Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:206

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-01-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
17/05574
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:367
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beleggingsfraude. Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd (art. 326 Sr) en deelname aan een criminele organisatie (art. 140 Sr). 1. Ten laste van verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat hij zich in de periode van 1 oktober 2000 t/m 22 juni 2001 schuldig heeft gemaakt aan oplichting. 1. Verjaring feit 2 gelet op verandering van wetgeving t.z.v. art. 326 Sr en art. 72 Sr? 2. Verschillende bewijsklachten m.b.t. bewezenverklaarde oplichting, i.h.b. tegen de bewezenverklaarde oplichtingsmiddelen en tegen oordeel hof dat één of meer personen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels zijn bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedragen. 3. Motivering afwijzing getuigenverzoek. 4. Verwerping verweer dat ‘criminele oogmerk’ a.b.i. art. 140 Sr niet bewezen kan worden. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 17/05574

Zitting 14 januari 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 22 november 2017 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem1, wegens 2. ‘medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd’ en 3. ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’, veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Het hof heeft 29 benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in de door elk van hen ingediende vordering tot schadevergoeding. En het heeft aan de verdachte de verplichting opgelegd om aan de Staat, ten behoeve van de 29 slachtoffers die als benadeelde partij een vordering hebben ingediend, een bedrag van € 290.000, oftewel € 10.000 per slachtoffer, te betalen.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld. Ik zal deze middelen in afwijkende volgorde bespreken.

Verjaring?

3. Voorafgaand aan de middelen vraagt de steller daarvan aandacht voor de mogelijke verjaring van feit 2.

4. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat hij zich in de periode van 1 oktober 2000 tot en met 22 juni 2001 schuldig heeft gemaakt aan oplichting. In geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring geldt naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd.2 Tot 1 februari 2006 kende art. 326 Sr een strafmaximum van drie jaren gevangenisstraf. Dat brengt mee dat het recht tot strafvordering op dat moment nog niet verjaard was. Ingevolge art. 70 Sr verjaart het recht tot strafvordering in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld.

5. Op 1 februari 2006 is het strafmaximum van art. 326 Sr omhoog gegaan naar vier jaren gevangenisstraf.3 Dat bracht mee dat vanaf die datum het recht tot strafvordering ter zake van oplichting verjaart in twaalf jaren (art. 70, eerste lid, onder 3o Sr). Op 1 januari 2006 was evenwel art. 72 Sr gewijzigd.4 Uit het tweede lid volgt sindsdien dat na de stuiting een nieuwe verjaringstermijn aanvangt, maar dat het recht tot strafvordering (bij misdrijven5) vervalt indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.

6. De steller van de middelen meent dat toepassing van dit samenstel van regels meebrengt dat de verjaringstermijn in het onderhavige geval achttien jaren bedraagt. De ‘eerste’ verjaringstermijn was gestuit voordat het strafmaximum van art. 326 Sr verhoogd was; daarom zou alleen ‘de op dat moment lopende (nieuwe) verjaringstermijn’ van zes naar twaalf jaren zijn opgerekt. De reeds door stuiting geëindigde verjaringstermijn zou niet ‘met terugwerkende kracht eveneens’ worden opgerekt van zes naar twaalf jaren.

7. Deze berekening berust op een onjuiste interpretatie van de wettelijke regeling. Art. 72 Sr gaat, zo blijkt duidelijk uit het eerste lid, niet uit van de gedachte dat de verjaringstermijn slechts een beperkt aantal malen kan worden gestuit. Het tweede lid stelt slechts een grens aan de totale lengte van de verjaringstermijn die door (in beginsel talloze) stuitingen kan worden gerealiseerd. Het is derhalve niet zo dat bij toepassing van de verjaringstermijn van twaalf jaren die na 1 februari 2006 gold, een beëindigde eerste verjaringstermijn alsnog wordt opgerekt. De lopende verjaring (zelfs zonder stuiting zou van verjaring nog geen sprake zijn) krijgt ingevolge het tweede lid een nieuwe uiterste termijn. En vierentwintig jaren zijn sinds de bewezenverklaarde periode nog niet voorbij.

8. Voorafgaand aan de bespreking van de middelen, waarvan het merendeel bewijsklachten behelst, geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof weer.

Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverweging

9. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

‘2. hij, in de periode van 1 oktober 2000 tot en met 22 juni 2001 in Nederland, en/of in Zwitserland, tezamen en in vereniging met [A] en/of [B] , en/of een of meer anderen, telkens met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer personen hebben bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen,

hierin bestaande dat hij, verdachte, en een of meer van zijn mededader(s) telkens met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- naar de buitenwereld en/of tussenpersonen en/of (potentiële) inleggers toe, hebben gesuggereerd en/of laten suggereren dat er werd gewerkt met bankgaranties en/of dat het gestorte kapitaal gewaarborgd was en/of opeisbaar was overeenkomstig artikel 4 van de overeenkomst, en/of

- door te wijzen op en/of te laten wijzen op de maandelijkse historische 2% rendementen, terwijl er in werkelijkheid door het bedrijf [B] helemaal geen historische rendementen van 2% waren gerealiseerd, en/of

- in gesprekken met (potentiële) inleggers en/of tijdens (huis)bezoeken bij (potentiële) inleggers en/of tijdens voorlichtingsbijeenkomsten hebben verklaard en/of benadrukt en/of laten verklaren en/of laten benadrukken, dat er bij het opmaken van de overeenkomsten gebruik werd gemaakt van notarissen, en door in de beleggingsovereenkomsten er op te wijzen, - zakelijk weergegeven - dat het ingelegde geld niet van criminele oorsprong mocht zijn, waardoor bij de (potentiële) belegger het vertrouwen werd gewekt en/of bevestigd, dat het met het beleggingsproduct "goed zat" en/of dat hij te maken had met een betrouwbaar en/of bonafide bedrijf, en/of

- in een " [A] " brochure(s) onder meer hebben vermeld en/of laten vermelden, dat wanneer de pool van 1 miljoen US dollars zijn volume zou hebben bereikt dat de inlegger dan zijn gegarandeerd 5,9% rente per jaar zou krijgen en dat rentegarantie zou worden verstrekt door een internationaal opererende bank en dat wanneer vervolgens een pool van 10 miljoen US dollars zou zijn volgestort, dat dan een prognoserendement zou worden gegeven en/of dat de garantie dat het kapitaal van de inlegger USD kapitaal 100% zou blijven, en dat de rendementen sinds 1978 niet lager zijn geweest dan 2% per maand (24% per jaar), en/of

- tegenover (potentiële) beleggers hebben verzwegen, dat (de vermogensbeheerder) [C] uit Olten per brief gedateerd 17 februari 2001 aan de directie van [A] heeft medegedeeld dat met onmiddellijke ingang, de overeenkomst [003] van 24 oktober 2000 werd opgezegd, en/of heeft/hebben verzwegen - zakelijk weergegeven - dat de door [C] (beweerdelijk) geleden (miljoenen-)schade zou worden doorberekend en/of worden verrekend met de reeds ingelegde geldbedragen en/of nog in te leggen geldbedragen, en/of

- een bankafschrift van de Rabobank te Eist en/of maandelijkse rekeninginformatie m.b.t. de rekening-courant ten name van [B] , met daarop vermeld rente-uitkeringen aan inleggers pool 1 hebben laten tonen en/of laten verstrekken aan een of meer (potentiële) inleggers en/of aan een of meer ( [H] ) tussenperso(o)n(en), waaruit zou moeten blijken dat er rente-uitkeringen pool 1 zouden hebben plaatsgevonden en waardoor de geloofwaardigheid van het beleggingsproduct zou moeten worden vergroot, terwijl in werkelijkheid de rente-uitkeringen nooit gerealiseerd hadden kunnen worden, vanuit de ingelegde gelden, omdat die ingelegde gelden waren opgegaan aan kosten en schadevergoedingen, en/of

3. hij, in de periode van 24 oktober 2000 tot en met 1 maart 2002 in Nederland, en in Zwitserland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit: [betrokkene 1] en [B] en/of een of meer andere (rechts)perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk bedrijfsmatig op termijn opvorderbare gelden van het publiek aantrekken en ter beschikking verkrijgen en/of ter beschikking hebben, en

- het opzettelijk in enigerlei vorm bemiddelen ter zake van het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken en ter beschikking verkrijgen van op termijn opvorderbare gelden, en

- het plegen van oplichting.’

10. De bewezenverklaring van beide feiten rust op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

‘1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte overzichtsproces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD-ECD (…), 27 oktober 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

2.2.1. [A]

De besloten vennootschap [A] is op 18 februari 2000 opgericht en de statutaire zetel is Elst. De eerste inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel Centraal Gelderland heeft plaats op 23 februari 2000. De bedrijfsomschrijving luidt "bemiddeling in financiële dienstverlening". De bevoegde functionarissen van [A] i.o. zijn vanaf 1 december 1999, [D] , [E] , [F] en [G] . Per 18 februari 2000 zijn deze vier functionarissen uit functie. Per 18 februari 2000 zijn [D] , [E] , [G] en [F] de bestuurders van [A] [G] is per 2 januari 2001 teruggetreden als bestuurder en [F] is per 19 februari 2001 teruggetreden als bestuurder. [A] is op 22 juni 2001 in staat van faillissement verklaard bij een vonnis van de Rechtbank te Arnhem.

2.2.2.

[B]

Deze vennootschap is opgericht naar Zwitsers recht en gevestigd Riviera Business Center. [a-straat 1] Montreux Zwitserland. De vennootschap is per 18 oktober 2000 ingeschreven bij het "Registre du Commerce du canton de Vaud" onder nummer [001] . Als vennoten zijn ingeschreven [betrokkene 2] uit [plaats] Zwitserland, [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [verdachte] . [B] heeft een bankrekening bij de Rabobank Overbetuwe te Elst gehad. Op deze bankrekening zijn gelden gestort door deelnemers aan het product [B] . Ook zijn er gelden van deelnemers overgemaakt naar [B] vanaf de bankrekening van [A] Er zijn ook deelnemers die rechtstreeks gelden hebben gestort op de bankrekening in Zwitserland van [B] . [B] heeft per 24 oktober 2000 een contract gesloten met [C] met betrekking tot de verkoop van het " [C] " op de Nederlandse markt. [B] heeft het alleen verkooprecht voor Nederland voor dit product van [C] . [B] brengt het product in Nederland op de markt onder de naam [B] .

2.2.3. [D] .

De besloten vennootschap [D] . is op 15 februari 1999 opgericht en de statutaire zetel is Zwaag. De eerste inschrijving in Handelsregister van de Kamer van Koophandel NoordwestHolland heeft plaats op 25 februari 1999. De bedrijfsomschrijving luidt "Vermogensbeheer". Bestuurder en enig aandeelhouder is [betrokkene 1] , geboren [geboortedatum] 1952 te [geboorteplaats] . [D] . is per 1 december 1999 in functie als bevoegd functionaris van [A] i.o. Per 18 februari 2000 is zij uit deze functie ontheven en treedt zij aan als bestuurder van [A] , die op 18 februari 2000 is opgericht. [D] . is bestuurder van [A] op het moment dat [A] failliet wordt verklaard.

.

2.2.4. [E] .

De besloten vennootschap [E] . is op 15 februari 1999 opgericht en de statutaire zetel is Elst (Gld). De eerste inschrijving in Handelsregister van de Kamer van Koophandel Centraal Gelderland heeft plaats op 18 februari 1999. De bedrijfsomschrijving luidt "Vermogensbeheer". Bestuurder en enig aandeelhouder is [betrokkene 4] , geboren [geboortedatum] 1953 te [geboorteplaats] . [E] . is per 1 december 1999 in functie als bevoegd functionaris van [A] i.o. Per 18 februari 2000 is zij uit deze functie ontheven en treedt zij aan als bestuurder van [A] , die op 18 februari 2000 is opgericht. [E] . is bestuurder van [A] op het moment dat [A] failliet wordt verklaard.

2.2.5. [betrokkene 3] Beheer B.V .

De besloten vennootschap [betrokkene 3] Beheer B.V . is op 18 februari 2000 opgericht en de statutaire zetel is Opeinde. De eerste inschrijving in Handelsregister van de Kamer van Koophandel Friesland heeft plaats op 23 februari 2000. De bedrijfsomschrijving luidt "Beheer en participatie van en in bedrijven". Bestuurder en enig aandeelhouder is [betrokkene 3] , geboren [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] . [betrokkene 3] Beheer B.V . is per 1 december 1999 bevoegd functionaris van [A] i.o. Per 18 februari 2000 is [betrokkene 3] Beheer B.V . uit deze functie ontheven en treedt zij aan als bestuurder van [A] , die op 18 februari 2000 is opgericht.

.

2.2.6. [G]

De besloten vennootschap [G] is op 18 februari 2000 opgericht en de statutaire zetel is Venlo. De eerste inschrijving in Handelsregister van de Kamer van Koophandel Limburg Noord heeft plaats op 29 februari 2000. De bedrijfsomschrijving luidt "Beheer van en participatie in bedrijven". Bestuurder en enig aandeelhouder is [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] .

is per 1 december 1999 bevoegd functionaris van [A] i.o. Per 18 februari 2000 is [G] uit deze functie ontheven en treedt zij aan als bestuurder van [A] , die op 18 februari 2000 is opgericht.

2.2.7. [C]

Deze vennootschap is opgericht naar Zwitsers recht en gevestigd op het adres [b-straat 1] , [postcode] Olten Zwitserland. De vennootschap is per 16 november 1994 ingeschreven in het Handelsregister OltenGösgen onder nummer [002] . De vennoten zijn [betrokkene 2] en [betrokkene 5] . [betrokkene 5] is een Duits staatsburger. [C] heeft op 24 oktober 2000 een contract gesloten met [B] met betrekking tot de verkoop in Nederland door [B] van het product van [C] . Het product wordt in Nederland op de markt gebracht onder de naam [B] .

2.3. Zaaksbeschrijving

[A] heeft een advertentiecampagne gevoerd met advertenties. In de advertenties werd melding gemaakt van een hypotheekvorm waarbij de woonlasten drastisch zouden dalen. Een dergelijke advertentie bevatte een coupon die kon worden uitgeknipt en teruggestuurd naar [A] voor meer informatie en eventueel een huisbezoek van een buitendienstmedewerker.

De advertenties ( AH01D01001017 ) bevatten onder meer de tekst: "Het is bijna niet te geloven, maar het bestaat echt... de [A] is zo uitgekiend, dat u heel weinig of geen woonlasten meer heeft. Sommigen houden zelfs geld over." De uit de krant te knippen en aan [A] terug te sturen coupon heeft onder meer als tekst: "ik wil graag meer weten over een eigen huis zonder woonlasten." Op de coupon dient onder meer ingevuld te worden de huidige verkoopwaarde van de woning en de hoogte van de huidige hypotheek.

Deze overwaarde van hun woning zou worden ingelegd in een beleggingsconstructie bij [B] te Montreux Zwitserland, de zogenaamde Plusstorting. Voor deelname in [B] was het niet noodzakelijk dat het geld uit de verhypothekeerde overwaarde van de woning afkomstig is. Getuige [getuige 1] (G.26.01) heeft f. 100.000,- afkomstig van zijn spaarrekening ingelegd.

Wij hebben een ongedateerde brief ( AH02D0101062002 ) aangetroffen van [A] aan de STE, waarin een productomschrijving wordt gegeven en de vraag wordt gesteld of dit product, onder de mogelijkheden van de inschrijving van [A] , op de markt mag worden gebracht of dat een andersoortige vergunning nodig is. Wij merken op dat deze productomschrijving opvallend veel gelijkenis vertoont met het product [B] . Op 26 juli 2000 antwoordt de STE schriftelijk op deze brief. Dit schrijven is gecodeerd AH06D001 .

Uit het schrijven komt naar voren dat clientenremissiers nooit over gelden van klanten mogen beschikken en dat de vermogensbeheerder bij de STE geregistreerd dient te zijn. Wij merken op dat [A] c.q. [B] op een later tijdstip gelden heeft aangetrokken en deze gelden ter beschikking heeft gesteld aan een niet bij de STE geregistreerde vermogensbeheerder genaamd [C] . Ook is er gezocht naar andere manieren om de afzet van de [A] te vergroten. Door [A] is een overeenkomst gesloten met de inkoopcombinatie voor onafhankelijke tussenpersonen " [H] " (hierna te noemen [H] ), een bedrijf van [betrokkene 6] . Het product " [A] " is ook via de bij [H] aangesloten tussenpersonen aan de man gebracht. Bij de presentatie van het product " [A] " is een brochure gebruikt waarin onder meer is vermeld dat 5,9% per jaar rendement wordt gegarandeerd over de in de beleggingsconstructie geïnvesteerde gelden. Tevens is de aandacht gevestigd op de mogelijkheid dat naast deze jaarlijkse rentevergoeding er een prognoserendement van 2% per maand te behalen zou zijn. In de brochure gecodeerd AH02D0101078001 staat zelfs vermeld: “Sinds 1978 zijn de rendementen niet lager geweest dan 2% per maand (24% per jaar).” Dit terwijl [A] in februari 2000 is opgericht. Bij de presentatie van het product “ [A] " aan potentiële deelnemers zijn de hoge rendementsopbrengsten (12 x 2% + 5,9% = 29,9% per jaar) benadrukt welke er voor zouden zorgen dat de maandelijkse woonlasten sterk zouden dalen. Het zou volgens [A] zelfs mogelijk zijn om geld toe te krijgen in plaats van iedere maand te betalen.

(Pagina 14)

De werking van de [B] kapitaalbelegging is door [B] omschreven. Deze beschrijving is door ons gecodeerd AH02D0101063011 . In de in beslag genomen bescheiden van [A] is ook een procedurebeschrijving met een begrippenlijst aangetroffen met betrekking tot de beleggingsconstructie. Dit bescheid is door ons gecodeerd AH02D0101079001 . De constructie waardoor de woonlasten drastisch zouden worden verlaagd werkt als volgt volgens [A] De bestaande hypotheek wordt afgelost. Er wordt een nieuwe hypotheek gesloten. Een deel van de overwaarde of de gehele overwaarde van de woning wordt ook verhypothekeerd. Een deel van deze overwaarde of de gehele overwaarde wordt vervolgens overgemaakt aan [B] ., de zogenaamde Plusstorting. Aan de potentiële deelnemers is meegedeeld dat het door hen ingelegde geld door [B] verzameld zou worden in een pool van $ 1.000.000. Deze pool van $ 1.000.000 is nodig om garantieafspraken te kunnen maken. Zodra deze eerste pool vol zou zijn gestort door de deelnemers zou de rentevergoeding van 5,9% per jaar gegarandeerd zijn. Als particulier komt men normaal niet in aanraking met deze geldmarkten. [B] maakt het mogelijk voor de individuele klant om mee te kunnen doen in dit "hogere" geldcircuit.

Het bedrag van $ 1.000.000 zou vervolgens worden overgeboekt naar [C] te Olten Zwitserland, een bedrijf van de Duitse staatsburger [betrokkene 5] . [C] zou gelden ontvangen van meerdere partijen, o.a. van grote verzekeringsmaatschappijen, en hiermee een tweede pool van $ 10.000.000 vormen.

Deze $ 10.000.000 zou vervolgens als contract worden weggezet bij een grote bank met een hoge bankclassificatie tegen een zeer hoog rendement. Op dit moment ontvangt de inlegger een verklaring waaruit zou moeten blijken dat deze pool van $ 10.000.000 rendeert en dat het prognoserendement van 2% per maand, betaalbaar na 3 maanden (6%), per kwartaal aan hem uitgekeerd zal gaan worden. Deze hoge rendementen zouden moeten zorgen voor een drastische verlaging van de woonlasten van de inlegger. Inleg en rendement worden door reinsurance veilig gesteld.

Met de $ 10.000.000 zou vervolgens $ 100.000.000 worden geleased, waarmee de banken zouden gaan werken via moneytrade etc. De inleg van $ 10.000.000 zou dan gebruikt worden als zekerheid voor de lease. De bank dient met de $ 100.000.000 minimaal 2,4% rendement te behalen om aan het prognoserendement te komen, wat is verzekerd. Met een dergelijk lage rendementsbehoefte behoeft het geen betoog dat dit gemakkelijk haalbaar zou zijn aldus [A] . Tot zover de uitleg van de werking van [B] volgens [A]

[betrokkene 5] is door verdachte [verdachte] geïntroduceerd binnen [A] [verdachte] heeft zijn mededirectieleden medegedeeld dat hij [betrokkene 5] al jaren kent als zijnde een vriend van zijn vader.

In een bescheid met het opschrift "De werking van de [B] kapitaalbelegging", gecodeerd AH02D0101063011 staat onder het derde punt vermeld: "Pool van $ 1 miljoen dollar; volume is nodig om garantieafspraken te kunnen maken." Wij zien op verschillende lijsten van deelnemers ook deelnemers die een bedrag van f. 25.000 hebben ingelegd. Wij merken op dat het unieke systeem kennelijk toestaat dat een poolbedrag willekeurig kan worden aangepast en dat minimum inlegbedragen worden verlaagd terwijl de rendementen gelijk blijven. Tevens komt uit het onderzoek naar voren dat er inleggelden rechtstreeks worden overgemaakt naar [C] . Dit is tegenstrijdig met de verstrekte informatie in diverse productbeschrijvingen met betrekking tot de poolvorming van $ 1.000.000 door [B] .

De deelnemers stortten hun Plusstorting op de bankrekening van [A] bij de Rabobank in Elst. Later kwamen de inleggelden binnen op de bankrekening van [B] bij de Rabobank te Elst. Van deze rekeningen is het geld overgemaakt naar een Zwitserse bankrekening. Ook zijn er inlegbedragen rechtstreeks overgemaakt naar een bankrekening in Zwitserland. Uiteindelijk is een groot gedeelte van het geld overgemaakt naar [C] te Olten in Zwitserland, een bedrijf van [betrokkene 5] . Met deze [betrokkene 5] hebben de verdachten [verdachte] en [betrokkene 1] een overeenkomst, gedateerd 24 oktober 2000, gesloten waarin onder meer onder punt 10 is bepaald dat het contract is aangegaan voor onbepaalde tijd. Verder staat onder punt 10 van het contract vermeld dat wanneer echter, in een opeenvolgende periode van 6 maanden, [B] niet het minimumbedrag van $ 3.000.000 per maand heeft overgemaakt naar [C] , voor [C] het recht bestaat het contract te beëindigen rekening houdende met een opzegtermijn van ten minste een maand. Over vergoeding van gemaakte kosten aan [C] bij contractbeëindiging is in de overeenkomst niets vermeld. Verdachte [betrokkene 4] heeft verklaard dat aan hem is verteld dat als [B] niet binnen 6 maanden op een niveau van 3 miljoen dollar per maand zou zitten zij gewoon van het contract met [C] af konden zonder enige consequentie (…). De overeenkomst is gecodeerd AH01D01001019 . Bovenaan de AGREEMENT, gecodeerd AH01D01001019 , staat vermeld "TRANSACTION CODE: [003] ". In de inbeslaggenomen bescheiden troffen wij een AUFTRAG/MANDAT aan. Wij hebben deze Auftrag/Mandat, gecodeerd AH01D01001071 . Op de Auftrag/Mandat staat eveneens de code vermeld "TRANSACTION CODE: [003] ". De Auftrag/Mandat is vermoedelijk een uitwerking van punt 10 van de Agreement.

Voor zover wij kunnen beoordelen is het geld van de deelnemers vermoedelijk niet belegd door [betrokkene 5] . Integendeel, [betrokkene 5] heeft de directie van [A] , cc. [verdachte] , een brief, gedateerd 17 februari 2001, gestuurd waarin [betrokkene 5] de samenwerking opzegt. Deze brief is gecodeerd AH01D01001045 en gericht aan [A] terwijl [C] een overeenkomst heeft met [B] . Ook maakt [betrokkene 5] in deze brief melding van het feit dat hij de aan hem in rekening gebrachte kosten doorberekent, terwijl dit in de overeenkomst niet is vermeld.

(Pagina 16)

De verdachte [betrokkene 1] laat [betrokkene 5] via een email ( AH01D01001077 ) weten dat het onmogelijk is dat…. "wij en [H] een bedrag van 230 250.000 USD uit onze eigen zak inbrengen. Dat is onmogelijk, omdat dit een bom zal zijn onder de firma en een uitsluiting is een feit. De oplossing van het probleem moet worden gevonden in het geld dat van de klanten komt.” Vervolgens doet [betrokkene 1] in dezelfde e-mail [betrokkene 5] het voorstel om hem een brief ter hand te stellen die hij aan zijn Amerikaanse compagnon kan sturen. Letterlijk schrijft [betrokkene 1] onder meer:…. "Wij willen u een brief geven die u aan uw Amerikaanse compagnon kan sturen. De inhoud zou als volgt kunnen zijn:

Geachte heer [betrokkene 5] ,

Hierbij beloven wij om uw schuld van USD 1.041.666,64 over te nemen en bovendien de schuld voor elke volgende maand, zolang de schuld bestaat, tot een bedrag van USD 260.416,67 per maand. We erkennen dat de schuld het resultaat is van het niet afhandelen van de zaken zoals overeengekomen door onze firma [A] en [H] , overeenkomstig contractnummer [004] , van november 2000 tot en met eind februari 2001. We gaan alleen akkoord met de overname van de schuld als deze als volgt kan worden betaald. Om de groei van de schuld te beperken, machtigen wij u, zonder de mogelijkheid om deze machtiging in te trekken, om elk bedrag boven USD 1 miljoen van het binnenkomende geld van onze klanten te gebruiken voor het verminderen van een deel van de bovengenoemde schuld. De rest van het geld kunt u gebruiken voor het kopen of leasen van een acceptabele bankgarantie of bankbrief."

In de administratie van [A] is een inhoudelijk identieke brief van [A] , nota bene de tussenpersoon, aan [C] aangetroffen, gedateerd 9 maart 2001, gecodeerd ( AH01D01001048 ) met onder meer de volgende inhoud: "Hierbij zouden wij met bindende aansprakelijkheid deze hoofdelijk aansprakelijke borg aan u willen overdragen, en wij garanderen u de overdracht en betaling van de voor u ontstane kosten van $ 1.41.666,64 (BFK: $ 1.041.666,64) voor de periode november 2000 tot eind februari 2001, omdat wij in gebreke zijn gebleven om de overeengekomen en contractuele en zakelijke voorwaarden die voortvloeien uit het contract met het kenmerk [003] na te komen. Tegelijk staan wij vanaf maart 2001 tot december 2001 met $ 260.416,67 per maand borg." Deze brief, gedateerd 9 maart 2001, met borgstelling is ondertekenend door de verdachten [verdachte] , [betrokkene 1] en [betrokkene 4] en is mede ondertekend door [betrokkene 6] , op dat moment de eigenaar van [H] . De borgstelling is gelegaliseerd door notaris mr. T.A.M. Weijermans te Elst (Gld.).

Twee op 10 maart 2001 gedateerde rekeningen ( AH01D01001046 en 047 ) vormen de basis van de schadeclaim van [C] aan [A] De schadeclaim bedraagt $ 1.041.666,68 over de periode november 2000 tot en met februari 2001 en $ 260.416,67 voor de maand maart 2001 wegens het feit dat [A] zich niet aan de verplichting heeft gehouden welke onder punt 10 van de overeenkomst d.d. 24 oktober 2000 vermeld staat.

Wij merken nogmaals op dat in het contract van 24 oktober 2000 geen punt is opgenomen ter zake een schadevergoeding c.q. een borgstelling. Verdachte [betrokkene 4] verklaart dat hem is verteld dat ze zonder consequenties van de overeenkomst met [C] af konden indien zij niet aan de verplichtingen zouden kunnen voldoen (…). Ook verklaart [betrokkene 4] dat hij niet snapt waarom [betrokkene 5] een schade opvoert over een investering van 125 miljoen dollar per jaar, terwijl zij maar hooguit 72 miljoen zouden inleggen (…). Wij merken met betrekking tot punt 10 van het contract gedateerd 24 oktober 2000 op dat op het moment van het sluiten van het contract er geen of nauwelijks een concreet beeld was over hoe de "markt" zou reageren op het product " [B] ". Desondanks zijn de verdachten onder meer de verplichting aangegaan om nota bene elke maand het substantiële bedrag van $ 3.000.000 te storten op de bankrekening van [C] te Zwitserland. Opmerkelijk is ook dat uit het contract, gedateerd 24 oktober 2000, naar voren komt dat er geen zekerheid is gesteld door [C] met betrekking tot de door de verdachten gestorte gelden.

Uit het door ons ingestelde onderzoek komt naar voren dat slechts enkele deelnemers het gegarandeerde rendement van 5,9% ontvangen hebben. Enkele deelnemers hebben één of tweemaal een rendementsbetaling ontvangen van 6% van hun ingelegde geld. (3 maanden van 2%) Deze bedragen zijn betaald van de rekening [005] ten name van [B] bij de Rabobank te Elst, de rekening waarop het ingelegde geld is binnengekomen. Uit de door ons onderzochte dagafschriften komt naar voren dat er eenmaal een rendementsbetaling is overgemaakt door [C] op bovengenoemde bankrekening van [B] bij de Rabobank. Het betreft een betaling ad $ 14.092 op rekeningnummer [005] ten name van [B] d.d. 11 april 2001. Het dagafschrift is gecodeerd G03D03. Opmerkelijk is dat het prognoserendement is uitbetaald aan de inleggers van de pool van $ 250.000. Het uitbetalen van prognoserendement zou impliceren dat er een pool van $ 10.000.000 zou moeten zijn gevormd door [C] . Ook is het opmerkelijk dat er op 5 februari 2001 door [C] een bevestiging wordt verzonden voor de ontvangst van $ 234.866,12 waarin onder meer staat vermeld dat dit bedrag na 10 jaar, inclusief de 5,9% rente zal worden overgemaakt op bankrekeningnummer [006] te name van [B] . Deze bevestiging is gecodeerd AH29D012.

(...) Er is gebruik gemaakt van tussenpersonen in de verzekeringsbranche. [A] heeft een overeenkomst gesloten met [H] ( [H] ), een onderneming van [betrokkene 6] , ( AH02D0101080017 ). Ook het gegeven dat de bankier van [A] en [B] de Rabobank in Elst was wekte vertrouwen bij de geïnteresseerden. Het dagafschrift van rekeningnummer [005] ten name van [B] waarop een aantal rente-uitkeringen staan vermeld, is vermoedelijk gebruikt om potentiële inleggers te overtuigen dat er rente-uitkeringen worden gedaan. Wij baseren dit op het feit dat benadeelde [benadeelde] (G.03.01) ons het betreffende dagafschrift (G03D02) van bankrekeningnummer [005] ten name van [B] , gedateerd 27042001, ter beschikking heeft gesteld. Ook stelde [benadeelde] ons het rekeningafschrift (G03D03) ter beschikking met daarop de betaling van [C] aan [B] van $ 14.092. [benadeelde] verklaarde dat onder meer het dagafschrift en het rekeningafschrift hem door tussenpersoon [betrokkene 7] zijn overhandigd en dat het ontvangen van deze bescheiden bij hem de indruk heeft gewekt dat het wel goed zat. [betrokkene 7] (…) verklaarde over dit dagafschrift onder meer: "Ik heb de kopie van dit dagafschrift gekregen van [H] , van wie precies weet ik niet meer. Ik heb niet gevraagd naar dagafschriften. Dit kopie van het dagafschrift is spontaan door [H] aan mij, en waarschijnlijk ook meerdere tussenpersonen, verstrekt zonder dat ik er om gevraagd heb. Er is door [H] van te voren aangekondigd dat er bewijzen van rente-uitkeringen zouden komen." Ook getuige [getuige 2] (…) heeft ongevraagd dagafschriften ontvangen. Hij verklaarde onder meer: "Ik heb aan [betrokkene 3] een bevestiging van de transactie gevraagd. Ik ontving toen een kopie van mijn storting bij de Bank von Ernst. Wat ik toen wel vreemd vond was dat ik ook twee afschriften van de Bank von Ernst ontving van overboekingen naar [C] die niets met mijn transactie te maken hadden" Het is ongebruikelijk dat een bedrijf dagafschriften van zijn bankrekeningen aan relaties ter beschikking stelt. Bovendien staan op deze dagafschriften vertrouwelijke gegevens vermeld van klanten.

[B] maakte gebruik van de diensten van notarissen. De werkzaamheden van de notarissen bestonden uit het legaliseren van handtekeningen en het eventueel overmaken van gelden naar Zwitserland via de rekening "derdengelden" van de notaris. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat het ondertekenen van de overeenkomst bij een notaris vertrouwen wekte bij de betreffende deelnemers.

Ook adviseerden de directieleden van [B] en [A] de werknemers, voor wat betreft het afsluiten van overeenkomsten [B] , eerst te beginnen binnen hun relatiesfeer van vrienden en bekenden en familieleden. Getuige [getuige 3] (…) heeft hierover verklaard. Ook verdachte [betrokkene 1] heeft binnen zijn vriendenkring een bedrag van fl. 100.000 onttrokken aan [getuige 1] (…).

Uit de getuigenverklaringen komt naar voren dat de meeste deelnemers de overwaarde van hun woning hebben verhypothekeerd om te beleggen bij [B] in de veronderstelling dat ze te maken hadden met betrouwbare partijen.

Omdat op een bepaald moment [B] haar verplichtingen jegens de deelnemers niet nakwam of kon nakomen, doordat rente betalingen uitbleven, ontstond er voor de deelnemers een situatie welke aanleiding geeft de overeenkomst te ontbinden en het ingelegde kapitaal terug te vorderen. Immers in de overeenkomsten staat in artikel 4, duur en einde van de overeenkomst onder meer dat de opdrachtgever (inlegger) het recht heeft deze overeenkomst onmiddellijk en zonder opzegtermijn op te zeggen, indien de rentevergoeding van 5,9% over het ingelegde bedrag na afloop van een volledig jaar niet wordt uitbetaald. De gevolmachtigde ( [B] ) verbindt zich om direct het volledige kapitaal terug te storten naar de opdrachtgever. Vrijwel alle door ons gehoorde deelnemers hebben hun geld teruggevraagd op grond van artikel 4 van de overeenkomst. Tot nu toe heeft geen enkele deelnemer zijn of haar geld terugontvangen.

Door ons, relatanten, is een aantal gedupeerde beleggers gehoord. Van deze gesprekken hebben wij processen-verbaal van verhoor opgemaakt. Uit de getuigenverklaringen die zij tegenover ons hebben afgelegd komt naar voren dat zij de hen gegarandeerde en beloofde rendementen niet of voor een gering deel hebben ontvangen.

Tevens hebben wij getuigenverklaringen opgenomen van een aantal voormalige werknemers van [A] Uit die getuigenverklaringen, die zij tegenover ons hebben afgelegd, komt naar voren dat de verdachten op de vragen van het personeel, met name hoe de hoge rendementen konden worden gerealiseerd, steeds geen duidelijk en concreet antwoord gaven.

Uit het onderzoek komt naar voren dat de verdachten meerdere malen zijn geconfronteerd met klanten, werknemers en zakenrelaties die twijfels uiten over het product en/of de hoge rendementen en het product zelfs als ongeloofwaardig betitelen. Dit is voor de verdachten geen reden geweest om nader onderzoek te verrichten en zekerheden te bedingen.

In de door ons inbeslaggenomen bescheiden troffen wij een fotokopie van een brief, gedateerd 30 april 2001, aan. Wij hebben deze brief gecodeerd AH02D0101080001 . In deze brief schrijft [betrokkene 8] aan [A] t.a.v. [betrokkene 9] onder meer bij punt 2 van zijn brief: "Reden tot nadere precisering is het gegeven dat de bank Credit Swiss mij die garantie met de door u genoemde bedragen absoluut niet kan geven. Middel contact met de bank ( [betrokkene 10] ) blijkt dat de Credit Swiss geen garantie kan en wil geven in deze vorm en een gemiddeld rendement van 0,75% per maand opgeeft (van 1980-2000)." Wij merken op dat als elke willekeurige particulier aan deze informatie kan komen deze mogelijkheid ook voor de heren directeuren van [A] en [B] bestaat.

De STE, Stichting toezicht Effectenverkeer, nu A.F.M., Autoriteit Financiële Markten, heeft middels een schrijven, gedateerd 30 maart 2001, " [B] " te Montreux verzocht inlichtingen te verstrekken over haar activiteiten in Nederland. De Nederlandsche Bank te Amsterdam heeft door middel van een brief, gedateerd 17 mei 2001, aan [A] verzocht inlichtingen op grond van artikel 53, Wet toezicht kredietwezen 1992 te verschaffen over de activiteiten van " [B] ". [A] heeft hierop geantwoord, door middel van een brief ( AH02D0101080007 ) gedateerd 22 mei 2001 gericht aan De Nederlandsche Bank te Amsterdam, dat zij direct is gestopt met bemiddelen voor het [B] . Dit hield in dat zij de activiteiten stopt die bestonden uit het bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of ter beschikking te hebben dan wel in enigerlei vorm te bemiddelen ter zake van het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden. Tevens deelde zij De Nederlandsche Bank mee dat zij alle folders die zij in voorraad had heeft vernietigd. Tenslotte deelde zij mee dat [B] de reeds ontvangen bedragen van beleggers aan hen zou terugbetalen. Letterlijk schrijft [A] : "Cliënten waarvan de hypotheekakte inmiddels is gepasseerd hebben een eventuele extra opname uit overwaarde gestort gekregen op hun eigen rekening." Wij merken op dat de laatste bewering niet is uitgevoerd. De door de verdachten ontvangen bedragen zijn niet aan beleggers terugbetaald. Daarentegen bestaat het vermoeden dat de verdachten [verdachte] en [betrokkene 1] zijn doorgegaan met een soortgelijke constructie.

(Pagina 20)

Door de beleggers is, voor zover wij hebben kunnen nagaan, in totaal een bedrag ingelegd van f. 2.469.991. Van dit bedrag is, voor zover wij kunnen nagaan, een bedrag van f. 1.907.205,59 overgemaakt naar [C] te Zwitserland, een bedrijf van [betrokkene 5] . Op 22 juni 2001 is [A] in staat van faillissement verklaard door de rechtbank te Arnhem. Als curator is benoemd mr. A. Kuipers te Nijmegen. Hij heeft in zijn hoedanigheid als curator in het faillissement van [A] conservatoir beslag gelegd op een bedrag van fl. 492.000. Dit bedrag bevindt zich op een rekening van [B] bij de Rabobank te Elst. De motivatie van de curator om beslag te leggen op een tegoed van [B] is dat de bestuurders van [A] middellijk dezelfde natuurlijke personen zijn als de bestuurders van [B] .

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] (…), zakelijk weergegeven:

[A] is in februari 2000 opgericht door [betrokkene 4] , [verdachte] , [betrokkene 3] en ik. [B] is door dezelfde vier personen opgericht in november 2000.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4] (…), zakelijk weergegeven:

[A] was opgericht met het doel het fingeren als tussenpersoon in hypotheken en verzekeringen. De feitelijke verkoop gebeurde door [betrokkene 3] en [verdachte] . [verdachte] kwam met een nieuw idee rond augustus 2000. Hij was in contact getreden met een oude vriend van zijn vader, [betrokkene 5] . Het doel van de oprichting van [B] om contractpartner te worden van [C] . [A] mocht geen geld inzamelen van klanten, daarom werd er een buitenlandse BV opgericht. Binnen [B] waren [betrokkene 1] en [verdachte] de feitelijke leidinggevers. Zij voerden alle contracten en transacties uit.

(Wij vragen of de gelden, die investeerders hebben belegd via [A] en [B] opvorderbaar zijn en waarom.)

Bij mijn weten is dit onzin. De gelden zijn niet opvorderbaar. Er is hier sprake van een tienjarig contract.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4] (…), zakelijk weergegeven:

(Wij tonen gehoorde de tekst van een brochure van de [A] en wijzen gehoorde op de zinsnede: “Sinds 1978 zijn de rendementen niet lager geweest dan 2% per maand (24% per jaar).” Wij vragen gehoorde waarom in de folder/brochure is vermeld dat de rendementen sinds 1978 niet lager dan 2% per maand bedragen terwijl [A] in februari 2000 is opgericht.)

Dit stuk is door mij opgemaakt. [betrokkene 1] en [verdachte] gaven mij, mondeling, de productspecificaties om de folder te maken. Dit gebeurde nadat de heren in Zwitserland waren geweest in de periode van de ontwikkeling van het product [A] plan.

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] (…), zakelijk weergegeven:

In januari 2000 zijn [betrokkene 1] , [verdachte] , [betrokkene 4] en ik gestart met [A] . In juli/augustus 2000 kwam [verdachte] met het verhaal dat het mogelijk was om te beleggen en hoge rendementen te garanderen. (...) Hiervoor ben ik in oktober 2000 te behoeve van de oprichting van [B] in Montreux, Zwitserland geweest. Hiervoor zijn we eerst bij een notaris geweest voor de oprichting en later bij een bank geweest om een rekening te openen. Met we bedoel ik [betrokkene 1] , [betrokkene 4] , [verdachte] , [betrokkene 2] en ik. Die rekening was bedoeld om de rendementen van klanten op te laten storten. (...) Rond de datum van faillissement van [A] heeft [verdachte] mij telefonisch laten weten alle spullen met betrekking tot [B] te vernietigen. Ik heb dat niet gedaan. Het ging specifiek om alles waar [B] op stond. [betrokkene 1] , [betrokkene 4] en ik hebben om tafel gezeten bij de curator, op zijn uitnodiging. Daar hoorde ik dat alle dossiers van [B] verdwenen waren.

6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

[betrokkene 5] was een zakenpartner van en een vriend van mijn vader. Hij nam in die tijd telefonisch contact met mij op. Tijdens een van deze gesprekken heeft hij mij de werking van [C] uitgelegd en zo is het begonnen. [C] was de onderneming van [betrokkene 5] . (...) Het rendement was een prognose van in ieder geval 5,9% per jaar en mogelijk 2% per maand.

7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 12] (…), zakelijk weergegeven:

Ik wilde een andere hypotheek. Ik heb in het najaar van 2000 contact opgenomen met mijn reguliere tussenpersoon, de heer [betrokkene 13] . Hij heeft toen verteld dal hij een goede oplossing had, namelijk [B] te Zwitserland. Alle overwaarde van mijn woning zou opgenomen worden en belegd worden in [B] en dat zou een rendement opbrengen van ongeveer fl. 15.000 op jaarbasis. [betrokkene 13] heeft een rendement van minimaal 5,9% gegarandeerd. Het voorgespiegelde prognoserendement bedroeg 2% per maand. Dit houdt in een rendement van 29,9% op jaarbasis. En dat over f. 50.000. Ik dacht: kassa. Ik heb het geld, via een notaris, rechtstreeks overgemaakt aan [B] in Zwitserland. Ik voel me heel erg opgelicht. Ik voel van het belazerd door [betrokkene 14] en [verdachte] . Ik doe nu aangifte van oplichting tegen een ieder die te maken heeft gehad met [B] . Immers heb ik aan [B] f. 50.000 overgemaakt. Tot op de dag van vandaag heb ik nog steeds geen rendement ontvangen. Het door mij geïnvesteerde geld, f. 50.000, heb ik teruggevraagd maar nog steeds niet terug ontvangen.

8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 15] (…), zakelijk weergegeven:

Voor het product [A] c.q. [B] zijn wij in december 2000 benaderd door [betrokkene 16] . [betrokkene 16] is een kennis van ons. Er werd ons 5,9% rendement gegarandeerd. Dit percentage staat ook in het contract opgenomen. Daarnaast zouden wij 2% per maand prognose rendement ontvangen. De rendementen zijn niet uitbetaald. Wij hebben geen enkele cent gekregen. Door [B] is gegarandeerd dat het ingelegde kapitaal terugbetaald zal worden. Dat staat in het contract vermeld. Ik heb [verdachte] telefonisch benaderd. Ik heb hem om ons geld gevraagd. Hij adviseerde ons niet meer te bellen omdat dat alleen maar oponthoud geeft. Onze inleg zou worden ingebracht in een pool. Als de pool een bedrag van $ 1.000.000 bereikt zou hebben dan zouden wij 5,9% per jaar en twee procent per maand aan rendement ontvangen. Hij deelde ons mee dat de betreffende pool reeds volgestort was door andere deelnemers. Wij hebben een bedrag van f. 50.000 via de notaris overgemaakt naar [B] . De overeenkomst is namens [B] ondertekend door [betrokkene 1] .

9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 17] (…), zakelijk weergegeven:

Wij zagen in een dagblad de nieuwe hypotheekvorm staan waarmee [A] adverteerde. De inhoud van de advertentie was dermate uitnodigend dat wij met iemand van [A] zijn gaan praten. Wij hebben een overeenkomst gesloten waarin gegarandeerd werd dat er 5,9% rente per jaar zou worden uitgekeerd. Tevens staat in het contract vermeld dat er een prognoserendement van 2% per maand zou worden betaald. Ik heb de overeenkomst gesloten met [betrokkene 1] en de overeenkomst is ondertekend op 16 november 2000. [betrokkene 1] heeft ondertekend namens [B] te Zwitserland. In maart 2002 heb ik een bedrag van f. 5.900 uitgekeerd gekregen. Dit was veel later dan toegezegd en ik heb hier diverse malen op aan moeten dringen bij [verdachte] thuis. [B] heeft mij de garantie gegeven om mijn inleggeld terug te vorderen. Tot op heden heb ik nog geen cent van mijn belegde geld terug ontvangen. Het vertrouwen in het product van [A] c.q. [B] is onder andere gewekt door de productinformatie en het personeel van [A] Er was op dat moment een bepaalde hausse in ‘beleggersland’. Dit alles in combinatie met het gegarandeerd rendement van 5,9% per jaar hebben mij doen besluiten in te stappen. Ook het feit dat ik na tien jaar weer mijn geld terug zou krijgen was een reden om deel te nemen. Ik heb een bedrag van f. 100.000 aan [B] overgemaakt.

10. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 18] (…), zakelijk weergegeven:

(Door wie bent u benaderd voor het product [A] c.q. [B] , waar, hoe en wanneer was dit? Hoe was uw verstandhouding met deze persoon?)

Er stond een advertentie in Tubantia. Wij hebben op deze advertentie gereageerd. Wij hebben het telefoonnummer dat vermeld is in de advertentie gebeld. Naar aanleiding hiervan is [betrokkene 19] bij ons thuis geweest. Zijn verkoopverhaal was grofweg gezegd dat wij de woonlasten konden verminderen. Hij zei dat het zelfs mogelijk was om geld toe te krijgen in plaats van te betalen iedere maand. Hij is in totaal drie keer bij ons geweest. Hij liet ons weten dat wij bijna 30% rendement per jaar konden krijgen. Hiervan was 5,9% gegarandeerd. De prognoserente van 2% per maand werd niet gegarandeerd maar hij bracht het zo dat wij er eigenlijk wel rekening mee moesten houden dat we 2% per maand zouden krijgen. Ook het feit dat de overeenkomst bij notaris Blom en Rouwenhorst te Delden moest worden ondertekend, gaf mij vertrouwen dat het wel goed zat. Wij hebben toen ons geld, dat wij op dat moment in aandelen hadden belegd, belegd bij [B] . Het aandelenkapitaal was in maart 2001 f. 40.000 waard. Wij hebben toen f. 100.000 er bij geleend via een hypothecaire lening. Wij hebben bij [B] het totaal bedrag van f. 40.000 + f. 100.000 zijnde f. 140.000 belegd. Ik heb op 23 maart 2001 het contract ondertekend bij de notaris.

(Zijn er garanties afgegeven voor de terugbetaling van de inleg, zo ja door wie of door welke instelling?)

Volgens artikel 4 van het contract kan het ingelegde geld worden teruggevorderd onmiddellijk en zonder opzegtermijn indien de rentevergoeding van 5.9% van het ingelegde bedrag na afloop van een volledig jaar niet is uitbetaald. Wij hebben overeenkomstig het gestelde in artikel 4 van het contract ons geld teruggevraagd middels aangetekende brieven, maar helaas tot nu toe hebben wij nog geen cent terug gekregen.

11. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 22] (…), zakelijk weergegeven:

(Door wie bent u benaderd voor het project [A] c.q. [B] , waar, hoe en wanneer was dit? Hoe was uw verstandhouding met deze persoon?)

Wij zijn benaderd door [betrokkene 23] . Zij was in dienst bij de [I] te Son en Breugel. Via een collega vernam ik van het plan van [A] . Ik vond het plan aantrekkelijk. We hebben contact gezocht met [betrokkene 23] . Zij is hier thuis bij ons gekomen in september of oktober 2000. Zij liet papieren zien waarop staat hoe men geld kan beleggen. Zij vertelde ons dat als we f. 100.000 zouden beleggen we gegarandeerd 5,9% rente per jaar zouden ontvangen en daarnaast ieder kwartaal 2% per maand prognoserente. Zij vertelde dat zij zelf ook had ingelegd in het plan voor f. 100.000. Ik als leek zijnde vroeg aan haar of er niets mis kon gaan. Als het echt fout zou gaan zei zij dan neemt een andere bank het gewoon over. We hoefden ons echt geen zorgen te maken. Dit product was een goed product zei ze. Zij had immers zelf ook meegedaan. De rust en de manier van optreden van haar heeft op ons indruk gemaakt. Achteraf gezien zijn we gruwelijk beetgenomen. Haar baas [betrokkene 14] deelde ons mee op een bepaald moment dat ze ziek was en niet meer bij het bedrijf terug kwam. [betrokkene 14] nam haar waar.

(Welke afspraken zijn er gemaakt met betrekking tot de uitbetaling van de rendementen en hoe zijn deze rendementen daadwerkelijk uitbetaald?)

De afspraken die [betrokkene 23] maakte met ons waren de volgende. Per jaar zouden wij ontvangen 5,9% rente van f. 200.000 en dit bedrag garandeerde zij. Daarnaast garandeerde zij ook nog een rendement van 2% per maand over f. 200.000. Dit bedrag zou betaald worden per kwartaal achteraf. Zij zei dat wij konden rekenen op 2% rendement per maand. De werkelijkheid is dat wij tot op de dag van vandaag geen cent rente hebben ontvangen. Echt waar het is verschrikkelijk. Ik heb [betrokkene 14] om de 14 dagen gebeld. Maar steeds stuurde hij ons met een kluitje in het riet. Wat [B] betreft hebben wij ook regelmatig contact gezocht met [verdachte] . Dat is een keer gelukt. Hij gaf als antwoord dat er de nodige probleempjes waren en dat die wel snel zouden worden opgelost. Ik moest mij niet ongerust maken zij [verdachte] het komt wel goed. Ik vertrouwde helemaal niks meer en als ik mijn zorgen uitte dan zei Van de [betrokkene 14] dat ik mij geen zorgen moest maken dat het allemaal goed zou komen.

(Wat heeft u feitelijk bewogen uw geld aan deze instelling af te geven?)

De voorgespiegelde hoge rendementen was de feitelijke reden dat wij ons geld dachten goed te beleggen. Dit in combinatie met de verzekering dat het absoluut niet fout kon gaan en dat wij onze inleg te allen tijden terug zouden krijgen, ook als er iets mis zou gaan.

(Hoeveel geld heeft u overgemaakt naar [B] ?)

Via de notaris hebben wij een bedrag van f. 200.000 overgemaakt naar de Bank Credit Suisse in Zwitserland op nummer [006] t.n.v. [B] .

(Hoe heeft u deze investering gefinancierd?)

Dat hebben wij gefinancierd door de overwaarde van het huis te lenen via een hypothecaire lening.

12. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 24] (…), zakelijk weergegeven:

(Wij vragen gehoorde gedurende welke periode hij bij [A] heeft gewerkt en wat zijn functie was)

In oktober 2000 ben ik er begonnen. Eerst als adviseur en na een maand als salesmanager.

(Wij vragen gehoorde wat zijn functie precies inhield)

In overleg met [betrokkene 4] en [betrokkene 1] had ik overleg waarin ik ook kritische vragen stelde over de rendementen. Later kwam hier [betrokkene 25] ook bij. Ik heb steeds kritische vragen gesteld maar [betrokkene 4] en [betrokkene 1] hadden steeds een plausibel verhaal over de rendementen. Ik ben perfect bewerkt. Ik kreeg ook wel eens vragen die ik aan [betrokkene 1] van de directie, voorlegde omdat ik er zelf geen antwoord op had. Ook ik kende niet voor de 100% alle "ins en outs" van het product [B] . Als ik lastige vragen kreeg dan legde ik die bij de directie neer.

13. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 26] (…), zakelijk weergegeven:

Via een collega hoorde ik van het product [B] . Ik vond dit wel interessant en op 5 december 2000 is [betrokkene 3] bij mij thuis geweest. Het komt er op neer dat [betrokkene 3] ons voorspiegelde dat onze woonlasten zouden worden gereduceerd tot nul indien wij f. 50.000 zouden investeren in [B] . Hij vertelde dat hij hoofdkantoor in Elst was. Hij, [betrokkene 3] , garandeerde een rendement van 5,9% op jaarbasis en een prognoserendement van 2% per maand. [betrokkene 3] gaf aan dat die twee procent wel goed zat en dat ik uit kon gaan van een rendement van 29,9 procent op jaarbasis. Ik kreeg een A4 met de werking van de [B] kapitaalbelegging en een contract. Mijn vertrouwen in het product van [A] c.q. [B] is geweest door een samenloop van omstandigheden. De combinatie van het feit dat [betrokkene 3] een vriend was van mijn collega en de presentatie van [betrokkene 3] zelf. [betrokkene 3] vertelde dat [B] in Zwitserland zat en dat er werd gewerkt met een bankgarantie. Ik ben met een aantal collega’s naar Elst gegaan. Wij zijn door [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [verdachte] en [betrokkene 1] ontvangen. Wij besloten om het te doen. Ik raakte opgewonden door de hoge rendementen. Ik heb f. 50.000 overgemaakt naar [B] . Ik heb op 10 juli 2001 een contract ondertekend. Ik ben in elk geval voor fl. 50.0000 (BFK: fl. 50.000) gedupeerd.

14. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2] (…), zakelijk weergegeven:

(Door wie bent u benaderd voor het product [A] c.q. [B] , waar, hoe en wanneer was dit?)

Door [betrokkene 3] in de zomer van 1999. Sinds 1998 woonde ik toen in [plaats] en hij belde op een gegeven moment aan.

(Welke afspraken zijn er gemaakt met betrekking tot de uitbetaling van de rendementen?)

[betrokkene 3] gaf aan dat de 5,9% gegarandeerd was en de 2% per maand was weliswaar een prognose rendement maar [betrokkene 3] gaf aan dat, dat min of meer wel vast stond. Het hele bedrag was dus eigenlijk, volgens [betrokkene 3] , wel gegarandeerd. Ik zou dus 29,9% per jaar ontvangen. Hij heeft dit ook schriftelijk aangegeven op het contract. Hij schreef daar, met de pen bij, dat het prognose rendement minimaal 2% en maximaal 2% per maand was. Daaruit blijkt dus dat het een vast percentage geworden is. Hij heeft dit zelfs tot twee maal toe voor mij opgeschreven. De 5,9% werd jaarlijks achteraf betaald en de 2% per maand een keer per kwartaal ook achteraf.

(Welke zekerheden zijn u geboden?)

Ik had dat contract en er zou nog een bankgarantie volgen die ik echter nooit meer gekregen heb.

(Wat heeft u feitelijk bewogen uw geld aan deze instelling af te geven?)

Het toegezegde rendement met de geboden zekerheden.

(Hoeveel geld heeft u overgemaakt naar [B] ?)

Dat was 50.000 gulden. Op 1 december 2000 heb ik vanaf mijn privérekening bij de SNS Bank een bedrag van 50.149,74 gulden overgemaakt naar aan [C] [postcode] Olten. In US dollars was dit 19.801,98.

(Hoe heeft u deze investering gefinancierd?)

In eerste instantie met een doorlopend krediet van twee maanden en dit heb ik later afgelost door een verhoging van mijn hypotheek.

15. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] (…), zakelijk weergegeven:

Ik ben door [postcode] in februari 2001 benaderd. Als hij hier op bezoek kwam dan begon hij altijd te praten over zijn bedrijf [A] en [B] . Nadat [postcode] hier een stuk of vier keer is geweest heb ik besloten om deel te nemen aan zijn beleggingsproduct. Mijn vertrouwen in het product van [A] c.q. [B] werd gewekt door de relatie die [betrokkene 1] had in mijn kennissenkring. Daarna kwam het feit dat ik gegarandeerd 5,9% rendement zou ontvangen. Tevens was het vertrouwenwekkend dat ik een bankgarantie zou ontvangen. Ik moest opschieten zei [betrokkene 1] , want die pool van $ 1.000.000 was bijna volgestort, zei hij. De bankgarantie die afgegeven zou worden in combinatie met een gegarandeerde rente van 5,9% speelde een belangrijke rol. Ook de hoge rendementen speelde mee, waardoor ik mijn geld heb afgegeven. Ik heb in maart 2001 een bedrag van f. 100.000 overgemaakt op een bankrekening van [B] bij de Rabobank te Elst. Ik heb een overeenkomst van de transactie. Als zekerheden zijn mij geboden de bankgarantie en het feit dat het geld na 10 jaar weer opvorderbaar is. Ik heb slechts eenmaal de rente van 5,9% ontvangen. Dat was na herhaaldelijk aandringen. Ik ben gedupeerd voor f. 100.000 en de rente die ik heb misgelopen. [betrokkene 1] had mij verteld dat hij [B] tezamen met [verdachte] heeft opgericht en heeft geleid. [verdachte] heb ik telefonisch gesproken.

16. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 3] (…), zakelijk weergegeven:

Bij [A] was ik werkzaam als financieel adviseur. [betrokkene 3] was feitelijk eigenaar en hij moest ook de grote klanten binnenhalen (die klanten waren voornamelijk bedrijven en dus geen particulieren). [betrokkene 4] en [betrokkene 1] en [verdachte] waren ook feitelijk eigenaar.

(Verbalisant stelt aan de getuige de volgende vraag: "Wat is u verteld over de constructie van het product [B] en hoe zag die eruit?”)

Het geld van de klanten kwam vrij uit de overwaarde van hun huis of het werd contant betaald. Dit geld werd gestort in obligaties en dan kregen de klanten 2% per maand rendement wat per kwartaal werd uitbetaald. Veel meer weet ik er niet van; er werd ons, de verkopers ook verteld dat we de klanten niet meer mochten vertellen omdat dit vragen opriep.

(Verbalisant stelt aan de getuige de volgende vraag: "Werden er garanties gegeven voor de terugbetaling van de inleg en uitbetaling van de rendementen door de adviseurs van [A] ? Zo ja door wie en hoe kwam die personen aan deze informatie?”)

Er werd een rendement gegarandeerd op de inleg van 2% per maand door de adviseur-verkopers naar de klanten toe. Deze informatie hadden we gekregen van de directieleden.

(Verbalisant stelt aan de getuige de volgende vraag: "Hoe werden klanten benaderd?”)

Ik moest bij mijn vriendenkring en familie beginnen. Nu weet ik waarom omdat ik natuurlijk het vertrouwen van deze mensen had en daardoor de producten makkelijker kon verkopen.

17. De informatie over [A] (FIOD Opsporing map 4, document AH02-D-01-01-049-010 (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

DE [A]

Met de [A] heeft u heel weinig of geen woonlasten meer. Sommigen houden zelfs geld over.

Voorbeeld: Uitgaand van een rente van 6% bij een hypotheek van fl.300.000,- en een PLUS- storting van fl.50.000,-

Bruto woonlast netto woonlast

Huidige spaarhypotheek fl. 1938,00 fl. 1417,00

[A] fl. 869,00 fl. 349,00

Door ons uitgekiende en unieke product is het niet meer nodig om een groot deel van u inkomen aan uw woonlast te besteden. Dus houdt u geld over voor de leuke dingen in het leven.

De hypotheek bestaat uit 3 belangrijke onderdelen:

1. Hypotheeklening

2. Verzekering

3. PLUS-storting

Hypotheeklening

De af te sluiten hypotheek is een normale hypotheek van een bank of andere financiële instelling. Voor u wordt de beste instelling gezocht.

Verzekering

Onze woonlastgarantie geeft dekking tegen de financiële risico's bij overlijden, WW en WAO. Voor deze verzekering betaalt u geen maandelijkse premie want de woonlastgarantie wordt meegenomen als koopsom in de hypotheek. U kunt dus blijven wonen wanneer er onverhoopt iets gebeurt.

PLUS-storting

Uw PLUS-storting komt uit de overwaarde van uw huis of uit eigen middelen. Dit kapitaal wordt gestort in een 'pool' van 1 miljoen US dollar. Op het moment dat de pool zijn volume heeft krijgt u gegarandeerd 5,9% rente per jaar (rentetype per 01-01-2001). De rente wordt verstrekt door een internationaal opererende bank.

De pool van 1 miljoen loopt vervolgens mee in een pool van 10 miljoen US dollar. Wanneer deze vol is, wordt een prognose rendement* gegeven. Dit rendement wordt per drie maanden achteraf rechtstreeks aan u overgemaakt. Uw storting en rendement worden gedaan in US-dollars. Het ingelegde geld staat vast voor 10 jaar. U krijgt de garantie dat uw USD kapitaal 100% blijft.

*Sinds 1978 zijn de rendementen niet lager geweest dan 2% per maand (24% per jaar). Wij zijn echter wettelijk verplicht u te melden dat in het verleden behaalde rendementen geen garantie zijn voor toekomstige rendementen.

18. De brochure over [A] (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Hoe werkt de [A] ?

In feite bestaat deze hypotheek uit 3 belangrijke onderdelen:

1. hypotheeklening

2. verzekering

3. PLUS-storting

Hypotheeklening

De af te sluiten hypotheek is een normale hypotheek van een bank of andere financiële instelling. Voor u wordt de beste instelling gezocht.

Verzekering

Voor deze verzekeringen betaalt U maandelijks geen premies, want de premies worden als koopsommen meegenomen in de te lenen hypotheek. Dit is de WoonlastGarantie. Dit pakket geeft dekking tegen de financiële risico's bij overlijden, WW, en arbeidsongeschiktheid. U kunt dus blijven wonen, wanneer er onverhoopt iets gebeurt.

PLUS-storting

Uw PLUS-storting wordt gestort in een "pool" van US$ 1 miljoen. Op moment, dat die pool "vol" krijgt U gegarandeerd 5,9% rente per jaar.

De pool van US$ 1 miljoen wordt dan gestort in een "hogere" pool van US$ 10 miljoen. Wanneer die vol is, wordt een rendement gegeven*). Dit rendement wordt per kwartaal rechtstreeks aan u over gemaakt. Uw storting en rendement wordt gedaan in US-dollars. Het ingelegde geld staat vast voor 10 jaar. U krijgt de garantie dat de alle door u ingelegde dollars weer aan u worden terugbetaald. Deze garanties worden opgenomen in uw notariële acte.

* Sinds 1978 zijn de rendementen niet lager geweest dan 2% per maand (per jaar 24%).

19. Een schriftelijk bescheid, te weten een ondertekende overeenkomst tussen [betrokkene 27] en [betrokkene 28] enerzijds en [B] anderzijds (….), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Overeenkomst

Artikel 1, deelname

Hierbij stel ik:

[betrokkene 27] en [betrokkene 28] ,

Hierna opdrachtgever genoemd,

[B] ,

Het bedrag groot fl. 35.000,

Ter beschikking om te storten ten behoeve van een, ten minste tien jaar lopende, kapitaalbelegging bij of via een West-Europese bank, met een rentevergoeding van 5,9% gegarandeerd, onherroepelijk en met volledige garantie van terugbetaling van het ingelegde kapitaal (...).

Artikel 3, prognoserendement

Het belegde kapitaal rendeert mogelijk hoger dan de 5,9% gegarandeerd. Op basis van de resultaten uit het verleden is de prognose 2% per maand.

De storting, zoals boven vermeld, participeert in een beleggingsrekening die een minimale volume dient te hebben van $ 10.000.000,-.

(…)

Legalisatie handtekening

Notaris Wanders & Thijssen te Venlo

.….

Handtekening notaris

20. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van [betrokkene 4] d.d. 6 maart 2001, als reactie op vragen van een potentiële klant (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Antwoorden op uw vragen:

1. Notaris, die ook de hypotheekakte passeert. Hij legaliseert de handtekening.

2. [B] is opgericht onder Zwitsers recht en heeft als doel een administratieve schakel te zijn tussen inleggers en banken. Het toezicht wordt gehouden door de Zwitserse overheid. Er is een Zwitserse zaakgelastigde, conform de eisen van de Zwitserse wetgeving.

3. De verzamelrekening van [B] (dit kan zijn: de Zwitserse bankrekening bij Credit Suisse, de Nederlandse bankrekening bij RABO of de dollarrekening bij RABO.

4. Ik verwijs u hierbij naar de "procedure". Het geldt wordt uit depot bij notaris of bankgarantie opgevraagd, nadat 1 miljoen US$ "op papier" is verzameld. Zodoende gaat de rentevergoeding van 5,9% principe direct in. (...)

15. [A] is alleen tussenpersoon en geen geldbeheerder. Faillissement heeft dus geen consequenties voor de inlegger. Dit geldt ook voor [B] . Ook [C] beheert het geldt niet. Alleen wanneer de bank failliet gaat zou er een probleem zijn, maar dit is volstrekt onwaarschijnlijk.’

11. Het hof heeft in het bestreden arrest voorts de volgende bewijsoverweging opgenomen:

‘Het hof is van oordeel dat door en namens verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde worden weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt - deels overeenkomstig het vonnis - in het bijzonder het volgende.

Verdachte en [betrokkene 1] vormden, naast dat zij op papier bestuurders waren van [A] en [B] , samen met [betrokkene 4] en [betrokkene 3] , de directie van [A] . Zo werden er door hen directie- en teamvergaderingen gehouden. Directievergaderingen vonden veelvuldig plaats, aldus verdachte.

Verdachte heeft [betrokkene 5] binnen [A] geïntroduceerd. De contacten leidden uiteindelijk tot de oprichting van het in Zwitserland gevestigde bedrijf [B] , een vennootschap naar Zwitsers recht. Medeoprichter- en bestuurder [betrokkene 4] heeft hierover verklaard dat het doel van de oprichting van [B] was om dit bedrijf contractspartij te maken van [C] . Deze vennootschap naar Zwitsers recht werd geleid door en was eigendom van eerder genoemde [betrokkene 5] en [betrokkene 2] . [A] mocht geen geld inzamelen van klanten, dus werd er een buitenlandse vennootschap voor opgericht. Dat met [A] geen gelden mochten worden aangetrokken, is overigens ter sprake gekomen op één van de door verdachte voorgezeten vergaderingen, in augustus 2000. Ook [betrokkene 1] was hiervan op de hoogte.

Voorts is door [betrokkene 4] verklaard dat verdachte en [betrokkene 1] meerdere keren naar Zwitserland en/of Duitsland zijn gegaan om zich het systeem hebben laten uitleggen door [betrokkene 5] . Alle contracten en transacties met betrekking tot [B] werden door verdachte en [betrokkene 1] uitgevoerd, aldus [betrokkene 4] . De verklaring van [betrokkene 4] wordt op kernpunten ondersteund door onder andere de verklaring van [betrokkene 3] . [betrokkene 3] heeft verklaard dat verdachte en [betrokkene 1] contact hadden met [C] (en [betrokkene 5] ) en dat zij de initiatiefnemers waren van [B] . Dat [betrokkene 1] ook contact had met [C] en daarvoor naar Zwitserland is afgereisd, wordt ook door hemzelf verklaard. Dat verdachte sterk betrokken was bij de gang van zaken in en rondom de bedrijven [A] en [B] heeft hij ook zelf kenbaar gemaakt in een brief aan de directie van [A] , waarin hij - zakelijk weergegeven - schrijft dat hij zijn werkzaamheden als directeur van [A] neerlegt, maar dat zijn verbondenheid met [A] onverminderd gegarandeerd blijft, doordat hij als aandeelhouder aanblijft en dat hij zich vooral zal inzetten voor de contacten tussen [B] , [C] en de in Zwitserland opererende banken.

Verdachte was ook ‘op de voorgrond’ actief. Verdachte en [betrokkene 1] hebben zelf ten minste één presentatie gegeven over de constructie van [B] . Beiden hebben ook potentiële inleggers benaderd.

Op 24 oktober 2000, kort na de oprichting van [B] , is een overeenkomst gesloten tussen verdachte en [betrokkene 1] , namens [B] enerzijds en [betrokkene 5] , namens [C] anderzijds. De overeenkomst zag - kort gezegd - op de samenwerking met betrekking tot het beleggingsproduct en het aantrekken van grote geldsommen, namelijk de inleggelden die samen een pool zouden moeten vormen, welke pool vervolgens deel zou moeten nemen aan een pool van nog grotere omvang. In de overeenkomst worden door [C] echter geen zekerheden gesteld; noch rentepercentages noch (rente- en kapitaals-)garanties werden bedongen voor de gestorte inleggelden door [B] . Daarnaast is onder punt 10 in de overeenkomst vermeld dat indien [B] het na zes maanden niet heeft gepresteerd om maandelijks minimum 3 miljoen dollar aan inleggelden aan te leveren, het contract door [C] kan worden ontbonden, met een opzegtermijn van één maand. Uiteindelijk is de overeenkomst op 17 februari 2001 per brief (die overigens is gericht aan [A] in plaats van aan contractpartij [B] ) eenzijdig opgezegd door [betrokkene 5] , namens [C] . In de brief schrijft [betrokkene 5] dat verdachten niet hebben voldaan aan de overeengekomen verplichtingen en claimt hij, zonder nadere onderbouwing, een schade van 1.041.664,64 dollar. Deze claim, alhoewel deze geen directe grondslag vindt in de overeenkomst van 24 oktober 2000, wordt op maart 2011 zonder enige weerstand van de zijde van verdachten door hen geaccepteerd. In de betreffende e-mail, afkomstig van [betrokkene 1] en voor akkoord medeondertekend door verdachte, wordt - zakelijk weergegeven - voorgesteld dat de oplossing voor het probleem moet worden gevonden in het geld dat afkomstig is van de inleggers.

Verdachten hebben zich schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde oplichting. Zij hebben inleggers deels gegarandeerde, hoge rendementen voorgespiegeld, terwijl zij op grond van het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank (BFK: het hof) wisten dat deze rendementen in alle redelijkheid niet zouden kunnen worden behaald. Van de voorgestelde historische rentepercentages was geen sprake, nu [B] pas in het jaar 2000 is opgericht. Evenmin is aannemelijk geworden dat [C] dergelijke historische rendementen heeft behaald. Verdachten hebben inleggers onder andere laten denken dat er werd samengewerkt met gerenommeerde bedrijven. Ook hebben zij in overeenkomsten vermeld dat het geld niet van criminele oorsprong mocht zijn en hebben zij gebruik gemaakt van notarissen.

Verdachten hebben niet alleen oplichtingsmiddelen gehanteerd om gelden te verwerven, ook overigens zijn zij - op zijn minst genomen - volstrekt lichtzinnig te werk gegaan. Zo is niet gebleken dat er enig onderzoek is gedaan naar de haalbaarheid van de constructie en de vraag of het überhaupt mogelijk zou zijn om uit de Nederlandse markt het buitengewoon grote bedrag van 3 miljoen dollar per maand te halen. De vraag hoe verdachten hebben kunnen denken dat dit haalbaar zou zijn, hebben zij niet kunnen beantwoorden. Dat verdachten wisten dat ze fout bezig waren, volgt naar het oordeel van de hof tevens uit het feit dat verdachte rond de datum van het faillissement van [A] aan [betrokkene 3] de opdracht heeft gegeven alle spullen met betrekking tot [B] te vernietigen. Het ging specifiek om alles waar ‘ [B] ’ op stond. [betrokkene 3] heeft dit geweigerd. Dat de dossiers geschoond moesten worden van [B] bescheiden, wordt bevestigd door een oud-medewerkster van [A] . Na enige tijd uitvoering te hebben gegeven aan deze opdracht, is zij hiermee gestaakt. [betrokkene 1] heeft bovendien zelf verklaard dat ze al vrij snel in de gaten hadden dat het niet goed ging. Dit hebben verdachten overigens niet aan de inleggers meegedeeld. Ook na het opzeggen van de overeenkomst door [betrokkene 5] zijn zij doorgegaan met het werven van klanten en hebben zij inleggers in de veronderstelling gelaten dat zakelijk gezien alles in orde was.

De wetenschap en het opzet van verdachten volgt ook uit de manier waarop zij hebben gereageerd op het beëindigen van de samenwerking door [betrokkene 5] . Zij hebben zich niet tegen zijn claim verzet en hebben naar de inleggers toe slechts het standpunt ingenomen dat zij er niets aan konden doen dat de door hen ingelegde gelden waren verdwenen. Deze reactie is naar het oordeel van het hof niet waarschijnlijk, indien verdachten zich met een legale zaak zouden hebben beziggehouden. In dat geval zouden verdachten naar alle waarschijnlijkheid alles op alles hebben gezet om de ingelegde gelden of een deel daarvan terug te krijgen en de zich niet zonder meer bij de claim van [betrokkene 5] niet hebben neergelegd.

Het hof overweegt dat het enkel doen van toezeggingen niet zonder meer oplichting oplevert als daaraan niet is voldaan. In de onderhavige zaak zijn echter toezeggingen gedaan die - onder meer - impliceren dat er bepaalde afspraken met derden zijn gemaakt omtrent rentepercentages en (rente- en kapitaal)garanties, terwijl die afspraken niet zijn gemaakt. Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat het niet anders kan dat alle inleggers kennis hebben genomen van de in de bewezenverklaring opgenomen oplichtingsmiddelen - in het bijzonder het voorgespiegelde (en historisch) rendement en de voorgespiegelde zekerheden - en dat het niet anders kan dan dat zij zich daardoor ook allen hebben laten leiden aangezien zij de kern van de overeenkomsten omvatten. In dit verband overweegt het hof expliciet dat dit kan worden vastgesteld ook zonder dat alle afzonderlijke beleggers daarover zijn gehoord. Verder overweegt het hof nog dat de verklaringen van de wel gehoorde beleggers op basis van het vorenstaande niet als sole and decisive zijn aan te merken, zodat er voor uitsluiting van hun verklaringen geen reden is.’

Het derde middel

12. Het derde middel behelst een bewijsklacht in verband met feit 2 en ziet, zo begrijp ik, op de bewezenverklaarde oplichtingsmiddelen.

13. In de toelichting op het middel refereert de steller aan het navolgende onderdeel van de ter terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2017 voorgedragen pleitnota (met weglating van voetnoten):

Primair: vrijspraak omdat tll gedragingen geen oplichtingsmiddelen zijn i.d.z.v. art. 326 Sr

Kern van de overeenkomst: geen oplichtingsmiddelen

2. De delictsomschrijving van oplichting houdt in dat iemand - dus: een individu - door een oplichtingsmiddel tot iets moet zijn bewogen. Een en ander brengt mee dat op grond van een algemene tenlastelegging, zoals die in de onderhavige zaak voorligt, niet snel tot een bewezenverklaring van de oplichting van alle beleggers zal kunnen worden gekomen. Dit kan slechts anders zijn wanneer van één of meer in de tenlastelegging opgenomen oplichtingsmiddelen zonder aarzeling kan worden aangenomen dat:

- a) alle beleggers daarvan kennis hebben genomen, en

- b) dat het niet anders kan dan dat zij zich daardoor ook allen hebben laten leiden aangezien zij de kern van de overeenkomsten omvatten.

Het gaat dan in wezen dus om ‘objectiveerbare oplichtingsmiddelen’.

3. In de onderhavige zaak is een aantal tenlastegelegde middelen objectiveerbaar: namelijk de rentegarantie van 5,9% en het voorhouden van een prognoserendement van 2% (gedachtestreepjes 3, 7 en 8). Het betreffen toezeggingen over het te verwachten rendement, die telkens ook in de overeenkomsten zijn opgenomen onder artikel 2 resp. artikel 3. In het verlengde daarvan ligt de ‘suggestie’ dat er gewerkt werd met bankgaranties (gedachtestreepje 2). Hiervan wordt in artikel 1 en 4 van de overeenkomst melding gedaan: zodra $ 1.000.000 bijeen zou zijn gebracht, zou de bank een rente- en kapitaalgarantie afgeven.

4. Deze gedragingen vormen de kern van de overeenkomst. Het is in wezen het aanbod van [B] , dat door de beleggers is aanvaard. Als vaststaand kan daarom worden aangenomen dat alle beleggers hiermee bekend waren en (mede) daardoor ook zijn bewogen tot het aangaan van die overeenkomsten.

5. Bij deze gedragingen moet echter de vraag worden gesteld of dit daadwerkelijk oplichtingsmiddelen in de zin van artikel 326 Sr zijn. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. Het gaat immers om contractuele garanties c.q. toegezegde prestaties. Daarvan kan in beginsel niet gezegd worden dat dit oplichtingsmiddelen zijn, nu het gaat om toekomstige onzekere gebeurtenissen tot nakoming waartoe de wederpartij zich heeft verbonden. Dit laatste geldt eveneens daar waar het gaat om door een wederpartij verstrekte garantie. Dit is een begrip waarvan steeds door uitleg zal moeten worden vastgesteld welke invloed zij heeft op de onderlinge rechtsverhouding tussen partijen. Een begrip dat evenwel ook bij ruime uitleg ten nadele van de garantieverstrekker niet verder gaat dan dat een resultaatsverbintenis waarvan moet worden aangenomen dat bij niet-nakoming sprake is van wanprestatie c.q. dwaling, maar niet van oplichting. Zo wordt bij (vrijwel) iedere bedrijfsobligatie zowel de betalen rente als de terugbetaling door het bedrijf zelf ‘gegarandeerd’. Maar dat wil niet zeggen dat na een faillissement automatisch met terugwerkende kracht sprake is geweest van oplichting bij de uitgifte van de obligaties, enkel omdat later niet aan de verplichtingen kon worden voldaan.

6. Mogelijk zouden de voorgehouden rendementen en gegeven garanties (wél) als oplichtingsmiddel kunnen worden aangeduid als van meet af aan, dan wel vanaf enig moment bewezen kan worden dat door een vertekend beeld van de werkelijkheid te (blijven) geven alleen (nog) maar sprake is van onwaarheden en listige kunstgrepen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als sprake (meer) is van geen enkele (geplande) daadwerkelijke bedrijfsactiviteit.

7. Daarvan is hier echter geen sprake. [A] was een legitieme onderneming die verschillende producten aanbood, waaronder het [B] -beleggingsproduct. Men had het volste vertrouwen in de slagingskans ervan: in het jaarplan 2001 werd beredeneerd dat - in samenwerking met [H] - een volume van 1.200 hypotheken van tenminste Fl. 50.000 zonder meer haalbaar moest zijn. Daarmee zou ruimschoots kunnen worden voldaan aan het contractuele volume dat met [C] was afgesproken (3 miljoen gulden per maand).

8. En in de toen heersende tijdsgeest geloofde men heilig dat rendementen van 30% mogelijk waren. Ook bij (andere) professionele partijen bestond dat geloof:

Assuradeur [betrokkene 7] zegt hierover:

“Toen wel. Ik denk overigens wel dat er rendementen te behalen zijn van rond de 30% op jaarbasis, echter niet risicoloos. Ik heb een cursus day-trading gevolgd, hierbij zijn enorme rendementen te behalen.”

Avero -medewerker [betrokkene 29] verklaart:

[betrokkene 30] [destijds commercieel manager bij Avero , NvS ] heeft mij medegedeeld dat dit soort beleggingsconstructies met hoge rendementen bestonden en dus niet onmogelijk waren."'

En Rabobankier [betrokkene 31] specifiek over het [B] -product:

“Ik heb dit plan ook voorgelegd aan de afdeling Hypotheken van de Rabobank in Elst. Dat is [betrokkene 32] en [betrokkene 33] . Deze collega’s hebben het product beoordeeld en zij waren erg enthousiast over dit product Ze zouden zelf ook wel zo’n product op de markt willen brengen namens de Rabobank.”

9. Het (op voorhand) verwachte rendement was in de toen geldende tijdsgeest dus niet volstrekt onrealistisch. Dat de doelstellingen uiteindelijk niet werden gehaald, is aan allerlei toekomstige (onzekere) omstandigheden te wijten geweest: personele problemen, een achterblijvende vraag naar het product en het (daarom) benutten van de eenzijdige opzeggingsmogelijkheid door [C] toen niet aan het contractueel overeengekomen volume werd voldaan. Niet lang daarna zegde de Rabobank de financiering op en dus was een faillissement onafwendbaar. Maar van dat samenstel van omstandigheden was bij het sluiten van de overeenkomsten met de individuele beleggers (nog) geen sprake.

10. De conclusie is dan ook dat de gedragingen die de kern van de overeenkomst vormden - en dus voor alle beleggers bekend waren en leidend zijn geweest - geen oplichtingsmiddelen zijn. Deze vaststelling heeft tot gevolg dat in ieder geval niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen ten aanzien van de beleggers die niet als getuige zijn gehoord; dat is voor 17 van de 29 benadeelden het geval. Van hen is immers niets méér bekend dan dat zij door de kern van de overeenkomst zijn ‘bewogen’, hetgeen evenwel dus geen oplichting oplevert.’

14. De steller van het middel refereert vervolgens aan ’s hofs overweging ‘dat het enkele doen van toezeggingen niet zonder meer oplichting oplevert als daaraan niet is voldaan. In de onderhavige zaak zijn echter toezeggingen gedaan die – onder meer – impliceren dat er bepaalde afspraken met derden zijn gemaakt omtrent rentepercentages en (rente- en kapitaal)garanties, terwijl die afspraken niet zijn gemaakt. Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat het niet anders kan dat alle inleggers kennis hebben genomen van de in de bewezenverklaring opgenomen oplichtingsmiddelen – in het bijzonder het voorgespiegelde (en historisch) rendement en de voorgespiegelde zekerheden – en dat het niet anders kan dan dat zij zich daardoor ook allen hebben laten leiden aangezien zij de kern van de overeenkomsten omvatten.’ De steller van het middel leidt uit die overweging af dat het hof heeft geoordeeld ‘dat de kern van de overeenkomst wel degelijk bestaat uit oplichtingsmiddelen’.

15. Bewijsmiddel 19 betreft een ondertekende overeenkomst tussen [betrokkene 27] en [betrokkene 28] enerzijds en [B] anderzijds. In deze overeenkomst is vermeld dat het bedrag ter beschikking wordt gesteld ‘om te storten ten behoeve van een, ten minste tien jaar lopende, kapitaalbelegging bij of via een West-Europese bank, met een rentevergoeding van 5,9% gegarandeerd, onherroepelijk en met volledige garantie van terugbetaling van het ingelegde kapitaal’. Inzake het prognoserendement wordt vermeld: ‘Op basis van de resultaten uit het verleden is de prognose 2% per maand’. Het hof heeft vastgesteld dat [B] pas in het jaar 2000 is opgericht; de ‘resultaten uit het verleden’ zijn derhalve een verdichtsel. Uit bewijsmiddel 1 volgt voorts dat de inleggelden zijn gestort op een bankrekening van [A] , op een bankrekening van [B] en op een Zwitserse bankrekening. Een groot deel van het geld is overgemaakt aan [C] . Het geld is niet aangewend voor een ‘kapitaalbelegging bij of via een West-Europese bank’; er is geen (West-Europese) bank die (bij voldoende inleg) een rentevergoeding van 5,9% gegarandeerd heeft. In ’s hofs overweging dat de verdachten inleggers hebben ‘laten denken dat er werd samengewerkt met gerenommeerde bedrijven’ ligt besloten dat het hof de inhoud van de overeenkomst ook in zoverre – niet onbegrijpelijk – als een verdichtsel heeft aangemerkt. Uit bewijsmiddel 1 volgt voorts dat in februari of maart 2001 is besloten om ‘het geld dat van de klanten komt’ te gebruiken voor de claim van [betrokkene 5] . Dat brengt mee dat ingelegde geldbedragen niet konden worden terugbetaald. Reeds op grond van deze feiten en omstandigheden is ’s hofs oordeel dat de kern van de overeenkomst (het voorgespiegelde en historisch rendement en de voorgespiegelde zekerheden) bestaat uit oplichtingsmiddelen (een samenweefsel van verdichtsels) niet onbegrijpelijk.

16. Voor zover het middel ertoe strekt te betogen dat aan de potentiële deelnemers zou zijn meegedeeld dat pas een rentevergoeding van 5,9% gegarandeerd werd als een pool van één miljoen dollar volgestort zou zijn, en dat afspraken over rentepercentages en (rente- en kapitaal)garanties in dat licht pas later gemaakt konden worden, kan worden opgemerkt dat uit de bewijsmiddelen anders volgt. [betrokkene 12] , [betrokkene 15] , [betrokkene 17] , [betrokkene 18] , [betrokkene 22] , [getuige 4] , [getuige 2] en [getuige 1] spreken elk over 5,9% gegarandeerd rendement (bewijsmiddelen 7 t/m 11, 13 t/m 15). [getuige 3] , bij [A] werkzaam als financieel adviseur, verklaart dat ‘een rendement (werd) gegarandeerd op de inleg van 2% per maand door de adviseur-verkopers naar klanten toe’. Die informatie ‘hadden we gekregen van directieleden’ (bewijsmiddel 16). De onder de bewijsmiddelen opgenomen overeenkomst houdt wat het percentage van 5,9% betreft ook geen slag om de arm (bewijsmiddel 19). Dat, zoals de steller van het middel aangeeft, in de beschrijving die [B] van de constructie geeft (en in schriftelijke informatie over [A] alsmede de brochure) wel een slag om de arm is gehouden (bewijsmiddelen 1, 17 en 18), heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk niet doorslaggevend geacht. Ik merk hierbij nog op dat van alle tot het bewijs gebezigde verklaringen van de beleggers alleen de verklaring van [betrokkene 15] inhoudt dat het gegarandeerde rendement was gekoppeld aan het bereiken van een pool van één miljoen dollar; [betrokkene 15] heeft evenwel ook verklaard dat de verdachte hem had medegedeeld dat die pool reeds was volgestort door andere deelnemers.6

17. Het derde middel faalt.

Het tweede middel

18. Het tweede middel ziet eveneens op de bewezenverklaring van feit 2. De bewijsconstructie van het hof zou volgens de steller onvoldoende inzichtelijk maken wat de afzonderlijke beleggers heeft bewogen tot de inleg van hun geld. De steller van het middel wijst ook in dit verband op ’s hofs bewijsoverweging, inhoudend dat het op grond van de bewijsmiddelen ‘niet anders kan (zijn dan) dat alle inleggers kennis hebben genomen van de in de bewezenverklaring opgenomen oplichtingsmiddelen – in het bijzonder het voorgespiegelde (en historisch) rendement en de voorgespiegelde zekerheden – en dat het niet anders kan dan dat zij zich daardoor ook allen hebben laten leiden aangezien zij de kern van de overeenkomsten omvatten’ en ‘dat dit kan worden vastgesteld ook zonder dat alle afzonderlijke beleggers daarover zijn gehoord’. Door de verdediging zou uitvoerig onderbouwd zijn bepleit dat en waarom in casu bij de beleggers geen sprake was van een gelijksoortige causaliteit.

19. In de toelichting op het middel refereert de steller aan het volgende onderdeel van de pleitnota (met weglating van voetnoten):

Meer subsidiair: partiele vrijspraak omdat (…) onvoldoende bewijs bestaat voor enig causaal verband tussen de ‘overige’ tll gedragingen en het beleggen van gelden

27. Wanneer uw Hof onverhoopt van oordeel is dat de ‘overige’ tenlastegelegde gedragingen wel oplichtingsmiddelen zijn en alle verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt, zal per belegger moeten worden vastgesteld door welke middelen zij zijn bewogen tot het aangaan van de overeenkomst.

28. Een gemene deler is er op dit punt niet. Dit blijkt reeds uit de verklaringen van de getuigen die op dit onderdeel door de Rechtbank voor het bewijs gebezigd zijn. Zo was voor [betrokkene 17] doorslaggevend dat er aangetoond diende te worden dat de inleg geen criminele herkomst had. Voor [betrokkene 18] was de betrokkenheid van notarissen de relevante factor. Voor [getuige 2] gaf de informatie die hij van Avero had gekregen de doorslag. In essentie had eenieder dus zo zijn eigen motieven om met [B] in zee te gaan.

29. Ten aanzien van een aantal getuigen moet echter worden vastgesteld dat men zegt te zijn bewogen tot beleggen door uitsluitend factoren die niet als oplichtingsmiddel op de tenlastelegging voorkomen. Zo was voor [getuige 5] de reden dat zijn zoon het [B] -product bij hem had geïntroduceerd en dat ‘de directeuren in Zwitserland’ zouden hebben vastgesteld dat het goed ging met de beleggingen. Voor [getuige 6] was zijn langdurige relatie met [betrokkene 16] de reden. Voor getuige [betrokkene 15] was van belang het beoogde "dalen van de maandlasten” en de (niet nader geduide) “verhalen van [betrokkene 16] [ [betrokkene 16] - NvS ]”.

30. In meer subsidiaire zin zal - naast vrijspraak ten aanzien van de niet-gehoorde beleggers - in ieder geval nog vrijspraak moeten volgen ten aanzien van de beleggers die als reden(en) voor hun belegging slechts omstandigheden noemen die niet op de tenlastelegging voorkomen.’

20. Het hof heeft bewezenverklaard dat één of meer personen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels zijn bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedragen. Daarbij zijn zes gedragingen bewezenverklaard, kort samengevat: 1. suggereren dat werd gewerkt met bankgaranties en dat het gestorte kapitaal gewaarborgd en opeisbaar was; 2. wijzen op maandelijkse historische 2% rendementen; 3. benadrukken dat werd gewerkt met notarissen en dat het ingelegde geld niet van criminele oorsprong mocht zijn; 4. in een ‘ [A] ’ brochure vermelden van een gegarandeerd rentepercentage van 5,9%, een prognoserendement en een historisch rendement sinds 1978 van 2% per maand; 5. tegenover (potentiële) beleggers verzwijgen dat [C] de overeenkomst met [A] had opgezegd en/of dat de door [C] (beweerdelijk) geleden miljoenenschade zou worden verrekend met ingelegde of in te leggen geldbedragen, en 6. laten tonen en verstrekken van bankafschriften van de Rabobank te Elst en rekeninginformatie m.b.t. [B] waaruit zou moeten blijken dat rente-uitkeringen hebben plaatsgevonden en waardoor de geloofwaardigheid van het beleggingsproduct zou moeten worden vergroot.

21. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat een aantal personen door één of meer van deze zes gedragingen zijn bewogen tot de afgifte van geldbedragen. [betrokkene 12] , is bewogen door het gegarandeerde rendement en het prognoserendement (bewijsmiddel 7). [betrokkene 15] en [betrokkene 17] noemen naast het gegarandeerde rendement en het prognoserendement ook de terugbetaalgarantie (bewijsmiddelen 8 en 9). Bij [betrokkene 18] heeft ook de betrokkenheid van een notaris een rol gespeeld (bewijsmiddel 10). [betrokkene 22] noemt (naast het beloofde rendement) ook de verzekering ‘dat het absoluut niet fout kon gaan en dat wij onze inleg te allen tijden terug zouden krijgen’ (bewijsmiddel 11); [getuige 7] en [getuige 1] noemen naast het rendement de bankgarantie (bewijsmiddelen 13 en 15); [getuige 2] het ‘toegezegde rendement met de geboden zekerheden’ (bewijsmiddel 14). Deze verklaringen bevestigen dat deze inleggers zich in het bijzonder hebben laten leiden door het voorgespiegelde (en historisch) rendement en de voorgespiegelde zekerheden. Naar het mij voorkomt heeft het hof de bij elk van deze beleggers bewezenverklaarde gedragingen kunnen aanmerken als een samenweefsel van verdichtsels: gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen.7 Mede in het licht van de als bewijsmiddel 18 gebezigde brochure, inhoudende dat de garanties worden opgenomen in een notariële akte, heeft het hof het inschakelen van de notaris kunnen aanmerken als een listige kunstgreep.

22. Uit de bewezenverklaring volgt niet rechtstreeks dat het hof alle 29 personen die als benadeelde partij een vordering hebben ingediend onder de bewezenverklaring begrepen acht. De afsluitende passage in ’s hofs bewijsoverweging is evenwel een sterke aanwijzing dat het hof de bewezenverklaring aldus bedoeld heeft. Een tweede indicatie volgt uit de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Het hof heeft aan de verdachte de verplichting opgelegd om ‘ten behoeve van de hierboven genoemde 29 slachtoffers, ter zake van het bewezen verklaarde een totaalbedrag te betalen van € 290.000 (…) oftewel € 10.000 (…) per slachtoffer’. In de bewezenverklaarde periode maakte art. 36f Sr oplegging van de schadevergoedingsmaatregel slechts mogelijk bij een rechterlijke uitspraak ‘waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld’ (lid 1), ‘indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht’ (lid 2).8 Van schade die door het strafbare feit is toegebracht is geen sprake als het slachtoffer niet onder de personen valt die door de bewezenverklaring worden omvat.9 De oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is door het hof blijkens de motivering daarvan in het bijzonder gerelateerd aan de ‘onder feit 2 bewezen verklaarde oplichting door verdachte’.

23. Aanwijzingen inzake de eisen die Uw Raad aan het bewijs van ‘bewegen’ in de zin van art. 326 Sr stelt, kunnen worden ontleend aan de overzichtsarresten inzake oplichting. In HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158 m.nt. Keijzer onder NJ 2017/162 bijvoorbeeld overwoog Uw Raad (met weglating van voetnoten):

‘2.4. In de voorgaande overwegingen staan de verschillende oplichtingsmiddelen centraal. Opmerking – en in voorkomende gevallen aparte aandacht – verdient nog dat voor oplichting blijkens artikel 326, eerste lid, Sr is vereist dat iemand door zo een oplichtingsmiddel wordt “bewogen” tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel “beweegt” tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326, eerste lid, Sr.

Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in art. 326, eerste lid, Sr bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van art. 326, eerste lid, Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.’

24. Uit deze overweging volgt dat Uw Raad van belang acht of ‘de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid’ het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven de onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen. Uit het genoemde arrest kan worden afgeleid dat Uw Raad ook van beleggers eist dat zij deze omzichtigheid in acht nemen. Bewezenverklaard was dat de verdachte het slachtoffer door het aannemen van een valse hoedanigheid had bewogen tot afgifte van een geldbedrag van € 50.000,-. De valse hoedanigheid had erin bestaan dat de verdachte ‘toen daar opzettelijk in strijd met de waarheid’ aan de betrokkene kenbaar had gemaakt ‘dat het investeren van geld in de coöperatie [A], welke coöperatie tot doelstelling had geld te investeren in bedrijven in het midden- en kleinbedrijf, een gegarandeerd goede investering zou zijn met een op jaarbasis uitbetaald rendement van 10%’, zulks terwijl hij, kort gezegd, wist dat hij de activiteiten van coöperatie [A] op last van DNB moest stoppen. Namens de verdachte was in hoger beroep onder meer aangevoerd dat het slachtoffer had verklaard ‘meer tijd aan onderzoek’ naar de verdachte te hebben kunnen doen; dat het slachtoffer extra zekerheid in de vorm van een persoonlijke borgstelling van de verdachte had gewild, en dat sprake was van ‘een lichte verblinding van een mooi in het vooruitzicht gesteld rendement’. Uw Raad overwoog:

‘3.3. Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4 is overwogen en op hetgeen namens de verdachte in dit verband is aangevoerd, is de bewezenverklaring dat de verdachte door het aannemen van een valse hoedanigheid [betrokkene 1] “heeft bewogen” tot afgifte van een geldbedrag van € 50.000,- niet toereikend gemotiveerd. In zoverre slaagt het middel.’

25. Zelf heb ik aarzelingen bij de gedachte dat gedragingen van de verdachte die overigens aan de vereisten van oplichting voldoen, straffeloos zouden blijven in het licht van de persoonlijkheid van het slachtoffer.10 Dat neemt evenwel niet weg dat het uitgangspunt (het antwoord op de vraag of het slachtoffer door een oplichtingsmiddel is bewogen is afhankelijk van de omstandigheden van het geval) mij juist voorkomt. Reeds in het licht van dat uitgangspunt is de vaststelling dat een slachtoffer ‘bewogen’ is in de zin van art. 326 Sr zonder verklaring van het slachtoffer daaromtrent dan wel andere bewijsmiddelen die inzicht verschaffen in de beweegredenen van het slachtoffer in beginsel problematisch. Dat kan in versterkte mate gelden als uit de bewijsconstructie moet volgen dat het slachtoffer de onjuiste voorstelling van zaken niet behoefde te doorzien.

26. Toch volgt uit HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1878 dat een bewijsvoering waarin niet van elk slachtoffer een verklaring onder de bewijsmiddelen is opgenomen die duidelijk maakt wat hem of haar tot de afgifte van een geldbedrag heeft bewogen, niet per definitie tot cassatie leidt.11 Het hof had als feiten van algemene bekendheid aangemerkt (1) ‘dat mensen die geïnteresseerd zijn in het beleggen van hun gelden zich – alvorens daartoe over te gaan – (direct of indirect) laten informeren’ en (2) ‘dat mensen hun gelden beleggen om daar rendement uit te halen’. En het had geconcludeerd dat ook de ‘beleggers die in Ambtshandeling 42 zijn opgenomen (…) niet anders dan door de informatie die aan hen is verstrekt (waaronder de overeenkomst zelf), een obligatieovereenkomst met [A] (kunnen) zijn aangegaan met als doel om een bepaald rendement te behalen’. Uw Raad overwoog:

‘Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van deze - op algemene aannames gebaseerde maar niet reeds daarom onbegrijpelijke - redenering neemt de Hoge Raad in de eerste plaats in aanmerking dat noch in hetgeen namens de verdachte in hoger beroep is aangevoerd, noch in de schriftuur, noch anderszins met betrekking tot een of meer in ‘Ambtshandeling 42’ genoemde beleggers naar voren is gekomen dat hun beslissing tot afgifte van geldbedragen aan [A] ter belegging, gebaseerd was op andere informatie over die belegging dan de informatie die afkomstig was van de verdachte en zijn medeverdachte, zoals vermeld in onder meer het prospectus.
Voorts neemt de Hoge Raad in dit verband in aanmerking dat het Hof met betrekking tot 57 in zijn arrest genoemde personen, onder wie 49 andere personen dan de personen die in de bewezenverklaring zijn genoemd, heeft geoordeeld dat “uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat voornoemde benadeelde partijen als gevolg van het (...) bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade hebben geleden en dat deze schade aan verdachte kan worden toegerekend”, op grond waarvan het Hof hun vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partijen geleden schade heeft toegewezen. Tot de gedingstukken behoren ten aanzien van al deze benadeelde partijen hun opgaven van de inhoud van hun vordering en van de gronden waarop deze berusten, vervat in de formulieren als bedoeld in art. 51g, eerste lid, Sv, alsmede in daaraan gehechte bijlagen, waaronder in een aantal gevallen het door de desbetreffende benadeelde partij ontvangen, door het Hof als bewijsmiddel 12 aan zijn beslissing ten grondslag gelegde prospectus. In dat verband geldt voorts dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat een formulier voor voeging als bedoeld in art. 51g, eerste lid, Sv - indien het voldoet aan de bewijsvoorschriften - voor het bewijs wordt gebruikt (vgl. HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:91).
Tegen deze achtergrond geeft het oordeel van het Hof dat niet uitsluitend de in de bewezenverklaring met name genoemde personen maar ook andere personen mede door de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachte werden bewogen tot de afgifte van geldbedragen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Ook in zoverre faalt het middel.’

27. De ‘beleggingsconstructie’ in het bestreden arrest verschilt evenwel wezenlijk van die welke in het arrest van 3 december 2019 aan de orde was. Daarin was de slachtoffers voorgewend, zo volgt uit de bewezenverklaring, dat de ontvangen gelden zouden worden aangewend ten behoeve van de ondersteuning van de bedrijfsvoering van [A], dat het jaarlijks rendement 8,9 tot 12% zou bedragen, en dat het management van [A] en/of een dochteronderneming één of meer concrete projecten op Jamaica met succes had afgerond. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het ging om door [A] aangeboden obligaties ten behoeve van de financiering van de bouw van vijf villa’s in Costa Rica. Dat is niet een plan dat een belegger onmiddellijk als irreëel moet herkennen. In de onderhavige zaak zijn inleggers lekker gemaakt met een jaarlijks rendement van 29,9%, zonder risico’s (bewijsmiddelen 7, 8, 9, 10, 11, 13, 14, 17, 18). Dat had alarmbellen moeten laten afgaan.12 Daar komt bij dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat aan de inleggers is verteld hoe dit rendement gerealiseerd zou kunnen worden. De schriftelijke informatie komt erop neer dat het ingelegde geld in een ‘pool’ wordt gestort (bewijsmiddel 17); waarom geld dat in deze pool zit veel beter zou renderen is niet helder. En waarom hetzelfde geld nog veel beter zou renderen als het in een tien keer zo grote ‘superpool’ terecht komt, blijft al even vaag.13

28. Mede tegen die achtergrond is ook begrijpelijk dat in de onderhavige zaak voor een andere werkwijze is gekozen dan in de zaak van het arrest van 3 december 2019 aan de orde was. In die zaak was (onder meer) van telefonische verkoop sprake (bewijsmiddel 8). In de onderhavige zaak heeft [getuige 3] , die als financieel adviseur in dienst was bij [A] , verklaard dat hij bij zijn ‘vriendenkring en familie (moest) beginnen. Nu weet ik waarom omdat ik natuurlijk het vertrouwen van deze mensen had en daardoor de producten makkelijker kon verkopen’ (bewijsmiddel 16). Die werkwijze komt ook uit andere verklaringen naar voren. [betrokkene 15] is benaderd door [betrokkene 16] , een kennis (bewijsmiddel 8). [getuige 7] is benaderd door [betrokkene 3] , een vriend van een collega (bewijsmiddel 13). [getuige 1] is benaderd door [betrokkene 1] , die een relatie had in zijn kennissenkring (bewijsmiddelen 1 en 15). Ook uit andere verklaringen spreekt vertrouwen dat vooral op de inschatting van een persoon is gebaseerd. Zo lijkt [betrokkene 22] veel vertrouwen te hebben gesteld in [betrokkene 23] (bewijsmiddel 11). Ingeval Uw Raad personen die verblind door beloofde rendementen op beweringen van een adviseur afgaan de bescherming van de strafbaarstelling van oplichting zou willen onthouden, zou dat ervoor kunnen pleiten, te eisen dat in een zaak als de onderhavige meer duidelijkheid wordt gecreëerd omtrent wat elk van de slachtoffers heeft bewogen.14

29. Zelf zou ik evenwel willen aannemen dat uit de bewijsconstructie in toereikende mate volgt dat de slachtoffers de onjuiste voorstelling van zaken niet behoefden te doorzien. Daarbij staat voorop dat de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid niet maatgevend behoeft te zijn voor de onvoorzichtigheid die slachtoffers de bescherming van deze strafbepaling doet verliezen.15 Verder is weinig bekend omtrent de persoonlijkheid van de slachtoffers in de onderhavige zaak, in het bijzonder hun ‘verstandelijke vermogens’. Het lijkt mij verantwoord, uit te gaan van de ervaringsregel dat wie in een oplichtingstruc trapt, het bedrog kennelijk niet heeft kunnen doorzien. Het ligt op de weg van de verdediging om aan te voeren dat zich in het concrete geval feiten en omstandigheden voordoen die doen betwijfelen of deze ervaringsregel opgaat.16 In het onderhavige geval heeft de verdediging dergelijke feiten en omstandigheden niet aangevoerd; in cassatie wordt ook niet geklaagd dat aan dit vereiste van oplichting niet is voldaan.

30. De steller van het middel klaagt, zo bleek, wel in het bijzonder over ’s hofs overweging voor zover daarin voorbij is gegaan aan het pleidooi ‘dat en waarom in casu bij de beleggers geen sprake was van – kort gezegd – een gelijksoortige causaliteit’. De raadsman heeft in hoger beroep blijkens zijn pleitnota evenwel tot uitgangspunt genomen ‘dat de gedragingen die de kern van de overeenkomst vormden (…) voor alle beleggers bekend waren en leidend zijn geweest’ (zie het bij de bespreking van het derde middel weergegeven deel van de pleitnota). Met die kern van de overeenkomst doelt de raadsman op de rentegarantie van 5,9%, het voorhouden van een prognoserendement van 2% en de suggestie dat gewerkt werd met bankgaranties. Door de verdediging is derhalve niet bestreden dat de voorgespiegelde rendementen en bankgaranties bij alle beleggers een belangrijke rol hebben gespeeld. De raadsman heeft aldus feitelijk toegegeven dat van (de vereiste mate van) ‘gelijksoortige causaliteit’ sprake is. Ik neem daarbij in aanmerking dat ingevolge de eerder geciteerde rov. 2.4 in het overzichtsarrest betreffende oplichting van het in het bestanddeel ‘beweegt’ tot uitdrukking gebrachte causaal verband sprake is als voldoende aannemelijk is ‘dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed’. Daarop stuit het middel af in zoverre het er in het bijzonder over klaagt dat het hof voorbij is gegaan aan genoemd in de pleitnota betrokken standpunt.

31. Uit de bewoordingen van het middel kan worden afgeleid dat het ook de meer algemene klacht bevat dat de gebezigde bewijsconstructie onvoldoende inzichtelijk maakt wat de afzonderlijke beleggers heeft bewogen tot de inleg van hun geld. In verband met die klacht is een verschil van belang tussen de bewijsconstructie in het bestreden arrest en die welke in HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1878 toereikend werd geoordeeld. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat elk van de andere personen die zich als benadeelde partij hebben gevoegd dan die waarvan verklaringen onder de bewijsmiddelen zijn opgenomen, een geldbedrag aan de verdachte en de medeverdachte heeft afgedragen.17 Dat dit van belang is in verband met de bewijsconstructie inzake het ‘bewegen tot’ kan worden afgeleid uit HR 20 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9379, NJ 2004/681 m.nt. Reijntjes. Het dertiende middel in die zaak klaagde dat de bewezenverklaring in zoverre zij behelsde dat een groot aantal personen, zoals vermeld op de aan de dagvaarding gehechte lijsten 1 en 2, waren ‘bewogen tot’ afgifte van het aldaar vermelde bedrag, onvoldoende door bewijsmiddelen werd geschraagd. Uw Raad stelde vast dat uit de bewijsmiddelen kon volgen dat vier betrokkenen ‘door onder meer de inhoud van de genoemde brochures en bescheiden zijn bewogen tot hun investeringen’. En dat het hof uit de bewijsmiddelen kennelijk heeft afgeleid ‘dat ook de overige, met naam, nummer van de houtopstand en geïnvesteerd bedrag vermelde personen op overeenkomstige wijze tot het aangaan van de contracten en hun beleggingen zijn bewogen’ (rov. 7.4). De bewijsklacht inzake het ‘bewegen tot’ werd derhalve verworpen mede in het licht van een bewijsmiddel dat duidelijkheid verschafte over de betreffende personen en de door hen geïnvesteerde geldbedragen. Mij komt het voor dat de ondergrens van hetgeen in zaken als de onderhavige als bewijsconstructie aanvaard kan worden daarmee in zicht is. Ik merk daarbij meer in het algemeen op dat Uw Raad er ook in ander verband voor waakt dat tenlastelegging van grote aantallen feiten tot uitholling van processuele waarborgen leidt.18 In het licht van het voorgaande slaagt het middel in zoverre het erover klaagt dat de bewezenverklaring van feit 2 ontoereikend gemotiveerd is nu de bewijsconstructie van het hof niet voldoende inzichtelijk maakt wat de afzonderlijke beleggers heeft bewogen tot de inleg van hun geld.

32. Ik meen evenwel dat de gebreken in de bewijsvoering niet van dien aard zijn dat het slagen van de klacht tot cassatie dient te leiden. Daarbij betrek ik in de eerste plaats dat in bewijsmiddel 1 is vermeld: ‘Door de beleggers is, voor zover wij hebben kunnen nagaan, in totaal een bedrag ingelegd van f. 2.469.991’. Uit deze zin volgt dat er meer gedupeerde beleggers zijn dan de beleggers die uit de bewijsmiddelen met naam en toenaam naar voren komen. Het hof heeft voorts overwogen dat en waarom het niet anders kan dan dat ook de in de bewijsmiddelen niet geïdentificeerde inleggers zich door de oplichtingsmiddelen, in het bijzonder ‘het voorgespiegelde (en historisch) rendement en de voorgespiegelde zekerheden’, hebben laten leiden.19 Het gat in de bewijsconstructie is daardoor minder groot dan op het eerste gezicht zou kunnen lijken. Van belang is voorts dat zich onder de gedingstukken een overzicht van de gedupeerde beleggers bevindt (kenmerk AH13). De rechtbank heeft in de bewijsvoering in voetnoot 28 naar dit document verwezen. En het hof heeft een overzicht als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van de eerste terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 17 februari 2016. Uit ’s hofs arrest kan worden afgeleid dat het hof de informatie die in dit overzicht te vinden is in ieder geval in zoverre betrouwbaar en geloofwaardig acht, dat het elk van de benadeelde partijen als slachtoffer van de bewezenverklaarde oplichting aanmerkt met een schade van ten minste € 10.000,-. In dat opzicht kan deze lijst in belangrijke mate worden gelijkgesteld met de opgaven van de vorderingen van benadeelde partijen die Uw Raad in HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1878 mede tot het oordeel brachten dat de bewijsklacht faalde.

33. In dit verband wijs ik op HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 m.nt. Van Kempen, rov. 2.5.3. Uw Raad gaat daar in op de mogelijkheid, cassatie achterwege te laten op grond van het oordeel ‘dat een hernieuwde behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden, zodat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering.’ Daarbij overweegt Uw Raad dat bij dit onderwerp ‘bijzondere voorzichtigheid is geboden’ nu ‘het aan de rechter die over de feiten oordeelt, is voorbehouden om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt’. Tegen die achtergrond komt bijzondere betekenis toe aan de omstandigheid dat het hof een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd die op elk van de benadeelde partijen ziet. Het oordeel over de betrouwbaarheid is daarmee gegeven.

34. Ook in het geval Uw Raad van oordeel is dat met onvoldoende mate van zekerheid vaststaat dat de personen van wie geen verklaringen onder de bewijsmiddelen zijn opgenomen door de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte en de medeverdachten werden bewogen tot de afgifte van geldbedragen, meen ik dat cassatie achterwege kan blijven. Graag licht ik dat nader toe.

35. Indien Uw Raad tot uitgangspunt neemt dat slechts met voldoende mate van zekerheid vaststaat dat de personen van wie verklaringen onder de bewijsmiddelen zijn opgenomen door de bewezenverklaarde oplichtingsmiddelen tot afgifte van geldbedragen zijn bewogen, wordt de omvang van het onder 2 bewezenverklaarde sterk ingeperkt. Mij komt het evenwel voor dat de strafoplegging desalniettemin in stand kan blijven. Ik neem daarbij in aanmerking dat het onderhavige middel zich slechts richt tegen de bewezenverklaring onder 2, dat de kwalificatie daarvan niet anders zou zijn als de bewezenverklaring op minder beleggers zou zien, dat het onder 3 bewezenverklaarde ten tijde van de bewezenverklaarde feiten een tweemaal zo hoog strafmaximum kende (zes jaren tegen drie jaren) en dat, zoals hierna wordt uiteengezet, het hof alle 29 beleggers heeft kunnen aanmerken als slachtoffers van het onder 3 bewezenverklaarde. En ik neem in aanmerking dat de straf, zoals ’s hofs daaraan gewijde overweging duidelijk maakt, in sterke mate is bepaald door de ouderdom van de zaak. Die heeft het hof ertoe gebracht om in plaats van de ‘aanzienlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van enkele jaren’ die het hof gerechtvaardigd acht gelet op de ernst van de feiten, de maximale taakstraf op te leggen.20

36. In deze benadering kan de schadevergoedingsmaatregel voor zover zij andere personen betreft dan die waarvan verklaringen onder de bewijsmiddelen zijn opgenomen, niet worden gebaseerd op de bewezenverklaring van feit 2.21 De schadevergoedingsmaatregel kan evenwel ook op de bewezenverklaring onder 3 gebaseerd worden. Bij deelnemen aan een criminele organisatie kan gelet op de concrete omstandigheden van het geval voldoende verband bestaan tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en door benadeelden geleden schade om te kunnen aannemen dat die benadeelden door dit handelen rechtstreeks schade hebben geleden.22 Tot de misdrijven die de organisatie tot oogmerk had, behoort volgens de bewezenverklaring onder meer het ‘opzettelijk bedrijfsmatig op termijn opvorderbare gelden van het publiek aantrekken’. Mijns inziens kunnen de beleggers die niet met naam en toenaam uit de bewijsmiddelen naar voren komen, worden gerekend tot het ‘publiek’ waarvan op basis van de bewijsvoering vaststaat dat er gelden van zijn aangetrokken.

37. Uit ’s hofs vaststellingen kan voorts worden afgeleid dat in de concrete omstandigheden van het geval voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelden geleden schade. Het aantrekken van gelden heeft tot de afgifte van geld door de benadeelden en daarmee de (rechtstreekse) schade geleid. De benadeelden worden, als deel van het publiek, in de bewijsoverweging niet geïndividualiseerd. Uit het verband tussen bewijsvoering en strafoplegging volgt evenwel dat het hof deze personen begrepen acht onder de ‘inleggers’ en de ‘grote groep personen’ die door de verdachte en de medeverdachten zijn ‘bewogen tot het inleggen van aanzienlijke geldbedragen’ waar het in die context over spreekt. Ik teken daarbij aan dat blijkens het geciteerde deel van de pleitnota de raadsman van de verdachte niet in twijfel heeft getrokken dat gelden zijn aangetrokken van de personen die zich als benadeelde partij hebben gevoegd, en dat ook de steller van het middel daarvan uit lijkt te gaan. Dat het hof de schadevergoedingsmaatregel blijkens de motivering daarvan in het bijzonder aan de oplichting heeft verbonden behoeft aan het voorgaande niet in de weg te staan, temeer niet nu het dictum inhoudt dat de schadevergoedingsmaatregel ‘ter zake van het bewezen verklaarde’ wordt opgelegd.

38. Het tweede middel leidt niet tot cassatie.

Het eerste middel

39. Het eerste middel betreft ’s hofs afwijzende beslissing op het verzoek tot het als getuige horen van 29 beleggers. Die beslissing zou onjuist althans niet zonder meer begrijpelijk zijn.

40. De raadsman heeft bij appelschriftuur verzocht alle 29 benadeelde partijen te horen die een vordering tot schadevergoeding hebben ingediend. Dat verzoek is door de raadsman in een brief van 2 februari 2016, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt nader toegelicht (met weglating van voetnoten):

Ten aanzien van het horen van de aangevers / benadeelde partijen

De reden van het verzoek tot het horen van deze getuigen is tweeledig: (I) enerzijds wenst de verdediging hen te horen omtrent het oorzakelijk verband tussen de tenlastegelegde oplichtingsmiddelen en de inleg van geld, (2) anderzijds is het verhoor van deze getuigen van belang voor vaststellen van de individueel geleden schade.

I. oorzakelijk verband: zijn ‘externe factoren’ doorslaggevend geweest?

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

“Verdachten hebben zich schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde oplichting. Zij hebben inleggers deels gegarandeerde, hoge rendementen voorgespiegeld, terwijl zij (...) wisten dat deze rendementen in alle redelijkheid niet zouden kunnen worden behaald.

Van de voorgestelde historische rentepercentages was geen sprake, nu [B] pas in het jaar 2000 is opgericht. Verdachten hebben inleggers onder andere laten denken dat er werd samengewerkt met gerenommeerde bedrijven. Ook hebben zij in overeenkomsten vermeld dat het geld niet van criminele oorsprong mocht zijn en hebben zij gebruik gemaakt van notarissen. Dit alles wekte vertrouwen bij die inleggers en gaf onder andere de doorslag om gelden in te leggen.”

Het gaat de verdediging om die laatste zin, waarmee de rechtbank de causaliteit motiveert: de gedragingen van de verdachten wekten vertrouwen en gaven “onder andere” de doorslag om geld in te leggen.

De verdediging onderschrijft deze overweging, in zoverre dat uit diverse feiten en omstandigheden blijkt dat ‘externe’ factoren nadrukkelijk een rol hebben gespeeld bij de beslissing van beleggers om geld in te leggen. Factoren die geen gedragingen van de verdachten inhouden en dus niet binnen het veronderstelde samenweefsel van verdichtsels (c.a.) te plaatsen zijn.

Zo hebben de beleggers in dit verband (grote) betekenis toegekend aan de rol van Avero Achmea en de Rabobank in dezen. Dat die rol niet slechts door de verdachten op papier is voorgewend, blijkt onder meer uit het feit dat Achmea een schikking getroffen heeft met de gedupeerden. Ook blijkt dit uit verklaringen van gehoorde beleggers. Ik wijs met name op de volgende verklaring van [getuige 2] :

“Omdat ik nog twijfelde aan het [ [B] ] product heb ik in februari 2001 via het algemene nummer contact opgenomen met Avero en gevraagd naar [betrokkene 30] . Hij heeft mij toen wel uitgelegd hoe één en ander in elkaar zat maar ik begreep het nog niet helemaal. (...) Hij heeft mij toen de beleggingsconstructie nogmaals in grote lijnen uitgelegd en hij heeft mij verteld dat [A] een bedrijf was waar Avero sinds een jaar zaken mee deed. [betrokkene 30] vertelde mij dat zij voordat zij met een bedrijf in zee gingen, zij dit bedrijf en haar directeuren op allerlei manieren controleerden (...). [betrokkene 30] vertelde mij dat dit bedrijf en haar directeuren door en door betrouwbaar bleken te zijn (...).

[betrokkene 30] gaf aan dat hij zelf met dit product zou gaan werken. (...)

[betrokkene 30] heeft mij ook verteld dat dit beleggingsproduct al 30 jaar op de markt was en dat het gedurende die gehele periode elk jaar ruim 30% rendement of zelfs meer behaalde (...).

Het gesprek met [betrokkene 30] heeft mij over de streep gehaald. Dit heb ik u net verteld en was voor mij voldoende zekerheid, want als Avero achter het product staat wat wil je dan nog meer.”

In het licht van deze verklaring, kan de rechtbank niet zonder meer gevolgd worden in de conclusie dat de gedragingen van de verdachten (mede) de doorslag hebben gegeven voor de afgifte / inleg van geld. [getuige 2] verklaart immers dat hij aanvankelijk twijfelde, maar door directe bemoeienis van Avero tot inleg over is gegaan. Dat laatste heeft hem over de streep getrokken, hetgeen impliceert dat hij zonder die externe factor(en) niet tot inleg zou zijn overgegaan. Met andere woorden: hij is niet door de gedragingen van de verdachten bewogen tot afgifte, maar door mededelingen van (een medewerker van) Avero .

Aan de benadeelden / getuigen dient dan ook de vraag voorgelegd te worden of zij bewogen zijn tot afgifte van de inleggelden door de gedragingen van de verdachten, dan wel door externe factoren (zoals mededelingen van Avero ) en wel zodanig dat zij zonder het bestaan van die externe factoren niet tot afgifte waren overgegaan. Indien die vraag (telkens) bevestigend beantwoord wordt, kan het causaal verband tussen de tenlastegelegde gedragingen en de afgifte van inleggelden niet worden bewezen. Het belang bij deze verzoeken is daarmee gegeven.

In dit verband merk ik nog op dat een groot aantal benadeelden / getuigen niet door de FIOD is gehoord en in zoverre onduidelijk is wat de desbetreffende personen heeft bewogen tot afgifte van de inleggelden. De officier van justitie heeft dit (bewijs)probleem in eerste aanleg kennelijk ingezien en heeft de tenlastelegging gewijzigd, in die zin dat de benadeelden niet langer afzonderlijk in de tenlastelegging zijn opgenomen. Uit de beslissing op de vorderingen benadeelde partij blijkt evenwel van welke benadeelden - ca. 30 in totaal - de rechtbank bewezen acht dat er een causaal verband bestaat tussen gedragingen van de verdachten de afgifte van geld; daartoe behoort een groot aantal personen die niet door de FIOD (of anderszins) is gehoord.’

41. Op 17 februari 2016 heeft in de onderhavige zaak in hoger beroep een onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden. De betreffende kamer van het hof was samengesteld uit de raadsheren Van Gorkom, Garos en Denie. Het hof heeft op die terechtzitting vastgesteld dat de appelschriftuur tijdig is ingediend. De raadsman heeft aldaar gepersisteerd bij het verzoek tot het horen van de 29 beleggers. De steller van het middel citeert het navolgende deel van de toelichting op dat verzoek:

‘(…) De gevoerde verweren ten aanzien van de benadeelde partijen worden in hoger beroep herhaald. Het gaat mij om twee dingen. Van de 29 benadeelde partijen is slechts een klein deel door de FIOD gehoord. Van de andere benadeelde partijen is niet duidelijk wat hen heeft bewogen om de inleggelden af te geven. Uit meer dan één van de afgelegde verklaringen van de wel gehoorde benadeelde partijen leid ik af dat de benadeelde partijen niet zo zeer door de samenweefsels van verdichtsels van verdachte, maar veel meer in doorslaggevende zin door de mededeling van Avero Achmea zijn bewogen tot afgifte van de inleggelden.

De benadeelde partij [getuige 2] heeft verklaard dat hij eerst twijfelde om aan de belegging mee te doen en dat hij daarom contact heeft opgenomen met [betrokkene 30] van Avero Achmea . Het gesprek met [betrokkene 30] heeft hem over de streep getrokken om toch mee te doen. [getuige 2] is niet door de gedragingen van de verdachten bewogen tot afgifte, maar door de mededelingen van [betrokkene 30] van Avero Achmea . De verdediging stelt zich op het standpunt dat per benadeelde partij dient te worden bepaald waardoor zij zijn bewogen tot afgifte van de inleggelden. Als het zo is geweest dat de bemoeienissen van derden, zoals Avero Achmea en de Rabobank, telkens bij de benadeelde partijen de doorslag heeft gegeven om toch deel te nemen aan de beleggingen, dan kan een voltooid delict niet worden bewezen. Ik wil dan ook aan de benadeelden deze causaliteitsvraag stellen.’

42. Het hof heeft vervolgens op 2 maart 2016 in een tussenarrest op het verzoek tot het horen van deze personen beslist. Het overwoog in dat tussenarrest, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

‘Voorts heeft de raadsman verzocht om de benadeelde partijen te horen over de vraag of zij door externe factoren zodanig zijn bewogen dat zij zonder het bestaan van die externe factoren niet tot afgifte van die inleggelden waren overgegaan. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Het hof is van oordeel dat de vraag of de aangevers door het handelen van verdachte tot afgifte zijn bewogen, een vraag van causaliteit is, die op zijn eigen merites dient te worden beoordeeld. Door het niet horen van de benadeelde partijen is de verdachte niet in zijn verdedigingsbelang geschaad. Ook dit verzoek wordt door het hof afgewezen.’

43. Vervolgens heeft op 8 november 2017 een tweede onderzoek ter terechtzitting in de onderhavige zaak plaatsgevonden. De betreffende kamer van het hof was samengesteld uit de raadsheren Dam, Wolters en Van Gorkom. De wet schrijft in het geval het hof na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting anders is samengesteld, voor dat het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen (art. 415 jo. art. 322, derde lid, Sv). Dat is in het onderhavige geval ook gebeurd: de advocaat-generaal heeft de zaak opnieuw voorgedragen en het proces-verbaal vermeldt niet dat het onderzoek (met instemming van procespartijen) is hervat in de stand waarin het zich na het tussenarrest bevond. Het bestreden arrest vermeldt ook dat het is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 november 2017 en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

44. Uit art. 415 jo. art. 322, vierde lid, Sv volgt evenwel dat ook in het geval het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen, ‘beslissingen inzake het horen of de oproeping van getuigen of deskundigen ter terechtzitting uit hoofde van artikel 287 of artikel 288 in stand’ blijven. In cassatie kan derhalve over de onderhavige beslissing worden geklaagd.23

45. De steller van het middel meent dat uit het tussenarrest niet kan worden opgemaakt wat het hof bedoelt met de ‘eigen merites’ van het causaliteitsvraagstuk. Een beoordeling van het causaliteitsvraagstuk zou ‘een beoordeling van alle relevante factoren en eisen’ impliceren. Daaronder zouden ook verklaringen vallen ‘van de personen die zouden zijn ‘bewogen tot’.’ ’s Hofs beslissing, die erop neerkomt dat het voor de beoordeling van de causaliteit niet nodig is dat de benadeelde partijen gehoord worden, zou onbegrijpelijk zijn. De steller van het middel betrekt daar ook bij hetgeen het hof in het eindarrest over de causaliteit heeft overwogen.

46. In HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers heeft Uw Raad overwogen ‘dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren’ (rov. 2.5). En Uw Raad is voorts van oordeel dat de regeling veronderstelt ‘dat het verzoek door de verdediging naar behoren wordt gemotiveerd’ (rov. 2.6):

‘Zo is afwijzing van het verzoek goed denkbaar als het verzoek niet dan wel zo summier is onderbouwd dat de rechter buiten staat is het verzoek te toetsen aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Te denken valt in dit verband aan het opgeven van de redenen voor het doen horen van de zogenoemde getuigen à décharge wier verklaringen kunnen strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde, of het doen horen van getuigen à charge die in het vooronderzoek zijn gehoord, teneinde deze personen of hun afgelegde verklaringen op geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te toetsen.’

47. ‘s Hofs overweging in het tussenarrest kan aldus worden begrepen dat de verdachte door het niet horen van de opgegeven getuigen redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad nu de punten waarover de getuigen kunnen verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing. Aan dat oordeel heeft het hof, door aan te geven dat de vraag naar causaliteit op zijn eigen merites beoordeeld dient te worden, kennelijk ten grondslag gelegd dat hetgeen de getuigen inzake de door de verdediging aangedragen punten van onderzoek zouden kunnen antwoorden, voor het antwoord op de vraag naar het bestaan van causaal verband geen verschil zou kunnen maken. Aldus heeft het hof bij de afwijzing van het verzoek het juiste criterium toegepast.

48. Die afwijzing komt mij ook niet onbegrijpelijk voor. Ik neem daarbij in aanmerking dat het verzochte verhoor er blijkens de door de raadsman gegeven onderbouwing niet toe strekte te achterhalen of de te horen personen de onjuiste voorstelling van zaken hadden moeten doorzien. Ik neem voorts in aanmerking dat, zoals aangegeven, van het in het bestanddeel ‘beweegt’ tot uitdrukking gebrachte causaal verband sprake is ‘als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed’. In hetgeen door de raadsman ter onderbouwing van het getuigenverzoek naar voren is gebracht, wordt niet als mogelijkheid aangevoerd dat de te horen personen geheel los van ‘het samenweefsel van verdichtsels van verdachte’ tot het inleggen van gelden hebben besloten. Aangevoerd wordt slechts dat zij (mogelijk) ‘veel meer in doorslaggevende zin door de mededeling van Avero Achmea zijn bewogen tot afgifte van inleggelden’. ’s Hofs afwijzing kan aldus worden begrepen dat ook als uit verhoor zou blijken dat diverse personen ‘over de streep getrokken’ zijn door Avero Achmea (of een andere vertrouwenwekkende derde), dat er niet aan in de weg staat dat het desbetreffende slachtoffer (mede) door de oplichtingsmiddelen is bewogen. Aldus opgevat is ’s hofs afwijzing als gezegd niet onbegrijpelijk.

49. In zoverre het getuigenverzoek betrekking heeft op personen die verklaringen hebben afgelegd welke onder de bewijsmiddelen zijn opgenomen, geldt voorts dat de raadsman onvoldoende heeft onderbouwd waarom een nieuw verhoor van deze personen wenselijk zou zijn. In de voor het bewijs gebezigde verklaringen van deze personen hebben zij duidelijk gemaakt wat hen tot het inleggen van gelden heeft bewogen. De raadsman heeft de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die verklaringen niet bestreden. Nu de enkele omstandigheid dat zij zonder externe factoren (zoals mededelingen van Avero ) niet tot afgifte zouden zijn overgegaan niet meebrengt dat zij niet (tevens) zijn bewogen door de oplichtingsmiddelen (die er bij [getuige 2] toe hebben geleid dat hij contact met Avero heeft gezocht), is de vraag die de raadsman blijkens de aanvullende toelichting zou willen stellen onvoldoende grond om de reeds gehoorde beleggers nogmaals te horen.

50. Ik merk ten slotte nog op dat de ter terechtzitting van 17 februari 2016 gegeven toelichting op het verzoek inhield dat van de 29 benadeelde partijen slechts een klein deel door de FIOD is gehoord en dat van de andere benadeelde partijen niet duidelijk is wat hen heeft bewogen om de inleggelden af te geven. Aldus was het getuigenverzoek in zoverre niet op de reeds gehoorde beleggers toegespitst. Uit de ter terechtzitting van 8 november 2017 overgelegde pleitnota (weergegeven bij de bespreking van het derde middel) kan voorts worden afgeleid dat de raadsman zijn aanvankelijke standpunt dat niet duidelijk is wat de niet gehoorde beleggers heeft bewogen om de inleggelden af te geven niet heeft gehandhaafd. De raadsman heeft toen immers gesteld dat het ‘in wezen het aanbod van [B] (is) dat door de beleggers is aanvaard’, dat als ‘vaststaand kan (…) worden aangenomen dat alle beleggers hiermee bekend waren en (mede) daardoor ook zijn bewogen tot het aangaan van die overeenkomsten’ en dat ‘de gedragingen die de kern van de overeenkomst vormden (…) voor alle beleggers bekend waren en leidend zijn geweest’.

51. In het licht van het voorgaande faalt het middel. Voor het geval Uw Raad van oordeel zou zijn dat het middel slaagt in zoverre het ziet op het horen van de benadeelde partijen waarvan geen verklaring onder de bewijsmiddelen is opgenomen, wijs ik nog op de bespreking van het tweede middel. Daar heb ik het standpunt ingenomen dat ook in het geval Uw Raad van oordeel zou zijn dat slechts met voldoende mate van zekerheid vaststaat dat de personen wier verklaringen onder de bewijsmiddelen zijn opgenomen door de bewezenverklaarde oplichtingsmiddelen tot afgifte van geldbedragen zijn bewogen, de verdachte onvoldoende belang bij cassatie heeft. Tegen die achtergrond meen ik dat de verdachte, in voormeld geval, evenmin voldoende belang heeft bij het slagen van een klacht die ertoe strekt nog niet gehoorde benadeelde partijen in verband met jegens hen gepleegde oplichting alsnog als getuige te horen.

52. Het eerste middel faalt.

Het vierde middel

53. Het vierde middel bevat de klacht dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het ‘criminele oogmerk’ in het onder 3 tenlastegelegde feit niet bewezen kan worden, zonder in het bijzonder de redenen op te hebben gegeven die tot afwijking van dat standpunt hebben geleid.

54. In de toelichting op het middel refereert de steller aan het navolgende onderdeel van de pleitnota (met weglating van voetnoten):

Vrijspraak omdat crimineel oogmerk ontbreekt

31. De bespreking van feit 3, de deelname aan de beweerdelijk criminele organisatie, kan beduidend korter. De verdediging heeft hierover in eerste aanleg (onder meer) aangevoerd dat binnen [A] - als organisatie - geen sprake was van een oogmerk tot het plegen van misdrijven. De Rechtbank heeft kennelijk in reactie op dat verweer vastgesteld dat door verdachten opzettelijk opvorderbare gelden van het publiek werden aangetrokken en daarin ook werd bemiddeld, welk handelen de kernonderdelen van de bedrijfsvoering van [A] (c.a.) vormde.

32. Die vaststelling duidt op de feitelijke betrokkenheid van cliënt bij de organisatie en op (onvoorwaardelijk) opzet op de vermeende strafbare feiten die onder de vlag van de organisatie zijn begaan, maar daarmee is het misdadige oogmerk van de organisatie nog niet gegeven. Dat vergt immers een aparte vaststelling, los van de deelneming. Voor het bewijs van dit oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en – in meer algemene zin – aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op het misdadige doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

33. Cliënt en zijn medeverdachten hebben [A] in februari 2000 opgericht, aldus ruim voor aanvang van de tenlastegelegde periode. Met deze onderneming werd beoogd ‘te bemiddelen in financiële diensten’. Vastgesteld kan worden de verdachten en hun onderneming in ieder geval bij aanvang geen crimineel oogmerk hebben gehad.

34. Binnen [A] is enkele maanden ná oprichting het [B] -product ontwikkeld. Dat product paste naar zijn aard binnen de normale bedrijfsvoering van [A] en aldus binnen het legitieme ‘oogmerk’ van deze onderneming. Dat bij de uitvoering van dit (individuele) product mogelijkerwijs sprake is geweest van strafbare feiten – in de zin van de Wtk of anderszins – maakt echter nog niet dat daarmee het oogmerk van de onderneming verschoven is naar het plegen van die strafbare feiten.

35. Mogelijk kan worden gezegd dat de verdachten erin hebben gefaald om met [A] in volledige legitimiteit te blijven, maar illegitimiteit is nooit het (naaste) doel geweest: datgene wat gewild, beoogd of nastreeft werd met de bedrijfsvoering. En dat is wel wat artikel 140 Sr vereist in relatie tot strafbaar handelen door of namens (in beginsel) legitieme ondernemingen: het gaat niet om de vraag of de feitelijke werkzaamheden onder vlag van die ondernemingen hebben bestaan uit het plegen van misdrijven; die werkzaamheden moeten op het plegen van misdrijven gericht zijn geweest. Dat laatste is evenwel niet het geval.

36. Cliënt moet dan ook van feit 3 worden vrijgesproken, omdat geen sprake is geweest van een oogmerk tot het plegen van misdrijven.’

55. De steller van het middel wijst erop dat de verdediging in één van de in het citaat weggelaten voetnoten heeft verwezen naar het proefschrift van De Vries-Leemans over art. 140 Sr. Het achterwege blijven van een gemotiveerde reactie zou voorts niet worden ‘gedekt door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen’.

56. In HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma heeft Uw Raad over de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv onder meer het volgende overwogen:

‘3.8.1. Het nieuwe art. 359, tweede lid, Sv brengt geen wijziging in de vrijheid van de rechter die over de feiten oordeelt, ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal alsmede de keuze en weging van de factoren die van belang zijn voor de oplegging van de straf en/of de maatregel. Wel brengt die bepaling mee dat hij zijn beslissing dienaangaande in een aantal gevallen nader zal dienen te motiveren. Omtrent de gevallen en de mate waarin een beslissing nader dient te worden gemotiveerd, zijn wegens de vele, uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, geen algemene regels te geven. In dat verband zal betekenis toekomen aan onder meer de aard van het aan de orde gestelde onderwerp alsmede de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten.

3.8.2. De nadere motivering dient in te houden dat het naar voren gebrachte doch door de rechter niet aanvaarde standpunt in de uitspraak beargumenteerd wordt weerlegd.

Dit neemt niet weg

(i) dat zich het geval kan voordoen dat de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijvoorbeeld in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen en/of in een aanvullende bewijsmotivering, waarin die nadere motivering besloten ligt;

(ii) dat ingeval een uitdrukkelijke weerlegging ontbreekt, dit - mede in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, waaronder begrepen hetgeen door of namens de verdachte en het openbaar ministerie over en weer naar voren is gebracht - geen afbreuk behoeft te doen aan de toereikendheid en begrijpelijkheid van de motivering van de uitspraak;

(iii) dat indien de rechter heeft verzuimd een nadere motivering in zijn uitspraak op te nemen, dit verzuim van zo ondergeschikte betekenis kan zijn dat het niet tot nietigheid leidt.

(…)

3.8.4. Uit het vorenoverwogene volgt ten aanzien van de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, Sv onder meer

(…)

c. dat de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk is van de aard van het onderwerp en de mate waarin wordt afgeweken van het ingenomen standpunt. Zo kan bij afwijking van een "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" van het openbaar ministerie of van de verdediging met betrekking tot de bewijsbeslissing met een beperktere motivering worden volstaan indien de afwijking slechts een onderdeel en niet de gehele tenlastelegging betreft;

d. dat de motiveringsplicht niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.’

57. Het hof heeft in de bewijsoverweging die in het bestreden arrest is opgenomen niet afzonderlijk aandacht besteed aan het onder 3 bewezenverklaarde feit. In die overweging zijn echter verschillende passages opgenomen die voor het onder 3 bewezenverklaarde feit van belang zijn. Zo overweegt het hof dat de verdachte en [betrokkene 1] , ‘naast dat zij op papier bestuurders waren van [A] en [B] ’, samen met [betrokkene 4] en [betrokkene 3] de directie van [A] vormden. Het hof stelt vast dat [B] werd opgericht omdat ‘ [A] (…) geen geld (mocht) inzamelen van klanten’ en dat alle ‘contracten en transacties met betrekking tot [B] werden (uitgevoerd) door verdachte en [betrokkene 1] ’. Die samenwerking tussen de verdachte en [betrokkene 1] in relatie tot [B] is in het vervolg van de bewijsoverweging nader uiteengezet. Zo bezien heeft het hof in de bewijsoverweging in het bijzonder de redenen opgegeven waar het de ‘planmatigheid en stelselmatigheid’ van het handelen van beide verdachten waar de raadsman in de pleitnota onder 32 aan refereert uit heeft afgeleid.

58. Uit de pleitnota kan worden afgeleid dat de raadsman de organisatie waar het bij het onder 3 tenlastegelegde feit om gaat, in sterke mate gelijkstelt aan [A] Met deze onderneming zou zijn beoogd te bemiddelen in financiële diensten, bij aanvang van die onderneming zouden verdachten ‘geen crimineel oogmerk hebben gehad’ (nr. 33). Het ‘ [B] ’ zou naar zijn aard passen binnen de normale bedrijfsvoering van [A] ; dat bij de uitvoering sprake is geweest van strafbare feiten zou niet maken ‘dat daarmee het oogmerk van de onderneming verschoven is naar het plegen van die strafbare feiten’ (nr. 34). Daarmee heeft de raadsman over het hoofd gezien dat de tenlastelegging van feit 3 niet [A] als een organisatie met een crimineel oogmerk aanmerkt, maar een aantal nader genoemde natuurlijke en rechtspersonen waaronder [A] niet met name genoemd is. Bewezen is verklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan ‘een organisatie, bestaande uit: [betrokkene 1] en [B] en/of een of meer andere (rechts)perso(o)n(en)’.

59. Tegen deze achtergrond heeft het hof kunnen oordelen dat het niet van een door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is afgeweken. Voor zover het standpunt is ingenomen dat [A] geen organisatie in de zin van art. 140 Sr is, geldt dat het hof niet in strijd met dat standpunt heeft beslist. Voor zover het pleidooi aldus zou moeten worden gelezen dat de in de bewezenverklaring omschreven organisatie niet het oogmerk had tot het plegen van misdrijven, geldt dat dit standpunt ontoereikend is onderbouwd. De enkele omstandigheid dat [A] dat oogmerk niet zou hebben gehad kan niet als een toereikende onderbouwing gelden.

60. Het vierde middel faalt.

Het vijfde middel

61. Het vijfde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden.

62. Namens de verdachte is op 24 november 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 19 april 2019 door de griffie van de Hoge Raad ontvangen. De inzendingstermijn is daarmee met bijna negen maanden overschreden.

63. Het vijfde middel is terecht voorgesteld.

Slotsom

64. Het tweede middel leidt niet tot cassatie. Het eerste, derde en vierde middel falen. Het vijfde middel slaagt. In ieder geval het derde en vierde middel lenen zich voor afdoening met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad niet binnen twee jaar na het instellen van beroep in cassatie uitspraak zal doen. Ook in zoverre is het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn geschonden. Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

65. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het arrest noemt zittingsplaats Zwolle, de aanvulling zittingsplaats Arnhem. De stukken van het geding zijn naar de Hoge Raad gezonden vanuit Arnhem. Arnhem is een hoflocatie.

2 Vgl. HR 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998, NJ 2010/231 en HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6357, NJ 2010/232 m.nt. Borgers.

3 Wet van 22 december 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima, Stb. 2006, 11; inwerkingtredingsbesluit Stb. 2006, 23.

4 Wet van 16 november 2005 (opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten), Stb. 595; inwerkingtredingsbesluit Stb. 2005, 596.

5 Wet van 5 juli 2006 (verlenging verjaring inzake overtredingen na stuiting), Stb. 310.

6 [getuige 1] verklaart ook over een pool van één miljoen dollar maar is minder helder over het verband met de gegarandeerde 5,9% rente. En ook [getuige 1] is meegedeeld dat de pool bijna was volgestort.

7 Vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158 m.nt. Keijzer (onder NJ 2017/162), rov. 2.3.2.

8 Zie de wet van 23 december 1992, Stb. 1993, 29. Door de wet van 17 december 2009, Stb 2010, 1 is het eerste lid aldus verruimd dat de schadevergoedingsmaatregel ook kan worden opgelegd wegens een strafbaar feit waar door de rechter bij de strafoplegging rekening mee is gehouden en waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht. Nu van een erkenning in deze zaak geen sprake is, zou deze uitbreiding (ware zij van toepassing) in deze zaak geen soelaas hebben geboden.

9 Vgl. HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2304, NJ 2017/90 m.nt. Keulen (de schadevergoedingsmaatregel werd – zo kan uit het bestreden arrest worden opgemaakt – opgelegd ten behoeve van de in de bewezenverklaring genoemde personen). Zie in wat ander verband HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2479.

10 Die zet ik uiteen in een andere conclusie ik vandaag neem, nr. 18/03593.

11 Vgl. ook HR 20 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9379, NJ 2004/681 m.nt. Reijntjes, rov. 7.4.

12 Ik teken daarbij aan dat de inflatie in Nederland in het jaar 2000 2,66% bedroeg en in 2001 4,16%. Bron: https://nl.inflation.eu/.

13 Vgl. de beschrijving van de werking van de [B] kapitaalbelegging in bewijsmiddel 1.

14 Vgl. de noot van Wolswijk onder HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2955, NJ 2018/309, nr. 3.

15 Dat Uw Raad er in dit kader voor waakt, te hoge eisen te stellen, kan worden afgeleid uit HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2955, NJ 2018/309 m.nt. Wolswijk alsmede HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:652, NJ 2019/194.

16 Ik wijs erop dat in HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158 op het onderhavige punt verweer was gevoerd.

17 Enkele van die personen wellicht uitgezonderd; in bewijsmiddel 1 wordt een verklaring van de benadeelde [benadeelde] aangehaald.

18 HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3124, NJ 2018/21 (kinderporno). Zie eerder HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1739, NJ 2012/147 m.nt. Reijntjes en HR 24 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1497, NJ 2014/339 m.nt. Reijntjes.

19 Een op dergelijke algemene aannames gebaseerde bewijsredenering is, zo bleek, toereikend geoordeeld in het arrest van 3 december 2019.

20 Vgl. HR 7 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 m.nt. Van Kempen, rov. 2.5.2, inzake gebreken in de bewijsvoering.

21 Vgl. in dat verband HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5074, NJ 2009/16. Daarin was onder 2 bewezen verklaard dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen ‘een groot aantal personen’ waaronder een aantal met name genoemde, had bewogen tot de afgifte van geldbedragen. Uw Raad stelde vast dat het hof ten aanzien van elk van de benadeelde partijen had vastgesteld dat zij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade hadden geleden.

22 HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522, NJ 2016/335.

23 Vgl. onder meer HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9343, NJ 2007/625 m.nt. Mevis, rov. 3.5; HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.64.