Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:222

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-03-2020
Datum publicatie
10-03-2020
Zaaknummer
19/03640
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:540
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Liquidatie op klaarlichte dag op straat in woonwijk in Leiden. Medeplegen moord, art. 289 Sr. 1. Bewijsklacht medeplegen. 2. Schriftuur b.p. ’s Hofs oordeel inzake in h.b. méér gevorderde (materiële en immateriële) schade dan in e.a. toereikend gemotiveerd? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/03472.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03640

Zitting 10 maart 2020

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de verdachte.

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 23 juli 2019 de verdachte wegens “medeplegen van moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur 22 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Daarnaast heeft het hof op de vorderingen van de benadeelde partijen beslist en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd zoals in het arrest omschreven. Verder heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de in het arrest genoemde onder de verdachte in beslag genomen, maar nog niet teruggegeven voorwerpen.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 19/03472. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft mr. F.J.M. Hamers, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld. Namens de verdachte hebben zijn advocaten, naar aanleiding van de namens de benadeelde partij ingediende cassatieschriftuur, een verweerschrift ingediend.

  5. Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 14 juni 2016 is [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) kort voor 6 uur ’s avonds op de Gieterijstraat te Leiden geliquideerd. Uit onder andere getuigenverklaringen volgt dat bij die schietpartij twee personen waren betrokken en dat de schoten werden afgevuurd vanuit een zwarte Volkswagen Caddy. De ene persoon schoot met een pistoolmitrailleur en de andere persoon bestuurde de Caddy. Na de schietpartij zijn zij weggereden en hebben de Caddy even verderop achtergelaten. Aldaar zijn ze op een scooter gestapt en weggereden. Het slachtoffer is na de schietpartij naar het Leids Universitair Medisch Centrum overgebracht alwaar hij diverse operaties heeft ondergaan. Desondanks is hij op 16 juni 2016 omstreeks half 4 ’s ochtends overleden. Er is sectie verricht op het lichaam van het slachtoffer en de conclusie van dat onderzoek luidde – kort gezegd – dat hij is overleden als gevolg van 33 schotwonden.

6. Het middel klaagt over het bewezenverklaarde medeplegen.

7. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 14 juni 2016 te Leiden tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn medeverdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen, met een automatisch vuurwapen op die [slachtoffer] geschoten ten gevolge waarvan deze [slachtoffer] is overleden.”

8. De bewezenverklaring steunt op de (73) bewijsmiddelen als genoemd in de bijlage op het arrest van het hof en de bewijsoverwegingen in dat arrest (p. 3 – 21).

9. Voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, heeft het hof het volgende overwogen (onderstreept en cursief in het origineel en met weglating van voetnoten):

De overwegingen van het hof omtrent het bewijs

1. Het schietincident op 14 juni 2016

Op 14 juni 2016 is [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) kort voor zes uur 's avonds op de Gieterij straat in Leiden, neergeschoten. (…)

5. Conclusie

Op grond van de vorenstaande bewijsmiddelen komt het hof tot de conclusie dat [slachtoffer] om het leven is gekomen door schoten afgevuurd met de in de Caddy aangetroffen pistoolmitrailleur. Hierbij waren twee personen betrokken, die aan kwamen rijden in de Caddy en vertrokken in de Caddy. De ene persoon schoot met de pistoolmitrailleur en de andere persoon maande de schutter aan 'stap in' of 'kom nu' en bestuurde de Caddy bij vertrek van die twee personen in de Caddy. De Caddy is op het Kiljanpad tot stilstand is gekomen waarna die twee personen op een bij de Telderskade geparkeerd staande scooter zijn gestapt en weggereden.

De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of de personen die betrokken waren als dader bij het schieten de personen op de scooter op de camerabeelden in de Jan Wolkersstraat waren.

De bewijsvraag met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte en diens medeverdachte

6. De bestuurder van de Caddy en de bijrijder op de Piaggio

6.1

Vast staat dat de liquidatie door twee personen is uitgevoerd. De daders stapten uit een zwarte Caddy en reden weg vanaf de kruising van de Rooseveltstraat met de Gieterij straat in dezelfde Caddy. Nabij het Kiljanpad is een zwarte Caddy aangetroffen met daarin een arsenaal aan (automatische) wapens en munitie. De bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek zijn minimaal zeer veel waarschijnlijker als de op de genoemde kruising afgevuurde kogels zijn afgeschoten uit de loop van de in die Caddy aangetroffen pistoolmitrailleur, dan als deze zijn afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van de pistoolmitrailleur. Het hof neemt op grond hiervan een rechtstreeks verband tussen de aangetroffen Caddy en het schieten door twee personen aan.

6.2

Geconfronteerd met DNA-sporen heeft medeverdachte [medeverdachte] tegenover de politie als verdachte verklaard dat hij op enig moment, maar niet op 14 juni 2016, in de zwarte Caddy gereden heeft.

Uit een bemonstering van de deurhendel aan de buitenzijde van de schuifdeur van deze Caddy is DNA-mengprofiel verkregen van minimaal twee personen, waarbij [verdachte] niet als donor kan worden uitgesloten. De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn meer dan 100 miljoen keer waarschijnlijker als het spoor celmateriaal van [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon bevat dan als het spoor celmateriaal van twee willekeurige onbekende personen bevat.

Ook aan de binnenzijde van de Caddy zijn sporen aangetroffen. Uit een bemonstering van de raambediening aan de bestuurszijde is DNA-mengprofiel verkregen van minimaal drie personen, waarbij [verdachte] niet als donor kan worden uitgesloten. De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn meer dan 100.000 keer waarschijnlijker als het spoor celmateriaal van [verdachte] en twee willekeurige onbekende persoon bevat dan als het spoor celmateriaal van drie willekeurige onbekende personen bevat.

Uit een bemonstering van de hendel ter bediening van de hoogte van de bestuurdersstoel is DNA-mengprofiel verkregen van minimaal vier personen, waarbij [verdachte] niet als donor kan worden uitgesloten. De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn meer dan 3.000 keer waarschijnlijker als het spoor celmateriaal van [verdachte] en drie willekeurige onbekende persoon bevat dan als het spoor celmateriaal van vier willekeurige onbekende personen bevat.

Blijkens de vakbijlage van het NFI hoort de term "veel waarschijnlijker" bij een ordegrootte aan bewijskracht van 100 - 10.000, "zeer veel waarschijnlijker" bij een ordegrootte aan bewijskracht van 10.000 - 1.000.000 en "extreem veel waarschijnlijker" bij een ordegrootte aan bewijskracht van meer dan 1.000.000.

6.3

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging van [verdachte] dat deze drie DNA-sporen niet kunnen bijdragen aan het bewijs, omdat niet geconstateerd is dat er daadwerkelijk DNA is aangetroffen, maar louter sprake is van een kansberekening op basis van statistiek. Het hof stelt vast dat er daadwerkelijk DNA is verkregen uit de bemonsteringen van de deurhendel, de raambediening en de hendel ter bediening van de hoogte van de bestuurdersstoel. De bevindingen van het DNA-onderzoek zijn door het NFI geïnterpreteerd en hebben geleid tot de hiervoor vermelde uitkomst. Gegeven enerzijds de omstandigheid dat de aangetroffen sporen mengsporen zijn en anderzijds het onbekende aantal potentiële donoren, waaronder [verdachte] , [medeverdachte] en de oorspronkelijke eigenaren van de Caddy kan de conclusie van de interpretatie van de bevindingen niet anders dan probabilistisch worden uitgedrukt. Te stellen dat zekerheid dient te worden gegeven omtrent de donor van het DNA in het aangetroffen spoor, miskent de huidige stand van de forensische wetenschap. De omstandigheid dat de interpretatie van de drie DNA-sporen uitmondt in drie waarschijnlijkheidsoordelen staat er niet aan in de weg deze bevindingen en conclusies van een deskundige, naast ander bewijs, te gebruiken als bewijsmiddel ter onderbouwing van de bewijsbeslissing door het hof over het ten laste gelegde feit.

6.4

De raadsman betwist dat [verdachte] iets te maken heeft met de Caddy. Het hof stelt vast dat het verweer niet ter discussie stelt dat in de bemonsteringen van de deurhendel, de raambediening aan de bestuurderszijde en de hendel DNA is aangetroffen en dat analyse van dit materiaal tot de door het NFI gerapporteerde uitkomst leidt.

Het verweer van de raadsman houdt in (blz. 21, nr. 6.8 pleitaantekeningen 2.7.2019): “ [verdachte] heeft verklaard dat hij nimmer voet in de Caddy heeft gezet. Het aangetroffen DNA is enkel te verklaren door secundaire overdracht.“ Op welke wijze deze secundaire overdacht zou hebben plaatsgevonden is niet geconcretiseerd. Bij gebreke van concrete stellingen is het niet mogelijk (geweest) nader onderzoek te laten doen op activiteitenniveau naar een scenario dat de aanwezigheid in de bemonsteringen van DNA verklaart op andere wijze dan door aanraking. Het enkele stellen dat sprake zal zijn geweest van secondaire overdracht is onvoldoende om een dergelijk onderzoek op activiteitenniveau te doen verrichten. [verdachte] heeft als verdachte ter zitting van 27 juni 2019 verklaard: “In de Berlingo lagen handschoenen die ik voor het verhuizen gebruikte. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij vaak in de Caddy reed, misschien heeft hij wel mijn handschoenen gebruikt. Ik zou anders niet weten hoe mijn DNA daar terecht is gekomen.” Het hof stelt vast dat ook deze verklaring van [verdachte] onvoldoende specifiek is om een nader onderzoek op activiteitenniveau te doen verrichten. Dit brengt mee dat het hof ook hieraan voorbij gaat.

6.5

Het voorgaande brengt mee dat het hof ervan uit zal gaan dat het zeer waarschijnlijk is dat [verdachte] op enig moment DNA op een deurhendel van de Caddy en in de Caddy (in de nabijheid van de bestuurdersstoel) heeft achtergelaten. De door het NFI gerapporteerde bewijskracht van de match in de verschillende sporen is daartoe voldoende hoog, waarbij het hof mede acht heeft geslagen op de omstandigheid dat het niet om één op zichzelf staand spoor gaat, maar om in totaal drie sporen naar (de omgeving van) de bestuurdersstoel wijzen.

6.6

Het hof stelt vast dat [verdachte] zich in de ochtend (Jan Wolkersstraat) en in de middag (Bart Smit) in de omgeving van de kruising van de Rooseveltstraat en de Gieterijstraat heeft bevonden. Op de beelden uit de Jan Wolkersstraat blijkt dat hij zich daar toen samen met medeverdachte [medeverdachte] bevond. Het hof stelt vast dat [verdachte] op dat moment een donkerkleurige pet droeg en [medeverdachte] een bril (terwijl hij op andere foto’s in het dossier en ter terechtzitting geen bril draagt) en een zwart sportjack met capuchon, met wit embleem en witte rits. Zowel [medeverdachte] als [verdachte] droegen donkerkleurige schoenen met een witte zool.

[medeverdachte] en [verdachte] zijn samen in de ochtend van 14 juni 2016 met de Berlingo vanuit Zaandam naar Leiden gereden. [medeverdachte] komt uiteindelijk bij het station Leiden Centraal om 18.05 uur en neemt daar de trein van 18.14 uur richting Haarlem. Hij draagt op dat moment niet langer het zwarte sportjack met capuchon, met wit embleem en witte rits, maar een colbert. [medeverdachte] reist terug naar Zaandam. [verdachte] arriveert om 18.09 uur bij het station Leiden Centraal. Hij draagt op dat moment geen donkerkleurige pet, maar een lichte pet. [verdachte] neemt de stoptrein richting Den Haag van 18.19 uur, keert terug op Leiden Centraal om 19.38 uur, neemt naar eigen zeggen de bus, haalt de Berlingo op en keert terug naar Zaandam.

6.7

Het hof leidt hieruit af dat op 14 juni 2016

- [medeverdachte] en [verdachte] samen vanuit Zaandam naar Leiden zijn gekomen met de Berlingo,

- samen de ochtend hebben doorgebracht in het gebied nabij de kruising van de Rooseveltstraat en Gieterij straat,

- in ieder geval [verdachte] ook in de middag nog in die omgeving heeft rondgelopen,

- [medeverdachte] en [verdachte] ongeveer gelijktijdig kort na de liquidatie aankomen in het stationsgebied en met de trein vanuit station Leiden Centraal weggaan uit Leiden,

- zowel [medeverdachte] als [verdachte] op dat moment iets hebben veranderd aan hun kleding, waardoor hun uiterlijk niet meer voldoet aan een eventueel signalement gebaseerd op hun kleding eerder die dag,

- [verdachte] terugkeert op station Leiden Centraal, de Berlingo ophaalt en naar Zaandam terugrijdt.

6.8

[verdachte] is op 14 juni 2016 de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Deze telefoon is op 14 juni 2016 buiten bereik van het netwerk tussen 16.25 uur en 18.05 uur. Om 18.05 uur maakt de telefoon gebruik van het basisstation Boommarkt te Leiden. De Weddesteeg, waar de vluchtscooter is achtergelaten, en het stationsgebied in Leiden vallen onder het bereik van dit basisstation. De periode waarin deze telefoon uit stond valt samen met de tijdspanne waarin het ten laste gelegde feit heeft plaatsgevonden en eindigt rond het tijdstip waarop de door [medeverdachte] bestuurde Piaggio in de Weddesteeg geparkeerd werd.

[verdachte] heeft ter verklaring van het uitzetten van zijn telefoon aangevoerd dat zijn batterij bijna leeg was, hij had nog één streepje over. Deze verklaring vindt zijn weerlegging in de omstandigheid dat deze telefoon de rest van de avond aan heeft gestaan. Ook de verklaring van [verdachte] dat hij de telefoon heeft uitgezet omdat hij niet wilde dat zijn vrouw hem belde terwijl hij aan het gebruiken was, acht het hof niet aannemelijk geworden. [verdachte] heeft op geen enkel moment concreet aangegeven waar en wanneer hij verdovende middelen zou hebben gekocht, terwijl het gaat om eenvoudig te verifiëren gegevens die ontlastend kunnen zijn ter zake de op hem rustende verdenking van moord. De stelling van [verdachte] dat de prijzen van verdovende middelen in Leiden lager zijn dan in Zaandam of Amsterdam acht het hof evenmin aannemelijk gelet op het rapport van het Trimbos Instituut en de Jellinek.

De telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer] is na 14 juni 2016 niet meer gebruikt. [verdachte] heeft ter verklaring van deze omstandigheid aangevoerd dat de telefoon gestolen was (zakkenrollerij). Deze omstandigheid is niet nader onderbouwd met bijvoorbeeld een aangifte. Bij gebreke van een nadere onderbouwing acht het hof deze verklaring niet aannemelijk geworden. Het hof leidt uit het voorafgaande af dat de door [verdachte] gebruikte telefoon zonder aannemelijk geworden verklaring uitstond op 14 juni 2016 tussen 16:25 uur en 18:05 uur en na 14 juni 2016 niet meer gebruikt is.

6.9

[medeverdachte] heeft naar eigen zeggen alles, ook de telefoon die hij bij zich had, weggegooid bij een brug waar hij de Piaggio had geparkeerd.

Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte] zich ontdoet van het sportjack met capuchon en van de telefoon die hij bij zich had door deze weg te gooien bij een brug nabij de Weddesteeg.

Het hof signaleert parallellen tussen de vaststellingen in 6.6, 6.7 en 6.9 en leidt daaruit af dat [medeverdachte] en [verdachte] in de ochtend van 14 juni 2016 samen zijn opgetrokken in de omgeving van de plaats waar later die dag de liquidatie heeft plaats gevonden, zij gelijktijdig in het stationsgebied in Leiden zijn, en hun telefoons, voor zover de nummers daarvan bij de politie bekend zijn, in ieder geval uit hebben gestaan op 14 juni 2016 tussen 16:25 uur en 18:05 uur, terwijl de telefoon van [verdachte] na 14 juni 2016 niet meer is gebruikt.

6.10

Zoals hiervoor overwogen hebben [getuige 1] en [getuige 2] gezien dat de bijrijder uit de Caddy 'viel' en een scooter ging besturen. [getuige 1] en [getuige 2] hebben ook gezien dat de bestuurder van de Caddy achterop de scooter is gaan zitten. [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] hebben geen andere scooter en geen andere personen gezien.

Op grond van deze verklaringen acht het hof bewezen dat de bestuurder van de Caddy achterop de Piaggio is gaan zitten. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat een ander dan de bestuurder van de Caddy achterop die scooter is gaan zitten. Ook acht het hof bewezen dat er op dat moment maar één scooter met daarop twee personen op het Kiljanpad en de Jan Wolkersstraat reed.

6.11

[medeverdachte] heeft erkend dat hij de bestuurder is van de Piaggio op de camerabeelden in de Jan Wolkersstraat omstreeks 17.55 uur op 14 juni 2016.

Verbalisant [verbalisant] heeft [verdachte] vijf keer gehoord als verdachte. Hij stelt vast dat op foto 6 (hof: de foto van de scooter op de Jan Wolkersstraat te Leiden) van de man achter op de scooter, de haarlijn, haardracht, ogen, neus en de stand van de oren overeen komen met de verdachte [verdachte] .

De door verdachte [verdachte] die dag gedragen schoenen (donker van kleur en met een witte zool) komen qua uiterlijke kenmerken overeen met de door de man achterop de scooter gedragen schoenen.

In combinatie met het tijdsverloop tussen het moment van het schieten, de locatie waar de Piaggio is, achtergelaten, de onder 6.1, 6.4, 6.7, 6.8, 6.9 en 6.10 weergegeven vaststellingen, acht het hof bewezen dat [verdachte] de passagier op de Piaggio is. De omstandigheid dat de kleur van de spijkerbroek op de verschillende foto's net even anders zou zijn, doet hier niet aan af (pleidooi 6.0), aangezien deze omstandigheid zich door verschillen in lichtval en afdruk laten verklaren.

De raadsman heeft aangevoerd dat bewijsmiddel E, te weten de beelden van de scooter van 17.55 uur, waarbij de rechtbank aangeeft dat [verdachte] niet met absolute zekerheid valt te herkennen, maar dat die persoon zeer wel [verdachte] zou kunnen zijn, een gebrekkig bewijsmiddel is en niet voor het bewijs kan worden gebezigd (pleidooi 7.9 sub E jo. 8.2).

Het hof begrijpt het verweer aldus dat het hof niet, gelijk de rechtbank lijkt te hebben gedaan, zelfstandig [verdachte] als bijrijder op de Piaggio kan herkennen. Deze situatie doet zich naar het oordeel van het hof niet voor en het verweer behoeft verder geen bespreking.

6.12

Gegeven het feit dat de bestuurders van de Caddy achterop de scooter is gaan zitten en het hof bewezen acht dat [verdachte] de passagier op de Piaggio is, brengt dit mee dat [verdachte] ter plaatse van de liquidatie roept ‘stap in’ of ‘kom nu’ en de bestuurder van de Caddy direct na de liquidatie is. Dit vindt steun in de conclusie op basis van het DNA-onderzoek. Gesteld noch gebleken is dat [verdachte] op enig ander moment dan op 14 juni 2016 de Caddy heeft bestuurd. De bestuurder van de Caddy ( [verdachte] ) is, zoals hiervoor overwogen, medepleger van liquidatie. Er doet zich geen zogeheten Meer- en Vaart-situatie voor.

7. De schutter

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij is te zien op de camerabeelden in de Jan Wolkersstraat als bestuurder van de Piaggio, nadat had hij deze op het Kiljanpad van het slot had gehaald en er (met iemand achterop) op was weggereden. Niet ter discussie staat dat dit onmiddellijk na de liquidatie van [slachtoffer] en vlakbij de plaats delict was. De vraag is of het [medeverdachte] is geweest die [slachtoffer] heeft neergeschoten.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de schutter na het neerschieten van [slachtoffer] op de Gieterijstraat aan de bijrijderskant van de Caddy is ingestapt en dat deze Caddy naar het Kiljanpad is gereden, waar eerst een man uit de bijrijderskant van de langzaam rijdende Caddy stapt (of in de woorden van de getuige: valt). Vervolgens wordt de Caddy geparkeerd en stapt de bestuurder uit.

Het hof overweegt dat indien wordt vastgesteld dat de man die aan het Kiljanpad uit de bijrijderskant uit de Caddy stapte (of: viel) ook degene was die de Piaggio van het slot haalde en als bestuurder erop plaats nam, daarmee tevens vaststaat dat [medeverdachte] de schutter was.

Het hof acht de volgende getuigenverklaringen daarvoor van belang:

De getuige [getuige 1] zag dat aan de bijrijderskant van de Caddy een schuifdeur open gaan waar een man uitkwam. De man rende achter de getuige langs naar een scooter en reed daarmee over het fietspad weg. [getuige 1] zag een tweede persoon, de bestuurder van het busje, achterop de scooter springen.

De getuige [getuige 2] zag, nadat [getuige 1] zei "moet je kijken er valt een kerel uit die auto", een man komen aanrennen. Die man rende achter de getuige langs naar een scooter. Die man stapte op een scooter en reed met een tweede persoon achterop weg.

De getuige [getuige 4] zag iemand voor zich langs rennen. Die persoon was bezig met het slot van een scooter. Uit zijn ten overstaan van de rechter-commissaris gemaakte situatieschets volgt dat deze persoon vanuit de rijrichting van de Caddy rent naar de plek waar de scooter stond.

Uit deze drie verklaringen kan worden afgeleid dat één en dezelfde man uit de bijrijdersplaats van de Caddy komt, de Piaggio van het slot haalt en als bestuurder er op plaatsneemt. Uit die vaststelling volgt dat [medeverdachte] - die bekend heeft de bestuurder van de Piaggio te zijn geweest - op het Kiljanpad uit de bijrijdersplaats van de Caddy is gekomen nadat hij op de plaats delict daar is ingestapt.

Het hof wijst er bovendien op dat zowel de getuige [getuige 2] als de getuige [getuige 1] , zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris, hebben verklaard dat degene die uit de bij rijdersplaats van de Caddy kwam een bril ophad. Het feit dat [medeverdachte] op de camerabeelden in de Jan Wolkersstraat als bestuurder van de Piaggio een bril draagt, ondersteunt het bewijs dat [medeverdachte] de man is die uit de bijrijdersplaats van de Caddy stapt en vervolgens op de scooter stapt.

8. Verklaring [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep als getuige

De medeverdachte [medeverdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 27 juni 2019 als getuige, verklaard dat de bijrijder op de scooter niet [verdachte] is geweest. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij dacht dat hij in zijn verklaring bij de rechtbank duidelijk was geweest en al impliciet had aangegeven dat [verdachte] er niet bij was. Hij had toen verklaard dat hij eerder die dag afscheid van [verdachte] had genomen en later met de persoon van de Piaggio had afgesproken.

Als getuige heeft [medeverdachte] zich ertoe beperkt te verklaren dat de persoon achterop de door hem bestuurde scooter niet [verdachte] was. Het hof gaat voorbij aan deze buitengewoon summiere door [medeverdachte] als getuige ter zitting in hoger beroep afgelegde verklaring. Het hof acht deze verklaring niet betrouwbaar wegens strijd met het overige hiervoor besproken bewijs.

9. Conclusie

Het hof stelt vast dat het [medeverdachte] is geweest die op 14 juni 2016 op de Gieterijstraat/Rooseveltstraat na de liquidatie in de Caddy aan de bijrijderszijde is gestapt en aldaar bij de Telderskade uit de bijrijdersplaats van de Caddy naar de Piaggio is gerend, deze Piaggio van het slot heeft gehaald en over het Kiljanpad en de Jan Wolkersstraat is weggereden, waarna hij deze in de Weddesteeg heeft achtergelaten. Het hof acht bewezen dat [medeverdachte] [slachtoffer] heeft neergeschoten.

10. Medeplegen

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

[medeverdachte] en [verdachte] zijn op 14 juni 2016 samen naar Leiden gereden in de Berlingo met [verdachte] als bestuurder. Daar hebben zij ’s ochtends te voet gezamenlijk de vluchtroute over het Kiljanpad en de Jan Wolkersstraat bekeken. [verdachte] heeft in de middag van 14 juni 2016 nog rondgelopen in de woonomgeving van [slachtoffer] , terwijl [slachtoffer] de gewoonte had ook ’s middags een rondje te lopen in die omgeving. Aan het eind van de middag heeft [verdachte] zijn telefoon uitgezet. [medeverdachte] en [verdachte] zijn in de Caddy naar de Gieterijstraat gereden. Daar zijn zij uitgestapt. [medeverdachte] heeft [slachtoffer] neergeschoten. [verdachte] riep “stap in, kom nu snel” en is achter het stuur gaan zitten. [medeverdachte] is aan de bijrijderskant ingestapt. Zij zijn in de Caddy weggereden naar het Kiljanpad, waar zij zijn overgestapt op een Piaggio, met [medeverdachte] als bestuurder en [verdachte] als passagier achterop. Deze Piaggio hebben zij achtergelaten in de Weddesteeg. [medeverdachte] heeft kleding en een telefoon in het water gegooid. [verdachte] heeft zijn telefoon aangezet. Beiden zijn afzonderlijk van elkaar naar Leiden Centraal gelopen en hebben – afzonderlijk van elkaar – een trein genomen. [verdachte] heeft later die avond de Berlingo opgehaald en is daarmee naar Zaandam gereden. De telefoon van [verdachte] is na 14 juni 2016 niet meer gebruikt.

Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde bewezen.

(…)”

10. In de kern klaagt het middel dat ’s hofs oordeel inzake het medeplegen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende is gemotiveerd, nu de daaromtrent door het hof vastgestelde gedragingen in verband plegen te worden gebracht met medeplichtigheid en niet met medeplegen.

11. Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.1

12. Op grond van hetgeen het hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft vastgesteld en in de nadere bewijsoverweging heeft overwogen, heeft het geoordeeld dat tussen de verdachte en de medeverdachte een zodanige bewuste en nauwe samenwerking sprake was dat zij de bewezenverklaarde moord tezamen en in vereniging hebben gepleegd.

13. Hiertoe heeft het hof onder meer vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte in de ochtend van 14 juni 2016, de dag van de liquidatie, in de Berlingo vanuit Zaandam naar Leiden zijn gereden en daarna in Leiden hebben rondgelopen en de – later gebleken – vluchtroute hebben bekeken. Ook heeft de verdachte die middag rondgelopen in de buurt van de woonomgeving van het slachtoffer. Het slachtoffer is die dag kort voor 6 uur ’s avonds vanuit een zwarte Volkswagen Caddy 33 keer met een pistoolmitrailleur beschoten. Het hof heeft – mede op grond van DNA-sporen – vastgesteld dat de verdachte de bestuurder was van die Caddy en de medeverdachte de bijrijder. De medeverdachte heeft op het slachtoffer geschoten en de verdachte riep vanuit die Caddy iets in de trant van “stap in, kom nu snel” naar de medeverdachte. Daarna zijn zij samen weggereden en even verderop overgestapt op een scooter. De medeverdachte was de bestuurder van de scooter en de verdachte zat achterop, aldus het hof. Even na 6 uur ’s avonds zijn zij beiden aangekomen op Leiden Centraal. Het hof stelt vast dat zij op dat moment iets aan hun uiterlijk hebben veranderd, zo heeft de verdachte een andere kleur pet op dan eerder op die dag en heeft de medeverdachte zijn sportjack met capuchon verruilt voor een colbert. Ook de telefoon die de verdachte in gebruik had, heeft vanaf ongeveer half 5 die middag tot even na 6 uur uitgestaan, terwijl de verdachte daarvoor geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven. Die telefoon is na 14 juni 2016 ook niet meer gebruikt.

14. Dat het hof op grond hiervan heeft geoordeeld dat tussen de verdachte en de medeverdachte een nauwe en bewuste samenwerking bestond, geeft − gelet op hetgeen ik voorop heb gesteld − geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, noch is dat oordeel niet begrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Ik neem daarbij mede in aanmerking ‘s hofs aanvullende bewijsoverweging inzake het bewezenverklaarde medeplegen. Ook doet daaraan niet af, noch is dat oordeel strijdig met zijn vaststelling dat de verdachte de medeverdachte op zijn verzoek naar Leiden heeft gebracht, omdat de medeverdachte geen rijbewijs had.

15. Het middel faalt.

16. De advocaat van de benadeelde partij [benadeelde] komt in zijn cassatieschriftuur met twee klachten op tegen de beslissing van het hof ten aanzien van de vordering van die [benadeelde] . Geklaagd wordt over (de motivering van) ’s hofs beslissingen ten aanzien van zowel het materiële als het immateriële deel van de gevorderde schade. De advocaat van de verdachte heeft bij verweerschrift gereageerd op de namens de benadeelde partij ingediende klachten. Zijn betoog strekt ertoe dat de namens de benadeelde partij ingestelde klachten verworpen dienen te worpen.

17. Namens voornoemde benadeelde partij is gezien het “verzoek tot schadevergoeding” van 30 maart 2018 in eerste aanleg een bedrag van € 343,08 aan materiële schade en een bedrag van € 10.000 aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente, gevorderd, toegelicht en onderbouwd. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding geheel toegewezen.

18. Ter terechtzitting van het hof van 27 juni 2019 is namens de benadeelde partij die vordering verhoogd. De “aanvullende toelichting/vordering voeging benadeelde partijen” luidt voor wat betreft die verhoging als volgt (vetgedrukt, onderstreept en cursief in het origineel):

Benadeelde partij : [benadeelde] ( [benadeelde] - schoonzus van [slachtoffer] )

In eerste aanleg heeft [benadeelde] schadevergoeding op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b BW gevorderd. In casu shockschade.

De rechtbank heeft deze vordering toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schadevergoeding.

[benadeelde] staat nog steeds onder behandeling van een psycholoog (na verwijzing van de psychiater). De psycholoog heeft recent een verslag gemaakt over de behandelingen van [benadeelde] (Productie 5: Brief psycholoog). Daarnaast loopt [benadeelde] nog bij de psychiater voor de medicatie.

Waarom deze aanvullende toelichting?

Ten tijde van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg was niet duidelijk wat de impact van de gevolgen van het zien van haar zwager zou zijn. Uit het verslag van de psycholoog blijkt dat [benadeelde] de gevolgen van het zien van haar zwager nog niet heeft verwerkt. Ik verwijs naar het verslag, waar dit wordt uiteengezet door de psycholoog.

Tevens was niet duidelijk in hoeverre [benadeelde] arbeidsongeschikt zou blijven. Inmiddels is bekend dat [benadeelde] volledig arbeidsongeschikt is. Per 14-06-2016 (dag van het plegen van het misdrijf) heeft [benadeelde] zich ziekgemeld. Nu na 03 jaar is [benadeelde] nog steeds arbeidsongeschikt. Per 08 oktober 2018 is [benadeelde] in aanmerking gekomen voor een WIA-uitkering. De eerste 02 maanden is deze uitkering 75% van het laatstgenoten loon (1 juni 2015-31 mei 2016), en per 08 december is dat 70%. Als productie 6 treft u aan de stukken met betrekking tot deze WIA- uitkering).

Kortom [benadeelde] heeft een verlies aan verdienvermogen.

[benadeelde] wil haar vordering verhogen.

Materiële schade

Op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b BW vordert [benadeelde] materiële schade. In casu shockschade.

Deze schade bestaat uit het verlies aan verdienvermogen. Bij één van de stukken is door het UWV bekerend hoeveel [benadeelde] aan uitkering ontvangt. Dit betreft een bruto-berekening.

De berekening:

Het UWV heeft berekend dat het WIA-maandloon € 1.897,04 is. [benadeelde] krijg uitgekeerd 70% van dit bedrag, te weten bruto € 1.327,93. Evident is dat de schade van [benadeelde] € 569,11 bruto per maand is. Dit bedrag dient nog naar netto te worden omgezet. Ik ga uit van een belastingdruk van 35%, waardoor het verlies aan verdienvermogen € 369,92 netto per maand is (€ 569,11 x 65%). Per 08 oktober 2018 is dit ingegaan. Ik zal de berekening uitvoering tot 09 oktober 2019 of wel een periode van 12 maanden. Ik sluit niet uit dat de periode natuurlijk veel langer is, maar om de berekening eenvoudig te houden wordt een periode van 12 maanden genomen.

Het totale bedrag aan verlies aan verdienvermogen is 12 x € 369,82 is € 4.439,04.

Immateriële schade

Op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b BW vordert [benadeelde] immateriële schade. In casu shockschade.

Het toegewezen bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schadevergoeding doet onvoldoende recht aan de huidige situatie. De onderbouwing daarvan is gelegen in het verslag van de psycholoog.

Tevens is [benadeelde] haar werk kwijtgeraakt, waar zij al vele jaren met plezier werkte. [benadeelde] is terecht gekomen in de WIA. Haar gezien heeft onder de gebeurtenissen geleden. De geestelijke toestand van [benadeelde] heeft zijn weerga op het gezien en haar relatie. [slachtoffer] woonde nagenoeg in bij de familie, en [slachtoffer] deed alles voor de familie. Het gemis van [slachtoffer] wordt met de dag erger.

[benadeelde] vordert een bedrag van € 25.000,00.

Dit bedrag wordt ondersteund door de volgende uitspraken:

ECLI:NL:RBMNE:2019:1509 (€ 25.000,00);

ECLI:NL:RBMNE:2019:1273 (€ 35.000,00)

Vordering/schadevergoedingsmaatregel:

[benadeelde] weet dat het bedrag aan schadevergoeding niet kan worden verhoogd tijdens of in de hoger beroepsprocedure. [benadeelde] stelt voor dat u de vordering tot € 10.000,00 toewijst en voor het overige haar niet-ontvankelijk verklaard, maar dat u wel voor het gehele bedrag te weten € 4.439,04 plus € 25.000,00 is € 29.439,04 de schadevergoedingsmaatregel oplegt.

U kunt dat doen als u van mening bent dat de verdachten naar civiel recht aansprakelijk zijn voor de schade die [benadeelde] heeft geleden en nog zal lijden. In casu heeft geleden.

Jurisprudentie:

Hieronder recente uitspraken waar het hof Amsterdam tot dezelfde conclusie is gekomen als hierboven uiteengezet.

ECLI: NL: GHAMS: 2016:5430;

ECLI: NL: GHAMS: 2017:487.

Schadevergoedingsmaatregel:

In het belang van benadeelden hebben zij recht op een compensatie die als maatregel zoals bedoeld in art. 36 f Sr., wordt opgelegd waarbij geldt dat de verdachte bij betaling aan de Staat is gekweten van betaling aan de benadeelde partijen en andersom.

Mocht de Rechtbank van oordeel zijn dat de vordering deels onevenredig belastend is voor behandeling in het strafgeding, dan verzoeken benadeelden de rechtbank om het deel dat niet onevenredig belastend is toe te wijzen en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren (in plaats van af te wijzen).

Benadeelden behouden zich op grond van artikel 51f lid 3 Sv. uitdrukkelijk het recht voor om eventueel overige, nu nog niet bekende of gevorderde, schade in een later stadium via een civiele procedure van de verdachte te vorderen.”

19. Het hof heeft als volgt op die vordering beslist (onderstreept in het origineel):

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde]2

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van de geleden materiele en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 10.343,08 (€ 10.000,- immaterieel en € 343,08 materieel).

De vordering is in hoger beroep integraal gehandhaafd.

Bij brief van 22 juni van mr. Hamers, inclusief bijgevoegde producties, is deze vordering aangevuld en is deze aanvulling namens de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep toegelicht. De benadeelde partij wenst de vordering in hoger beroep te verhogen, nu het oorspronkelijk gevorderde bedrag geen recht doet aan de huidige situatie. De benadeelde partij vordert thans en bedrag van € 25.000,- aan immateriële schade, in plaats van het oorspronkelijk gevorderde bedrag van € 10.000,-, en een bedrag van € 9.221,16 aan materiele schade, bestaande uit € 343,08 voor vliegtickets, zijnde het oorspronkelijk gevorderde bedrag, en € 8.878,08 voor verlies aan verdienvermogen tot 2020.

De raadsman heeft verzocht, nu verhoging van de vordering in hoger beroep niet mogelijk is, de vordering voor wat betreft het oorspronkelijk gevorderde bedrag (€ 10.343,08) toe te wijzen en de benadeelde partij ten aanzien van het bedrag dat het oorspronkelijk gevorderde bedrag overstijgt (€ 23.878,08) niet-ontvankelijk te verklaren, maar evenwel voor het volledige in hoger beroep gevorderde bedrag de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen.

De advocaat-generaal heeft, zoals reeds overwogen, geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 10.000,-. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard. Wel dient ten aanzien van het gehele in hoger beroep gevorderde bedrag (€ 29.439,04) de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet anders dan met een pleidooi tot vrijspraak betwist.

Het hof overweegt het volgende.

Materiële schade

Ingevolge artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan een benadeelde partij zich in hoger beroep binnen de grenzen van zijn eerste vordering voegen. Dat betekent dat het gevorderde bedrag in hoger beroep het oorspronkelijk gevorderde bedrag niet kan overstijgen.

Zoals reeds overwogen is ook de raadsman zich hiervan bewust en heeft hij derhalve verzocht voor het volledig gevorderde bedrag in hoger beroep de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, nu dat blijkens de wet wel tot de mogelijkheden behoort.

Het hof is van oordeel dat hoewel uit de bewoordingen alsmede de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van artikel 36f Sr volgt dat de in die bepaling bedoelde maatregel een strafrechtelijke reactie is die los van de beslissing in de voegingsprocedure kan worden gegeven, de vraag naar het bestaan van een causaal verband tussen het feit en de ontstane schade een noodzakelijke voorwaarde is die dient te worden onderzocht.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 343,08 aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Naar het oordeel van het hof brengt het onderzoek naar de vraag of de gevorderde materiele schade á € 8.878,08 wegens verlies verdienvermogen een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde een onevenredige belasting van het strafproces met zich mee. De bij de aanvullende vordering gevoegde producties maken dit niet anders. Uit de bijgevoegde brief van GZ-psycholoog [betrokkene 1] blijkt immers dat de benadeelde partij is verwezen door een psychiater waar zij sinds 2014 onder behandeling is vanwege een aantal reeds voorafgaand aan 14 juni 2016 bestaande klachten. Deze klachten zouden zijn verstrekt sinds het bewezenverklaarde feit. Uit deze producties blijkt echter niet hoe de huidige klachten zich verhouden tot de gebeurtenissen op 14 juni 2016 en de reeds voordien bestaande arbeidsongeschiktheid. De benadeelde partij zal in zoverre in haar vordering niet ontvankelijk worden verklaard.

Immateriële schade

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade voor in ieder geval een bedrag van € 10.000,- is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij stelt dat de vóór 14 juni 2016 reeds aanwezige klachten zijn verergerd door de gebeurtenissen op 14 juni 2016 en dat na het vonnis van de rechtbank de schade is vergroot. Uit de gegeven toelichting en de onderbouwing van deze vordering volgt naar het oordeel van het hof niet voldoende concreet in welke mate de thans aanwezige klachten hun oorsprong vinden in de gebeurtenissen op 14 juni 2016 en in welke mate in de voordien aanwezige problemen. Ook is het hof niet duidelijk waarom de immateriële schade thans zoveel hoger is dan ten tijde van de behandeling van de vorering door de rechtbank (voorjaar 2018).

Het vorenstaande leidt ertoe dat de benadeelde partij voor het de oorspronkelijke vordering overstijgende deel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Nu de vordering ten dele wordt toegewezen dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] ,

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 10.343,08 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] . Het hof acht gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen termen aanwezig deze maatregel tot een hoger bedrag op te leggen.

20. In cassatie wordt geklaagd over de motivering van het oordeel van het hof inzake de in hoger beroep méér gevorderde (materiële schade en immateriële) schade dan in eerste aanleg.

21. Bij de beoordeling van deze klacht is het navolgende van belang. De benadeelde partij kan zich op grond van art. 421, derde lid, Sv binnen de grenzen van haar eerste vordering in hoger beroep voegen. Binnen de grenzen betekent: geen nieuwe schadeposten en geen verhoging van eerder opgevoegde schadeposten.3 In cassatie speelt de benadeelde partij vervolgens slechts een rol indien het OM of de verdachte beroep in cassatie instelt. Alleen in dat geval is de benadeelde partij bevoegd om binnen een maand nadat de aanzegging (art. 435, tweede lid, Sv) is betekend, door een advocaat een schriftuur te doen indienen “houdende haar middelen over een rechtspunt hetwelk uitsluitend haar vordering betreft” (art. 437, vierde lid, Sv). De schriftuur mag dus alleen een rechtspunt betreffen dat de civiele vordering raakt.4 Middelen en/ of klachten die daar buiten vallen leiden tot niet-ontvankelijkheid van die middelen en/of klachten.

22. Van belang voor de beoordeling van het middel is voorts dat art. 36f Sr bepaalt dat de rechter aan de verdachte de verplichting kan opleggen tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer of de personen genoemd in art. 51f, tweede lid, Sv, indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Voor het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel is daarnaast vereist dat sprake is van ‘rechtstreekse schade’. De schadevergoedingsmaatregel is een strafrechtelijke sanctie die los van de beslissing in de voegingsprocedure kan worden opgelegd.5 Die sanctie kan dus ook worden opgelegd indien het slachtoffer geen schadevergoeding heeft gevorderd of niet in zijn vordering kan worden ontvangen.6

23. In het onderhavige geval heeft het hof de vordering ter hoogte van de oorspronkelijke, in eerste aanleg ingediende vordering van de benadeelde partij toegewezen en de benadeelde partij voor het de oorspronkelijke vordering overstijgende deel niet-ontvankelijk verklaard, zoals ook namens de benadeelde partij was verzocht. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en over de motivering van deze beslissing kan in cassatie niet worden geklaagd.

24. Voorts overweegt het hof dat de schadevergoedingsmaatregel een strafrechtelijke reactie betreft die los van de beslissing in de voegingsprocedure kan worden opgelegd, maar dat niettemin de vraag naar het bestaan van een causaal verband tussen het feit en de ontstane schade een noodzakelijke voorwaarde is die dient te worden onderzocht. Aangenomen moet worden dat het hof de méér gevorderde materiële en immateriële schade, te weten het verlies van verdienvermogen en de verhoging van de schadepost “psychisch leed”, vervolgens heeft beoordeeld in het kader van de eventuele oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

25. Het door de steller van het middel bestreden motivering van het oordeel van het hof inzake de schadeposten “verlies verdienvermogen” en de verhoging van de schadepost “psychisch leed” ziet derhalve op de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en over dat oordeel kan door de benadeelde partij in cassatie niet worden geklaagd. De oplegging van een sanctie aan de verdachte is immers geen rechtspunt dat de vordering van de benadeelde partij betreft. De door de advocaat van de benadeelde partij ingestelde klachten, moeten in zoverre dan ook niet-ontvankelijk worden geacht en laat ik verder onbesproken.

26. Het middel faalt.

27. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

28. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

29. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie onder meer HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2126, r.o. 2.5.

2 Ik breng in herinnering dat uit de schriftuur van de advocaat van de benadeelde partij blijkt dat [benadeelde] als roepnaam [benadeelde] heeft.

3 Zie onder andere HR 7 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1492. Indien door de verdachte of het openbaar ministerie geen hoger beroep is ingesteld, kan door de benadeelde partij op grond van art. 421, vierde lid, Sv tegen de afwijzing in hoger beroep komen bij het gerechtshof. In dat geval wordt de behandeling van de vordering afgewikkeld als ware zij ook in eerste aanleg door de civiele rechter beoordeeld.

4 Zie ook: A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Wolters Kluwer: Deventer 2018, p 122 – 123.

5 HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga (overzichtsarrest vordering benadeelde partij), r.o. 2.9.1.

6 Zie: HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5730 en HR 16 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1844.