Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:267

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-03-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
19/00978
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1443, Gevolgd
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Caribische zaak. IPR. Verzekeringsrecht. Doorwerking dwingende bepaling van Frans verzekeringsrecht op door recht van Sint Maarten beheerste verzekeringsovereenkomst?; voorrangsregel (‘derdelandsnorm’) in zin art. 7 lid 1 EVO? Toepasselijk recht verzekeringsovereenkomst (art. 4 lid 2 EVO); nauwste band (art. 4 lid 5 EVO); maatstaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/00978

Zitting 20 maart 2020

CONCLUSIE

P. Vlas

In de zaak

National General Insurance Co. N.V.,

gevestigd te Philipsburg, Sint Maarten,

(hierna: Nagico)

tegen

JLA Productions S.A., gevestigd te Saint Martin,

(hierna: JLA)

Deze Caribische zaak heeft betrekking op de vraag of een dwingende bepaling van Frans verzekeringsrecht, geldend in Saint Martin, door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het hof) kan worden beschouwd als een bepaling van bijzonder dwingend recht in de zin van art. 7 lid 1 van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: EVO)1 en daarmee het recht van Sint Maarten als toepasselijk recht op de verzekeringsovereenkomst kan doorkruisen. In het incidenteel cassatieberoep komt de vraag aan de orde of het hof de juiste maatstaf heeft aangelegd voor de bepaling van het toepasselijke recht op de verzekeringsovereenkomst.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan, kort samengevat, van de volgende feiten worden uitgegaan.2 De rechtsvoorganger van JLA (AB Television) heeft in 1998 via een tussenpersoon (Island Insurance) voor een bedrijfsauto een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten met Nagico. Daartoe heeft de rechtsvoorganger van JLA op 13 februari 1998 een zogenaamd ‘Proposal for motor vehicle insurance’ van Nagico ingevuld of laten invullen. Op dat formulier stond onder punt 14(b) vermeld ‘Maximum Liability NAF 90.000’.

1.2

Naar aanleiding van voornoemd proposal is een zogenaamd ‘Schedule attaching to and forming part of Policy no. V141993/98’ opgemaakt. Naast de reeds in het proposal opgenomen informatie wordt het volgende, voor zover hier van belang, vermeld:

‘Insurance provided: Third party (…)

Limits of liability

Limit of the amount of the Company’s liability under Section 1-3……………….……….….. $ 150.00

Limit of the amount of the Company’s liability under Section II-I (a) & 1 (b) in respect of any one claim or series of claims arising out of one event…………………………...…………… Fls. 90,000.00

Limit of the amount of the Company’s liability for medical Expenses under Section III in respect of any one person………………………………………………………………………………….… $ 250.00

(…)

Geographical area:……………………………...............………. St. Maarten/St. Martin/Anguilla BWI

1.3

Ten aanzien van de aansprakelijkheidsbeperking vermelden de polisvoorwaarden nog een onderscheid tussen deze beperking voor Sint Maarten enerzijds en Saint Martin anderzijds. Voor Sint Maarten is de aansprakelijkheidsbeperking gesteld op NAf 90.000 en voor Saint Martin op $ 4.500.000.3

1.4

De verzekeringsovereenkomst is op 7 januari 2000 overgenomen door JLA. Op 22 januari 2000 is een werknemer van JLA met de bedrijfsauto betrokken geweest bij een verkeersongeval in Saint Martin. Bij dit ongeval heeft een derde ernstig lichamelijk letsel opgelopen. Nagico heeft aan hem ter zake van de door hem geleden schade NAf 90.000 uitgekeerd.

1.5

De derde is een procedure gestart voor het Tribunal de Grande Instance de Basse Terre (Guadeloupe) tegen onder andere JLA en Nagico. In die procedure heeft het Tribunal bij vonnis van 15 september 2005 overwogen dat de dekkingslimiet van NAf 90.000 in de verzekeringsovereenkomst in strijd is met dwingend Frans recht en dat de dekkingsbeperking ongeldig is. Het Tribunal heeft vervolgens geoordeeld dat Nagico niet gerechtigd is om een beperking van haar dekking op te werpen, dat JLA wettelijk aansprakelijk is voor de door de derde geleden schade, dat JLA hem schadeloos moet stellen en dat JLA zich kan beroepen op haar hoedanigheid van verzekerde en op de bij Nagico afgesloten dekking voor schade berokkend aan derden. Het Tribunal heeft de totale schade van de derde vastgesteld op EUR 912.209,53 en heeft JLA en Nagico hoofdelijk veroordeeld om, rekening houdend met de vordering ter zake van de sociale voorzieningen (van in totaal EUR 498.709,53) en de reeds toegekende voorziening, aan de derde bij wijze van restantvergoeding een bedrag van EUR 403.500,- te betalen.

1.6

In hoger beroep heeft de Cour d’appel de Basse Terre (Guadeloupe) bij tussenarrest van 21 april 2008 onder meer overwogen dat de dekkingslimiet weliswaar geldig is naar Nederlands-Antilliaans recht, maar dat deze bepaling vanwege de dwingendrechtelijke bepalingen van de Franse Code des assurances buiten toepassing moet worden gelaten. Nagico kan daardoor ‘niet geldig een limiet van garantie opleggen aan (de derde) en aan de maatschappij AB Television met betrekking tot de vergoeding van lichamelijke schade’.

1.7

Bij eindarrest van 8 februari 2010 heeft de Cour d’appel de Basse Terre de uitspraak in eerste aanleg vernietigd en JLA en Nagico in solidum veroordeeld tot schadeloosstelling van de derde. De door JLA in vrijwaring jegens Nagico ingestelde vordering tot terugbetaling van de door JLA aan de derde betaalde bedragen is afgewezen. Voor het overige is de beslissing in eerste aanleg bekrachtigd. JLA heeft nadien Nagico gesommeerd het door haar aan de derde betaalde bedrag aan haar te voldoen. Nagico heeft aan die sommatie geen gehoor gegeven.

1.8

JLA heeft bij inleidend verzoekschrift van 31 maart 2014 het Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten (hierna: GEA) verzocht Nagico te veroordelen tot, kort gezegd, betaling van de geleden schade. Volgens JLA is Nagico krachtens de verzekeringsovereenkomst gehouden de schade aan JLA te vergoeden op grond van het voor erkenning vatbare arrest van de Cour d’appel de Basse Terre, waarin is overwogen dat de dekkingsbeperking niet geldt. Mocht de dekkingsbeperking wel gelden, dan dient als uitgangspunt de dekkingsbeperking van $ 4.500.000.

1.9

Bij vonnis van 21 juli 2015 heeft het GEA de vordering toegewezen. Het GEA heeft overwogen dat voor de vraag welke dekkingsbeperking geldt, beslissend is – wat tussen partijen op zichzelf ook niet in geschil is – waar het schadeveroorzakende feit zich heeft voorgedaan. Nu het schadeveroorzakende feit zich te Saint Martin heeft voorgedaan, geldt de dekkingsbeperking voor Saint Martin van $ 4.500.000. Het GEA heeft Nagico veroordeeld de door JLA geleden en te lijden schade voortvloeiende uit het verkeersongeval te vergoeden, verminderd met het eigen risico en tot een maximum van $ 4.500.000.

1.10

Nagico is bij het hof van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Het hof heeft bij tussenvonnis van 18 november 2016 Nagico toegelaten tot het leveren van tegenbewijs dat de door JLA overgelegde polisvoorwaarden van toepassing zijn op de verzekeringsovereenkomst. In het tussenvonnis van 17 november 2017 heeft het hof overwogen dat Nagico in dit tegenbewijs is geslaagd en dat als uitgangspunt de dekkingsbeperking van NAf 90.000 geldt en niet die van $ 4.500.000 (rov. 2.7). De verzekeringsovereenkomst is onderworpen aan het Franse verzekeringsrecht (rov. 2.9-2.10). Op grond van dit recht (art. R211-7 Code des assurances) geldt een verbod op de limitering van de aansprakelijkheid bij dekking van schade ten gevolge van lichamelijk letsel (rov. 2.11). Het opnemen van de desbetreffende dekkingsbeperking is nietig en deze nietigheid geldt ook in de wettelijke verhouding tussen JLA en Nagico. Het hof heeft het verbod op een dekkingsbeperking als een voorrangsregel bestempeld, ‘aan de inachtneming waarvan zoveel belang wordt gehecht voor de handhaving van de politieke, sociale of economische organisatie van het Franse deel van Sint Maarten, dat zij moet worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht welk recht overigens van toepassing is op de overeenkomst’ (rov. 2.12).

1.11

Het hof heeft in zijn eindvonnis van 16 november 20184 overwogen dat het arrest van de Cour d’appel van 8 februari 2010 niet kan worden erkend, maar dat het JLA vrij stond om op grond van art. 431 lid 2 Rv een nieuwe inhoudelijke beoordeling van het geschil te vragen (rov. 2.8). Volgens het hof moet eerst worden onderzocht welk recht op de onderhavige verzekeringsovereenkomst van toepassing is. Daarvoor moet, bij gebrek aan in Sint Maarten geldende regelgeving op dat gebied, worden aangesloten bij het EVO. Bij gebreke van rechtskeuze geldt dat de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden. De overeenkomst wordt vermoed het nauwst verbonden te zijn met het land waar de vennootschap die de kenmerkende prestatie moet verrichten haar hoofdverblijfplaats heeft (art. 4 lid 2 EVO). Het hof beschouwt het afdekken van het verzekerde risico als de kenmerkende prestatie. Nu het hoofdbestuur van Nagico in Sint Maarten is gevestigd, is op de verzekeringsovereenkomst het recht van Sint Maarten van toepassing (rov. 2.10-2.12).

1.12

Vervolgens gaat het hof in op art. 7 lid 1 EVO, waarin is bepaald dat gevolg kan worden toegekend aan de bepalingen van het recht van een ander land waarmee het geval nauw is verbonden, indien en voor zover deze bepalingen volgens het recht van dat land toepasselijk zijn, ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst (rov. 2.13). Volgens het hof lijdt het geen twijfel dat art. R211-7 Code des assurances een bepaling van dwingend recht is. Dat het gaat om een bepaling waaraan Frankrijk voor de handhaving van zijn politieke, sociale of economische organisatie zoveel belang hecht dat zij moet worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer valt ongeacht welk recht op de overeenkomst van toepassing is, kan evenmin in redelijkheid worden betwijfeld. Het hof gaat in op de beweegredenen van zowel de Franse als de Nederlandse wetgever om al dan niet een dekkingsbeperking toe te staan. Het hof concludeert dat een ernstige onevenwichtigheid in het Franse verzekeringsrecht over het onderwerp zou ontstaan, indien de keuze die de Sint Maartense wetgever hierin heeft gemaakt rechtstreeks zou doorwerken in de Franse rechtssfeer (rov. 2.15). Volgens het hof volgt hieruit dat art. R211-7 Code des assurances een bepaling van openbare orde is, waarvan de schending tot nietigheid leidt, zowel naar het recht van Sint Maarten als naar het (Franse) recht van Saint Martin (rov. 2.16).

1.13

De vraag of art. R211-7 Code des assurances van toepassing is op de rechtsverhouding tussen JLA en Nagico, beantwoordt het hof bevestigend. Aan de hand van de wettekst zelf kan worden bepaald dat de inhoud ervan is gericht op partijen die een verzekeringsovereenkomst sluiten. Dit past in het streven van de Franse wetgever om de benadeelde maximale bescherming te bieden door het verbod een zo breed mogelijk bereik te geven (rov. 2.17). Het hof heeft overwogen dat de dekkingsbeperking ook in de verhouding tussen Nagico en JLA ongeldig is en dat het GEA Nagico terecht heeft veroordeeld de door JLA aan het slachtoffer betaalde schade, verminderd met het eigen risico, te vergoeden (rov. 2.18).

1.14

Nagico heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het tussenvonnis van 17 november 2017 en het eindvonnis van 16 november 2018. JLA heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Nagico heeft daartegen verweer gevoerd. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, gevolgd door re- en dupliek.

2 Bespreking van het principaal cassatiemiddel

2.1

Het middel bestaat uit twee onderdelen, waarvan het eerste onderdeel is verdeeld in acht subonderdelen (a t/m h). Het tweede onderdeel bevat een voortbouwende klacht.

2.2

Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 2.9-2.12 van het tussenvonnis en rov. 2.13-2.18 van het eindvonnis. In de kern genomen klaagt het onderdeel over het oordeel van het hof dat, kort gezegd, de Franse bepaling (art. R211-7 Code des assurances) een voorrangsregel is die eveneens van toepassing is op de verhouding tussen Nagico en JLA, waardoor de dekkingsbeperking ongeldig is. Volgens het onderdeel is dit oordeel rechtens onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd.

2.3

Bij de bespreking van het onderdeel stel ik het volgende voorop. In cassatie is onbestreden het oordeel van het hof dat het recht dat op de verzekeringsovereenkomst van toepassing is, moet worden bepaald aan de hand van het EVO. Eveneens is onbestreden dat art. 7 lid 1 EVO geldt ten aanzien van het begrip ‘voorrangsregel’.

2.4

Art. 7 EVO luidt als volgt:

‘1. Bij de toepassing ingevolge dit Verdrag van het recht van een bepaald land kan gevolg worden toegekend aan de dwingende bepalingen van het recht van een ander land waarmede het geval nauw is verbonden, indien en voor zover deze bepalingen volgens het recht van dit laatstgenoemde land toepasselijk zijn, ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst. Bij de beslissing of aan deze dwingende bepalingen gevolg moet worden toegekend, wordt rekening gehouden met hun aard en strekking, alsmede met de gevolgen die uit de toepassing of niet-toepassing van deze bepalingen zouden voortvloeien.

2. Dit Verdrag laat de toepassing onverlet van de bepalingen van het recht van het land van de rechter die ongeacht het op de overeenkomst toepasselijke recht, het geval dwingend beheersen’.

2.5

Art. 7 EVO heeft betrekking op ‘bepalingen van bijzonder dwingend recht’, meestal aangeduid als voorrangsregels. Een voorrangsregel is een bepaling van ‘semipubliekrecht’, dat wil zeggen een bepaling die niet zuiver privaatrechtelijk van aard is en evenmin zuiver publiekrechtelijk.5 Een voorrangsregel krijgt in het internationaal privaatrecht een afzonderlijke behandeling en doorkruist het ‘gewone’ verwijzingssysteem. De toepassing van een voorrangsregel op het internationale geval hangt af van het eigen geldingsbereik van die regel (aangegeven door een al of niet geschreven ‘scope rule’) en niet van de uitkomst van de conflictregel die op de internationale rechtsverhouding moet worden toegepast. Een voorrangsregel kan van toepassing zijn, ongeacht het op een overeenkomst gekozen recht of het door de conflictregel aangewezen recht. Voorrangsregels kunnen worden onderverdeeld in voorrangsregels afkomstig: (i) uit het recht van de aangezochte rechter (lex fori), (ii) uit het recht dat de rechtsverhouding in materieel opzicht beheerst (lex causae), of (iii) uit het recht van derde landen (de ‘derdelandsnormen’), te weten uit het recht van een ander met het internationaal geval nauw verbonden land, niet zijnde de lex fori of de lex causae. In art. 7 EVO zijn de voorrangsregels uit de lex fori (art. 7 lid 2) en de derdelandsnormen (art. 7 lid 1 EVO) geregeld.

2.6

In de zaak die thans in cassatie aan de orde is, gaat het om de vraag of een bepaling van Frans recht geldend in Saint Martin, te weten art. R211-7 Code des assurances6 kan worden beschouwd als een derdelandsnorm, die van toepassing is ongeacht het op de verzekeringsovereenkomst toepasselijke recht van Sint Maarten. Daarbij komt het aan op de toepassing van art. 7 lid 1 EVO. Eerst moet worden vastgesteld of sprake is van een derdelandsnorm. Het moet gaan om een dwingende bepaling van het recht van een ander land waarmee het geval nauw verbonden is, die volgens het recht van dat land toepasselijk is. Vervolgens rijst de vraag welke gevolgen aan de toepassing van zo’n derdelandsnorm worden toegekend, waarbij rekening wordt gehouden met de aard en strekking van die dwingende bepaling, alsmede met de gevolgen die uit de toepassing of niet-toepassing van die bepaling zouden voortvloeien.

2.7

Art. 7 lid 1 EVO is min of meer ontleend aan het beroemde Alnati-arrest van de Hoge Raad.7 Het EVO bevat geen nadere omschrijving van het begrip ‘bepalingen van bijzonder dwingend recht’ of ‘voorrangsregels’. In de Verordening Rome I8 – de ‘opvolger’ van het EVO – is in art. 9 de positie van bepalingen van bijzonder dwingend recht geregeld en is in het eerste lid een omschrijving opgenomen:

‘1. Bepalingen van bijzonder dwingend recht zijn bepalingen aan de inachtneming waarvan een land zoveel belang hecht voor de handhaving van zijn openbare belangen zoals zijn politieke, sociale of economische organisatie, dat zij moet worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht welk recht overeenkomstig deze verordening overigens van toepassing is op de overeenkomst’.

Deze omschrijving is ontleend aan de omschrijving van dit begrip in het Arblade-arrest van het Hof van Justitie van de EU (HvJEU).9Het ligt voor de hand voor de uitleg van het begrip ‘bepalingen van bijzonder dwingend recht’ in art. 7 EVO eveneens uit te gaan van de begripsomschrijving in het Arblade-arrest.10

2.8

Art. 7 lid 1 EVO vereist dat het geval nauw is verbonden met het recht van het derde land. Voor het bepalen van de nauwe verbondenheid dient niet te worden gekeken naar de desbetreffende overeenkomst in zijn geheel. Volgens het Rapport Giuliano/Lagarde is een geval bijvoorbeeld nauw met een ander land verbonden, wanneer de overeenkomst aldaar ten uitvoer moet worden gelegd of wanneer een van de partijen in dat andere land zijn hoofdkantoor heeft.11

2.9

Ten aanzien van de vraag of de desbetreffende bepaling volgens het recht van het ‘derde land’ toepasselijk is, moet worden gekeken naar de reikwijdte van die bepaling. De geldingspretentie (de reikwijdte) van het buitenlandse voorschrift volgt uit een bij dat voorschrift behorende ‘scope rule’, die door de wetgever kan zijn opgesteld dan wel ongeschreven kan zijn op basis van de rechtspraak en de doctrine.12

2.10

Voor de vraag of en, zo ja, welke gevolgen moeten worden toegekend aan de derdelandsnorm, moet worden gekeken naar (i) de aard en strekking van de norm, alsmede (ii) de gevolgen die uit de toepassing of niet-toepassing van die bepalingen zouden voortvloeien. In het kader van de toets naar de aard en strekking van de voorrangsregel moet duidelijk zijn welk belang door de voorrangsregel wordt gediend. Ook moet vast komen te staan of dat belang beschermenswaardig is en of het voldoende zwaarwegend is om van de lex causae af te wijken.13

2.11

Na deze korte uiteenzetting keer ik terug naar onderdeel 1 van het principale middel.

2.12

Onderdeel 1.a betoogt dat het hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat het voor het toepassen van een buitenlandse voorrangsregel voldoende is dat naar de opvattingen en keuzes van de Franse wetgever de desbetreffende bepaling een voorrangsregel is, die moet worden toegepast ongeacht de lex causae. Volgens het onderdeel is ook vereist dat het met de buitenlandse voorrangsregel gediende belang en de wijze waarop die regel dat belang beoogt te dienen, in overeenstemming zijn met de lex fori. Ook moet de eis worden gesteld dat de gevolgen die uit het toepassen van de buitenlandse voorrangsregel voortvloeien, niet te zeer ingrijpend of zelfs onaanvaardbaar zijn voor het systeem van de lex fori en de lex causae. Onderdeel 1.b klaagt dat het hof het onderscheid tussen voorrangsregels van de lex fori en derdelandsnormen heeft miskend. Onderdeel 1.c bouwt op het voorafgaande voort met het betoog dat een buitenlandse voorrangsregel niet kan worden toegepast, indien deze regel onverenigbaar is met de lex causae en met de lex fori. In dat geval zouden er zwaarwegende redenen moeten zijn om toch de lex causae opzij te zetten, en die ontbreken. Ook onderdeel 1.d klaagt dat een buitenlandse voorrangsregel niet kan worden toegepast, wanneer de gevolgen daarvan zeer ingrijpend of zelfs onaanvaardbaar zijn. De toepassing van de Franse wetsbepaling zou ernstige consequenties zou hebben voor het premiestelsel op Sint Maarten. Onderdeel 1.f klaagt dat het hof niet motiveert waarom in dit geval bij de Franse wetsbepaling dermate grote Franse staatsbelangen betrokken zijn dat de Nederlandse rechter daarmee rekening moet houden.

2.13

Deze klachten kunnen gezamenlijk worden besproken. In cassatie is onbestreden het oordeel van het hof in rov. 2.15 van het eindvonnis dat art. R211-7 Code des assurances een bepaling van dwingend Frans recht is. Eveneens is onbestreden het oordeel van het hof dat naar Frans recht deze bepaling als voorrangsregel moet worden aangemerkt. De Franse rechter zal derhalve deze bepaling steeds van toepassing verklaren, ongeacht het op de verzekeringsovereenkomst toepasselijke recht. Daarmee is echter nog niet de vraag beantwoord of deze Franse bepaling ook kan worden aangemerkt als een derdelandsnorm in de zin van art. 7 lid 1 EVO, zodat de Nederlandse rechter daaraan gevolg kan toekennen ongeacht het op de overeenkomst toepasselijke recht. Het hof beantwoordt die vraag in rov. 2.17 bevestigend, omdat dit zou volgen uit de tekst van de Franse bepaling zelf en het verbod van dekkingsbeperking berust op de bescherming van de benadeelde en van de verzekerde. Het hof heeft hierbij het onderscheid tussen voorrangsregels van de lex fori en derdelandsnormen uit het oog verloren. Dat een bepaling van dwingend Frans recht een voorrangsregel naar dat recht is, wil nog niet zeggen dat die bepaling óók een derdelandsnorm in de zin van art. 7 lid 1 EVO is die dwingend moet worden toegepast ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst.

2.14

Art. 7 lid 1 EVO bevat geenszins een verplichting om derdelandsnormen toe te passen, maar bepaalt uitdrukkelijk dat de rechter gevolg kan toekennen aan dergelijke bepalingen.14 Uit de rechtspraak van het HvJEU volgt dat het begrip ‘bepalingen van bijzonder dwingend recht’ strikt moet worden uitgelegd.15 Zoals ik reeds heb vermeld, moet om vast te stellen of aan de derdelandsnorm gevolg kan worden toegekend, rekening worden gehouden met (i) de aard en strekking van die bepaling, alsmede met (ii) de gevolgen die uit de toepassing of de niet-toepassing daarvan zouden voortvloeien. Het hof heeft ten aanzien van beide vereisten overwogen dat de Franse bepaling erop is gericht de belangen van de benadeelden te beschermen door de beperking van de dekkingsgraad te verbieden. Het recht van Sint Maarten is ook gericht op bescherming van de belangen van de benadeelden, omdat, zoals het hof in rov. 2.15 van het eindvonnis heeft overwogen, de keuze is gemaakt ‘om een hogere dekkingsgraad te bewerkstelligen door lagere premies waarbij de beperking in de dekking voor lief is genomen’. Vervolgens heeft het hof overwogen dat een ernstige onevenwichtigheid in het Franse verzekeringsrecht zou ontstaan, indien de keuze die de wetgever van Sint Maarten heeft gemaakt rechtstreeks zou doorwerken in de Franse rechtssfeer. Ik meen dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door uitsluitend in zijn oordeel te betrekken de vraag wat de gevolgen zijn van de toepassing van het recht van Sint Maarten in de Franse rechtssfeer, maar niet wat de gevolgen zijn van de toepassing van het Franse recht in de rechtssfeer van Sint Maarten, nu het recht van Sint Maarten zowel de lex fori is als het recht dat de verzekeringsovereenkomst beheerst (de lex causae).16 Daarbij heeft het hof evenmin in de overwegingen betrokken de vraag of het te beschermen belang van de benadeelde voldoende zwaarwegend is om van het recht van Sint Maarten (als lex causae) af te wijken, nu ook dit recht de bescherming van de benadeelde en de verzekerde op het oog heeft, zij het dat deze bescherming op een andere wijze wordt gerealiseerd dan in het Franse recht. Gelet op het voorgaande, ben ik van mening dat de klachten terecht zijn voorgedragen en dat het oordeel van het hof niet in stand kan blijven.

2.15

Geheel ten overvloede behandel ik nog de resterende klachten van de onderdelen 1.e, 1.g en 1.h. Onderdeel 1.e klaagt dat het oordeel van het hof dat de Franse bepaling als derdelandsnorm moet worden toegepast onjuist is, omdat van die toepassing alleen sprake kan zijn indien de belangen die door de regel worden beschermd in het concrete geval bescherming behoeven. Nu deze regel alleen de belangen van de benadeelde beoogt te beschermen en deze benadeelde volledig is gecompenseerd, is van een benodigde beschermingsbehoefte geen sprake.

2.16

Het onderdeel faalt, omdat het uitgaat van een verkeerde lezing van het bestreden vonnis. Het hof heeft immers in rov. 2.17 van het eindvonnis overwogen dat de Franse bepaling ook van toepassing is op de verhouding Nagico en JLA.

2.17

Onderdeel 1.g klaagt dat het hof ten onrechte in rov. 2.16 van het eindarrest heeft overwogen dat de vraag of een derdelandsnorm moet worden toegepast, loopt via de band van de toetsing aan de Nederlandse openbare orde.

2.18

Anders dan het onderdeel betoogt, heeft het hof in rov. 2.16 niet overwogen dat de toepassing van de derdelandsnorm berust op een toepassing van het leerstuk van de openbare orde (in de internationaal-privaatrechtelijke betekenis). De klacht berust op een verkeerde lezing van de bestreden overweging en faalt.

2.19

Onderdeel 1.h behoeft bij gebrek aan belang geen behandeling, omdat geklaagd wordt over een overweging17 in het tussenvonnis van 17 november 2017 waarin het hof het Franse recht op de verzekeringsovereenkomst toepasselijk acht, terwijl het hof daarvan is teruggekomen in rov. 2.12 van het eindvonnis door het recht van Sint Maarten toepasselijk te achten.

2.20

Onderdeel 2 betreft een voortbouwende klacht en is gericht tegen rov. 2.19-2.22 en het dictum van het eindvonnis. Gelet op het slagen van verschillende klachten van onderdeel 1, slaagt ook onderdeel 2.

3 Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel

3.1

Het incidenteel cassatieberoep is ingesteld onder de voorwaarde dat het principaal cassatieberoep slaagt. Nu aan deze voorwaarde is voldaan, moet het incidentele cassatiemiddel worden besproken.

3.2

Het incidentele cassatiemiddel bestaat uit één onderdeel, waarin wordt geklaagd dat het hof in rov. 2.12 van het eindvonnis ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, tot het oordeel is gekomen dat het recht van Sint Maarten van toepassing is op de verzekeringsovereenkomst. Volgens het middel heeft het hof een onjuiste maatstaf gehanteerd, omdat het heeft miskend dat op grond van bijzondere omstandigheden de verzekeringsovereenkomst nauwer is verbonden met Saint Martin. Daartoe wijst het middel op de volgende omstandigheden: (i) de oorspronkelijke verzekeringnemer en de huidige verzekeringnemer zijn rechtspersonen naar Frans recht die hun hoofdvestiging in Frankrijk hebben, (ii) de verzekeringsovereenkomst is gesloten op grond van een in de Franse wet verplichte schadeverzekering, (iii) de verzekeringsovereenkomst is gesloten op Saint Martin via een nevenvestiging van Nagico, althans via een aldaar werkzame agent (Island Insurance), die het contract op Frans grondgebied heeft ondertekend, en (iv) het verzekerde voertuig reed op Saint Martin, het ongeval vond daar plaats en zowel het slachtoffer als de chauffeur hadden de Franse nationaliteit.

3.3

Bij de bespreking van het middel stel ik het volgende voorop. In cassatie is onbestreden de overweging van het hof dat voor het toepasselijke recht op de onderhavige overeenkomst aansluiting wordt gezocht bij het EVO (rov. 2.10). Nu van rechtskeuze in de overeenkomst (art. 3 EVO) geen sprake is, wordt de overeenkomst beheerst door art. 4 EVO. Volgens de eerste volzin van art. 4 lid 1 EVO wordt de overeenkomst, bij gebreke van rechtskeuze, beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden. De nauwste verbondenheid wordt uitgewerkt in een aantal vermoedens, neergelegd in art. 4 leden 2 tot en met 4. Het tweede lid van art. 4 EVO luidt als volgt:

‘2. Behoudens lid 5 wordt vermoed dat de overeenkomst het nauwst is verbonden met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats, of, wanneer het een vennootschap, vereniging of rechtspersoon betreft, haar hoofdbestuur heeft. Indien de overeenkomst evenwel in de uitoefening van het beroep of het bedrijf van deze partij werd gesloten, is dit het land waar zich haar hoofdvestiging bevindt of, indien de prestatie volgens de overeenkomst door een andere vestiging dan de hoofdvestiging moet worden verricht, het land waar zich deze andere vestiging bevindt’.

Het vijfde lid van art. 4 EVO bepaalt:

‘5. Lid 2 vindt geen toepassing indien niet kan worden vastgesteld welke de kenmerkende prestatie is. De vermoedens van lid 2, 3 en 4 gelden niet wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land’.

3.4

Het HvJEU heeft in een prejudiciële beslissing van 6 oktober 2009 uitleg gegeven aan de verhouding tussen het vermoeden van het tweede lid van art. 4 EVO en de aanknoping aan de nauwste band van het vijfde lid van art. 4 EVO.18 Het HvJEU heeft erop gewezen dat art. 4 lid 1 EVO het algemene beginsel vastlegt dat de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waarmee de overeenkomst het nauwst is verbonden en dat art. 4 in de leden 2 tot en met 4 ‘teneinde een hoog niveau van rechtszekerheid in contractuele verhoudingen te verzekeren’ een reeks criteria geeft op basis waarvan kan worden vermoed met welk land de overeenkomst het nauwst is verbonden (punten 54 en 55). Over de verhouding met het vijfde lid van art. 4 EVO heeft het HvJEU – onder verwijzing naar het Rapport Giuliano/Lagarde19– overwogen:

’59. Uit het rapport Giuliano en Lagarde vloeit aldus voort dat art. 4, lid 5, van het verdrag tot doel heeft tegenwicht te bieden aan het stelsel van vermoedens van dit artikel, door de vereisten van rechtszekerheid, waaraan art. 4, leden 2 tot en met 4, beantwoordt, en de noodzaak van een zekere soepelheid bij de bepaling van het recht dat daadwerkelijk de nauwste band met de betrokken overeenkomst heeft, met elkaar te verzoenen.

60. Aangezien het hoofddoel van art. 4 van het verdrag er immers in bestaat ervoor te zorgen dat op de overeenkomst het recht wordt toegepast van het land waarmee zij het nauwst is verbonden, moet art. 4, lid 5, in die zin worden uitgelegd dat het de rechter toestaat in alle situaties het criterium toe te passen waarmee het bestaan van dergelijke banden kan worden aangetoond, onder afwijking van de “vermoedens” indien deze niet het land aanwijzen waarmee de overeenkomst het nauwst is verbonden.

61. Derhalve moet worden vastgesteld of deze vermoedens enkel niet gelden wanneer zij geen reële aanknopingswaarde hebben dan wel ook reeds wanneer de rechter vaststelt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land.

62. Blijkens de letterlijke bewoordingen en het doel van art. 4 van het verdrag moet de rechter steeds op basis van die vermoedens, die beantwoorden aan het algemene vereiste van voorzienbaarheid van het recht en dus van rechtszekerheid in de contractuele verhoudingen, bepalen welk recht toepasselijk is.

63. Wanneer echter uit het geheel der omstandigheden duidelijk blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land dan de in art. 4, leden 2 tot en met 4, van het verdrag genoemde vermoedens, staat het aan die rechter om dat art. 4, leden 2 tot en met 4, buiten toepassing te laten.

64. (…) art. 4, lid 5, van het verdrag (moet) in die zin worden uitgelegd dat wanneer uit het geheel der omstandigheden duidelijk blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land dan het land dat wordt bepaald op basis van een van de criteria van art. 4, leden 2 tot en met 4, van het verdrag, de rechter die criteria buiten toepassing dient te laten en het recht dient toe te passen van het land waarmee de overeenkomst het nauwst is verbonden’.

3.5

Het hof heeft in rov. 2.12 van het eindvonnis het vermoeden van art. 4 lid 2 EVO toegepast en overwogen dat de verzekeringsovereenkomst wordt beheerst door het recht van Sint Maarten, omdat de kenmerkende prestatie (het afdekken van het verzekerde risico) wordt verricht door Nagico die haar hoofdbestuur op Sint Maarten heeft. Het hof heeft daaraan toegevoegd dat dit vermoeden opzij wordt gezet indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst nauwer verbonden is met een ander land, te weten met Saint Martin. Volgens het hof is dat niet het geval. Uit deze overweging volgt dat het hof de juiste maatstaf heeft gehanteerd. Het hof heeft immers art. 4 lid 2 EVO toegepast en overwogen dat er geen omstandigheden zijn die ertoe leiden dat de overeenkomst nauwer met Saint Martin zou zijn verbonden. De omstandigheden die JLA in het middel noemt, brengen niet mee dat de overeenkomst nauwer is verbonden met Saint Martin. Dat de verzekeringnemer in een ander land is gevestigd dan de verzekeraar (die de kenmerkende prestatie verricht), is geen reden om af te wijken van het vermoeden van art. 4 lid 2 EVO. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de overeenkomst is gesloten door een agent van Nagico en dat naar Frans recht een verplichting tot verzekering geldt. Ook kunnen de plaats waar het voertuig reed, de plaats van het ongeval en de omstandigheid dat bestuurder en slachtoffer de Franse nationaliteit bezitten, als louter toevallige omstandigheden worden aangemerkt die er niet toe leiden dat zij in het geheel der omstandigheden een nauwste band bewerkstelligen in de zin van art. 4 lid 5, tweede volzin, EVO. Wanneer dergelijke omstandigheden tot toepassing van een ander recht zouden leiden dan het recht dat op grond van art. 4 lid 2 EVO van toepassing is, zou daarmee de voorzienbaarheid van het recht en de rechtszekerheid in contractuele verhoudingen ernstig worden bedreigd. Het middel faalt derhalve.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden vonnissen en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Verdrag van 19 juni 1980, Trb. 1980, 156 (inwerkingtreding voor de Nederlandse Antillen op 24 mei 1993, Trb. 1993, 100).

2 Zie rov. 2.1-2.13 van het tussenvonnis van het hof van 18 november 2016.

3 Zie rov. 2.4 van het vonnis van het hof van 18 november 2016.

4 ECLI:NL:OGHACMB:2018:199, NJF 2019/110.

5 Zie hierover o.a. L. Strikwerda/S.J. Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, 2019, nr. 149-151; L. Strikwerda, De overeenkomst in het IPR, Praktijkreeks IPR, deel 11, 2015, nr. 246-253; Asser/Vonken 10-I 2018/589 e.v.; Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/931 e.v.

6 Art. R211-7 luidt als volgt: ‘L'assurance doit être souscrite sans limitation de somme en ce qui concerne les dommages corporels et pour une somme au moins égale à celle fixée par arrêté du ministre chargé de l'économie, laquelle ne pourra être inférieure à 1 million d'euros, par sinistre et quel que soit le nombre de victimes, en ce qui concerne les dommages aux biens’. Deze bepaling is ingevoerd bij decreet nr. 76-667 van 16 juli 1976.

7 HR 13 mei 1966, ECLI:NL:HR:1966:AB4654, NJ 1967/3, m.nt. L.J. Hijmans van den Bergh. Zie ook het Rapport Giuliano en Lagarde van 31 oktober 1980 betreffende het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, PbEG 1980, C 282/1, p. 26.

8 Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, PbEU 2008, L 177/6, met rectificatie in PbEU 2009, L 309/87.

9 HvJEG 23 november 1999, gevoegde zaken C-369/96 en C-376/96, ECLI:EU:C:1999:575, NJ 2000/251 (Arblade/Leloup). Zie ook Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/932.

10 Vgl. HvJEU 31 januari 2019, C-149/18, ECLI:EU:C:2019:84, NJ 2019/107 (Da Silva Martins/Dekra Claims), waarin het Hof heeft gewezen op het vereiste van coherentie bij de toepassing van het begrip ‘bepalingen van bijzonder dwingend recht’ in de Verordening Rome I en in de Verordening Rome II (nr. 864/2007) betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen.

11 Rapport Giuliano en Lagarde van 31 oktober 1980 betreffende het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, C 282/1, p. 27.

12 Zie ook Asser/Vonken 10-I 2018/595.

13 Zie ook C.G. van der Plas, Het leerstuk van de voorrangsregels gecodificeerd in boek 10: werking(ssfeer), NIPR 2010/3, p. 425.

14 Dat is overigens een verschil met het bekende obiter dictum van het Alnati-arrest, waarin de Hoge Raad overwoog dat de Nederlandse rechter onder omstandigheden rekening ‘behoort’ te houden met derdelandsnormen ‘en daarom aan de toepassing van die voorschriften voorrang moet geven’ boven het door partijen gekozen recht of het door de conflictregel bepaalde recht. Die dwingende toepassing werd in art. 7 lid 1 EVO afgezwakt, terwijl bovendien verdragsstaten zich het recht konden voorbehouden art. 7 lid 1 EVO niet toe te passen (zie art. 22 lid 1, onder a, EVO). Nederland heeft dit voorbehoud niet gemaakt en Frankrijk evenmin.

15 Zie HvJEU 17 oktober 2013, C-184/12, ECLI:EU:C:2013:663 (Unamar), punt 49; HvJEU 18 oktober 2016, C-135/15, ECLI:EU:C:2016:774, NJ 2018/205 (Griekenland/Nikiforidis), punt 44; HvJEU 31 januari 2019 (Da Silva Martins/Dekra Claims), punt 29, reeds aangehaald. Zie over het Unamar-arrest ook AA 2014, p. 466-475, m.nt. A.A.H. van Hoek.

16 Vgl. HR 12 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC2302, NJ 1980/526, m.nt. J.C. Schultsz (Surinaams deviezenrecht), waarin de Hoge Raad overwoog dat ‘(h)et aanzienlijke belang dat voor de Nederlandse Antillen is verbonden aan het ongestoorde verloop van het rechtsverkeer met betrekking tot onroerend goed op de Nederlandse Antillen, immers niet (toestaat) aldaar de door het Surinaamse recht voorgeschreven nietigheid van de koopovereenkomst te aanvaarden’. In deze zaak was het Nederlands-Antilliaanse recht zowel de lex fori als de lex causae.

17 Abusievelijk klaagt het onderdeel over rov. 2.9 van het tussenvonnis, terwijl uit het vervolg van de klacht blijkt dat rov. 2.10 is bedoeld.

18 HvJEG 6 oktober 2009, zaak C-133/08, ECLI:EU:C:2009:617, NJ 2010/168, m.nt. Th.M. de Boer (ICF/Balkenende). Deze beslissing is gewezen in antwoord op vragen gesteld door HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2726, NJ 2008/191.

19 Toelichtend Rapport, PbEG 1980, C 282/1.