Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:247

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-03-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
18/05394
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:942
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Klacht over de motivering van de bewezenverklaring van zware mishandeling met voorbedachte raad. Conclusie strekt tot vernietiging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05394

Zitting 17 maart 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 12 december 2018 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. ‘poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad’ en 2. ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr. Het hof heeft voorts de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, de onttrekking aan het verkeer gelast van een pistool en een boksbeugel en de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gelast.1

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. C.W.J. Faber, advocaat te Eindhoven, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het hof ontoereikend gemotiveerd heeft bewezenverklaard dat van voorbedachte raad sprake is (feit 1).

4. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank wat de beslissing op de bewijsvraag betreft bevestigd en de bewijsmotivering aangevuld. Het hof heeft daarmee ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat hij:

‘1. op 16 mei 2016 te [plaats] , ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet:

- naar de woning van die [slachtoffer] is gegaan en

- met kracht de deur open heeft geduwd en

- (hierna) met een boksbeugel en in zijn hand, naar binnen is gegaan en

- (hierna) (met die boksbeugel in de hand) die [slachtoffer] (met de vuist) tegen zijn gezicht heeft geslagen, terwijl de uitvoering van voornoemd misdrijf niet is voltooid’

5. De rechtbank heeft de bewezenverklaring onder 1 gebaseerd op de volgende bewijsoverweging (met weglating van voetnoten, waarin verwezen wordt naar bewijsmiddelen):

Bewijs.

Ten aanzien van feit 1

Inleiding.

Op 16 mei 2015 is verdachte samen met zijn vriend [getuige 1] naar de woning van [slachtoffer] te [plaats] gereden. Aldaar aangekomen, belden zij aan, deed het slachtoffer de deur open en gingen verdachte en [getuige 1] naar binnen. Aldaar ontstond een worsteling tussen verdachte en [slachtoffer] .

(…)

Het oordeel van de rechtbank.

[slachtoffer] heeft in zijn aangifte het volgende verklaard over de gang van zaken.

“Ik hoorde opeens de deurbel in de hal. Ik deed de deur open en voor de deur stond [getuige 1] , Ik probeerde deur dicht te duwen. Ik zag opeens een man aankomen. Deze man duwde met kracht tegen de voordeur. De voordeur vloog met kracht open tegen de wc-deur. Hierdoor ontstond er ook een gat in de wc-deur. Ik herkende de andere persoon als [verdachte] . (...) Toen [verdachte] eenmaal binnen was, sloeg hij direct met zijn rechterhand gebald tot vuist op mijn linkeroog.”

De politie heeft geconstateerd dat de opdekdeur in de hal was vernield door de klink van de buitendeur. Van de kapotte deur bevindt zich een foto in het dossier. Een arts heeft bij aangever een zwelling van het linker jukbeen vastgesteld.

Getuige [getuige 1] heeft het volgende verklaard.

“Ik belde aan. Ik stond ongeveer 3 meter van zijn voordeur af. Ik zag dat [slachtoffer] de deur open deed. Ik zei tegen [slachtoffer] dat we even moesten praten. Op enig moment stormde [verdachte] langs mij af, de woning van [slachtoffer] binnen. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] op zijn gezicht sloeg. Ik zag dat [verdachte] een boksbeugel in zijn hand had. (...) Dat [verdachte] in een keer [slachtoffer] op zijn gezicht sloeg met een boksbeugel, daar stond ik van te kijken. (...) Ik verwacht dat [verdachte] de boksbeugel bij de deur om heeft gedaan. Later toen we weer in de auto zaten, zag ik pas goed dat [verdachte] een boksbeugel om had. Hij deed hem toen namelijk af. De boksbeugel bestond uit vier van die ringen die aan elkaar waren gelast. (...) [verdachte] deed de boksbeugel in de auto af en stopte het in de binnenzak van zijn jas.”

Ongeveer een maand na het afleggen van bovenstaande verklaring heeft [getuige 1] contact met de politie opgenomen, omdat hij het proces-verbaal van het verhoor van 13 juni 2016 wilde rectificeren. Per schrijven van 14 juli 2016 heeft de vriendin van [getuige 1] een aangepaste versie van het proces-verbaal naar de politie gezonden. De rechtbank ziet echter geen aanleiding de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] , voor zover hierboven aangehaald, in twijfel te trekken. Het proces-verbaal van verhoor van 13 juni 2016 is ondertekend door [getuige 1] , nadat hij zijn verklaring had doorgelezen. Bovendien is hij de dag erna weer verhoord en heeft toen verklaard te blijven bij zijn eerdere verklaring. Overigens heeft [getuige 1] ook in het schrijven van 14 juli 2016 verklaard dat hij zag dat verdachte een boksbeugel van zijn hand af haalde toen zij samen [plaats] uitreden. Dat verdachte een boksbeugel om had, wordt ook deels bevestigd door het slachtoffer. Deze heeft verklaard in de hand van verdachte een mes te hebben gezien met een handvat “in de vorm van een boksbeugel”.

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bij binnenkomst in de woning van [slachtoffer] hem direct met een boksbeugel in het gezicht heeft geslagen. Door zo te handelen, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer hiervan zwaar lichamelijk letsel zou ondervinden. In het gezicht bevinden zich immers vitale en kwetsbare delen van het lichaam.

De rechtbank merkt hierbij nog het volgende op.

De bewezenverklaring beperkt zich tot het bij binnenkomst in de woning van [slachtoffer] toedienen van een vuistslag met de boksbeugel. De bewezenverklaring ziet niet op wat zich daarna in de woning heeft afgespeeld. De verklaringen daarover van verdachte, slachtoffer en getuige [getuige 1] lopen zo sterk uiteen, dat voor de rechtbank de verdere gang van zaken niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan. Of verdachte ook toen (al dan niet uit zelfverdediging) het slachtoffer heeft geslagen, acht de rechtbank dan ook niet bewezen.

Voorbedachte raad.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Uit de bewezenverklaring volgt dat verdachte voordat hij de woning van het slachtoffer betrad een boksbeugel heeft aangedaan.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte ook handschoenen heeft aangedaan. [getuige 1] verklaart daarover: “Ik zag dat [verdachte] handschoenen aandeed toen we vanaf de auto naar de woning van [slachtoffer] toeliepen. Dat waren van die kleine zonder vingertoppen.” Achteraf had ik toen wel kunnen bedenken dat het geen vriendelijk gesprek zou worden”.

Verdachte heeft tegenover de politie ontkend handschoenen te hebben aangedaan, maar heeft ter zitting verklaard het niet meer te weten. Bovendien heeft hij ter zitting verklaard dat hij wegrijdend uit [plaats] een wond heeft gestelpt door er met een gehandschoende hand op te drukken. Het aantrekken van de handschoenen is des te opmerkelijk, omdat het incident zich afspeelde in mei en de weersomstandigheden dus geen aanleiding gaven handschoenen aan te trekken.

De rechtbank acht voldoende komen vast te staan dat verdachte toen hij naar de woning van (BFK: het slachtoffer) liep een boksbeugel en handschoenen aan deed en zich daarmee voorbereidde op het plegen van geweld tegen [slachtoffer] . Vervolgens heeft hij direct bij het binnentreden in de woning het slachtoffer een vuistslag gegeven. Hij had op weg naar de woning van het slachtoffer voldoende tijd zich te beraden op het te nemen of genomen besluit. Uit niets blijkt dat hij daarbij heeft gehandeld vanuit een ogenblikkelijke gemoedsbeweging. Ook overige contra-indicaties voor het aannemen van handelen met voorbedachten rade zijn de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank concludeert dan ook tot bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad.’

6. Het hof heeft in het bestreden arrest voor zover van belang het volgende overwogen (met weglating van verwijzingen):

‘Nadere bewijsoverwegingen

Het hof vult de bewijsvoering, gelet op hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep op gronden als verwoord in de pleitnota heeft aangevoerd, voorts aan met de volgende nadere bewijsoverwegingen.

Naar het oordeel van het hof kon verdachte uit de zin “Ik ben bereid met u te overleggen over een oplossing” in de brief van 2 september 2015 niet de uitnodiging ontlenen om op 16 mei 2016 naar de woning van [slachtoffer] te gaan om een in deze brief genoemde, onderliggende kwestie te bespreken. Daarbij betrekt het hof dat in diezelfde brief wordt verzocht om - indien verdachte naar aanleiding van de brief overleg wenste - binnen twee weken na datum van de brief een voorstel te doen, terwijl de ontmoeting in de onderhavige zaak dateert van ruim 8 maanden na de brief.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de rechtbank niet op basis van de enkele weersomstandigheden tot het oordeel is gekomen dat is vast komen te staan dat verdachte, terwijl hij naar de woning van [slachtoffer] liep een boksbeugel en handschoenen aandeed en zich daarmee voorbereidde op het plegen van geweld tegen [slachtoffer] . De rechtbank achtte het aantrekken van handschoenen immers des te opmerkelijk, gelet op de weersomstandigheden. Daarnaast heeft de rechtbank de verklaring van [getuige 1] in de overweging betrokken, die verklaarde dat hij zag dat verdachte handschoenen aandeed toen zij vanaf de auto naar de woning van [slachtoffer] liepen en later zag dat verdachte een boksbeugel om had en af deed. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat het gelet op de relatief koude temperatuur op 16 mei 2016 niet zonder meer opmerkelijk was dat verdachte handschoenen aandeed, overweegt het hof bovendien nog dat het in dat geval wel degelijk opmerkelijk is dat verdachte deze handschoenen niet al binnen in de auto aandeed, maar pas onderweg van de auto naar de woning van [slachtoffer] .

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat [slachtoffer] en [getuige 1] met betrekking tot het ten laste gelegde in de kern consistent hebben verklaard. Zo verklaarde [slachtoffer] zowel kort na het feit tegen de politie als bij gelegenheid van zijn aangifte dat de voordeur werd opengeduwd, dat hij ‘ [getuige 1] ’ (het hof begrijpt: [getuige 1] ) en [verdachte] (het hof: verdachte) zag en dat hij geslagen werd (…). Bij zijn aangifte - waar [slachtoffer] voor het eerst een uitgebreide en gedetailleerde verklaring heeft afgelegd - verklaarde hij voorts dat hij zag dat verdachte eerst naar binnen ging en dat verdachte een mes in de vorm van een boksbeugel om zijn hand had (…). [getuige 1] verklaarde zowel bij gelegenheid van zijn eerste als zijn tweede politieverhoor dat verdachte als eerste de woning binnenging, dat hij zag dat verdachte [slachtoffer] aanvloog/sloeg en dat hij zag dat verdachte een boksbeugel in/om zijn hand had (…). Gelet op de voorgaande consistentie, de omstandigheid dat [slachtoffer] en [getuige 1] onafhankelijk van elkaar op essentiële punten gelijkluidend hebben verklaard en nu het hof ook overigens geen reden ziet om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer] en [getuige 1] afgelegde verklaringen, gaat het hof uit van de juistheid van voornoemde verklaringen. De omstandigheid dat getuige [getuige 2] heeft gezien dat [getuige 1] mogelijk ook een wapen bij zich droeg, doet niet af aan de betrouwbaarheid van voornoemde verklaringen inhoudende dat verdachte een wapen bij zich droeg.’

7. Uw Raad heeft in HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 m.nt. Keulen een algemene vooropstelling gewijd aan het bestanddeel voorbedachte raad:

‘3.3. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518).

3.4. De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.’2

8. De feitenrechter dient in het licht van dit arrest feiten en omstandigheden vast te stellen waaruit blijkt dat er gelegenheid tot beraad is geweest bij de verdachte en kan daarbij niet volstaan met algemene bewoordingen. Dit volgt onder meer uit HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1411, NJ 2016/462 m.nt. Wolswijk, waarop ook de steller van het middel wijst. In die zaak had het hof de verdachte veroordeeld wegens poging tot moord. Het hof had vastgesteld dat de verdachte en het slachtoffer ruzie hadden gehad en uiteen waren gegaan zonder hun meningsverschil op te lossen. De verdachte had zich met een auto naar huis laten brengen, had zich daar omgekleed en was enige tijd later met een keukenmes teruggekeerd naar de plek waar het slachtoffer zich bevond. Het slachtoffer verklaarde dat hij door een getuige was vastgepakt en dat deze getuige tegen hem had gezegd dat de verdachte van plan was om te steken. Het slachtoffer had geprobeerd te vluchten, maar de verdachte was achter hem aangegaan en had vervolgens ‘zonder aarzeling of waarschuwing het slachtoffer meermalen in zijn borstkas gestoken’. Het hof oordeelde dat was komen ‘vast te staan dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, terwijl van contra-indicaties die zouden moeten leiden tot een ander oordeel niet is gebleken. Zo is niet gebleken dat de besluitvorming en uitvoering in ogenblikkelijke gemoedsopwelling of een plots opkomende drift hebben plaatsgevonden, of dat slechts sprake is geweest van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat dan wel andere feiten en omstandigheden die een contra-indicatie vormen voor handelen na kalm beraad en rustig overleg zijdens de verdachte.’ Uw Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel dat de voorbedachte raad kon worden bewezenverklaard ontoereikend had gemotiveerd. Daarbij nam Uw Raad in het bijzonder in aanmerking dat ‘het Hof slechts in algemene bewoordingen heeft overwogen dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit om de aangever te steken met een mes, maar niets heeft vastgesteld over het moment waarop de verdachte dit besluit heeft genomen of over het tijdsverloop dat met die besluitvorming gemoeid is geweest’. Daaraan deed niet af dat het hof had vastgesteld dat de verdachte zich eerder naar huis had laten brengen en enige tijd later was teruggekeerd naar de plek waar het slachtoffer zich bevond.

9. De steller van het middel klaagt in de eerste plaats dat uit de verklaring van getuige [getuige 1] , in zoverre deze door de rechtbank als bewijsmiddel is gebruikt, niet blijkt dat de verdachte - zoals de rechtbank aanneemt - ‘toen hij naar de woning liep een boksbeugel aandeed’. Daarnaast wordt geklaagd dat de rechtbank en het gerechtshof niets hebben vastgesteld ‘over de afstand/tijdsverloop van het zich begeven naar de woning vanaf de auto.’ Dat rechtbank en hof niet het bestaan van een ‘hevige gemoedsbeweging’ hebben aangenomen, zou voorts niet impliceren dat dus sprake is van voorbedachte raad. Ook de omstandigheid dat de verdachte handschoenen heeft aangedaan na het verlaten van de auto zou niet meebrengen dat sprake is van voorbedachte raad.

10. In verband met de eerste deelklacht is van belang dat de voor het bewijs gebezigde verklaring van getuige [getuige 1] onder meer inhoudt dat hij zag dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] ‘op zijn gezicht sloeg’ en (op dat moment) ‘een boksbeugel in zijn hand had’. [getuige 1] ‘verwacht dat [verdachte] de boksbeugel bij de deur om heeft gedaan’. Voorts heeft hij verklaard dat ‘ [verdachte] handschoenen aandeed toen we vanaf de auto naar de woning van [slachtoffer] toeliepen’. Daar komt bij dat de verklaring van het slachtoffer onder meer inhoudt dat hij in de hand van de verdachte een mes heeft gezien met een handvat in de vorm van een boksbeugel. Dat de rechtbank en het hof uit in het bijzonder deze verklaringen hebben afgeleid dat de verdachte ‘voordat hij de woning van het slachtoffer betrad een boksbeugel heeft aangedaan’, is niet onbegrijpelijk. Kennelijk hebben de rechtbank en het hof mede uit [getuige 1] ’ verklaring dat de verdachte de handschoenen heeft aangedaan toen hij naar de woning van het slachtoffer liep afgeleid dat het niet anders kan dan dat de verdachte toen hij naar de woning van het slachtoffer liep niet alleen de handschoenen, maar ook de boksbeugel heeft aangedaan.

11. In verband met de tweede deelklacht is van belang dat volgens de rechtbank en het hof voldoende is komen vast te staan dat verdachte toen hij naar de woning van het slachtoffer liep ‘een boksbeugel en handschoenen aan deed en zich daarmee voorbereidde op het plegen van geweld tegen [slachtoffer] ’, dat hij ‘direct bij het binnentreden in de woning’ het slachtoffer een vuistslag heeft gegeven en dat hij ‘op weg naar de woning van het slachtoffer voldoende tijd (had) zich te beraden op het te nemen of genomen besluit’. Uit ’s hofs overwegingen in het bestreden arrest blijkt op dit punt niet van andere inzichten. Daarmee duidt de bewijsoverweging erop dat rechtbank en hof de vaststelling van voorbedachte raad hebben gebaseerd op het korte tijdsverloop tussen het aantrekken van de boksbeugel en handschoenen, lopend naar de woning, en de daadwerkelijke zware mishandeling, direct na het binnentreden van de woning. Die onderbouwing van de bewezenverklaring van voorbedachte raad komt mij niet zonder meer begrijpelijk voor. Ik neem daarbij in aanmerking dat, zoals de steller van het middel opmerkt, door rechtbank en hof niets is opgemerkt over de afstand tussen de auto en de woning en dat [getuige 1] en de verdachte vanaf de auto naar de woning zijn gelopen. Het is daarbij in het algemeen gebruikelijk om de auto zo dicht mogelijk bij de plaats van bestemming te parkeren; mede tegen die achtergrond ligt in ’s hofs vaststellingen niet besloten dat het overbruggen van deze afstand voldoende gelegenheid voor beraad bood.3

12. Ik teken bij het voorgaande aan dat uit rechtspraak van Uw Raad volgt dat een kort tijdsverloop een belangrijke contra-indicatie is.4 Dat het tijdsverloop (echter) niet per se lang behoeft te zijn leidt De Hullu af uit HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1520. Daarin had het hof vastgesteld dat de verdachte uit een café was gezet wegens een ruzie met het latere slachtoffer, dat hij zich een kwartier daarna met een ander had opgesteld op korte afstand van de ingang van de straat waar dat café is gelegen, dat hij gedurende zes minuten diverse keren naar de ingang van die straat was gelopen en deze had ingekeken, alvorens hij toen het slachtoffer het café verliet de betreffende straat inliep en het slachtoffer met kracht met een opengeklapt mes in diens buik stak. Dat tijdsverloop is vele malen groter dan het tijdsverloop dat gewoonlijk gemoeid is met het na het parkeren van een auto lopen naar de plaats van bestemming. Ik heb mij nog afgevraagd of de door het hof overgenomen overweging van de rechtbank in de onderhavige zaak enigszins in strijd met de context zo kan worden gelezen dat ook de autorit naar het slachtoffer is gerekend tot het ‘op weg’ naar de woning van de verdachte zijn, en daarmee extra bedenktijd heeft gegenereerd. Maar ik meen dat die weg niet begaanbaar is, mede omdat het hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte op een eerder moment dan dat waarop hij de boksbeugel heeft aangedaan het besluit heeft genomen om het slachtoffer zwaar te mishandelen of welk tijdsverloop met het nemen van dat besluit gemoeid is geweest.

13. De vraag kan nog rijzen of de verdachte voldoende belang heeft bij cassatie. Het hof heeft de verdachte een gevangenisstraf van tien maanden opgelegd. Een poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad kent een maximale gevangenisstraf van acht jaren; een poging tot zware mishandeling kent een maximale gevangenisstraf van vijf jaar en acht maanden. Uit de strafmotivering kan evenwel worden afgeleid dat het hof de verdachte heeft aangerekend dat hij met [getuige 1] ‘naar de woning van [slachtoffer] (is) gegaan met de bedoeling hem fors – zwaar – te mishandelen’ en dat hij ‘met dat doel voor ogen een boksbeugel en handschoenen’ droeg. Dat is ook de grondslag waarop de voorbedachte raad is vastgesteld. Tegen die achtergrond valt niet met de vereiste mate van zekerheid uit te sluiten dat de vaststelling van voorbedachte raad bij het bepalen van de hoogte van de straf een rol heeft gespeeld.

14. Het middel slaagt.

15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, met terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Uit het bestreden arrest volgt dat het hof het vonnis heeft vernietigd ‘ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en daaraan verbonden schadevergoedingsmaatregel’ en heeft bevestigd ‘voor het overige’. Tot dat overige behoort de onttrekking aan het verkeer en genoemde last.

2 Dit kader is tevens toepasselijk op andere strafbaarstellingen dan moord waarin het bestanddeel voorbedachte raad voorkomt. Zie HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:535, waarin de verdachte was veroordeeld wegens mishandeling met voorbedachte raad met de dood tot gevolg.

3 Vgl. in dit verband nog HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:93, NJ 2015/77, waarin het hof de gelegenheid tot nadenken in het bijzonder had gezocht in het tijdsbestek waarin de verdachte gewapend met een slagvoorwerp naar het slachtoffer was gelopen. De klacht dat de bewezenverklaring van voorbedachte raad ontoereikend was gemotiveerd slaagde.

4 Vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht, 7e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 264, met verwijzing naar rechtspraak.