Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:20

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-01-2020
Datum publicatie
15-01-2020
Zaaknummer
18/03696
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:393
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

CAG over bewijs rijden met ongeldigverklaard rijbewijs (art. 9 lid 2 WVW1994). De conclusie strekt tot vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03696

Zitting 14 januari 2020

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 6 augustus 2018 door het gerechtshof Amsterdam wegens het onder 1 bewezenverklaarde “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994” en het onder 2 bewezenverklaarde “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken. Daarnaast heeft het hof de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht maanden ontzegd.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit onvoldoende met redenen is omkleed.

3.1.

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op of omstreeks 20 juli 2016 te Julianadorp, gemeente Den Helder terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie A, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Zanddijk, als bestuurder een motorrijtuig, (motorfiets), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”

3.2.

Aan dat oordeel heeft het hof de volgende bewijsmiddelen ten grondslag gelegd:

“3. Een proces-verbaal ter zake van artikel 9 WVW, met nummer 2007201620054084 van 20 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Ik zag dat op 20 juli 2016 op de weg Zanddijk in Julianadorp, gemeente Den Helder, verdachte reed op genoemde weg. Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven voorschriften heb ik het motorrijtuig doen stilhouden en een onderzoek ingesteld.

Verdachte:

Naam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboren op : [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats]

Geboorte land : [geboorteland]

Woonadres : Zonder vaste woon- of verblijfplaats.

Voertuig : Motor

Rijbewijs:

Voor het besturen van bovenstaand voertuig is een Al, A2 en A.

rijbewijs vereist van de categorieën:

Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen ongeldig is verklaard. Zie de als bijlage bijgevoegde uitdraai BVI- IB.

4. Een geschrift, te weten een uitdraai van de RDW.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: NL-RDW

Vorderingsprocedure Autoriteit Cbr Divisie Vorderingen Reden ongeldigverklaring: Geschiktheid Feitelijke inleverdatum ongeldig: 23-11-2012

Categorieën

AL vanaf 21-09-2010 Ongeldigheid

AZ vanaf 21-09-2010 Ongeldigheid

5. Een geschrift, te weten een besluit tot ongeldigverklaring rijbewijs met nummer [001] van 14 september 2010 van het CBR.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

In het besluit van 28 juni 2010 heeft het CBR, [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1975, een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) opgelegd. U heeft de kosten van de EMA niet of niet op tijd betaald. Hierbij delen wij mee welk besluit wij hierop hebben genomen en waarom wij dit hebben gedaan.

Besluit

Uw rijbewijs is ongeldig vanaf de zevende dag na dagtekening van dit besluit.

Redenen van het besluit

Wij hebben dit besluit genomen, omdat u niet heeft meegewerkt aan de EMA.

Samengevat

Uw rijbewijs is ongeldig verklaard.

6. Een geschrift, te weten een brief, van 14 september 2010, van [betrokkene 1] , manager divisie Rijgeschiktheid CBR a.i.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

AANTEKENEN [verdachte] [a-straat 1] [postcode] [plaats]

Onderwerp: gevolgen niet meewerken EMA Geachte [verdachte] ,

Wij hebben uw rijbewijs ongeldig verklaard. Dat betekent dat uw rijbewijs ongeldig is vanaf de zevende dag na dagtekening van dit bijgaande besluit.

Wij verzoeken u het rijbewijs naar ons op te sturen.

7. Een aanvullend proces-verbaal art. 9 WVW ’94 behorende bij combi bon met nummer 2015031447, van 5 februari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 5 februari 2015 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

Verbalisant: wasje op de hoogte datje rijbewijs ongeldig is verklaard?

Verdachte: Op dit moment niet nee. Ik was met de procedure bezig met CBR.

Verbalisant: Met wat voor procedure ben je bezig?

Verdachte: Bloedproef voor mijn rijbewijs om de geldigheid van mijn rijbewijs in stand te houden.

7. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL 1100-2015058315-9 van 7 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de' bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 7 maart 2015 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte :

A: Ik zag de politie op de fiets eraan komen. Ik besloot om achteruit te rijden en weg te rijden.

V: Omdat je geen rijbewijs hebt en had gedronken?

A: Bepaalde dingen klopten natuurlijk niet dus ja.”

3.3.

Het hof heeft onder het kopje ‘Bespreking van een ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde gevoerd verweer’ kennelijk in verband met het verweer dat namens de verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde in hoger beroep naar voren is gebracht, het volgende overwogen:

“De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit, en daartoe gesteld dat de verdachte niet wist en ook niet redelijkerwijs moest weten dat hij op de dag van het ten laste gelegde feit geen motorrijtuig mocht besturen. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat zich in het dossier weliswaar de brief van het CBR omtrent de ongeldigverklaring van het rijbewijs bevindt, maar een bewijs van ontvangst en een retourbevestiging ontbreken, zodat niet kan worden bewezen dat de verdachte wist van de ongeldigverklaring van het rijbewijs. Hij is eerder bij verstek veroordeeld door de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, maar de in dat vonnis opgelegde gevangenisstraf heeft hij tegelijk uitgezeten met andere opgelegde straffen/geldboetes, waardoor het de verdachte niet duidelijk is geweest voor welk feit hij gedetineerd was, zodat ook uit deze tenuitvoerlegging niet de wetenschap kan worden afgeleid.

Voorts zijn er geen omstandigheden waaruit blijkt dat de verdachte redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent als volgt.

In het dossier bevindt zich geen stuk waaruit blijkt dat het besluit tot ongeldigverklaring de verdachte persoonlijk ter hand is gesteld. Niettemin is het hof van oordeel dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ten tijde van het feit op 20 juli 2016 ongeldig was verklaard. Dit blijkt uit het volgende.

Het rijbewijs van de verdachte is bij besluit van 14 september 2010 per 21 september 2010 ongeldig verklaard. Dit besluit is per aangetekende post aan het toenmalige adres van de verdachte verzonden. De “feitelijke inleverdatum ongeldigverklaring” is vermeld als zijnde 23 november 2012, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het rijbewijs van de verdachte op die datum is ingeleverd. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn door de advocaat-generaal twee processen-verbaal overgelegd. Uit deze processenverbaal blijkt dat aan de verdachte op data voorafgaand aan het ten laste gelegde feit, namelijk op 5 februari 2015 en op 7 maart 2015, door meerdere verbalisanten - in het kader van verhoren die op andere zaken dan het thans ten laste gelegde feit betrekking hadden - is medegedeeld dat zijn rijbewijs niet geldig was. Gelet op dit alles, in samenhang bezien, acht het hof bewezen dat de verdachte op 20 juli 2016 wetenschap had dat zijn rijbewijs ongeldig was.”

3.4.

Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen uit de WVW 1994 relevant:

- art. 9 lid 2:

“Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen. Hetzelfde verbod geldt voor degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren en dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, gestelde voorwaarden, tenzij aan hem, nadat hij aan deze voorwaarden heeft voldaan, een ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven.”

- art. 176 lid 4:

“Overtreding van de artikelen 7, eerste lid, 8, 9, eerste, tweede, vierde, vijfde, zevende en negende lid, 41, eerste lid, onderdelen a en b, 51, eerste lid, 61, eerste lid, onderdeel c, 74, 114, 151j, 162, derde en vierde lid, 163, tweede, zesde, zevende en negende lid, en van de in artikel 4, tweede en vijfde lid, bedoelde regels voor zover het betreft een verbod tot het gebruik van verlichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie.”

- art. 178 lid 1:

“De in de artikelen 175 en 176 strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.”

3.5.

Aan het middel is ten grondslag gelegd dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte op 20 juli 2016 wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard alsmede dat uit de uitdraai van het CBR niet kan blijken dat de verdachte na het inleveren van het rijbewijs op 23 november 2012 geen nieuw rijbewijs heeft aangevraagd.

3.6.

Om tot bewezenverklaring van het misdrijf als bedoeld in art. 9 lid 2 WVW te komen, is volgens de Hoge Raad vereist dat uit de bewijsvoering ten eerste blijkt dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, dat dat besluit aan hem bekendgemaakt is en dat die ongeldigverklaring van kracht geworden is door het verloop van zeven dagen sinds die bekendmaking.1 Ten tweede moet blijken dat na de ongeldigverklaring geen ander rijbewijs aan de verdachte is afgegeven.2 Ten derde moet uit de bewijsvoering afgeleid kunnen worden dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.3 In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte "wist of redelijkerwijs moest weten" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762). Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.4

3.7.

In verband met de eerste door de Hoge Raad genoemde stap blijkt in het onderhavige geval uit de bewijsvoering van het hof dat het rijbewijs van de verdachte bij besluit van 14 september 2010 per 21 september 2010 ongeldig is verklaard. Uit de met nummer 5 en 6 genummerde bewijsmiddelen, die beide dateren van 14 september 2010, kan immers worden opgemaakt dat de ongeldigverklaring van kracht is geworden vanaf de zevende dag na dagtekening van het besluit. Voorts heeft het er alle schijn van dat de verdachte over die ongeldigverklaring is geïnformeerd, gelet op een tot het bewijs gebezigd besluit van het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs (bewijsmiddel 5), waaruit blijkt dat daaraan ten grondslag lag dat de verdachte de aan het bij besluit van 28 juni 2010 opgelegde EMA verbonden kosten niet (tijdig) heeft voldaan. Daarnaast heeft het hof een bewijsmiddel (met nummer 6) gebezigd, inhoudend een brief – met daarop als adres [a-straat 1] te [plaats] en “AANTEKENEN” vermeld – waarin de gevolgen van het niet meewerken aan de EMA en het verzoek om het rijbewijs op te sturen staan aangeduid. Omtrent de (aangetekende?) verzending van de brieven en het al dan niet retour komen daarvan, kan uit de gebezigde bewijsmiddelen echter niets worden opgemaakt.

3.8.

Voor wat betreft de tweede stap kan in het onderhavige geval uit de bewijsvoering van het hof niet worden opgemaakt dat aan de verdachte geen ander rijbewijs was afgegeven. Weliswaar kan een uitdraai uit het rijbewijzenregister, waaruit blijkt dat geen geldig rijbewijs van kracht was ten tijde van het besturen van een motorfiets door de verdachte op 20 juli 2016, volstaan als bewijs van dit ‘negatieve’ bestanddeel.5 De uitdraai van dat register die zich in het onderhavige geval als bewijsmiddel 4 onder het bewijs bevindt, kan daartoe echter niet volstaan. Een datum van die uitdraai ontbreekt immers. Het laat zich voorstellen dat het de uitdraai is waarnaar als “uitdraai BVI-IB” in bewijsmiddel 3 wordt verwezen, en dat het dus een uitdraai betreft van het moment van besturen door de verdachte, maar dat kan uit deze bewijsmiddelen niet zonder meer worden opgemaakt. Voor zover het middel daarover klaagt, slaagt het.

3.9.

Voor zover het tot slot het derde vereiste betreft, de bekendheid van de verdachte met de ongeldigheid van zijn rijbewijs, wijs ik erop dat in het onderhavige geval blijkens de overweging van het hof ten aanzien van het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer, met name belang is gehecht aan de twee als ‘bewijsmiddel 7’ aangeduide bewijsmiddelen. Uit het eerste ‘bewijsmiddel 7’, inhoudend een verklaring van de verdachte van 5 februari 2015 dat hij bezig was de geldigheid van zijn rijbewijs in stand te houden, kan mijns inziens niet zonder meer volgen dat de verdachte op 20 juli 2016 bekend was met de ongeldigheid van zijn rijbewijs. Die leemte wordt niet opgevuld door de tweede als ‘bewijsmiddel 7’ aangeduide verklaring van de verdachte, waaruit kan worden opgemaakt dat de verdachte zich er op 7 maart 2015 van bewust was dat “bepaalde dingen (…) natuurlijk niet [klopten] dus ja”. Dat stelt hij immers in reactie op de vraag “Omdat je geen rijbewijs hebt en had gedronken?” Of hij met zijn antwoord beide ‘dingen die niet klopten’ trachtte te bevestigen, kan niet zonder meer uit zijn reactie volgen.6 De handeling die daaraan voorafgegaan is, het achteruit rijden en wegrijden toen hij zag dat er politieagenten aan kwamen fietsen, kan daarop ook geen sluitend antwoord bieden.7 Bovendien kan daaruit niet volgen dat de verdachte op 20 juli 2016 bekend was met de ongeldigverklaring van (datzelfde) rijbewijs.

3.10.

Ook in zoverre slaagt het middel.

4. Het middel is terecht voorgesteld.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het de beslissingen ten aanzien van feit 2 betreft alsmede de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, rov. 2.4.2.

2 HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, rov. 2.4.3.

3 HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, rov. 2.4.4.

4 HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, rov. 2.4.4.

5 Vgl. mijn conclusie voorafgaand aan HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, onder 8.12.

6 Vgl. mijn conclusie voorafgaand aan HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, m.n. onder 11.

7 Vgl. HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:886.