrokkene 3] betrokken was bij de hennepstekkenplantage. Hij verrichte kennelijk werkzaamheden in de plantage. [betrokkene 3] bestelde bij [medeverdachte 1] middelen voor de plantage, zoals groeimiddel en stekkenpoeder. Hij werkte samen met [verdachte] .

De rechtbank is van oordeel dat, indien in de tapgesprekken wordt gesproken over werkzaamheden die “in Maastricht” moeten gebeuren, werkzaamheden worden bedoeld in de hennepplantage aan de [c-straat 1] in Eijsden. Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit de aantekeningen die in de woning van [betrokkene 1] zijn aangetroffen blijkt dat er op zondag, dinsdag en donderdag stekken werden geoogst. Dit komt overeen met de verklaring van [betrokkene 11] , de huurder van het pand aan de [c-straat 1] in Eijsden, dat hij op zondagen, dinsdagen en donderdagen mensen moest gaan ophalen die werkzaamheden verrichte in de hennepplantage. Voorts blijkt uit de telefoonmastgegevens dat de telefoons van de verdachten, als zij aangaven “in Maastricht” te zijn, telefoonmasten aanstraalden in Gronsveld of Eijsden in de nabijheid van de plantage. Tot slot werd een auto die door [betrokkene 1] werd bestuurd in de buurt van de hennepplantage aan de [c-straat 1] in Eijsden gezien.

Algemeen bekend is dat de [c-straat] in Eijsden op iets meer dan 2,5 kilometer is gelegen vanaf de grens van de gemeente Maastricht. Zes minuten rijden met de auto.

De rechtbank is ervan overtuigd dat de hennepplanten en -stekken in de hiervoor beschreven plantages zijn geteeld en bewerkt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, gelet op de omvang van elk plantage, de professionele inrichting ervan en de werkzaamheden die de verdachten verrichten ten behoeve van het opbouwen en onderhouden van de hennep(stekken)plantages. Dit is duidelijk niet het werk geweest van personen die “het er bij deden”, maar van professionals.

Feit 5

(…)

Feit 1

Onder feit 1 wordt [verdachte] in het kader van het voorgaande verweten dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 15 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:403) overwogen dat van deelneming aan een criminele organisatie slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in de wet bedoelde oogmerk.

De criminele organisatie had het oogmerk om hennepstekkenplantages op te zetten en te onderhouden en hennepstekken te verkopen.

[medeverdachte 3] en [betrokkene 1] waren de leidinggevenden binnen deze organisatie. Zij hadden dagelijks telefonisch en persoonlijk contact met elkaar en andere deelnemers van de organisatie. [medeverdachte 3] was het hoofd van de organisatie, [betrokkene 1] was zijn rechterhand en verving [medeverdachte 3] tijdens zijn afwezigheid. [betrokkene 1] hield zich meer met de financiën en de organisatie bezig. [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] gaven opdrachten en regelden de verkoop van hennepstekken. Zij betaalden loon en reiskosten uit aan deelnemers van de organisatie en onderhielden de contacten met klanten en ontvingen de bestelopdrachten. Op basis van deze bestelopdrachten gaven zij andere leden van de organisatie opdracht de bestellingen klaar te maken en te vervoeren. Ook andere leden van de organisatie hadden “eigen” klanten waaraan de hennepstekken die door de organisatie werden geteeld, werden verkocht. [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] werden om hulp gevraagd als er problemen waren en met hen werd contact gezocht als er aankopen van goederen om plantages in te richten moesten worden gedaan. [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] bepaalden de werktijden en inzetmomenten van andere leden van de organisatie. Zij financierden de hennepstekkenplantages ook mede.

De organisatie beschikte over meerdere hennepstekkenplantages waarin stekken werden gekweekt en moederplanten aanwezig waren. Op die manier was gezorgd voor risicospreiding: als een plantage ontmanteld was, kon de organisatie - weliswaar met een lichte stagnatie - toch blijven leveren aan klanten.

Veel leden van de organisatie hadden een uitkering (Ziektewet- of Bijstandsuitkering) of hadden geen uitkering dan wel een andere legale inkomstenbron. Zij waren dagelijks voortdurend bezig met de werkzaamheden voor de organisatie.

[medeverdachte 1] was een belangrijke en onmisbare schakel binnen de organisatie. Hij vervoerde de hennepstekken, onderhield contacten met klanten en anderen leden van de organisatie en was een vertrouweling van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] .

[betrokkene 2] woonde samen met een zus van [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] , [betrokkene 6] . Hij had eigen, meer zelfstandige hennepstekkenplantages, bijvoorbeeld de hennepstekkenplantage aan de [e-straat 1] in Spaubeek. De verkoop en het vervoer van de hennepstekken verliep echter via de organisatie.

[betrokkene 4] , [verdachte] , [betrokkene 3] en [medeverdachte 2] voerden werkzaamheden uit in opdracht van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] . Zij waren veel bezig met het opzetten en onderhouden van de plantages en het klaarmaken van bestellingen hennepstekken. [medeverdachte 2] was ook betrokken bij een andere hennepstekkenplantage van [betrokkene 2] .

[betrokkene 5] , de vrouw van [medeverdachte 3] , en [betrokkene 6] , de vrouw van [betrokkene 2] , waren ook betrokken bij de organisatie. Zij gaven berichten door van en aan hun mannen voor wat betreft de zaken die de organisatie betroffen. [betrokkene 5] en [betrokkene 6] fungeerden als afhaaladres voor de hennepstekken die door hun klanten en/of leden van de organisatie waren besteld. [betrokkene 5] zorgde er ook voor dat de leden van de organisatie werden betaald en incasseerde geld van klanten. [betrokkene 6] verrichte werkzaamheden in de hennepstekkenplantage in haar woning.

Gelet op de rol die [verdachte] heeft gespeeld bij de uitvoering van de feiten 2 tot en met 4 en feit 5, waarbij hij gedurende bijna 3 maanden intensief heeft samengewerkt met [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [medeverdachte 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [medeverdachte 2] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] , acht de rechtbank ook feit 1 aanwezig. Zoals hiervoor overwogen, kan uit - met name - de tapgesprekken worden afgeleid dat [verdachte] werkzaamheden uitvoerde in opdracht van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] . Hij was veelal bezig met het opzetten en onderhouden van hennepkwekerijen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte in de periode van 15 september 2014 tot en met 9 december 2014 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.”

2.3.

Het hof heeft in zijn arrest het navolgende overwogen:

Bewijsmiddelen

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, onder aanvulling van de bewijs- en strafoverwegingen en met verbetering van de bewijsvoering.

Het hof vult de hierna genoemde voetnoten uit het vonnis aan met de volgende pagina’s uit het dossier zoals genoemd in noot 1 van het vonnis:

- Noot 2 met proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 26 oktober 2014, pagina 1658.

Noot 6 met het proces-verbaal identificatie n.a.v. DNA-sporen inzake HVC-Cluster 30608, pagina’s 1818-1821.

- Noot 16 met tapgesprek d.d. 4 oktober 2014, pagina 1623 en tapgesprek d.d. 3 november 2014, pagina 1855.

- Noot 19 met tapgesprek d.d. 16 oktober 2014, pagina 1840 en tapgesprek d.d. 16 oktober 2014, pagina 1842.

- Noot 28 met proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij [b-straat 1] te Heerlen, pagina 1910.

- Noot 34 met tapgesprek d.d. 31 oktober 2014, pagina 1876 en tapgesprek d.d. 31 oktober 2014, pagina 1878

- Noot 54 met tapgesprek d.d. 29 oktober 2014, pagina 2535.

- Noot 59 met kennisgeving inbeslagneming (artikel 94 Sv), pagina 4310.

- Noot 69 met tapgesprek d.d. 3 december 2014, pagina 1522.

- Noot 75 met tapgesprek d.d. 12 november 2014, pagina 1601.

Indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, wordt de inhoud van de door het hof gebruikte aanvullende bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Aanvullende bewijsoverwegingen

Criminele organisatie

Bij de beoordeling van feit 1 is het hof uitgegaan van het van het volgende toetsingskader.

Voor wat betreft het juridisch kader ter zake van artikel 11a (oud) Opiumwet geldt dat deze bepaling moet worden gezien als een specialis van artikel 140 Sr. Voor de invulling van het juridisch kader geldt derhalve dat in belangrijke mate wordt verwezen naar de uitleg van de bestanddelen van artikel 140 Sr.

Ad a) In de eerste plaats moet kunnen worden vastgesteld dat sprake is van een organisatie. Onder een organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) Opiumwet moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één ander persoon (vgl. ECLI:NL:HR:1993:AD1974 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378). Het moet in ieder geval gaan om een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband, dat als eenheid kan opereren (vgl. HR 26 juni 1984, NJ 1985, 92 en HR 26 november 1985, NJ 1986, 389). Er is reeds sprake van een dergelijke organisatie wanneer één persoon met minimaal één of meer anderen voor een door hen gesteld doel - i.c. het plegen van een of meer Opiumwetdelicten - samenwerken. Het optreden als eenheid is geen absolute voorwaarde, terwijl de juridische status van het samenwerkingsverband niet relevant is. Ook hoeft er geen sprake te zijn van formeel afgebakende taken, maar het samenwerkingsverband moet wel meer dan een incidenteel karakter hebben (vgl. HR 16 oktober 1990, NJ 1991, 442 en HR 10 juli 2001, NJ 2001, 687). Van een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband kan al blijken als er gedurende een vaste periode door bepaalde personen volgens een vast patroon wordt samengewerkt. Niet noodzakelijk is daarbij dat het enkel steeds dezelfde personen betreft, wel dient er sprake te zijn van een vaste kern (vgl. HR 29 januari 1991, NJB 1991, 50). Ook is in dezen niet vereist dat al de personen van de organisatie onderling met elkaar samengewerkt hebben of bekend waren met de andere deelnemers aan de organisatie en hun bezigheden voor die organisatie (vgl. HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470 en HR 22 januari 2008, NJ 2008, 72). Ten slotte hebben duurzaamheid en gestructureerdheid betrekking op het bestanddeel ‘organisatie’ en niet op ‘deelneming’, zodat ook een relatief korte bijdrage aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband strafbaar kan zijn.

Ad b) Om tot een bewezenverklaring van artikel 11a (oud) Opiumwet te kunnen komen is voorts vereist dat de organisatie het oogmerk heeft van het plegen van een misdrijf in de zin van artikel 11a (oud) Opiumwet. Het oogmerk kan daarbij gericht zijn op een enkel, specifiek genoemd delict of delicten uit de Opiumwet. Het oogmerk of naaste doel betreft het oogmerk van de organisatie en niet dat van de verdachte/deelnemer aan de organisatie. Het oogmerk impliceert dat het betreffende misdrijf of misdrijven (of pogingen of voorbereidingen daartoe) nog niet hoeft te hebben plaatsgevonden (vgl. HR 13 oktober 1987, NJ 1988, 425). Niet is vereist dat het plegen van het misdrijf uit de Opiumwet de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is of dat de organisatie de uitsluitende bedoeling heeft een misdrijf uit de Opiumwet te plegen. Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten die met dit doel worden verricht.

Ad c) Tot slot moet voor een bewezenverklaring van artikel 11a (oud) Opiumwet worden vastgesteld of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan de organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (vgl. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:BW5161 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413). Beide vereisten zijn te beschouwen als nevengeschikt, maar zijn tevens onderling nadrukkelijk samenhangend.

Uit de bewijsmiddelen moet derhalve duidelijk worden dat de verdachte behoort tot de organisatie en niet enkel is te beschouwen als een sympathisant. Daarnaast moet sprake zijn van enige, naar buiten gerichte activiteit die in nauw verband staat met het misdrijf of misdrijven die de organisatie nastreeft. Deze activiteit kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar kan ook bestaan uit het feitelijk verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet zo zeer zijn te kwalificeren als een strafbare vorm van daderschap, maar wel zijn aan te merken als bovenbedoeld een aandeel hebben in of ondersteuning van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet is vereist dat de verdachte aan enig concreet misdrijf van de organisatie heeft deelgenomen.

Naast deze objectieve vereisten dient de verdachte in subjectieve zin in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie als oogmerk heeft het plegen van een of meer specifieke misdrijven uit de Opiumwet. Wetenschap bij de verdachte in de vorm van voorwaardelijk opzet is op dit punt niet voldoende (vgl. HR 18 november 1997, LJN:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 8 oktober 2002, 2002:AE5651/NJ 2003, 64 en HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:B09814). Niet is vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op een door de organisatie beoogd concreet misdrijf.

De rechtbank heeft kennelijk gebruikgemaakt van dit of een vergelijkbare maatstaf nu zij heeft overwogen dat er sprake is van een samenwerkingsverband dat tenminste drie maanden heeft bestaan, waarbinnen sprake was van een vaste samenstelling en dat gericht was op het opzetten, onderhouden en uitbaten van hennepstekkenplantages. Beschreven wordt welke taken en rollen verdachte en ieder van zijn medeverdachten op zich hadden genomen.

De werkzaamheden van de organisatie heeft de rechtbank uiteengezet in het vonnis, p. 10 tweede alinea tot en met pagina 12 eerste alinea en daarbij verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het procesdossier bevinden. Het hof neemt deze overwegingen en bewijsmiddelen over en voegt hieraan voor wat betreft het bewijs van de criminele organisatie (feit 1) alle bewijsmiddelen toe die door de rechtbank zijn genoemd bij de bespreking van de feiten 2 tot en met 4 en die zijn vermeld op de pagina’s 2 tot en met 9 (eerste twee alinea’s). Verder voegt het hof hieraan de volgende bewijsmiddelen toe.

Uit de selectie van de uitdraaien van de tapgesprekken die als bijlage zijn gevoegd bij het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 20142972, gesloten d.d. 17 maart 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 4388, de volgende weergave van de gesprekken:

Tapgesprek d.d. 26 september 2014, pagina 1210, tapgesprekken 3 oktober 2010, p. 1211 en 1212, tapgesprek 4 oktober 2014, p. 1212 en 1213, tapgesprekken 6 oktober 2014, p. 1215 en 1216, tapgesprek 6 oktober 2014, p. 1217, tapgesprek 12 oktober 2014, p. 1218, tapgesprekken 14 oktober 2014, p. 1219, 1220 en 1221, tapgesprek 15 oktober 2014, p. 1222, tapgesprek 15 oktober 2014, p. 1125, tapgesprek 16 oktober 2014, p. 1126, tapgesprek 18 november 2014, p. 1230, tapgesprek 21 november 2014, p. 1231, tapgesprek 26 november p. 1233, tapgesprek 28 november 2014, p. 1234, tapgesprek 2 december 2014, p. 1236, tapgesprek 14 oktober 2014, p. 1237 en 1238, tapgesprek 29 oktober 2014, p. 1239, tapgesprek 7 november 2014, p. 1240, tapgesprek 18 november 2014, p. 1241 en 1242, tapgesprek 26 november 2014, p. 1243 en 1244, tapgesprek 29 november 2014, p. 1245, tapgesprekken 5 december 2014, p. 1246, 1247 en 1248, tapgesprek 7 december 2014, p. 1249.

Medeplegen

Bij de beoordeling van de feiten 2 tot en met 4 is het hof voor zover daarbij is ten laste gelegd dat verdachte strafbare feiten heeft gepleegd samen met een ander of anderen, uitgegaan van het volgende toetsingskader.

In de arresten HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekeninghouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De vraag of aan de bovenstaande eisen is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Daarbij kan van belang zijn in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen. Ter zake van die procesopstelling is door de Hoge Raad overwogen dat de omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs kan bijdragen. Dat brengt volgens bestendige jurisprudentie echter niet mee dat de rechter, indien de verdachte voor zo'n omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken (vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1323, NJ 2016/412 en meer recent HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1767 en HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97).

In het onderhavige geval kan ten aanzien van de verdachte worden vastgesteld dat deze geconfronteerd met feiten en omstandigheden waaruit zijn mogelijke betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten zou kunnen blijken, zowel bij de politie, ter terechtzitting in eerste aanleg, als ter terechtzitting in hoger beroep zich heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Het hof neemt deze houding van verdachte gezien het bovenstaande dan ook in aanmerking bij zijn bewijsoordeel.

De rechtbank heeft kennelijk gebruikgemaakt van dit of een soortgelijk toetsingskader nu zij met betrekking tot de feiten 2, 3 en 4 heeft overwogen welke rol verdachte en welke rol zijn medeverdachten hebben vervuld bij het plegen van dit delict en heeft vastgesteld dat sprake is van een voldoende relevante en significante bijdrage van elk van de verdachten aan de ten laste gelegde feiten. Daarbij is vastgesteld dat verdachte onder regie van anderen daadwerkelijk werkzaamheden verrichtte aan en in de hennepstekkenkwekerijen. Verder heeft verdachte geen aannemelijke, de redengevendheid van de inhoud van de bewijsmiddelen, ontzenuwende verklaring heeft afgelegd met betrekking tot de aard van zijn betrokkenheid.”

2.4.

De ‘Aanvulling bewijsmiddelen’ houdt het volgende in, waarbij ik opmerk dat het hof achter deze aanvulling de volledige uitwerking van de genoemde tapgesprekken als bijlagen heeft gevoegd:

“In aanvulling op de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebezigd, acht het hof ook de volgende bewijsmiddelen van belang als bewijs dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan.

Uit de selectie van de uitdraaien van de tapgesprekken die als bijlage zijn gevoegd bij het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 20142972, gesloten d.d. 17 maart 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 4388, de volgende weergave van de gesprekken, welke hierna zijn opgenomen:

- tapgesprek d.d. 26 september 2014, p. 1210,
- tapgesprekken d.d. 3 oktober 2014, p. 1211 en 1212,
- tapgesprek d.d. 4 oktober 2014, p. 1212 en 1213,
- tapgesprekken d.d. 6 oktober 2014, p. 1215 en 1216,
- tapgesprek d.d. 6 oktober 2014, p. 1217,
- tapgesprek d.d. 12 oktober 2014, p. 1218,
- tapgesprekken d.d. 14 oktober 2014, p. 1219, 1220 en 1221,
- tapgesprek d.d. 15 oktober 2014, p. 1222,
- tapgesprek d.d. 15 oktober 2014, p. 1225,
- tapgesprek d.d. 16 oktober 2014, p. 1226,
- tapgesprek d.d. 18 november 2014, p. 1230,
- tapgesprek d.d. 21 november 2014, p. 1231,
- tapgesprek d.d. 26 november 2014, p. 1233,
- tapgesprek d.d. 28 november 2014, p. 1234,
- tapgesprek d.d. 2 december 2014, p. 1236,
- tapgesprek d.d. 14 oktober 2014, p. 1237 en 1238,
- tapgesprek d.d. 29 oktober 2014, p. 1239,
- tapgesprek d.d. 26 november 2014, p. 1243 en 1244,
- tapgesprek d.d. 29 november 2014, p. 1245,
- tapgesprekken d.d. 5 december 2014, p. 1246-1248,
- tapgesprek d.d. 7 december 2014, p. 1249.”

3 Het eerste middel

3.1.

Het eerste middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte het vonnis van de rechtbank heeft bevestigd met slechts een opgave van bewijsmiddelen, terwijl de feiten niet door de verdachte zijn bekend en namens hem vrijspraak is bepleit.

3.2.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof, ondanks de aankondiging in het arrest zoals opgenomen onder 2.3 onder het kopje ‘Bewijsmiddelen’, niet de inhoud van die bewijsmiddelen in de aanvulling heeft opgenomen. Volgens de steller van het middel was het hof, omdat de verdediging vrijspraak heeft bepleit, gehouden de uitgewerkte inhoud van de bewijsmiddelen in de aanvulling op te nemen.

3.3.

Het middel mist feitelijke grondslag om de navolgende redenen.

3.4.

Uit de toelichting op het middel blijkt dat de steller van het middel ervan uitgaat dat het hof de werkwijze heeft toegepast die wordt genoemd in de tweede volzin van art. 359 lid 3 Sv, namelijk dat indien de verdachte heeft bekend kan worden volstaan met een opgave van bewijsmiddelen. Dit is niet toegestaan indien de verdachte nadien anders heeft verklaard of de raadsman vrijspraak heeft bepleit. Deze veronderstelling berust op een onjuiste lezing van het arrest.

3.5.

In eerste aanleg is volgens de zogenoemde Promis-werkwijze vonnis gewezen. De Promis-werkwijze houdt in dat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de beslissing steunt dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, in een terstond uitgewerkt vonnis of arrest zijn vermeld in een bewijsredenering waarbij wordt volstaan met een verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend. Deze werkwijze is op zich niet in strijd met het wettelijke motiveringsvereiste van art. 359 lid 3 Sv.1

Het hof heeft het vonnis overeenkomstig art. 423 lid 1 Sv bevestigd, onder aanvulling van de bewijsoverwegingen en met verbetering van de bewijsvoering. De bewezenverklaring steunt daardoor (ook) op de bewijsvoering in het Promis-vonnis. Ten aanzien van die bewijsvoering heeft het hof in het arrest onder het kopje ‘Bewijsmiddelen’ (zoals hiervoor opgenomen onder 2.3) ten aanzien van acht voetnoten die afkomstig zijn uit het bevestigde vonnis, de bewijsmiddelen waar door de rechtbank naar wordt verwezen, aangevuld met de door het hof genoemde bewijsmiddelen. Uit die werkwijze volgt dat het hof van oordeel is dat de redengevende inhoud van die aanvullende bewijsmiddelen ondersteuning biedt aan wat reeds is weergegeven in de bewijsredeneringen die vooraf zijn gegaan aan de verwijzingen naar de betreffende voetnoten in het bevestigde vonnis. Ook dat is niet in strijd met het wettelijk bewijsstelsel.2 Het hof heeft in zijn arrest dus niet volstaan met een enkele opgave van bewijsmiddelen. Aangezien het middel zich niet richt tegen de bewijsmotivering als zodanig wordt hierop bij de bespreking van dit middel niet ingegaan. Dat komt bij het tweede en derde middel aan de orde.

3.6.

Het middel faalt.

4 Het tweede en derde middel

4.1.

Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de feiten 1 t/m 4 heeft bevestigd, omdat daarin de redengevende bewijsmiddelen niet zijn weergegeven. Uit de toelichting hierop begrijp ik dat gesteld wordt dat de rechtbank is uitgegaan van de conclusies die door de politie uit tapgesprekken zijn getrokken en verder in de voetnoten heeft volstaan met een verwijzing naar de vindplaats van desbetreffende tapgesprekken.

In het derde middel wordt geklaagd dat het hof ten aanzien van feit 4 het vonnis niet had kunnen bevestigen omdat de rechtbank heeft nagelaten het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan zij een redengevende omstandigheid heeft ontleend, namelijk dat de verdachte bij de hennepkwekerij aan de [c-straat 1] in Eijsden was betrokken, hetgeen zou blijken uit een uitgevoerde observatie. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

4.2.

Uitgangspunt is, dat op grond van art. 359 lid 3 Sv op straffe van nietigheid de beslissing dat het tenlastegelegde feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het arrest opgenomen bewijsmiddelen waaruit de redengevende feiten en omstandigheden moeten blijken. Bij het hanteren van de Promis-werkwijze steunt de beslissing dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op een bewijsredenering waarin de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen zakelijk zijn samengevat in de uitspraak en waarin voor de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewijsbeslissing steunt (in voetnoten) wordt verwezen naar de precieze vindplaats in de bewijsmiddelen waaraan deze feiten en omstandigheden zijn ontleend.3 Dat in die werkwijze de redengevende inhoud van een bewijsmiddel zakelijk wordt samengevat, is op zichzelf niet onverenigbaar met art. 359 lid 3 Sv. Van belang is dat de redengevende feiten en omstandigheden worden onderscheiden van gevolgtrekkingen – geheel of ten dele van feitelijke aard – die de rechter aan feiten en omstandigheden verbindt. Hierop moet met name bij een Promis-vonnis, dat naar zijn aard verhalend is, scherp op worden gelet. Want als met een dergelijke gevolgtrekking wordt volstaan zonder dat de onderliggende redengevende feiten en omstandigheden worden opgenomen, is niet aan het wettelijk motiveringsvereiste voldaan.4 Verder moet de verwijzing naar de bewijsmiddelen zo nauwkeurig zijn, dat kan worden beoordeeld of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen en of de samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet-redengevende onderdelen inhoudt dan wel of de bewijsmiddelen niet zijn gedenatureerd.5

4.3.

Voordat ik overga tot bespreking van de middelen eerst nog het volgende. In het bevestigde Promis-vonnis is overwogen (zie hiervoor onder 2.2) dat voor zover in de overwegingen gebruik wordt gemaakt van de telefoongesprekken, wordt uitgegaan van de juistheid van de conclusies van de politie en dat – waar nodig – deze conclusies worden overgenomen, nu de verdediging deze conclusies van de politie niet heeft bestreden. Over deze werkwijze wordt in cassatie mede geklaagd. Ik meen dat een door de opsporingsinstantie opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met conclusies over betrokkenheid van verdachte, de rechter niet ontslaat van de motiveringsplicht van art. 359 lid 3 Sv. Als in de bewijsredenering van het Promis-vonnis wordt verwezen naar een dergelijke conclusie van de politie over de betrokkenheid van verdachte bij een tenlastegelegd feit, dan geldt nog steeds dat de rechter de relevante feiten en omstandigheden waaruit deze betrokkenheid blijkt, moet weergeven in de bewijsredenering met aanduiding van de bewijsmiddelen waaraan deze zijn ontleend. Dit is naar mijn mening niet anders indien in het proces-verbaal bevindingen, naast de door de politie getrokken conclusies tevens de feiten en omstandigheden zijn opgenomen waaraan die conclusies zijn ontleend. De rechter dient zich immers zelf op controleerbare wijze ervan te vergewissen dat de beslissing dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, steunt op daartoe redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan wettige bewijsmiddelen en daarvan in zijn bewijsmotivering ook blijk te geven.6

4.4.

Het middel bevat de klacht dat het hof niet aan voormelde motiveringseisen heeft voldaan. Daartoe wordt in de toelichting op het tweede middel aangevoerd dat de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis telkens niet de inhoud van de tapgesprekken heeft weergegeven of deze heeft samengevat, maar daaruit enkel conclusies heeft getrokken en heeft volstaan met een verwijzing naar betreffende tapgesprekken in de voetnoten, zonder – zo begrijp ik het middel – dat de in deze tapgesprekken redengevende feiten en omstandig-heden in het vonnis zijn opgenomen.

4.5.

In de schriftuur worden vier voorbeelden genoemd:

(i) "Uit de telefoongesprekken die de verdachten voorafgaand aan en na het binnenvallen van de plantage voeren, kan worden afgeleid dat (…)” (vonnis, p. 3);

(ii) "Voorafgaand en na het binnenvallen van deze plantage vonden er meerdere telefoongesprekken tussen de verdachten plaats. Uit deze gesprekken kan worden afgeleid dat (…)” (vonnis, p. 6);

(iii) "Voorafgaand aan het binnenvallen van deze plantage vonden er meerdere telefoongesprekken tussen de verdachten plaats. Uit deze gesprekken kan worden afgeleid dat (...)" (vonnis, p. 8);

(iv) "Zoals hiervoor overwogen kan uit - met name - de tapgesprekken worden afgeleid dat [verdachte] werkzaamheden uitvoerde in opdracht van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] . Hij was veelal bezig met het opzetten en onderhouden van hennepkwekerijen." (vonnis, p. 12).

4.6.

De algemene klacht in het middel dat ‘telkens niet de inhoud van de tapgesprekken zijn weergegeven’ is te onbepaald en voldoet daarom niet aan de vereiste nauwkeurigheid om een behandeling in cassatie te rechtvaardigen, mede gelet op het feit dat in het Promis-vonnis in 75 voetnoten is verwezen naar (veelal ook nog eens meerdere) bewijsmiddelen.7 Dat ligt echter anders voor wat betreft de vier hiervoor onder 4.5. genoemde voorbeelden. Ik zal die daarom achtereenvolgens bespreken.

Eerste voorbeeld

4.7.

Het eerste voorbeeld ziet op een bewijsoverweging met betrekking tot feit 2 waarin de rechtbank “uit de telefoongesprekken die de verdachten voorafgaand aan en na het binnenvallen van de plantage voeren” afleidt wat de rol en betrokkenheid van de verdachte en de medeverdachten bij de hennepstekplantage is geweest die is aangetroffen aan de [a-straat 1] in Amstenrade. Voorafgaand aan die overweging is ten aanzien van verdachte overwogen dat op een blikje Energy-drank dat in de stekkenkwekerij is veiliggesteld het DNA van verdachte is aangetroffen. Het vervolg van de in de schriftuur aangehaalde overweging luidt ten aanzien van de verdachte (dat):

“ [verdachte] betrokken was bij de hennepstekkenplantage. Hij verrichte werkzaamheden in en aan de hennepplantage23 en verrichte opruim- en herstelwerkzaamheden in het pand na het oprollen van de plantage.24

Voetnoten

23. Tapgesprek d.d. 26 september 2014, pagina 1614.

24. Tapgesprek d.d. 3 november 2014, pagina 1855.”

4.7.1.

Ten aanzien van de genoemde werkzaamheden heeft de rechtbank in twee voetnoten (23 en 24) verwezen naar twee tapgesprekken. De redengevende inhoud of een zakelijke samenvatting van die tapgesprekken is echter in het vonnis niet weergegeven.

4.7.2.

Ik meen dat de steller van het middel daarom een punt heeft. De hiervoor geciteerde overweging van de rechtbank bevat geen zakelijke samenvatting van de tapgesprekken, maar bestaat uit conclusies terwijl de onderliggende redengevende feiten en omstandigheden waaraan die conclusies zijn ontleend niet zijn weergegeven. Daardoor kan niet worden nagegaan of het bewezenverklaarde uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Dat betekent dat niet is voldaan aan het wettelijk motiveringsvereiste.8

Het tweede voorbeeld

4.8.

Hetzelfde geldt voor het tweede voorbeeld dat ziet op de bewijsoverweging met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij feit 3, de hennep(stekken)plantage aan de [b-straat 1] in Heerlen. De rechtbank vervolgt de hiervoor onder 4.5. onder (ii) aangehaalde overweging – ten aanzien van verdachte – dat uit de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat:

“ [verdachte] betrokken is bij de hennepplantage. Hij verrichte werkzaamheden in de plantage en maakte bestellingen klaar. [verdachte] heeft hierover regelmatig contact met andere leden van de organisatie. Hij spreekt over aantallen stekken. Hij werk nauw samen met [betrokkene 3] . 38

Voetnoot

38 Tapgesprek d.d. 10 oktober 2014, pagina 1872 en tapgesprek d.d. 31 oktober 2014, pagina 1879 (aantallen stekken) en tapgesprekken d.d. 3 november 2014, pagina’s 1882 en 1883 (werkzaamheden in de plantage verricht).”

4.8.3.

Deze bewijsoverweging eindigt met voetnoot 38 waarin drie tapgesprekken worden vermeld, waarvan van de eerste twee tapgesprekken de onderliggende redengevende feiten en omstandigheden waaraan de conclusies van de rechtbank zijn ontleend niet zijn weergegeven

4.8.4.

Voor het laatstgenoemde gesprek9 geldt dat de rechtbank de inhoud daarvan wel zakelijk heeft samengevat. Immers, voorafgaand aan de aangehaalde overweging wordt ook verwezen naar dit gesprek aan het eind van de alinea waar wordt ingegaan op een gesprek tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] waarin wordt gesproken over – kort gezegd – de Heerlerbaan. Deze overweging luidt:

“Op 3 november 2014 belde [medeverdachte 1] naar [verdachte] en zei tegen hem dat hij naar de Heerlerbaan moet. [verdachte] “moet daar gaan uitzoeken”. [medeverdachte 1] vroeg of [verdachte] een sleutel heeft, [verdachte] antwoordde vervolgens dat “die aan zijn autosleutel hangt”. [verdachte] vroeg hoeveel [medeverdachte 1] er nodig heeft, [medeverdachte 1] antwoordde vervolgens “3 dozen”. [verdachte] moet meteen [medeverdachte 1] bellen als hij ze uitgezocht heeft. Om 11.56 uur belde [verdachte] naar [medeverdachte 1] en zei tegen hem dat “hij ze kan ophalen”. [verdachte] zei ook dat de Heerlerbaan nog wat inpakdozen nodig heeft, want die zijn helemaal week.” Tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] , waarin [medeverdachte 1] tegen [verdachte] zegt dat “hij naar de Heerlerbaan moet nu, hij moet daar gaan uitzoeken”

Tussen haakjes staat achter de vindplaats van dit gesprek vermeld: ‘werkzaamheden in de plantage verricht’. Voor dit gesprek geldt daarom dat de rechtbank de inhoud heeft weergegeven door deze (zakelijk) samen te vatten.

4.8.5.

De slotsom is dat ten aanzien van twee tapgesprekken in strijd met art. 359 lid 3 Sv de (zakelijke) weergave van de redengevende feiten en omstandigheden ontbreken, te weten dat de verdachte regelmatig contact had met andere leden van de organisatie en dat hij sprak over aantallen stekken. Ook wat betreft de genoemde rol van verdachte ter zake feit 3 ben ik daarom van mening dat niet is voldaan aan de eis dat de redengevende feiten en omstandigheden waaraan de door de rechtbank getrokken conclusies zijn ontleend afdoende zijn weergegeven. Daardoor is de bewijsvoering niet inzichtelijk.

Het derde voorbeeld

4.9.

Het derde voorbeeld ziet op een bewijsoverweging met betrekking tot feit 4, de hennep(stekken)plantage aan de [c-straat 1] in Eijsden. Na de aangehaalde overweging, “Voorafgaand aan het binnenvallen van deze plantage vonden er meerdere telefoongesprekken tussen de verdachten plaats” wordt overwogen dat hieruit blijkt dat:

“ [verdachte] betrokken was, zo blijkt ook uit een uitgevoerde observatie, bij de hennepstekkenplantage. Hij verrichte samen met [betrokkene 3] werkzaamheden in de plantage en werd aangestuurd door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . 54

Voetnoot

54 Tapgesprek d.d. 29 oktober 2014, pagina 2534 en tapgesprek d.d. 12 november 2014, pagina 2564.”

4.9.6.

Aan het eind van deze overweging is de voetnoot 54 opgenomen waarin de vindplaatsen van twee tapgesprekken worden vermeld. Met de steller van het middel meen ik dat de rechtbank heeft nagelaten de redengevende feiten en omstandigheden weer te geven waaraan de genoemde conclusies zijn ontleend, waardoor niet kan worden nagegaan of het bewezenverklaarde volgt uit redengevende feiten en omstandigheden. Ook deze bewijsredenering voldoet daarom niet aan de regelen der kunst van de Promis-werkwijze.

4.9.7.

In de bewijsoverweging wordt voorts vermeld dat de betrokkenheid ook volgt uit een uitgevoerde observatie, terwijl in de voetnoot wordt volstaan met een verwijzing naar twee tapgesprekken. Daarover wordt in het derde middel terecht geklaagd. Met de steller van het middel meen ik dat is nagelaten het wettige bewijsmiddel aan te geven van de genoemde observatie.10 Ook deze klacht slaagt derhalve.

4.9.8.

In de toelichting op middel 3 wordt zijdelings opgemerkt dat ter zake feit 4 kennelijk per abuis in de tenlastelegging niet is opgenomen dat het feit tezamen en in vereniging is gepleegd. In het bevestigde vonnis is het onder 4 bewezenverklaarde, waarin geen sprake is van medeplegen, gekwalificeerd als “medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feitelijk betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”. Kennelijk is bij vergissing “medeplegen” toegevoegd aan de kwalificatie. De Hoge Raad kan, indien hij hieraan toekomt, deze kwalificatie in die zin verbeterd lezen.

Het vierde voorbeeld

4.10.

Het vierde voorbeeld ziet op een bewijsoverweging met betrekking tot feit 1, de deelname van de verdachte aan de criminele organisatie en die bewijsoverweging luidt als volgt:

“Zoals hiervoor overwogen, kan uit - met name - de tapgesprekken worden afgeleid dat [verdachte] werkzaamheden uitvoerde in opdracht van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] . Hij was veelal bezig met het opzetten en onderhouden van hennepkwekerijen.”

4.10.9.

Deze overweging, die een gevolgtrekking inhoudt, verwijst naar de daaraan voorafgaande overwegingen van de rechtbank in het vonnis te beginnen bij p. 10. Deze zal ik hierna mét voetnoten citeren:

“De criminele organisatie had het oogmerk op de hennepstekkenplantages op te zetten en te onderhouden en hennepstekken te verkopen.

[medeverdachte 3] en [betrokkene 1] waren de leidinggevenden binnen deze organisatie. Zij hadden dagelijks telefonisch en persoonlijk contact met elkaar en andere deelnemers van de organisatie. [medeverdachte 3] was het hoofd van de organisatie, [betrokkene 1] was zijn rechterhand en verving [medeverdachte 3] tijdens zijn afwezigheid. [betrokkene 1] hield zich meer met de financiën en de organisatie bezig. [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] gaven opdrachten en regelden de verkoop van hennepstekken.61 Zij betaalden loon en reiskosten uit aan deelnemers van de organisatie62 en onderhielden de contacten met klanten en ontvingen de bestelopdrachten.63 Op basis van deze bestelopdrachten gaven zij andere leden van de organisatie opdracht de bestellingen klaar te maken en te vervoeren.64 Ook andere leden van de organisatie hadden “eigen” klanten waaraan de hennepstekken die door de organisatie werden geteeld, werden verkocht. [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] werden om hulp gevraagd als er problemen waren en met hen werd contact gezocht als er aankopen van goederen om plantages in te richten moesten worden gedaan.65 [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] bepaalden de werktijden en inzetmomenten van andere leden van de organisatie.66 Zij financierden de hennepstekkenplantages ook mede.67

De organisatie beschikte over meerdere hennepstekkenplantages waarin stekken werden gekweekt en moederplanten aanwezig waren. Op die manier was gezorgd voor risicospreiding: als een plantage ontmanteld was, kon de organisatie - weliswaar met een lichte stagnatie - toch blijven leveren aan klanten.

Veel leden van de organisatie hadden een uitkering (Ziektewet- of Bijstandsuitkering) of hadden geen uitkering dan wel een andere legale inkomstenbron. Zij waren dagelijks voortdurend bezig met de werkzaamheden voor de organisatie.

[medeverdachte 1] was een belangrijke en onmisbare schakel binnen de organisatie. Hij vervoerde de hennepstekken, onderhield contacten met klanten en anderen leden van de organisatie en was een vertrouweling van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] .68

[betrokkene 2] woonde samen met een zus van [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] , [betrokkene 6] . Hij had eigen, meer zelfstandige hennepstekkenplantages, bijvoorbeeld de hennepstekkenplantage aan de [e-straat 1] in Spaubeek. De verkoop en het vervoer van de hennepstekken verliep echter via de organisatie.69

[betrokkene 4] ,70 [verdachte] ,71 [betrokkene 3] 72 en [medeverdachte 2] 73 voerden werkzaamheden uit in opdracht van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] . Zij waren veel bezig met het opzetten en onderhouden van de plantages en het klaarmaken van bestellingen hennepstekken. [medeverdachte 2] was ook betrokken bij een andere hennepstekkenplantage van [betrokkene 2] .

[betrokkene 5] ,74 de vrouw van [medeverdachte 3] , en [betrokkene 6] ,75 de vrouw van [betrokkene 2] , waren ook betrokken bij de organisatie. Zij gaven berichten door van en aan hun mannen voor wat betreft de zaken die de organisatie betroffen. [betrokkene 5] en [betrokkene 6] fungeerden als afhaaladres voor de hennepstekken die door hun klanten en/of leden van de organisatie waren besteld. [betrokkene 5] zorgde er ook voor dat de leden van de organisatie werden betaald en incasseerde geld van klanten. [betrokkene 6] verrichte werkzaamheden in de hennepstekkenplantage in haar woning.

Gelet op de rol die [verdachte] heeft gespeeld bij de uitvoering van de feiten 2 tot en met 4 en feit 5, waarbij hij gedurende bijna 3 maanden intensief heeft samengewerkt met [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [medeverdachte 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [medeverdachte 2] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] , acht de rechtbank ook feit 1 aanwezig. Zoals hiervoor overwogen, kan uit - met name - de tapgesprekken worden afgeleid dat [verdachte] werkzaamheden uitvoerde in opdracht van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] . Hij was veelal bezig met het opzetten en onderhouden van hennepkwekerijen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte in de periode van 15 september 2014 tot en met 9 december 2014 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

Voetnoten

61 Tapgesprekken d.d. 29 september 2014, pagina 252 tot en met 254.

62 Tapgesprek d.d. 3 oktober 2014, pagina 273, tapgesprek d.d. 4 oktober 2014, pagina’s 274 en 275, tapgesprek d.d. 10 oktober 2014, pagina 706 en tapgesprek d.d. 28 november 2014, pagina 887.

63 Tapgesprek d.d. 30 september 2014, pagina 256 en tapgesprek d.d. 16 oktober 2014, pagina 722.

64 Tapgesprek d.d. 3 november 2014, pagina 414 en tapgesprek d.d. 4 november 2014, pagina 419.

65 Tapgesprekken d.d. 25 september 2014, pagina’s 231 tot en met 239, tapgesprek d.d. 15 oktober 2014, pagina 364 en tapgesprek d.d. 22 oktober 2014, pagina 752.

66 Tapgesprek d.d. 15 oktober 2014, pagina 368, tapgesprek d.d. 30 oktober 2014, pagina’s 398 en 399, tapgesprek d.d. 13 november 2014, pagina 502, tapgesprek d.d. 20 oktober 2014, pagina 744 en tapgesprek d.d. 12 oktober 2014, pagina 841.

67 Tapgesprekken d.d. 1 oktober 2014, pagina’s 259 en 262.

68 Tapgesprekken d.d. 5 november 2014, pagina’s 432 en 437, tapgesprek d.d. 13 november 2014, pagina 492, tapgesprek d.d. 20 november 2014, pagina 551, tapgesprek d.d. 10 november 2014, pagina 1063 en tapgesprek d.d. 8 november 2014, pagina 1004.

69 Tapgesprek d.d. 15 oktober 2014, pagina 719, tapgesprek d.d. 25 september 2014, pagina 838, tapgesprek d.d. 5 oktober 2014, pagina 840, tapgesprek d.d. 12 oktober 2014, pagina 841, tapgesprek d.d. 14 oktober 2014, pagina 842, tapgesprek d.d. 4 november 2014, pagina 872, tapgesprek d.d. 1 december 2014, pagina 891, tapgesprek d.d. 28 november 2014, pagina 1166, tapgesprek d.d. 3 december 2014, pagina 1521 en tapgesprek d.d. 5 oktober 2014, pagina 1625.

70 Tapgesprek d.d. 5 december 2014, pagina 832, tapgesprek d.d. 6 december 2014, pagina 1408, tapgesprekken d.d. 5 december 2014, pagina’s 1533 en 1534 en tapgesprek d.d. 1 oktober 2014, pagina 1619.

71 Tapgesprek d.d. 18 november 2014, pagina 1108, tapgesprek d.d. 4 oktober 2014, pagina 1214, tapgesprek d.d. 6 oktober 2014, pagina 1215 en tapgesprek d.d. 26 september 2014, pagina 1257.

72 Tapgesprek d.d. 20 oktober 2014, pagina 743, tapgesprek d.d. 12 november 2014, pagina 806, tapgesprekken d.d. 11 november 2014, pagina’s 1073, 1075 en 1078, tapgesprek d.d. 17 november 2014, pagina 1303 en tapgesprek d.d. 24 november, pagina 1145.

73 Tapgesprekken d.d. 5 december 2014, pagina’s 670 tot en met 672, tapgesprek d.d. 28 november 2014, pagina 886, tapgesprek d.d. 1 december 2014, pagina 896, tapgesprek d.d. 4 december 2014, pagina 914 en tapgesprek d.d. 31 oktober 2014, pagina 1450.

74 Tapgesprek d.d. 3 oktober 2014, pagina 1258 ( [betrokkene 3] en [medeverdachte 1] komen voor het loon), tapgesprek d.d. 20 september 2014, pagina 1545, tapgesprek d.d. 21 september 2014, pagina 1547, tapgesprek d.d. 25 september 2014, pagina 1550 (net ergens ingebroken, deur moet dichtgehouden worden), tapgesprek d.d. 29 september 2014, pagina 1554 (vrouw aan de deur voor 800 stuks), tapgesprek d.d. 11 november 2014, pagina 1569 (inval geweest bij “ [betrokkene 10] ”, [medeverdachte 3] gaat kijken), tapgesprek d.d. 21 november 2014, pagina 1573 (komen flinkere jongens langs voor “die dozen”) en tapgesprek d.d. 16 oktober 20145, pagina 1578 (€ 500,- aan [betrokkene 13] geven).

75 Tapgesprekken d.d. 24 november 2014, pagina 568 (gesprek tussen [betrokkene 6] , [medeverdachte 3] en [betrokkene 2] over een levering van [betrokkene 2] en een “nieuwe kweek”), pagina 570 (betaling huur van een loods op naam van [betrokkene 2] ), tapgesprek d.d. 3 november 2014, pagina 799 (gesprek tussen [betrokkene 6] en [betrokkene 1] over baby’tjes, speciale of gewone), tapgesprek d.d. 3 november 2014, pagina 865 (gesprek tussen [betrokkene 6] en [betrokkene 2] over “Ammy’s” en “Santa’s), tapgesprekken d.d. 16 oktober 2014, pagina 1580 (gesprek tussen [betrokkene 6] en [medeverdachte 3] naar aanleiding van een hennepkwekerij die is opgerold), pagina 1582 (iedereen die zijn telefoonnummer op het alarmkastje heeft ingesteld, moet dat weggooien, omdat ze anders worden getraceerd) en tapgesprek d.d. 12 november 2014 (gesprek tussen [betrokkene 6] en [medeverdachte 3] , waarin [medeverdachte 3] vroeg of [betrokkene 2] nog een doosje heeft. Gesprek gaat ook over “pluggen”).”

4.10.10.

Ook ten aanzien van de bewijsmotivering van de criminele organisatie en de deelname van de verdachte hieraan ben ik van mening dat de klacht slaagt. De hiervoor geciteerde overwegingen van de rechtbank bevatten – uitgezonderd de voetnoten 74 en 75 over de rol van de vrouwen, de echtgenoten van [medeverdachte 3] en [betrokkene 2] , in de organisatie – geen zakelijke samenvatting van de tapgesprekken, maar bestaan uit gevolgtrekkingen terwijl de onderliggende redengevende feiten en omstandigheden waaraan die conclusies zijn ontleend niet zijn weergegeven. Daardoor kan niet worden nagegaan of het bewezenverklaarde uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Dat betekent dat het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank niet voldoet aan het wettelijk motiveringsvereiste.

4.10.11.

Het hof heeft dit motiveringsgebrek in zijn arrest ten aanzien van feit 1, de criminele organisatie mijns inziens niet gerepareerd. Ik geef hier voor het lezersgemak nogmaals de relevante overweging van het hof hierover weer:

“De werkzaamheden van de organisatie heeft de rechtbank uiteengezet in het vonnis, p. 10 tweede alinea tot en met pagina 12 eerste alinea en daarbij verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het procesdossier bevinden. Het hof neemt deze overwegingen en bewijsmiddelen over en voegt hieraan voor wat betreft het bewijs van de criminele organisatie (feit 1) alle bewijsmiddelen toe die door de rechtbank zijn genoemd bij de bespreking van de feiten 2 tot en met 4 en die zijn vermeld op de pagina’s 2 tot en met 9 (eerste twee alinea’s). Verder voegt het hof hieraan de volgende bewijsmiddelen toe.

Uit de selectie van de uitdraaien van de tapgesprekken die als bijlage zijn gevoegd bij het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 20142972, gesloten d.d. 17 maart 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 4388, de volgende weergave van de gesprekken:

Tapgesprek d.d. 26 september 2014, pagina 1210, tapgesprekken 3 oktober 2010, p. 1211 en 1212, tapgesprek 4 oktober 2014, p. 1212 en 1213, tapgesprekken 6 oktober 2014, p. 1215 en 1216, tapgesprek 6 oktober 2014, p. 1217, tapgesprek 12 oktober 2014, p. 1218, tapgesprekken 14 oktober 2014, p. 1219, 1220 en 1221, tapgesprek 15 oktober 2014, p. 1222, tapgesprek 15 oktober 2014, p. 1125, tapgesprek 16 oktober 2014, p. 1126, tapgesprek 18 november 2014, p. 1230, tapgesprek 21 november 2014, p. 1231, tapgesprek 26 november p. 1233, tapgesprek 28 november 2014, p. 1234, tapgesprek 2 december 2014, p. 1236, tapgesprek 14 oktober 2014, p. 1237 en 1238, tapgesprek 29 oktober 2014, p. 1239, tapgesprek 7 november 2014, p. 1240, tapgesprek 18 november 2014, p. 1241 en 1242., tapgesprek 26 november 2014, p. 1243 en 1244, tapgesprek 29 november 2014, p. 1245, tapgesprekken 5 december 2014, p. 1246, 1247 en 1248, tapgesprek 7 december 2014, p. 1249.”

4.10.12.

Het hof heeft dit onderdeel van zijn arrest aangevuld overeenkomstig art. 365a lid 2 Sv, hetgeen op zichzelf ook bij bevestiging van een Promis-uitspraak en het daarop wijzen van een verkort arrest is toegestaan.11 Daarbij heeft het hof echter een wat bijzondere werkwijze gehanteerd. Het hof heeft in de aanvulling op het arrest namelijk volstaan met de voeging van de gehele uitdraaien van de hiervoor geciteerde op p. 4 van het arrest opgesomde tapgesprekken en daarbij niet de redengevende inhoud van deze gesprekken, noch op welke onderdelen van de tenlastelegging deze betrekking hebben, in de aanvulling opgenomen c.q. aangeduid. Bovendien gaat het hierbij kennelijk om andere tapgesprekken dan die door de rechtbank zijn aangehaald. Sommige data van tapgesprekken komen wel overeen, maar bevatten een verwijzing naar andere pagina’s van het dossier. Dus de ontoereikende onderdelen van de bewijsvoering van de rechtbank zijn door het opnemen van andere tapgesprekken door het hof niet hersteld. De door het hof gehanteerde aanvullende bewijsvoering kan niet door de beugel en heeft het karakter van een hooiberg waarin naar de spreekwoordelijke naald gezocht moet worden. Voor het invullen van een dergelijk zoekplaatje leent zich de cassatieprocedure niet.12

4.11.

Afrondend kom ik tot de conclusie dat ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4 in het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank is verzuimd (afdoende) de onderliggende redengevende inhoud van de bewijsmiddelen op te nemen. Ten aanzien van deze feiten heeft de rechtbank voor het overgrote deel volstaan met gevolgtrekkingen, zonder een nadere aanduiding van de in de tapgesprekken gerelateerde feiten en omstandigheden, waaraan zij die gevolgtrekkingen heeft ontleend.13 Het gaat hierbij niet om ondergeschikte onderdelen van de bewezenverklaarde feiten, maar om belangrijke aspecten van de criminele organisatie en om de rol die juist de verdachte zou hebben vervuld bij de criminele organisatie en de onder 2 tot en met 4 tenlastegelegde feiten. Door de wijze van motiveren kan niet worden nagegaan of het bewezenverklaarde uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Voor de nadere bewijsoverwegingen van het hof, die betrekking hebben op het onder 1 bewezenverklaarde feit, de deelneming aan de criminele organisatie, geldt hetzelfde. Daarom meen ik dat de bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3 en 4 ontoereikend is gemotiveerd zodat het hof vonnis van de rechtbank in zoverre niet had mogen bevestigen zonder de gronden aan te vullen met de weergave van de redengevende inhoud van de genoemde bewijsmiddelen.

4.12.

Het tweede en het derde middel zijn gegrond.

5 Conclusie

5.1.

Het eerste middel faalt. Het tweede en derde middel slagen.

5.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen over de feiten 1, 2, 3 en 4 en de strafoplegging betreft, tot terugwijzing van de zaak naar het hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387, m. nt. Buruma.

2 HR 28 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3862.

3 HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387, m. nt. Buruma.

4 Zie bijvoorbeeld HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5628; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4443.

5 Vgl. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387 rov. 5.6.1.

6 Vgl. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387, rov. 5.5.2.

7 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2018, p. 179 en 180: ‘De eis dat een middel een stellige en duidelijke klacht dient te bevatten, impliceert tevens dat het middel te doorgronden moet zijn zonder dat andere stukken behoeven te worden geraadpleegd. Een grief die voor de Hoge Raad een zoekplaatje vormt, is immers niet een middel van cassatie dat de wetgever voor ogen had bij de hervorming van de cassatieprocedure in 2000”.

8 Zie ook HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387, waarin ten onrechte was volstaan met de overweging dat de verdachte en zijn medeverdachte op de hoogte waren van de aanwezigheid van hennepplanten in de woning zonder dat de onderliggende redengevende feiten en omstandigheden waaraan deze conclusie was ontleend, waren opgenomen. Zie ook HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9240, NJ 210/638, m.nt. Mevis en HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5628.

9 Voetnoot 38: tapgesprek d.d. 3 november 2014, p. 1882 en 1883.

10 Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4443.

11 Zie HR 28 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3862 en HR 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:684. Voor de volledigheid merk ik op dat tussen de gevoegde bijlagen ook de uitdraaien zitten van het tapgesprek 7 november 2014, p. 1240 en het tapgesprek 18 november 2014, p. 1241 en 124. Die tapgesprekken zijn (kennelijk) abusievelijk niet in de opgesomde lijst terechtgekomen zoals die in de aanvulling is weergegeven.

12 Zie voor een vergelijkbaar geval HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:252, met name de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt, ECLI:NL:PHR:2017:1545, onder kantlijnnummer 8-11.

13 HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5628.