Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:26

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-01-2020
Datum publicatie
15-01-2020
Zaaknummer
18/04546
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:396
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over bevoegdheid politierechter t.z.v. overtreding die o.g.v. art. 382 Sv tot competentie kantonrechter behoort i.g.v. verzoek verwijzing ex art. 349.2 Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04546

Zitting 14 januari 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

hierna: de verdachte

  1. De verdachte is bij arrest van 15 oktober 2018 door het Gerechtshof Den Haag (in de zaak met parketnummer 09-008142-18) wegens ‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ veroordeeld tot een geldboete van € 200,00 subsidiair 4 dagen hechtenis en (in de zaak met parketnummer 09-171013-17) wegens ‘handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ tot een geldboete van € 290,00 subsidiair 5 dagen hechtenis.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.P. van der Graaf en mr. L.C. de Lange, advocaten te Utrecht, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte althans op niet begrijpelijke gronden het verzoek van de verdediging tot terugwijzing van de zaak met parketnummer 09-171013-17 naar de kantonrechter heeft afgewezen.

  4. De zaken met parketnummers 09-008142-18 en 09-171013-17 zijn bij twee afzonderlijke dagvaardingen aangebracht tegen de terechtzitting van 12 februari 2018 van de politierechter in de rechtbank Den Haag. Een proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg ontbreekt.1 Bij de stukken van het geding bevindt zich wel een pleitnota voor de terechtzitting van de politierechter van 12 februari 2018. Deze pleitnota, die ook is gehecht aan de appelschriftuur van 6 maart 2018, houdt het volgende in:

‘4. De kantonrechter is op grond van artikel 382 Sv bevoegd om kennis te nemen van overtredingen. Voor zover sprake is van een tenlastelegging waarop (primair) een misdrijf ten laste is gelegd, dan is de politierechter of de meervoudige kamer ook bevoegd om kennis te nemen van een dergelijk feit.

5. In de onderhavige zaak is echter geen sprake van één dagvaarding en één tenlastelegging, maar twee. Bovendien is er geen enkel samenhang tussen de aan cliënt ten laste gelegde feiten te bespeuren. Het is voor cliënt thans dan ook een raadsel waarom hij voor een overtreding wordt gedagvaard voor de Politierechter in plaats van de Kantonrechter. Cliënt stelt zich op het standpunt dat de Kantonrechter op grond van artikel 382 Sv bevoegd is om van de overtreding van de WWM kennis te nemen. Derhalve verzoekt cliënt u in die zaak uzelf onbevoegd te verklaren.

6. Subsidiair verzoekt cliënt u de zaak op grond van artikel 349 lid 2 Sv te verwijzen naar de kantonrechter. De zaak hoort immers op grond van artikel 382 Sv door de Kantonrechter te worden behandeld. Cliënt heeft er belang bij dat de zaak door de kantonrechter wordt behandeld. Mocht het tot een bewezenverklaring komen, dan geldt dat een veroordeling van de Kantonrechter minder zwaar weegt dan een veroordeling door een Politierechter. De belangen van de samenleving bij een afwikkeling van deze zaak op deze zitting wegen volgens cliënt minder zwaar.’

5. Blijkens de aantekening als bedoeld in art. 378a Sv van het mondeling vonnis zijn beide zaken ter terechtzitting gevoegd. De politierechter heeft de verdachte bij mondeling vonnis van 12 februari 2018 voor beide feiten veroordeeld.

6. De appelschriftuur maakt duidelijk dat aan het in eerste aanleg gevoerde verweer wordt vastgehouden. Het hoger beroep richt zich blijkens de schriftuur in het bijzonder tegen (onder meer) de ‘beslissing van de Politierechter om zich in de zaak met parketnummer 09/171013-17 bevoegd te verklaren en de zaak niet te verwijzen naar de Kantonrechter.’

7. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep houdt inzake dit verweer het volgende in:

‘De verdachte wordt onmiddellijk na het voordragen van de zaak in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.

Voor de reden van het hoger beroep verwijst de verdachte naar het door zijn raadsvrouw ingediende appelschriftuur van 6 maart 2018 (de bevoegdverklaring van de politierechter en de bewezenverklaring).

(…)

De raadsvrouw voert het woord tot verdediging en verzoekt in de zaak met parketnummer 09-171013-17 primair om verwijzing van de zaak naar de kantonrechter. Volgens de raadsvrouw is de politierechter niet bevoegd geweest om deze zaak te behandelen aangezien het een overtreding betreft. Voorts valt volgens de raadsvrouw een eventuele veroordeling door een kantonrechter, mede gelet op de vermelding daarvan op het strafblad van de verdachte, te verkiezen boven een veroordeling door de politierechter.

(…)

De advocaat-generaal heeft zich niet verzet tegen het verzoek om verwijzing.’

8. Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen:

Verzoek om verwijzing

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep in de zaak met parketnummer 09-171013-17 primair om verwijzing verzocht naar de kantonrechter. De politierechter zou niet bevoegd zijn geweest om deze zaak te behandelen aangezien het een overtreding betreft.

De advocaat-generaal heeft zich niet verzet tegen het verzoek om verwijzing.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De dagvaarding met parketnummer 09-171013-17 bevat één ten laste gelegd feit, welk feit een overtreding is. Een overtreding moet ingevolge artikel 382 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) voor de kantonrechter worden vervolgd. De dagvaarding was echter aangebracht bij de politierechter.

Artikel 349 lid 2 Sv bepaalt dat in een dergelijke omstandigheid de politierechter het feit op verzoek van de verdachte of ambtshalve “kan” verwijzen naar de kantonrechter. De politierechter heeft derhalve een discretionaire bevoegdheid en is niet verplicht om tot verwijzing over te gaan.

Het hof is van oordeel dat er onvoldoende termen aanwezig zijn om terug te wijzen naar de kantonrechter, nu er geen andere argumenten door de verdediging zijn aangevoerd dan dat een eventuele veroordeling door een kantonrechter, mede gelet op de vermelding daarvan op het strafblad van de verdachte, te verkiezen valt boven een veroordeling door de politierechter.’

9. De stellers van het middel menen dat het hof er in zijn motivering aan voorbijgaat ‘dat de verwijzingsmogelijkheid zoals omschreven in artikel 349 lid 2 bedoeld is voor de cumulatieve tenlastelegging dan wel de samengestelde tenlastelegging, maar uitdrukkelijk niet voor een enkelvoudige tenlastelegging waarvan hier sprake is’. Het begrip ‘kan’ in art. 349, tweede lid, Sv zou geen discretionaire bevoegdheid geven aan de rechter om al dan niet tot verwijzing over te gaan, maar de mogelijkheid bieden tot verwijzing naar de kantonrechter in plaats van een onbevoegdverklaring. In verband met het belang van de verdachte wordt aangevoerd dat ‘een veroordeling bij een kantonrechter aanzienlijk minder zwaar weegt bij de beoordeling of een veroordeelde in aanmerking komt voor een VOG.’

10. In het Wetboek van Strafvordering zoals dat in 1926 is ingevoerd, luidde art. 349 Sv – dat ingevolge art. 367 Sv van overeenkomstige toepassing was en is op het rechtsgeding voor de politierechter – als volgt:

‘(1.) Indien het onderzoek in het voorgaande artikel bedoeld, daartoe aanleiding geeft, spreekt de rechtbank uit de nietigheid der dagvaarding, hare onbevoegdheid, de niet-ontvankelijkheid van den officier van justitie of de schorsing der vervolging.

(2.) Niettemin wordt eene onbevoegdverklaring niet uitgesproken, indien het feit tot de kennisneming van den kantonrechter behoort en de verdachte daarop geen beroep heeft gedaan.’

11. Blok en Besier merkten over deze bepaling onder meer op:

‘Het tweede lid bevat eene uitzondering ten aanzien van de onbevoegdverklaring. Deze wordt niet uitgesproken, indien het te laste gelegde feit tot de kennisneming van den Kantonrechter behoort en de verdachte hierop geen beroep heeft gedaan. Beide partijen blijken dan, het O. M. door de dagvaarding, de verdachte door zijn stilzwijgen, het er over eens te zijn, de zaak aan de kennisneming der Rechtbank, (die, is de zaak daarvoor vatbaar, ook in hooger beroep zou beslissen) te onderwerpen. De beleedigde partij, zoo die zich in het geding mocht hebben gevoegd, kan hiervan echter niet het voordeel trekken, dat hare vordering nu tot een hooger bedrag toewijsbaar zou zijn (art. 337, laatste lid).’2

12. Blok en Besier gaven daarmee in een tussenzin aan wat zich in die tijd verzette tegen een regeling die de rechtbank de bevoegdheid zou geven overtredingen ook tegen de zin van de verdachte mee te nemen. De verdachte verloor een instantie als de overtreding – samen met misdrijven – meteen aan de rechtbank werd voorgelegd.3

13. Art. 349, tweede lid, Sv is in de jaren ’50 gewijzigd.4 Het kwam daardoor als volgt te luiden:

‘Niettemin wordt een onbevoegdverklaring niet uitgesproken indien het feit tot de kennisneming van de kantonrechter behoort en de verdachte daarop geen beroep heeft gedaan; zodanig beroep komt de verdachte niet toe, indien primair een feit is te laste gelegd, dat tot de kennisneming van de rechtbank behoort, en subsidiair een feit, waarvan de kantonrechter kennis neemt.’

14. Deze wijziging is in de memorie van toelichting destijds als volgt toegelicht:5

‘Het komt herhaaldelijk voor dat de officier van justitie primair een misdrijf en subsidiair een overtreding te laste legt. (…) Volgt een veroordeling wegens het misdrijf niet (…), dan kan in ieder geval een veroordeling wegens de verkeersovertreding volgen.

De rechtbank is hierin niet geheel vrij. Zij kan van een overtreding, die immers volgens artikel 44 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie, indien niet anders is bepaald, tot de compententie van de kantonrechter behoort, slechts kennisnemen, zegt artikel 349, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, indien de verdachte geen beroep op de onbevoegdheid van de rechtbank heeft gedaan. Doet de verdachte een dergelijk beroep wel, dan moet de rechtbank zich onbevoegd verklaren ten aanzien van de subsidiair te laste gelegde overtreding.

Kan in dit laatste geval de zaak nu opnieuw en ditmaal bij de kantonrechter aanhangig worden gemaakt? Bij arrest van de Hoge Raad van 13 april 1954 (N.J. 1954, no. 369) is beslist, dat artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht zulks niet toelaat, indien primair overtreding van artikel 36 Wegenverkeerswet en subsidiair van artikel 25 van het Wegenverkeersreglement is te laste gelegd.

Deze jurisprudentie (zie ook arrest van de H.R. van 27 maart 1956, N.J. 1956, no. 314) betekent, dat in geval van subsidiaire telastelegging van een overtreding naast de primaire van een misdrijf, de verdachte die geen beroep op de onbevoegdheid van de rechtbank heeft gedaan, wel en de verdachte, die zich op die onbevoegdheid beroepen heeft, niet wegens de overtreding veroordeeld kan worden. De Hoge Raad ziet het ongewenste van deze situatie in, doch is van oordeel, dat hier het woord aan de wetgever is.

De wetgever, thans aan het woord, kan bepalen, dat ingeval een verdachte zich op de onbevoegdheid van de rechtbank beroepen heeft, artikel 68 met de regel „ne bis in idem" van het Wetboek van Strafrecht buiten werking blijft, wanneer een subsidiair te laste gelegde overtreding opnieuw en thans bij de kantonrechter wordt aangebracht. Hij zou daarmede de suggestie volgen, in de noot onder het geciteerde arrest gedaan. Maar dit stelsel gaat, naar de ondergetekende meent, te ver. (…)

Een andere oplossing kan deze bezwaren ondervangen. Men kan, gelijk in het onderhavige ontwerp geschiedt, bepalen dat de rechtbank bevoegd is om over een subsidiair, naast een misdrijf te laste gelegde overtreding te oordelen, zonder dat de verdachte het recht heeft zich op de onbevoegdheid van de rechtbank te beroepen.

Dit stelsel kan des te gereder worden gevolgd, omdat het vaste jurisprudentie is, dat in geval van een primaire en subsidiaire telastelegging ook hoger beroep openstaat, indien de rechtbank het primair te laste gelegde misdrijf niet en de subsidiair te laste gelegde overtreding wel bewezen verklaard heeft: door het voorgestelde wordt de betrokkenen dus geen instantie ontnomen.’

15. Art. 349, tweede lid, Sv is laatstelijk gewijzigd door de Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie.6 Het artikellid luidt sindsdien als volgt:

‘2. Indien een feit dat ingevolge artikel 382 voor de kantonrechter moet worden vervolgd, bij een andere kamer van de rechtbank aanhangig is gemaakt, kan het feit op verzoek van de verdachte of ambtshalve worden verwezen naar de kantonrechter. Zodanige verwijzing is niet mogelijk, indien primair een feit is ten laste gelegd dat ingevolge artikel 382 niet voor de kantonrechter wordt vervolgd.’7

16. Deze wijziging hing samen met de integratie van de kantongerechten in de rechtbanken door de Wet organisatie en bestuur gerechten.8 Deze wet bepaalde dat tot de rechterlijke macht de volgende gerechten behoorden: a. de rechtbanken; b. de gerechtshoven; en c. de Hoge Raad (art. 2 RO). De rechtbanken nemen ingevolge deze wet in eerste aanleg kennis van alle strafzaken, behoudens bij de wet bepaalde uitzonderingen (art. 45, eerste lid, RO). De Wet organisatie en bestuur gerechten regelde voorts dat er een ‘sector kanton (is) waarbinnen in enkelvoudige kamers kantonzaken worden behandeld en beslist’ (art. 47, eerste lid, RO). De competentie van de kantonrechter in strafzaken werd door de Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie geregeld in art. 382 Sv. Voor de kantonrechter ‘worden vervolgd, rechtsgedingen inzake: a. misdrijven, bedoeld in artikel 314 van het Wetboek van Strafrecht, voorzover de verdachte op het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt; b. overtredingen’ (behoudens nader omschreven uitzonderingen). Anders dan voorheen gaat het niet om een afgrenzing van de competentie van de kantonrechter tegenover die van de rechtbank, maar om een afgrenzing van de competentie van de kantonrechter als een kamer (aanvankelijk ook sector) binnen de rechtbank. De Wet organisatie en bestuur gerechten heeft de bevoegdheid van de politierechter, binnen de rechtbank, echter wel vormgegeven als complementair aan die van de kantonrechter. Art. 51 RO bepaalde dat het bestuur (van de rechtbank) voor het behandelen en beslissen van strafzaken in eerste aanleg, niet zijnde kantonzaken als bedoeld in artikel 47, eerste lid, enkelvoudige kamers vormt en dat degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer als bedoeld in het eerste lid de titel draagt van politierechter. Anders dan voorheen sloot de wet voortaan echter niet meer uit dat de meervoudige kamer van de rechtbank overtredingen berechtte die ingevolge art. 382 Sv ook door de kantonrechter berecht hadden kunnen worden.

17. De Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie paste (daarop aansluitend) de regeling van het hoger beroep aan. Art. 404, tweede lid, Sv, bepaalt sindsdien dat tegen vonnissen betreffende overtredingen, door de rechtbank gegeven, hoger beroep openstaat behoudens in het geval (kort gezegd) geen straf of maatregel is opgelegd dan wel een geldboete van maximaal vijftig euro. Daarbij gold ingevolge het derde lid gedurende korte tijd een bijzondere regeling voor het geval ‘de kantonrechter van de rechtbank de einduitspraak heeft gegeven’. In dat geval stond aanvankelijk hoger beroep open indien de geldboete(s) een bedrag van vijfentwintig euro te boven ging(en). Deze bijzondere regeling werd evenwel al na een jaar afgeschaft.9 Sindsdien doet niet ter zake of het vonnis door de kantonrechter, de politierechter of de meervoudige kamer is gewezen. De omstandigheid dat een overtreding door de meervoudige kamer van de rechtbank is berecht brengt derhalve niet mee dat voor de verdachte een instantie verloren gaat.

18. Nadien is art. 47 RO nog aangepast. Ingevolge de Wet herziening gerechtelijke kaart schrijft het artikel nu voor dat het bestuur (van de rechtbank) ‘voor het behandelen en beslissen van kantonzaken enkelvoudige kamers’ vormt en de bezetting daarvan bepaalt.10 Achtergrond van deze wijziging is dat de kantonrechtspraak door deze wet anders is geregeld. De wetgever schafte de ‘verplichting om bij de rechtbanken een sector kanton te hebben’ af.11

19. In verband met de onderhavige strafzaak verdient het huidige art. 51 RO nog de aandacht. Dat artikel was in het wetsvoorstel dat tot de Wet organisatie en bestuur gerechten leidde genummerd als art. 2.3.3.2.12 In de artikelsgewijze toelichting op dat artikel is terug te vinden waarom daarin de kantonzaken zijn uitgezonderd: ‘In navolging van het advies van de NVvR is de redactie van dit artikel gewijzigd. Door de invoeging van de zinsnede «niet zijnde kantonzaken als bedoeld in artikel 2.3.2.1» na «strafzaken in eerste aanleg» wordt voorkomen dat een rechter zowel de titel van politierechter heeft als de titel van kantonrechter.’13 De vraag kan worden gesteld of de wetgever in de Wet herziening gerechtelijke kaart in art. 51 RO niet beter de uitzondering van kantonzaken had kunnen schrappen: de gedachte dat diende te worden voorkomen dat een rechter zowel politierechter als kantonrechter was, werd door de afschaffing van de sector kanton verlaten.

20. Het is, bij de huidige stand van zaken, niet meteen duidelijk hoe art. 349, tweede lid, Sv moet worden begrepen. Knigge heeft verdedigd dat de onbevoegdverklaring plaats heeft gemaakt voor een verwijzingsregeling (citaat met weglating van een voetnoot):14

‘Vóór 2002 schreef art. 349 lid 2 Sv voor dat de rechtbank haar onbevoegdheid diende uit te spreken als de verdachte daarop een beroep deed. Waarom de onbevoegdverklaring plaats heeft gemaakt voor de verwijzing, wordt uit de wetsgeschiedenis niet duidelijk. Misschien is de gedachte geweest dat nu niet de rechtbank zelf onbevoegd is (maar alleen de desbetreffende kamer), voor een onbevoegdverklaring geen plaats is. Dat roept de vraag op wat rechtens is als een misdrijf bij de kantonrechter wordt aangebracht dat niet tot zijn competentie behoort. Geldt dan ook dat die onbevoegdheid zich oplost in een interne verwijzing?’

21. Cleiren lijkt ervan uit te gaan dat onbevoegdverklaring door politierechter en meervoudige kamer nog steeds in de rede ligt (in het geval alleen een overtreding ten laste is gelegd), maar dat verwijzen de mogelijkheid biedt aan onbevoegdverklaring te ontkomen:15

‘De eerste volzin van lid 2 is bedoeld voor een cumulatieve tenlastelegging waarbij zowel een misdrijf als een overtreding ten laste wordt gelegd. Als deze zaak wordt aangebracht bij de politierechter (of de meervoudige kamer), schept de eerste volzin de mogelijkheid – zij het impliciet – dat deze rechter ook de overtreding behandelt. Wel wordt de mogelijkheid opengelaten dat de politierechter/meervoudige kamer ambtshalve of op verzoek van verdachte de overtreding niet zelf afdoet, maar die naar de kantonrechter verwijst. Hoewel de verwijzingsmogelijkheid bedoeld is voor de cumulatieve tenlastelegging, is die ook van toepassing als het OM per ongeluk een overtreding aanhangig maakt bij de meervoudige kamer of de politierechter. Dan hoeven die rechters zich niet onbevoegd te verklaren, maar mogen zij de zaak naar de kantonrechter verwijzen.’

22. Van Woensel komt, op basis van een wat andere argumentatie, tot een standpunt dat in de buurt ligt van dat van Knigge (citaat met weglating van voetnoten):16

‘Opvallend is dat de rechtbank niet verplicht is tot verwijzing, ook al is daar door de verdachte om gevraagd. Het woord 'kan' in artikel 349 tweede lid Sv duidt op een discretionaire bevoegdheid van de rechtbank in dezen. Naar oud recht zou niet-verwijzing hebben geleid tot verlies van een instantie tegen de wil van de verdachte doordat het aan zich houden van de zaak door de rechtbank meebracht dat ter zake van het kantonrechterfeit geen hoger beroep open stond, behalve als het ging om een subsidiaire tenlastelegging. Naar huidig recht maakt de kantonrechter deel uit van de rechtbank en zal de appellabiliteit slechts (moeten) worden beoordeeld naar de maatstaven van artikel 404 Sv. (…)

Opvallend is dat in artikel 349 tweede lid eerste volzin Sv, anders dan in de voorheen geldende bepaling, niet wordt gesproken van een samengestelde tenlastelegging. Derhalve kan ook in het geval dat een enkele - tot de bevoegdheid van de kantonrechter behorende - overtreding aan de meervoudige kamer of aan de politierechter wordt voorgelegd, van verwijzing naar de kantonrechter worden afgezien. Een voorbeeld daarvan is te vinden in HR 9 december 2003, NJ 2004, 153, in welke zaak de meervoudige economische kamer van de rechtbank oordeelde dat het ten laste gelegde feit - huishoudelijke afvalstoffen aanbieden aan de inzameldienst op een niet toegestane dag - een overtreding behelsde ter zake waarvan de kantonrechter bevoegd was. Verwijzing naar de kantonrechter op de voet van artikel 349 tweede lid Sv bleef evenwel achterwege om proceseconomische redenen. De Hoge Raad was daarentegen van oordeel dat het feit in casu een economisch delict betrof, ter zake waarvan de economische kamer van de rechtbank bevoegd was. Maar nu de rechtbank de zaak aan zich had gehouden, vond de Hoge Raad het niet nodig te casseren en werd volstaan met verbetering van de kwalificatie. De zaak tegen de verdachte was dus slechts door één feitelijke instantie berecht. Nu evenwel het economische delict in kwestie een overtreding was en de rechtbank, artikel 9a Sr had toegepast, had geen hoger beroep opengestaan tegen het vonnis van de rechtbank, zodat het onjuiste oordeel van de rechtbank over de bevoegdheid van de kantonrechter geen gevolgen had. Indien de rechtbank niet had volstaan met toepassing van artikel 9a Sr of een andere straf had opgelegd dan een geldboete van maximaal € 50, had de Hoge Raad het ingestelde cassatieberoep moeten opvatten als hoger beroep en de zaak moeten doorsturen naar het bevoegde gerechtshof.

In de praktijk zal het verschil tussen de oude en de nieuwe bepaling weinig consequenties hebben, omdat de exceptie van artikel 349 tweede lid (oud) Sv zelden werd ingeroepen. De redenen daarvoor zijn dat een gesplitste behandeling van met elkaar samenhangende delicten erg inefficiënt is en dat een afzonderlijke behandeling voor de kantonrechter van de overtreding in het algemeen onaantrekkelijk is voor de verdachte vanwege het feit dat hij dan tweemaal terecht moet staan en hij het risico loopt per saldo zwaarder te worden gestraft dan bij een gelijktijdige afdoening van de beide delicten. Redenen die zouden nopen tot verwijzing naar de kantonrechter zullen zich niet snel voordoen.’

23. In het door Van Woensel genoemde HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7086, NJ 2004/153 had de Economische Kamer van de Rechtbank Dordrecht de verdachte strafbaar verklaard ter zake van ‘overtreding van artikel 15 van de Afvalstoffenverordening Dordrecht 1994, strafbaar gesteld bij artikel 44 van de verordening’ doch bepaald dat ter zake geen straf of maatregel werd opgelegd. Ten aanzien van haar bevoegdheid had de rechtbank overwogen dat het ten laste gelegde feit geen economisch delict was maar behoorde tot de bevoegdheid van de kantonrechter. Om ‘proceseconomische redenen’ verwees de rechtbank de zaak evenwel niet op de voet van artikel 349, tweede lid, eerste volzin, Sv, maar deed zij de zaak zelf af. Uw Raad stelde vast dat het wel om een economisch delict ging, en dat de economische kamer derhalve wel bevoegd was. Daarmee kan uit dit arrest niet worden afgeleid, zoals Van Woensel lijkt te veronderstellen, dat bij tenlastelegging van alleen een kantonrechterovertreding door een andere kamer van de rechtbank van verwijzing naar de kantonrechter kan worden afgezien.

24. Borgers en Kooijmans gaan, als ik het goed zie, van hetzelfde standpunt uit als Van Woensel (citaat met weglating van een voetnoot):17

‘Materieel is de absolute competentie van de niet als kantonrechter optredende rechtbanken in eerste aanleg uitgebreid door art. 349 lid 2 Sv. Dit voorschrift laat toe dat een feit dat tot de absolute competentie van de kantonrechter behoort, door de niet als kantonrechter optredende rechtbank wordt berecht, een geval van zogeheten prorogatie van rechtspraak. De niet als kantonrechter optredende rechtbank kan op verzoek van de verdachte of ambtshalve de zaak verwijzen naar de kantonrechter. Maar een dergelijke verwijzing blijft achterwege, indien er primair een feit is ten laste gelegd dat tot de absolute competentie van de niet als kantonrechter optredende rechtbank behoort en subsidiair een feit waarvan de kantonrechter kennisneemt.’

25. De voorstellen voor een nieuw Wetboek van Strafvordering maken duidelijk dat er plannen bestaan om de verhouding tussen de kamers van de rechtbank anders vorm te geven.18 In het concept van Boek 1 is Hoofdstuk 2 gewijd aan de behandeling van zaken door de rechter. Concept-art. 1.2.1.5 stelt voorop dat de behandeling van zaken door de rechtbank en het gerechtshof geschiedt door een meervoudige kamer of, in de gevallen waarin de wet dat bepaalt, door een enkelvoudige kamer. Concept-art. 1.2.1.6 bepaalt dat indien de zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer door een meervoudige kamer dan wel door een andere enkelvoudige kamer dient te worden behandeld, zij de zaak daarheen verwijst. Voor onbevoegdverklaring op de grond dat een andere kamer van dezelfde rechtbank de zaak dient te behandelen lijkt geen plaats meer te zijn. In het concept van Boek 4 is de berechting door de enkelvoudige kamer (politierechter en kantonrechter) in Hoofdstuk 4 geregeld. Uit die regeling blijkt dat een strafzaak kan worden behandeld en beslist door de politierechter ‘indien een overtreding of een misdrijf is ten laste gelegd en naar het aanvankelijke oordeel van (de) officier van justitie de zaak van eenvoudige aard is, in het bijzonder ook ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wet, terwijl de te vorderen gevangenisstraf niet meer dan een jaar bedraagt (concept-art. 4.4.2, eerste lid). Een strafzaak kan op grond van concept-art. 4.4.3 worden behandeld en beslist door de kantonrechter ‘indien een overtreding is ten laste gelegd’ (behoudens enkele nader omschreven uitzonderingen). Uit de concept-memorie van toelichting blijkt expliciet dat beoogd is de politierechter bevoegd te maken ook ‘uitsluitend een of meer overtredingen’ te berechten.19

26. Ik keer terug naar het middel. In art. 51 RO kan een beperking worden gelezen van de bevoegdheid van de politierechter om overtredingen te berechten. Het argument dat ertoe heeft geleid dat ‘kantonzaken’ in deze bepaling in beginsel van de competentie van de politierechter zijn uitgezonderd, is evenwel niet langer actueel. Het is heel gebruikelijk dat een rechter (op de ene zitting) als kantonrechter fungeert en (op een andere zitting) als politierechter. De berechting door de politierechter is voorts niet met minder waarborgen omgeven dan de berechting door de kantonrechter. Integendeel, voor zover er een verschil is in zittingsvoorschriften, is de berechting door de politierechter met meer waarborgen omgeven.20 Voor het al dan niet openstaan van een rechtsmiddel is niet van belang of een overtreding door de kantonrechter is berecht of door de politierechter. Ook het argument dat vroeger meebracht dat de verdachte er recht op had in eerste aanleg door de kantonrechter te worden berecht gaat derhalve niet langer op. Tegen deze achtergrond zou (ook) ik art. 349, tweede lid, Sv in samenhang met de artikelen 367, 368 en 369 Sv zo willen lezen dat de politierechter bevoegd is ter zake van de strafbare feiten die in art. 382 Sv worden omschreven, en dat hij (buiten het geval van de tweede volzin van art. 349, tweede lid, Sv) een discretionaire bevoegdheid heeft om een zaak naar de kantonrechter te verwijzen. Dat brengt mee dat ’s hofs overweging in zoverre daarin tot uitdrukking is gebracht dat de politierechter in de omstandigheden van het onderhavige geval een discretionaire bevoegdheid had om te verwijzen geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is.

27. De vraag is vervolgens op welke gronden het gebruik dat de politierechter van deze discretionaire bevoegdheid heeft gemaakt in hoger beroep en uiteindelijk in cassatie met succes ter discussie kan worden gesteld. De politierechter kan de zaak pas verwijzen als het onderzoek ter terechtzitting al is begonnen. Verwijzing brengt mee dat additionele inspanningen moeten worden verricht om de zaak weer voor de rechter te krijgen. Als aangegeven is berechting door de politierechter voorts met meer waarborgen omgeven dan berechting door de kantonrechter. Voor verwijzing kan tegen deze achtergrond slechts aanleiding zijn als (door de verdediging) argumenten zijn aangevoerd die zwaarder wegen dan deze voordelen van voortzetten van de berechting door de politierechter.

28. De verklaring omtrent het gedrag zal naar het mij voorkomt niet snel zo’n argument zijn. De wettelijke regeling van deze verklaring maakt namelijk geen onderscheid tussen een veroordeling door de politierechter en een veroordeling door de kantonrechter. Art. 35 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens bepaalt dat de Minister van Justitie en Veiligheid de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag weigert ‘indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan’. Niet de rechter die het strafbare feit heeft beoordeeld maar het feit zelf is derhalve bepalend.21

29. Wat de toetsing in hoger beroep betreft, geldt naar het mij voorkomt dat er weinig of geen ruimte is om daar alsnog argumenten naar voren te brengen die bij de politierechter niet of onvoldoende precies verwoord naar voren zijn gebracht. De politierechter is bevoegd, in hoger beroep kan worden aangevoerd dat in eerste aanleg feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die de politierechter er in redelijkheid toe hadden moeten brengen de zaak te verwijzen. Het hof kan, als het in een bijzondere situatie van oordeel zou zijn dat de politierechter de zaak had dienen te verwijzen naar de kantonrechter, vervolgens doen ‘wat de rechtbank had behoren te doen’ en de zaak verwijzen naar de kantonrechter (art. 423, eerste lid, Sv). Dat is iets anders dan terugwijzen naar de rechtbank op grond van art. 423, tweede lid, Sv; een beslissing die onder meer aan de orde is als de (betreffende kamer van de) rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard.

30. Uit ’s hofs overwegingen blijkt dat het onvoldoende termen aanwezig acht om de zaak te verwijzen naar de kantonrechter, ‘nu er geen andere argumenten door de verdediging zijn aangevoerd dan dat een eventuele veroordeling door een kantonrechter, mede gelet op de vermelding daarvan op het strafblad van de verdachte, te verkiezen valt boven een veroordeling door de politierechter.’ Die motivering getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de eveneens tenlastegelegde belediging tot een veroordeling heeft geleid, en de onderhavige vervolging er derhalve hoe dan ook in zou resulteren dat op het strafblad van de verdachte een veroordeling wegens misdrijf door de politierechter zou komen te staan. Ik wijs er voorts op dat het verzoek om verwijzing blijkens de pleitnota bij de politierechter slechts is onderbouwd met de stelling dat een veroordeling door de kantonrechter ‘minder zwaar weegt’.

31. Het middel faalt.

32. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. art. 378, tweede lid, onder c jo. art. 378a, eerste lid, Sv.

2 A.J. Blok en L.Ch. Besier, Het Nederlandsche strafproces, tweede deel, Haarlem, H.D. Tjeenk Willink & Zoon 1925, p. 176. Art. 337 Sv bepaalde: ‘In het geval bedoeld bij artikel 349, tweede lid, kan aan de beleedigde partij de vordering slechts tot zoodanig beloop worden toegewezen, als waartoe de kantonrechter gelijktijdig met de strafzaak had kunnen uitspraak doen.’

3 Vgl. t.a.v. het verlies van een tweede feitelijke instantie ook HR 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1503, rov. 5.6 (niet gepubliceerd).

4 Wet van 2 oktober 1957, Stb. 383.

5 Kamerstukken II 1956/57, 4674, nr. 3.

6 Wet van 6 december 2001, Stb. 584. Zie Hoofdstuk 7. Ministerie van Justitie, artikel 43 onderdeel O.

7 De toelichting op dit artikellid, waarvan de voorgestelde tekst bij Nota van Wijziging is aangepast, is summier (zie Kamerstukken II 2001/02, 27 878, nr. 5, p. 12): ‘In verband met de bestuurlijke onderbrenging van de kantongerechten bij de rechtbanken is voorzien in een interne verwijzingsregel in het Wetboek van Strafvordering voor de behandeling van kantonzaken.’

8 Wet van 6 december 2001, Stb. 582.

9 De Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie is op 1 januari 2002 in werking getreden (zie Stb. 2001, 621). De Wet van 31 oktober 2002, Stb. 539, die het toenmalige derde lid deed vervallen, trad op 1 januari 2003 in werking (zie Stb. 2002, 601). Als reden voor het verval van het derde lid werd opgegeven dat het per abuis in art. 404 Sv was opgenomen (Kamerstukken II 2002/03, 28 204, nr. 7).

10 Wet herziening gerechtelijke kaart, Stb. 2012, 313.

11 Zie Kamerstukken II 2010/11, 32 891, nr. 3, p. 4. Zie ook p. 29-30, 53 en 88.

12 Zie Kamerstukken II 1999/2000, 27 181, nrs. 1-2, p. 9. Het is hernummerd tot art. 51 ingevolge art. XX van die wet.

13 Zie Kamerstukken II 1999/2000, 27 181, nr. 3, p. 57. Zie ook Kamerstukken II 2000/01, 27 181, nr. 6, p. 101-102.

14 G. Knigge, ‘Tot oordelen bevoegd’, in B.F. Keulen, G. Knigge en H.D. Wolswijk, Pet af (liber amicorum D.H. de Jong), WLP, Nijmegen 2007, p. 253. Vgl. ook B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, 13e druk, Deventer, Wolters Kluwer 2016, p. 126-127.

15 Tekst en Commentaar Strafvordering, aant. 2 bij art. 349 Sv (actueel t/m 1 juli 2019).

16 Handboek strafzaken, hoofdstuk 30.3 (actueel t/m 1 november 2007).

17 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 172.

18 Zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/modernisering-wetboek-van-strafvordering/documenten/.
Het concept van Boek 1 dateert van 7 februari 2017. Het concept van Boek 4 dateert van 5 december 2017.

19 Concept-memorie van toelichting Boek 4, p. 110.

20 Zo bestaat bij de kantonrechter nog de regeling van het aanhangig maken door oproeping, en maakt art. 398 onder 14° Sv een belangrijke uitzondering op de verplichting om een verstekmededeling te betekenen.

21 Uit de Beleidsregels VOG-NP-RP 2018, Stcrt. 2017, 68620, blijkt evenmin dat de rechter die over het strafbare feit heeft geoordeeld bepalend is voor het al dan niet afgeven van een VOG.