Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:241

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
19/04159
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1313, Gevolgd
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Procesrecht. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden na echtscheiding. Vergoedingsrecht. Passeren bewijsaanbod. Nevenvoorziening; art. 827 lid 1, onder f, Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2020/122 met annotatie van Janssen, M.A.J.G.
JPF 2020/103
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04159

Zitting 13 maart 2020

CONCLUSIE

F.F. Langemeijer

In de zaak

[de man]

tegen

[de vrouw]

In deze zaak strijden gewezen echtgenoten over een vergoedingsrecht op grond van de huwelijkse voorwaarden en over de afrekening van de kosten van hun huishouding.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Verzoeker tot cassatie (hierna: de man) en verweerster in cassatie (de vrouw) zijn op 26 september 2014 te Den Haag met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden, inhoudende een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen.1

1.2

In eerste aanleg heeft de vrouw de rechtbank verzocht de echtscheiding uit te spreken, met de volgende nevenvoorzieningen: 2

- vaststelling van een door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, groot € 6.000,- bruto per maand;

- veroordeling van de man om aan haar € 130.000,- te betalen ter zake van een vergoedingsrecht betreffende de aanschaf van een personenauto (merk Range Rover).

1.3

De man heeft zelfstandig verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft verweer gevoerd tegen de door de vrouw verzochte nevenvoorzieningen. Daarnaast heeft hij zelfstandig verzocht3 de vrouw te veroordelen tot betaling aan hem van € 138.030,35, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag van de uitspraak, ter zake van door de man betaalde kosten van de huishouding.

1.4

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de door de man verzochte nevenvoorziening. Bij beschikking van 29 augustus 2018 heeft de rechtbank echtscheiding uitgesproken en bij wijze van nevenvoorziening bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag van € 130.000,- dient te vergoeden betreffende de aanschaf van de personenauto. De rechtbank heeft deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het (over en weer) meer of anders verzochte afgewezen.

1.5

Wat betreft het vergoedingsrecht, stelde de rechtbank vast dat de vrouw vanuit haar privévermogen een Range Rover heeft gekocht voor de man voor een koopprijs van € 130.000,-. De vrouw stelde dat door deze vermogensverschuiving een vergoedingsrecht is ontstaan voor nominaal dat bedrag. De rechtbank verwierp het verweer van de man dat de vrouw de auto aan hem heeft geschonken (blz. 6 - 7 Rb).

1.6

Wat betreft de kosten van de huishouding, waarover partijen afspraken hadden gemaakt in art. 6 van de akte van huwelijkse voorwaarden,4 had de man gesteld dat hij over 2015, 2016 en de periode tussen 1 januari en 20 oktober 2017 een vordering op de vrouw heeft. De vrouw had die vordering betwist, stellende dat ook zij gedurende het huwelijk tal van huishoudelijke kosten heeft voldaan. Bovendien zou het inkomen van de man hoger zijn geweest dan door hem is opgegeven. Met name op deze laatste grond overwoog de rechtbank dat de man deze geldvordering onvoldoende heeft onderbouwd: niet kan worden vastgesteld of de man, gelet op zijn totale inkomsten, meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan waartoe hij op grond van de huwelijkse voorwaarden verplicht was (blz. 6 Rb). De afwijzing van het verzoek om partneralimentatie is in cassatie niet meer aan de orde en blijft verder onbesproken.

1.7

De echtscheidingsbeschikking is op 22 oktober 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.8

De man heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Hij verzocht de beschikking van 29 augustus 2018 te vernietigen en het verzoek van de vrouw met betrekking tot het betalen van € 130.000,- alsnog af te wijzen. Verder verzocht hij het hof de vrouw te veroordelen tot betaling van € 138.030,35 ter zake van de kosten van de huishouding.

1.9

Bij beschikking van 3 juli 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:2744) heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

1.10

Namens de man is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft in cassatie geen verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Onderdeel 1 van het middel dient ter inleiding en bevat geen klacht. Onderdeel 2 valt uiteen in vier subonderdelen. Subonderdeel 2.1 heeft betrekking op het verzoek van de vrouw tot het vergoeden van de kosten van aankoop van de Range Rover. De subonderdelen 2.2 en 2.3 gaan over het verzoek van de man tot betaling van de kosten van de huishouding. Subonderdeel 2.4 bouwt voort op de voorgaande klachten.

De kosten van aanschaf van de personenauto

2.2

Onderdeel 2.1 is gericht tegen rov. 7, waarin het hof het volgende heeft overwogen:

“7. Tussen partijen is niet in geschil dat ten laste van het privé-vermogen van de vrouw een Range Rover voor een bedrag van € 130.000,- is gekocht. Uit de aan het hof overgelegde en ter zitting besproken stukken is gebleken dat de Range Rover door de man is gekocht en aan hem is geleverd. De factuur staat op zijn naam en de man heeft, zoals door hem ter zitting in hoger beroep gesteld, de auto ook verzekerd. De man is derhalve eigenaar geworden van deze auto. Aanvankelijk stelde de man dat de auto zelf aan hem is geschonken. Ter zitting blijkt dat de man stelt dat het aankoopbedrag van de auto aan hem is geschonken door de vrouw. De vrouw betwist gemotiveerd dat zij het bedrag van € 130.000,- aan de man heeft geschonken.

Uit de huwelijkse voorwaarden blijkt van een totale vermogensscheiding. Blijkens voormeld artikel 3 zijn partijen expliciet een vergoedingsrecht met elkaar overeengekomen. Naar het oordeel van het hof kunnen geen van de door de man naar voren gebrachte getuigen iets verklaren met betrekking tot het tot stand komen van de gestelde gift van € 130.000,-, zodat het hof het bewijsaanbod van de man, in het bijzonder door het horen van getuigen, passeert. De door de man aangeboden getuigen kunnen immers enkel verklaren over de aflevering van de auto aan de man, maar niet over de thans gestelde gift van de vrouw aan de man van het bedrag van € 130.000,-. Nu de Range Rover ten laste van het vermogen van de vrouw tot het vermogen van de man is gaan behoren, is er een vergoedingsrecht van de vrouw ontstaan nu de vrouw gemotiveerd betwist dat zij het aankoopbedrag aan de man heeft geschonken. De man beroept zich op een gift en zal het bewijs daarvoor moeten bijbrengen nu de vrouw die gift gemotiveerd betwist. Hij heeft daarvoor geen bewijs bijgebracht anderszins dan het hiervoor vermelde bewijsaanbod. Ter zitting van het hof is voorts vast komen te staan dat de door het hof verzochte aangifte schenkbelasting voor een bedrag van € 130.000,- en een aanslag schenkbelasting niet door de man zijn overgelegd omdat de man geen aangifte schenkbelasting heeft gedaan. Daar tegenover heeft de man enkel gesteld dat de vrouw het meervermelde aankoopbedrag aan hem heeft geschonken, waarmee hij de auto heeft gekocht en welke aan hem is geleverd. Er zijn naar het oordeel van het hof geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de vrouw haar vergoedingsrecht jegens de man niet geldend zou kunnen maken (Hoge Raad 5 april, HR 2019:504). Op grond van het vorenstaande heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof terecht beslist dat de man een bedrag van € 130.000,- aan de vrouw dient te vergoeden.”

2.3

Onder 2.1.1 klaagt de man dat het hof, gezien de hoofdregel in art. 150 Rv, heeft miskend dat op de vrouw de bewijslast rustte dat zij een vordering op de man heeft. Volgens de klacht heeft het hof de stelling van de man dat sprake is van een gift ten onrechte aangemerkt als een zelfstandig verweer. Subsidiair klaagt hij dat het hof geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang althans een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven.

2.4

De vrouw had gesteld dat de Range Rover ten behoeve van de man is gekocht ten laste van haar privé-vermogen. Ten aanzien van haar recht op vergoeding daarvan deed de vrouw een beroep op art. 3 lid 2 in de akte van huwelijkse voorwaarden. Daarin is – voor zover in cassatie van belang – het volgende opgenomen:

“1. In alle gevallen waarin tussen de echtgenoten een vermogensverschuiving plaatsvindt die leidt tot vermogensachteruitgang van een van beiden, ontstaat een recht op een nominale renteloze vergoeding ten bedrage van de verrijking van de ander.

2. Indien een echtgenoot ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een goed dat tot zijn eigen vermogen zal behoren, verkrijgt of indien ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een schuld ter zake van een tot zijn eigen vermogen behorende goed wordt voldaan of afgelost, ontstaat voor de eerstgenoemde echtgenoot eveneens slechts een plicht tot vergoeding van het nominale bedrag, anders dan bepaald in artikel 1:87 Burgerlijk Wetboek.

(…)

5. Het bepaalde in dit artikel geldt niet indien de echtgenoten uitdrukkelijk anders overeenkomen.”

2.5

De man heeft niet bestreden dat hij gebonden is aan artikel 3 van de akte van huwelijkse voorwaarden. In cassatie heeft de man ook niet de vaststelling bestreden dat de aanschaf van deze auto is betaald met financiële middelen uit het privévermogen van de vrouw. Daarmee was in beginsel voldaan aan alle voorwaarden voor toewijzing van dit verzoek van de vrouw. De man heeft tot verweer aangevoerd dat de vrouw hem het aankoopbedrag van de Range Rover heeft geschonken. Daarmee was in dit geval sprake van een zogenaamd ‘ja, maar”-verweer (waarbij niet het door de wederpartij gestelde feit wordt betwist, maar feiten worden aangevoerd die tot een ander rechtsgevolg zouden moeten leiden dan door de wederpartij werd beoogd). In feite doet de man hiermee een beroep op art. 3 lid 5 van de huwelijkse voorwaarden. Zoals het hof terecht heeft overwogen, rust op de man dan ook de bewijslast van zijn stelling dat hier sprake was van een schenking van dit bedrag door de vrouw. Zowel de rechtsklacht als de motiveringsklacht stuit hierop af.

2.6

De klacht onder 2.1.2 gaat, evenals subonderdeel 2.1.3, met het hof ervan uit dat de bewijslast van zijn stelling over een schenking door de vrouw op de man rust. Volgens de man het hof heeft zijn aanbod van bewijslevering door middel van getuigen gepasseerd op de grond dat die getuigen niets zouden kunnen verklaren dat ter zake dienend is. De klacht houdt in dat het hof hierdoor het bepaalde in art. 166 Rv heeft miskend en zich schuldig maakt aan een verboden prognose van de uitkomst van eventueel te leveren getuigenbewijs. Subsidiair klaagt de man over een ontoereikende redengeving.

2.7

Ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 Rv, in verbinding met art. 353 lid 1 Rv, moet ook in hoger beroep een partij tot getuigenbewijs worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Op grond van vaste rechtspraak kan bij de beoordeling van deze klachten tot uitgangspunt worden genomen dat het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, afhangt van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert.

2.8

In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt vermeld wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. Indien al getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. De rechter mag echter niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte zou vooruitlopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden.5

2.9

De man had in eerste aanleg al schriftelijke verklaringen van getuigen overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat de vrouw hem de auto heeft geschonken. 6 Ook in hoger beroep heeft de man een beroep gedaan op deze verklaringen en heeft hij ten aanzien van zijn (door de vrouw betwiste) stelling het volgende aanbod gedaan:

“Indien en voor zover op hem de bewijslast zou rusten, biedt de man aan al zijn stellingen door alle middelen rechtens te bewijzen, in het bijzonder door het horen van getuigen. De man biedt ter zake de levering en verkrijging van de Range Rover alsmede over zijn stellingen dat de Range Rover een (onvoorwaardelijke) schenking is geweest, aan om zichzelf, om de vrouw, om [betrokkene 1], om [betrokkene 2], om [betrokkene 3] en om de zoons van de vrouw als getuigen te doen horen. (…)” (beroepschrift onder 6.1).

2.10

Het hof heeft in zijn beschikking voldoende duidelijk gemaakt waarom het niet op voorhand heeft willen uitgaan van een schenking: de man heeft, hoewel daarnaar gevraagd, geen aangifte of aanslag schenkbelasting voor het bedrag van € 130.000,- overgelegd. Daarmee was nog niet gegeven dat in de rechtsverhouding tussen partijen onderling geen schenking heeft plaatsgevonden. Het hof heeft het aangeboden getuigenbewijs gepasseerd met het argument dat de door de man genoemde getuigen enkel zullen kunnen verklaren over de aflevering van deze auto aan de man, maar niet over de totstandkoming van de door hem gestelde gift. Zonder nadere motivering is niet begrijpelijk waarop het hof dit oordeel baseert. Voor zover dit oordeel berust op een waardering van de overlegde schriftelijke verklaringen, heeft het hof miskend dat de rechter niet vooruit mag lopen op het resultaat van een getuigenverhoor dat nog niet heeft plaatsgevonden. Als de schriftelijke verklaringen op dit punt onvoldoende duidelijkheid boden, zouden de aangeboden getuigen hierover nader kunnen worden ondervraagd.

2.11

Ook indien het hof het door de man aangeboden getuigenbewijs niet ter zake dienend heeft geacht omdat dit aanbod uitsluitend betrekking zou hebben op de stelling dat deze auto aan de man geschonken is en niet ziet op een schenking van het bedrag waarmee de man vervolgens de aankoop van de auto heeft gefinancierd, is de beslissing onbegrijpelijk: het hof overweegt in rov. 7 dat de man ter zitting in hoger beroep zijn stelling had gepreciseerd in die zin dat “de man stelt dat het aankoopbedrag van de auto aan hem is geschonken door de vrouw”. Mijn slotsom is dat het bestreden oordeel hetzij blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting van art. 166 Rv hetzij ontoereikend is gemotiveerd. Ik acht de klachten onder 2.1.2 en 2.1.3 gegrond. Ten overvloede ga ik hierna kort in op de overige klachten onder 2.1.

2.12

De klacht onder 2.1.4 houdt in dat het bestreden oordeel in rov. 7 bovendien rechtens onjuist is, althans onbegrijpelijk, omdat de man zelf als getuige kan worden gehoord. Hij zou zelf als getuige een verklaring kunnen afleggen over hetgeen tussen partijen is afgesproken met betrekking tot de gestelde gift van € 130.000. Voor het antwoord op de vraag of de vrouw haar vordering van € 130.000,- geldend kan maken, is volgens het middelonderdeel bovendien niet beslissend hoe de gestelde schenking tot stand is gekomen, maar slechts of de gestelde schenking tot stand is gekomen.

2.13

De man heeft in hoger beroep inderdaad aangeboden zichzelf als getuige over dit bewijsthema te laten horen.7 Voor zover dit subonderdeel voortbouwt op de klacht onder 2.1.2, slaagt het om dezelfde reden. Ik voeg hieraan toe dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat het hof aan dit bewijsaanbod van de man is voorbijgegaan op de enkele grond dat de door de man als getuige af te leggen verklaring geen bewijs in zijn voordeel zou kunnen opleveren, in de zin van art. 164 lid 2 Rv. Verder lijkt het standpunt van de man mij juist dat het hof diende te onderzoeken of de door de man gestelde schenking tot stand is gekomen. De wijze van totstandkoming kan wel van belang zijn voor de waardering van het bewijs of sprake is geweest van de gestelde schenking.

2.14

Onder 2.1.5 klaagt de man, samengevat, dat het hof bovendien miskent dat ingevolge art. 152 Rv bewijs kan worden bijgebracht met alle middelen rechtens, dus ook met schriftelijke verklaringen. De man had ter onderbouwing van zijn stelling over een schenking door de vrouw, schriftelijke getuigenverklaringen overgelegd. Ter toelichting op deze klacht wijst de man erop dat hij in hoger beroep had aangevoerd dat verscheidene getuigen volgens hun schriftelijke verklaring van de vrouw zelf hadden vernomen van deze schenking.

2.15

Het hof is niet voorbijgegaan aan de overgelegde schriftelijke verklaringen. Het hof overweegt in rov. 7 immers dat “uit de aan het hof overgelegde en ter zitting besproken stukken is gebleken dat de Range Rover door de man is gekocht en aan hem is geleverd”. Het hof overweegt ook dat – afgezien van het aangeboden getuigenbewijs – door de man geen bewijs is bijgebracht van zijn stelling dat de vrouw het aankoopbedrag aan de man heeft geschonken. Dan resteert slechts de hiervoor besproken vraag of het hof gelegenheid had moeten geven voor een getuigenverhoor.

2.16

Subonderdeel 2.1.6 voegt hieraan toe dat de overweging dat geen feiten en omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan de vrouw haar vergoedingsrecht jegens de man niet geldend zou kunnen maken (zie rov. 7), onbegrijpelijk is. Daarover kan ik kort zijn. Gezien de verwijzing door het hof naar HR 5 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:504), NJ 2019/225 m.nt. L.C.A. Verstappen, heeft het hof kennelijk voor ogen dat zich hier niet een geval voordoet zoals bedoeld in dat arrest (kort gezegd, in de woorden van Verstappen: de vraag of bij de echtscheiding recht op vergoeding bestaat van met uitsluitingsclausule geschonken bedragen die in de huwelijksgemeenschap zijn gevloeid door overboeking op een gemeenschappelijke bankrekening). Dat oordeel is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk.

2.17

Onder 2.1.7 klaagt de man dat het hof zijn stelling onbesproken heeft gelaten dat de vrouw zich op een wederkerige overeenkomst had beroepen, waarbij de man haar een auto terug zou schenken. Volgens de man ligt in die stelling van de vrouw de erkenning besloten dat zij de Range Rover aan de man heeft geschonken, althans volgt daaruit dat het hof, gelet op het bepaalde in art. 21 Rv, het verweer van de vrouw als ongeloofwaardig terzijde had moeten leggen.

2.18

Dit middelonderdeel doelt kennelijk op de volgende overweging van de rechtbank:

“Beide partijen hebben tijdens de zitting toegelicht hoe het een en ander is verlopen ten tijde van de aankoop van de Range Rover. De vrouw heeft hierbij nader gesteld dat de afspraak tussen partijen was dat de vrouw de auto voor de man zou betalen en dat zodra de vrouw toe was aan een andere auto, de man die auto zou betalen. Zo ver is het nooit gekomen, volgens de vrouw.” (blz. 7 Rb).

2.19

Wanneer de vrouw de door de man gestelde schenking ontkent en beweert dat overeengekomen is dat hij haar een andere auto zou schenken, ligt daarin geen erkenning besloten van het standpunt van de man dat zij hem het geld voor de aanschaf van de Range Rover heeft geschonken. De klacht dat de vrouw dan maar nakoming had moeten vorderen van die wederkerige overeenkomst, in plaats van beroep te doen op een vergoedingsrecht, gaat m.i. niet op. Het is aan de eisende partij om de grondslag van de vordering te bepalen. Overigens ontneemt de veronderstelling dat sprake was van een wederkerige overeenkomst (dus van een bedongen contraprestatie) de kracht aan de stelling van dat sprake is van een schenking van de Range Rover.8

2.20

Onder 2.1.8 klaagt de man dat het hof zijn beroep op derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid ten onrechte onbesproken heeft gelaten. De man heeft in zijn beroepschrift in appel onder 3.36, respectievelijk onder 3.37, beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid. Hij heeft aangevoerd dat hij ook diverse geschenken aan de vrouw heeft gegeven en verbindt daaraan de gevolgtrekking dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van hem niet kan worden gevergd dat hij het gevorderde bedrag van € 130.000,- aan de vrouw vergoedt, althans dat geen hogere vergoeding had mogen worden toegewezen dan de taxatiewaarde van deze auto op de peildatum. Het petitum onder I van het beroepschrift in appel sloot hierbij aan.

2.21

Uit de redengeving van de bestreden beschikking blijkt mij niet dat het hof dit standpunt van de man heeft beoordeeld. Voor zover dit standpunt geacht moet worden impliciet te zijn verworpen, is dat oordeel niet naar de eisen der wet met redenen omkleed. Dit subonderdeel slaagt. Na verwijzing kan dit standpunt van de man alsnog door de feitenrechter worden beoordeeld.

2.22

Onder 2.1.9 voert de man aan dat het slagen van een of meer van de voorgaande onderdelen ook rov. 10 en het dictum treft, waarin het hof de beschikking van de rechtbank heeft bekrachtigd. Deze slotklacht behoeft hier geen afzonderlijke bespreking.

De kosten van de huishouding

2.23

Onderdeel 2.2 is gericht tegen rov. 9. Daarin heeft het hof de afwijzing van het verzoek van de man tot betaling van het bedrag van € 138.030,35 ter zake van gemaakte kosten van de gemeenschappelijke huishouding bekrachtigd. Het hof overwoog dat het over onvoldoende gegevens beschikt om te kunnen vaststellen of de man inderdaad teveel heeft betaald.

2.24

De rechtbank constateerde al dat de man ter onderbouwing van deze vordering Excel-overzichten en bewijsstukken in de vorm van bankafschriften en bonnetjes heeft overgelegd. De vrouw heeft tot verweer aangevoerd dat zij in deze periode bedragen tot een totaal van € 176.322,75 heeft betaald en tot bewijs daarvan bankafschriften aan de rechtbank overgelegd. Zie ik het goed – het procesdossier omvat zes ordners, grotendeels gevuld met documenten van uiteenlopende uitgaven in de jaren 2015, 2016 en 2017 −, dan omvat het debat niet slechts de vraag wie van beide partijen welke uitgaven (uiteindelijk) heeft bekostigd, maar ook en vooral de vraag, hoe de kosten van de gemeenschappelijke huishouding tussen hen moeten worden verdeeld: art. 6 van de huwelijkse voorwaarden schrijft immers, voor elk jaar, een verdeling naar evenredigheid van het inkomen van ieder van beide echtgenoten voor. Dat is in overeenstemming met de maatstaf van art. 1:84 BW. Volgens de vrouw zou de man inkomsten in deze procedure hebben verzwegen en zou het door hem gevorderde bedrag niet evenredig zijn.

2.25

De rechtbank heeft hieromtrent overwogen dat het standpunt van de man niet consequent is: hij stelde over de periode 2015 – 2017 gemiddeld een inkomen te hebben gehad van € 61.674,60, terwijl de door hem gestelde uitgaven gemiddeld € 158.591,87 beliepen. Weliswaar stelde de man dat hij het restant heeft voldaan via een rekening-courant met Euroboor B.V., maar die stelling is door de vrouw betwist. Bij gebreke van nadere onderbouwing volgt de rechtbank die stelling niet. Daarbij komt, aldus de rechtbank, dat niet in geschil is dat de man tevens ondernemingen buiten Nederland drijft, terwijl inzicht in mogelijke inkomsten uit deze activiteiten door de man niet is verstrekt (blz. 6 Rb).

2.26

Het hof heeft in rov. 9 overwogen dat de man weliswaar een zeer aanzienlijk aantal producties ter zake van de kosten van de huishouding in het geding heeft gebracht, maar niet per kalenderjaar inzicht heeft gegeven in: (i) de totale kosten van de huishouding, (ii) wie wat betaald heeft in het betreffende kalenderjaar, (iii) wie welke inkomen heeft genoten dan wel heeft kunnen genieten in het betreffende kalenderjaar, (iv) wie welke vermogen heeft in het betreffende kalenderjaar. Het hof besloot dat het zo niet mogelijk is, aan de hand van de evenredigheidsmaatstaf in art. 6 van de akte van huwelijkse voorwaarden ieders fourneerplicht – en, op grond daarvan, een eventuele betalingsverplichting van de vrouw jegens de man – vast te stellen.

2.27

De klacht onder 2.2.1 komt hierop neer dat het hof de geldvordering van de man had moeten toewijzen omdat hij zijn vordering behoorlijk heeft onderbouwd met bewijsstukken, terwijl de vrouw van haar kant − door onvoldoende inzicht te geven in háár inkomsten en financiën – dit verzoek van de man onvoldoende heeft betwist. In het middelonderdeel merkt de man dit zelfs aan als een weigering van de vrouw om inzicht te geven in haar inkomsten en financiën. Hij wijst in dit verband op art. 21 Rv (nader uitgewerkt in de klacht onder 2.2.2), op art. 149 Rv (nader uitgewerkt onder 2.2.3) en op het niet voldoen door de vrouw aan de in rov. 9 door het hof in punt 1 tot en met 4 genoemde verplichtingen.

2.28

De veronderstelling in dit middelonderdeel dat de man zijn vordering m.b.t. de huishoudelijke kosten naar behoren had onderbouwd, mist feitelijke grondslag. Volgens het hof heeft (ook) de man geen inzicht gegeven op de vier in alinea 2.26 hiervoor genoemde punten. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. De rechtbank had al gewezen op een inconsequentie in de stellingname van de man (zie alinea 2.25 hiervoor). In hoger beroep had het hof weliswaar de beschikking over ‘een zeer aanzienlijk aantal producties ter zake de kosten van de huishouding’ (rov. 9), maar uit de motivering van de bestreden beschikking blijkt dat en waarom het hof dit niet voldoende vond. Het hof benadrukt in rov. 9 telkens dat de opgaaf van de man niet is uitgesplitst per kalenderjaar, zoals art. 6 in de akte van huwelijkse voorwaarden vereist.

2.29

De stelplicht ten aanzien van feiten en omstandigheden die maken dat voldaan is aan alle voorwaarden van artikel 6 van de akte van huwelijkse voorwaarden (resp. aan alle voorwaarden in art. 1:84 BW) rustte op de man. In het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, mocht het hof van hem verlangen dat hij méér feiten stelde dan hij heeft gedaan, in het bijzonder ten aanzien van de uitsplitsing. De lezer van de beschikking zal zich hoogstens afvragen waarom het hof de man niet in de gelegenheid heeft gesteld om de (volgens artikel 6) vereiste uitsplitsing per kalenderjaar alsnog te maken, in de vorm van daarop toegesneden stellingen en met concrete verwijzingen naar financiële overzichten en bewijsstukken. Het hof is blijkbaar van oordeel geweest dat dit tot een onnodige vertraging van het geding zal leiden. Afgezien van hetgeen hierna zal worden besproken bij onderdeel 2.3, is die beslissing niet onbegrijpelijk.

2.30

De klacht onder 2.3 is gericht tegen de laatste zin in rov. 9, waarin het hof overwoog dat aldus niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 827, lid 1 letter f, Rv zodat het verzoek van de man wordt afgewezen. Onder 2.3.1 klaagt de man dat het hof miskent dat art. 827, lid 1 onder b, Rv specifiek is geschreven voor verrekeningen op grond van huwelijkse voorwaarden. Daarom geldt volgens de man in deze zaak niet de (in art. 827, lid 1 onder f, Rv bedoelde) eis dat niet te verwachten is dat behandeling tot onnodige vertraging van het geding zal leiden.

2.31

Artikel 827 lid 1 Rv bepaalt – voor zover hier van belang – het volgende:

“1. Ingeval de echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, kan de rechter als nevenvoorziening de navolgende voorzieningen treffen:

(…)

b. voorzieningen met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap of bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekening van inkomsten of van vermogen;

(…)

f. een andere voorziening dan bedoeld in de onderdelen a tot en met e, mits deze voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden.”

2.32

De in lid 1 onder b genoemde categorie ziet op gevallen waarin een huwelijksgoederengemeenschap wordt verdeeld – in dit geding niet aan de orde – en ziet daarnaast op voorzieningen met betrekking tot een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekening van inkomsten of van vermogen.9 Daarbij gaat het niet om de kosten van de huishouding, maar om een onderlinge verrekening van hetgeen de echtgenoten van hun inkomen hebben overgespaard nadat de kosten van de gemeenschappelijke huishouding zijn voldaan. In deze echtscheidingsprocedure heeft de man (bij gelegenheid van zijn verweer in eerste aanleg) een verzoek gedaan tot het treffen van een nevenvoorziening met betrekking tot de kosten van de huishouding als bedoeld in art. 1:84 BW, zoals geregeld in art. 6 van de akte van huwelijkse voorwaarden. Mijns inziens heeft het hof dit verzoek mogen aanmerken als een verzoek om een voorziening in de zin van art. 827, lid 1 onder f, Rv.

2.33

Onder 2.3.2 klaagt de man – subsidiair − dat indien onnodige vertraging van het geding dreigde te ontstaan, het hof deze geldvordering niet had mogen afwijzen, maar hoogstens de vordering niet-ontvankelijk had mogen verklaren. Het praktisch belang van de man bij deze klacht is dat een afwijzing definitief is, terwijl hij na een niet-ontvankelijkverklaring opnieuw een procedure over hetzelfde onderwerp zou kunnen beginnen. In de toelichting op deze klacht wijst de steller van het middel op de memorie van toelichting,10 waaruit de volgende passage:

Voorgesteld wordt om aan artikel 827, eerste lid, een nieuw onderdeel toe te voegen, dat ziet op andere dan de reeds genoemde voorzieningen die in het kader van de scheidingsprocedure kunnen worden verzocht. Op die manier wordt bereikt dat naast de thans in artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opgesomde nevenvoorzieningen ook andere bijkomende voorzieningen kunnen worden verzocht zonder dat daarvoor afzonderlijke procedures nodig zijn. Voor het in behandeling nemen van dergelijke verzoeken worden twee voorwaarden gesteld. Wordt niet aan beide genoemde voorwaarden voldaan, dan zal de rechter de verzoeker niet ontvankelijk verklaren.

Om de desbetreffende aangelegenheid alsnog aan de rechter voor te leggen, is alsdan een afzonderlijke rechtsgang vereist. Ten eerste dient de nevenvoorziening voldoende samenhang te vertonen met het scheidingsverzoek en ten tweede moet de behandeling daarvan niet tot onnodige vertraging van het geding leiden. (…).”11

2.34

In dit geval is de vraag wat het hof in rov. 9 precies heeft bedoeld: dat de vordering (in welke procedure dan ook) niet toewijsbaar is omdat de man te weinig feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die toewijzing van zijn geldvordering met betrekking tot de kosten van de huishouding kunnen dragen – dan zou afwijzing van de vordering op haar plaats zijn – of omdat een behandeling van deze vordering tot onnodige vertraging van de echtscheidingsprocedure zou kunnen leiden. In het laatste geval zou, blijkens de geciteerde passage uit de memorie van toelichting, een niet-ontvankelijkverklaring op haar plaats zijn, waarna de man in een andere procedure deze vordering opnieuw zou kunnen instellen.

2.35

Waar het hof zelf met zoveel woorden de koppeling met art. 827, lid 1 letter f, Rv legt, gaat het in dit geval om de laatstbedoelde situatie. De klacht van onderdeel 2.3.2 is om deze reden gegrond. De kwestie kan na cassatie en verwijzing opnieuw worden beoordeeld. Eventueel zou de Hoge Raad dit punt zelf kunnen afdoen door een wijziging van het dictum. De klacht onder 2.3.3 behoeft na het voorgaande geen bespreking meer.

2.36

Onder 2.3.4 voert de man aan dat het slagen van een of meer van de voorgaande onderdelen ook rov. 10 en het dictum treft, waarin het hof de beschikking van de rechtbank heeft bekrachtigd. Deze slotklacht behoeft hier geen afzonderlijke bespreking.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van 3 juli 2019 en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 Zie de feitenvaststelling in de bestreden beschikking van het gerechtshof Den Haag 3 juli 2019 (blz. 2) en in de beschikking in eerste aanleg van 29 augustus 2018 onder het kopje ‘Feiten’.

2 Bij brief van haar advocaat aan de rechtbank van 13 juli 2018 heeft de vrouw haar verzoek aangevuld.

3 Bij brief van zijn advocaat aan de rechtbank van 28 juni 2018 (zie ordner II) heeft de man zijn verzoek aangevuld.

4 De tekst van de huwelijkse voorwaarden is overgelegd als productie 2 bij het inleidend verzoekschrift. Lid 1 van art. 6 bepaalt onder meer, voor zover hier van belang, dat de kosten van de huishouding in enig jaar, deze kosten genomen in de ruimste zin van de wet (…) worden voldaan uit de in dat jaar genoten inkomens van de echtgenoten in de zin van artikel 5 en wel naar evenredigheid daarvan. (Artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden is door het hof geciteerd in rov. 6).

5 Vaste rechtspraak sinds HR 9 juli 2004 (rov. 3.6), ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270 m.nt. W.D.H. Asser; zie nadien onder meer: HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9991, NJ 2011/512 m.nt. H.B. Krans; HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:49.

6 Zie ordner II, prod. 51 – 56 bij voormelde brief van de advocaat van de man van 28 juni 2018.

7 Zie het beroepschrift van de man blz. 15 onder 6.1.

8 Asser/Perrick 4 2017/262. Zie M.R. Kremer, Groene Serie, bijzondere overeenkomsten, commentaar op art. 7:175 BW, aant 3.

9 Zie afdeling 2 van Titel 8 van Boek 1 BW (art 1:132 e.v.). Zie verder: Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 827, aantek. 5 (B.E.S. Tjin-A-Fat).

10 MvT, Kamerstukken II 1999/2000, 26 862, nr. 3, blz. 10.

11 Het eerste vereiste – voldoende samenhang met het scheidingsverzoek – kwam aan de orde in HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1457, NJ 2016/360, na conclusie van A-G Rank-Berenschot.