Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:2

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-01-2020
Datum publicatie
15-01-2020
Zaaknummer
17/04881
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:366
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

CAG over o.m. witwassen. Vraag of verbeurdverklaring deel inbeslaggenomen geldsbedragen voldoende is gemotiveerd. Conclusie strekt tot vernietiging ten aanzien van de strafoplegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 17/04881

Zitting 14 januari 2020

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 3 oktober 2017 door het gerechtshof Amsterdam in de zaak met parketnummer 15-500606-05 wegens “medeplegen van witwassen” en in de zaak met parketnummer 15-840035-07 wegens “witwassen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het hof heeft voorts beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen voorwerpen.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 17/04882. In deze zaak zal ik vandaag eveneens concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mrs. B.Th. Nooitgedagt en D. Bektesevic, advocaten te Amsterdam, hebben vier middelen van cassatie voorgesteld.

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de in de bewezenverklaring vermelde voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf.

4.2.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“in de zaak met parketnummer 15-500606-05:

hij op 5 april 2006 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, voorwerpen, te weten

- een geldbedrag van ongeveer 110.000 euro,

- horloges van onder meer de merken Audemars Piguet, Cartier en Rolex met een gezamenlijke waarde van ongeveer 72.000 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader wisten dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

in de zaak met parketnummer 15-840035-07:

hij op 27 november 2007 te Amsterdam voorwerpen, te weten

- een geldbedrag van 9.700 euro bestaande uit 200 biljetten van 20 euro en 114 biljetten van 50 euro en

- 1.197 US Dollar en

- een geldbedrag van 300 euro bestaande uit 15 biljetten van 20 euro en

- een geldbedrag van 16.960 euro bestaande uit 33 biljetten van 100 euro en 252 biljetten van 50 euro en 53 biljetten van 20 euro en

- een geldbedrag van 500 euro bestaande uit 10 biljetten van 50 euro en

- een horloge merk Audemars Piguet, Rubens Barrichello Platina 091/150, met een waarde van ongeveer 77.000 euro en

- een horloge merk Audemars Piguet, Alinghi Carbon 76/1300, met een waarde van ongeveer 22.000 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”

4.3.

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:1

“De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit, omdat niet kan worden uitgesloten dat de in de tenlastelegging genoemde vermogensbestanddelen een legale herkomst hebben en een criminele herkomst geenszins als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Daartoe is aangevoerd dat gezien het dossier - hoewel de verdachte langdurig en intensief onderwerp van onderzoek is geweest - geen rechtstreeks verband kan worden gelegd met een concreet misdrijf alsmede dat de plausibele en verifieerbare verklaring van de verdachte - afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2014 - een eventueel vermoeden van witwassen weerlegt. Volgens die verklaring handelde de verdachte in de periode van 2005 tot en met 2007 voornamelijk in horloges. De horloges die bij de doorzoekingen zijn aangetroffen in de woningen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] waren niet van de verdachte; hij had deze in consignatie van [betrokkene 3] . De opbrengst van de verkoop was, behoudens een commissie voor de verdachte, bestemd voor [betrokkene 3] , die in die tijd in Dubai woonachtig was en wiens bedrijf aldaar was gevestigd. Deze verklaring vindt steun in de tijdens de doorzoeking in 2006 aangetroffen commercial license van de Verenigde Arabische Emiraten op naam van de verdachte, een overgelegde schriftelijke verklaring, inclusief kopie paspoort, van 30 november 2012 van [betrokkene 3] als managing partner van [A] , een schriftelijke verklaring van [betrokkene 3] van 4 juli 2012 betreffende de horloges die zijn afgeleverd bij de verdachte en in een accountantsrapport betreffende [A] over 2013 waarin het verlies in de vorm van aan de verdachte in consignatie gegeven horloges Wordt verantwoord in de jaarrekeningen. Voorts is aangevoerd dat zowel het in 2006 als het in 2007 aangetroffen geld afkomstig was van reeds verkochte horloges en dat dit bestemd was voor [betrokkene 3] .

De verdediging heeft derhalve niet bestreden dat de verdachte het geld en de horloges in de woningen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voorhanden heeft gehad, maar wel dat dit geld en deze horloges van misdrijf afkomstig zijn.

Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a en b, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf’, is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Tegen deze achtergrond, komt het hof tot de volgende overwegingen en conclusie.

- In de zaak met parketnummer 15-500606-05:

In de woning van de medeverdachte [betrokkene 1] , de moeder van kinderen van de verdachte, aan de [a-straat 1] te [plaats] zijn bij een doorzoeking op 5 april 2006, in de keuken 7 horloges en het paspoort van de verdachte gevonden en in de slaapkamer 14 horloges en - in kleine coupures - een contant geldbedrag van ruim € 110.000. Dit geld lag op drie plaatsen in deze slaapkamer. Ongeveer € 38.000,- lag in een kledingkast, in een dekbed verpakt in een plastic hoes, ruim € 70.000,- in een plastic tas in een kledingkast en 57 briefjes van € 50,- (€ 2.850,-) lagen met de 14 horloges in een lade van een andere kast. De gezamenlijke waarde van de 21 horloges was ongeveer € 72.345,-.

Van de verdachte is bij de Belastingdienst over de jaren 2001 tot en met 2005 geen inkomen bekend, terwijl de Belastingdienst - op basis van het gegeven dat de verdachte in de gemeentelijke basisadministratie bijna onafgebroken tot 27 december 2007 op een adres in Nederland ingeschreven is geweest en hij in Nederland bij de medeverdachte [betrokkene 1] drie door hem erkende kinderen heeft waarvan de jongste op [geboortedatum] 2006 is geboren - tot de voorlopige conclusie is gekomen dat de verdachte ten minste tot 2008 in Nederland woonachtig is geweest en derhalve voor zijn wereldinkomen in Nederland belastingplichtig was.

Het over de jaren 2001 tot en met 2005 bij elkaar opgetelde bij de Belastingdienst bekende inkomen van medeverdachte [betrokkene 1] bedraagt in totaal € 82.000,- (gedeeld door vijf is dat € 16.400,- per jaar). Uit bankafschriften van de medeverdachte [betrokkene 1] volgt dat zij in de periode van 1 juli 2004 tot en met 6 januari 2006 maandelijks aan vaste lasten (exclusief onder meer: telefoonkosten, kosten voor levensmiddelen en kleding en afbetalingen voor een auto) ruim € 1.500,- van haar ABN-AMRO rekening met nummer [001] heeft betaald. Voorts volgt uit bankafschriften van de Fortisbank rekening met nummer [002] dat de medeverdachte [betrokkene 1] maandelijks € 958,76 huur betaalde voor een niet door haar bewoonde woning aan het [b-straat 1] en voor die woning € 46,73 per maand aan energiekosten betaalde.

In het op 3 oktober 2017 uitgesproken arrest in de zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 1] onder parketnummer 23-006369-08 is het hof gemotiveerd tot het oordeel gekomen dat het van de medeverdachte bij de Belastingdienst bekende inkomen - ook indien daarbij wordt opgeteld wat de medeverdachte aan inkomsten stelt te hebben gehad, voor zover die stellingen niet als onaannemelijk terzijde zijn geschoven - geen verklaring biedt voor de vermogenstoename van de medeverdachte, voor haar uitgavenpatroon en het overigens kunnen voorzien in haar levensonderhoud en dat van haar kinderen op de wijze zoals zij dat deed. Dat oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde motivering dienen als hier ingelast te worden beschouwd. Een kopie van het arrest is aan dit arrest gehecht (zie bijlage).

In het licht van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Het hof acht daarvoor in het bijzonder redengevend het ontbreken van enige aanwijzing die duidt op een legale herkomst van dit geld met daarbij het gegeven dat de uitgaven van de medeverdachte [betrokkene 1] , structureel de tegenover de Belastingdienst verantwoorde inkomsten van haarzelf en de verdachte aanmerkelijk hebben overschreden. Mitsdien mag van de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring worden verlangd over de herkomst van het geld en de waardevolle horloges.

De verdachte heeft zich wat betreft de herkomst van het geld en de horloges tot aan de terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2014 op zijn zwijgrecht beroepen. Door zijn raadsvrouw is ter terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2012 voor het eerst de voormelde [betrokkene 3] opgevoerd. De verdachte heeft op 15 januari 2014 verklaard dat hij commercial broker is, intermediair tussen bedrijven. Ook heeft hij verklaard dat hij handelde in horloges. Volgens de verdachte was het aangetroffen geld afkomstig van de verkoop van horloges van [betrokkene 3] , horloges die de verdachte in consignatie had gekregen. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij geen administratie bijhoudt, omdat hij in Dubai woont en het daar niet nodig is een gedetailleerde administratie bij te houden. Volgens de verdachte gaat het in Dubai heel anders dan hier in Nederland en staat de vertrouwensrelatie centraal en is dat het uitgangspunt voor handelen. Volgens de verdachte werd bij de verkoop van de horloges geen gebruik gemaakt van een bon noch van officiële fabriekscertificaten. Over zijn cliënten wilde de verdachte verder niet verklaren.

Naar het oordeel van het hof is deze - in een zeer laat stadium - afgelegde verklaring kwestieus, omdat het op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is dat het in Dubai niet nodig zou zijn voor de gestelde bedrijfsvoering en voor een eventuele belastingplicht in Dubai enige controleerbare administratie bij te houden. Ook is het niet aannemelijk dat een bonafide handelaar in horloges in de prijsklasse waarvan hier sprake is zou werken zonder bon of echtheidscertificaat.

Zo beschouwd, kan worden geoordeeld dat het hof de verdachte, met de beslissing tot toewijzing van het verzoek de door hem opgevoerde [betrokkene 3] (van wie de verdediging een schriftelijke verklaring en een kopie van een paspoort heeft overgelegd) als getuige te horen, het voordeel van de twijfel heeft gegund.

Het in dat verband door de raadsheer-commissaris opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 25 januari 2017 houdt onder meer in dat de verdediging hem niet kon voorzien van contactgegevens van de getuige en dat de Zuid-Koreaanse autoriteiten hebben laten weten dat het paspoortnummer ongeldig bleek te zijn en dat de Koreaanse naam op het paspoort (het hof begrijpt: de door de verdediging in het geding gebrachte kopie) in het Koreaans HONG-Gil-Dong luidt, hetgeen de naam is van een fictieve persoon die vaak wordt gebruikt in voorbeeldformulieren, zodat de Koreaanse autoriteiten geen gevolg kunnen geven aan het door de Nederlandse autoriteiten gedaan verzoek tot het verlenen van rechtshulp.

Gelet op het vorenstaande is de verdachte naar het oordeel van het hof er niet in geslaagd de van hem verlangde concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de herkomst van het geld en de waardevolle horloges. Het hof is in het licht van al het vorenstaande van oordeel dat het niet anders kan dan dat de in de bewezenverklaring vermelde geldbedragen en horloges uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte daarvan wetenschap had. In de zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 1] heeft het hof in het eveneens op 3 oktober 2017 uitgesproken arrest (met parketnummer 23-006369-08) vastgesteld dat zij wetenschap had van de aanwezigheid van deze geldbedragen en horloges en dat zij over dit geld ook kon beschikken en dat zij wist dat dit ging om voorwerpen met een - middellijk of onmiddellijk - misdadige herkomst. Gezien de hier als herhaald en ingelast te beschouwen bewijsvoering in haar zaak, is het hof van oordeel dat de verdachte dit geld en de horloges tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] voorhanden heeft gehad.

- In de zaak met parketnummer 15-840035-07

In de woning van [betrokkene 1] aan de [a-straat 1] te [plaats] zijn op 27 november 2007 aangetroffen: in de keuken een bedrag van 1.197 US dollar, in het washok - in kleine coupures - een bedrag van € 9.700. Op diezelfde dag werd een doorzoeking verricht in de woning aan de [c-straat 1] te [plaats] , bewoond door de vriendin van de verdachte [betrokkene 2] . Na het binnentreden werd gezien dat de verdachte via het zolderraam de woning ontvluchtte. Na een achtervolging werd de verdachte aangehouden. In de woonkamer werd een horloge met opdruk Audemars Piquet (het hof begrijpt: Audemars Piguet) en een bedrag van € 500 aangetroffen, in de slaapkamer op de eerste etage - in kleine coupures - een bedrag van € 16.960,- in de keuken een originele doos van een horloge Audemars Piguet “End of Days” 150/500 (zonder horloge), op de vluchtroute van de verdachte in het fietsenhok € 300,- en in de broekzak van de verdachte een horloge van het merk Audemars Piguet. De waarde van voormelde Audemars Piguet horloges is door een juwelier geschat op € 77.000,- wat betreft het horloge Audemars Piguet Rubens Barrichello Platina 091/150 en op € 22.000,- wat betreft het horloge Audemars Piguet Alinghi Carbon 76/1300.

Mede tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is vastgesteld, te weten dat de verdachte zich op 5 april 2006 heeft schuldig gemaakt aan witwassen van een groot contant geldbedrag in kleine coupures en een aantal zeer waardevolle horloges, is het hof van oordeel dat ook de in de onderhavige zaak door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Het hof acht daarvoor in het bijzonder redengevend dat de verdachte opnieuw in het bezit bleek van een aanmerkelijk contant geldbedrag in kleine coupures en twee buitengewoon waardevolle horloges, terwijl opnieuw enige aanwijzing die duidt op een legale herkomst van dit geld en deze horloges ontbreekt. Mitsdien mag van de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring worden verlangd voor de herkomst van het geld en de waardevolle horloges.

De verdachte heeft ten aanzien van dit feit geen andere dan de hierboven besproken verklaring gegeven. Mitsdien is het hof op de gronden zoals hiervoor vermeld van oordeel dat de verdachte er niet in is geslaagd de van hem verlangde concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de herkomst van het geld en de waardevolle horloges. Het hof is in het licht van al het vorenstaande van oordeel dat het niet anders kan dan dat de in de bewezenverklaring vermelde geldbedragen en horloges uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte daarvan wetenschap had.”

4.4.

Het middel valt uiteen in twee deelklachten, die zich respectievelijk richten tegen de oordelen dat (i) een vermoeden van witwassen is gerezen, zodat een verklaring van de verdachte mag worden verlangd over de herkomst van gelden, en (ii) het niet anders kan zijn dan dat de voorwerpen (geld en horloges) uit misdrijf afkomstig zijn.

4.5.

De tenlasteleggingen zijn toegesneden op art. 420bis Sr, dat in de tenlastegelegde periode luidde:

“1 Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:

a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;

b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.

2 Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.”

4.6.

De Hoge Raad heeft zijn rechtspraak over het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” bij arrest van 18 december 20182 als volgt samengevat:

“2.3.2. Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

2.3.3.

Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.”

4.7.

De stellers van het middel menen dat voor elk voorwerp afzonderlijk moet worden vastgesteld of het uit misdrijf afkomstig is. Volgens hen is niet zonder nadere motivering begrijpelijk dat ook ter zake van relatief kleine geldbedragen (€ 300, € 500 en $ 1.187)3 een witwasvermoeden is ontstaan. Die bedragen zijn respectievelijk gevonden op de vluchtroute van de verdachte in een fietsenhok, in de slaapkamer van verdachtes vriendin en in de keuken van de medeverdachte [betrokkene 1] . Ook indien deze bedragen uit de bewezenverklaring zouden worden geschrapt, kan mijns inziens niet worden gezegd dat daarmee aan de aard en ernst van het bewezen verklaarde wezenlijk afbreuk wordt gedaan.4 Ik meen derhalve dat de verdachte geen rechtens te respecteren belang bij het middel heeft, maar zal volledigheidshalve toch ingaan op de klachten.

4.8.

In zijn hierboven geciteerde overwegingen heeft het hof geoordeeld dat de daarin vastgestelde “feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen”. Het hof heeft daarvoor in het bijzonder redengevend geacht “dat de verdachte opnieuw in het bezit bleek van een aanmerkelijk contant geldbedrag in kleine coupures (…), terwijl opnieuw enige aanwijzing die duidt op een legale herkomst van dit geld (…) ontbreekt”. Van de verdachte mag mitsdien een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring worden verlangd voor de herkomst van het geld. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is ook niet onbegrijpelijk en behoefde niet nader te worden gemotiveerd. In de toelichting op het middel is geschreven dat als bij een vondst van € 300 sprake zou zijn van een witwasvermoeden, de vraag rijst bij de vondst van welk bedrag daarvan niet kan worden gesproken. Met deze stelling wordt miskend dat bij de vondst die dag in zijn totaal een groot contant geldbedrag is aangetroffen. De eerste deelklacht faalt derhalve.

4.9.

In hoger beroep is als verklaring voor de herkomst van het geld (en de horloges) gegeven dat de verdachte handelde in horloges en hij de aangetroffen horloges in consignatie had van [betrokkene 3] . Het aangetroffen geld zou afkomstig zijn van reeds verkochte horloges en zou bestemd zijn voor die [betrokkene 3] . Ter staving daarvan zijn overgelegd twee schriftelijke verklaringen van [betrokkene 3] alsmede een kopie van een paspoort en een accountantsrapport van [A] over het jaar 2013 waarin het verlies in de vorm van aan de verdachte in consignatie gegeven horloges wordt verantwoord in de jaarrekeningen. In cassatie wordt geklaagd over de impliciete verwerping van die verklaring. Hoewel het hof de verklaring kwestieus achtte, werd de verdachte het voordeel van de twijfel gegund en werd het verzoek om [betrokkene 3] te horen, toegewezen. Toen bleek dat de verdediging de raadsheer-commissaris niet kon voorzien van contactgegevens én dat de Zuid-Koreaanse autoriteiten hebben laten weten dat het paspoortnummer op de door de verdediging in het geding gebrachte kopie van het paspoort, ongeldig bleek te zijn en de naam daarop in het Koreaans HONG-Gil-Dong luidt, hetgeen kennelijk de naam is van een fictieve persoon die vaak wordt gebruikt in voorbeeldformulieren. Gelet hierop kwam het hof tot het oordeel dat de verdachte er niet in is geslaagd een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de herkomst van het geld en de horloges. Dat oordeel lijkt mij niet onbegrijpelijk. Gelet daarop lijkt mij dat de klacht in cassatie geen goede grond heeft. Het openbaar ministerie zou volgens de stellers van het middel namelijk niet aan zijn onderzoeksplicht hebben voldaan, terwijl die vooraf zou moeten gaan aan een mogelijk oordeel van het hof. Ik begrijp het hierboven weergegeven toetsingskader dat de Hoge Raad hanteert echter zo, dat het openbaar ministerie niet gehouden is tot nader onderzoek te doen naar de verklaring, ook als die – zoals in het onderhavige geval – door het hof niet is aangemerkt als concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Ook de tweede deelklacht faalt dus.

4.10.

Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte, afgezien van de hiervoor weergegeven verklaring, geen verklaring voor de herkomst van het geld heeft gegeven, en het mitsdien niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Ook dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

4.11.

Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel klaagt over de verbeurdverklaring van een in beslag genomen geldbedrag van in totaal € 15.956,96.

5.2.

Het hof heeft als volgt beslist omtrent de in beslag genomen voorwerpen:

“Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 STK Horloge Audemars Piguet;

- Geld Euro 10 x 50; 33 x 100; 252 x 50; 53 x 20;

- Geld Buitenlands 59 biljetten US dollar, totale waarde =1197 dollar;

- Geld Euro 15 x 20;

- 1 STR Horloge Audemars Piguet;

- Geld Nederlands 31 x 500; 7 x 50; 3 x 20; 3 x 10; 1 x 5;

- Geld Nederlands Muntgeld totaal 11,96 euro.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 STK Horloge Tag Heuer.

- 1.00 STK Notitie en Memo;

- 7.00 STK Bescheiden.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1.00 STK Micrometer KI: zwart Shiseido.”

5.3.

De klacht ziet op de laatste twee punten van de eerste opsomming. Het hof heeft zijn beslissing als volgt gemotiveerd:

“Het in beslag genomen contante geld zal worden verbeurdverklaard, omdat dit aan de verdachte toebehoort en het bewezenverklaarde met betrekking tot dit geld is begaan. Datzelfde geldt voor de in beslag genomen horloges van het merk Audemars Piguet.

Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van het in beslag genomen namaak horloge met daarop het merk Tag Heuer en van een notitie en memo en enkele bescheiden en de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de in beslag genomen Micrometer. Over de overige onder de medeverdachte in beslag genomen goederen heeft het hof in haar zaak beslissingen genomen.”

5.4.

De raadsvrouw heeft ter zake van het in het middel bedoelde in beslag genomen bedrag ter terechtzitting van het hof het volgende aangevoerd:5

“1. In 2005 zijn in beslag genomen en niet teruggegeven: € 15.956,76 en een spectrummeter. Dit feit, het vermeend wederrechtelijk bezit van het geld, is niet tenlastegelegd door het OM. Het parketnummer in die zaak is niet afgesloten, maar vervolgens gebruikt door het OM voor het tenlasteleggen van de huidige feiten om dagvaarding 1 (zie ook parketnummer bevel inbewaringstelling van 8 april 2005 en brief van OM over sepot), deze feiten staan geheel los van het beslag van 5 april 2005. Voor het witwassen van de spectrummeter of multi micro sensor, zoals op de tll 840035-07 staat is [verdachte] onherroepelijk vrijgesproken. Daarvan is de teruggave gelast bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 28 november 2008, maar tot op heden is die beslissing niet uitgevoerd. Het bedrag van € 15.956,76 dient te worden geretourneerd aan [verdachte] .

2. In 2006 zijn in beslag genomen (onder [betrokkene 1] , lmogirituin):€ 110.950,00 en 21 horloges.

3. In 2007 zijn in beslag genomen: (- [c-straat 1] ) 1 horloge Tag Heuer, 1 Horloge Audemars Piquet, Rubens Barrichello Platina 091/150,1 horloge Audemars Piquet Alingi Carbon 76/1300, originele doos Audemars Piquet 'end of days; 150/500, (Imogirituin) 1 horloge Audemars Piquest, zwart end of days, Limited Edition, € 9.700,00, $1.197,00, € 300,00, € 16.960,00, € 500,00.”

5.5.

Art. 33a lid 1 onder b Sr luidt:

“1 Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:

(…)

b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;”.

5.6.

Het hof heeft met betrekking tot de verbeurdverklaring voor zover hier van belang als volg overwogen:

“Het in beslag genomen contante geld zal worden verbeurdverklaard, omdat dit aan de verdachte toebehoort en het bewezenverklaarde met betrekking tot dit geld is begaan.”

5.7.

Gelet op hetgeen is aangevoerd door de verdediging is niet zonder meer begrijpelijk wat het verband is tussen de bewezenverklaarde feiten en de verbeurdverklaring van 31 x € 500, 7 x € 50, 3 x € 20, 3 x € 10, 1 x € 5 en € 11,96 in munten.6 De verbeurdverklaring is in zoverre ontoereikend gemotiveerd.

5.8.

Het middel slaagt aldus.

6 Het derde middel

6.1.

Het middel behelst de klachten dat (i) het hof heeft verzuimd de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden, in het arrest op te nemen, (ii) uit het proces-verbaal van de terechtzitting(en) niet blijkt dat het hof stukken die ten nadele van de verdachte in de beoordeling zijn betrokken, heeft voorgehouden, en tot slot, (iii) uit het arrest onvoldoende blijkt welke onderdelen van het arrest in de zaak van de medeverdachte de bewezenverklaring (mede) dragen.

6.2.

Art. 301 Sv luidt:7

“1 Processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere stukken worden op last van de voorzitter, wanneer een van de rechters of de officier van justitie dit verlangt, voorgelezen.

2 Voorlezing heeft ook plaats op verzoek van de verdachte, tenzij de rechtbank ambtshalve of op vordering van de officier van justitie anders beveelt.

3 De voorlezing van de stukken kan, tenzij de officier van justitie of de verdachte zich daar op redelijke gronden tegen verzet, worden vervangen door een mondelinge mededeling van de korte inhoud door de voorzitter.

4 Ten bezware van de verdachte wordt geen acht geslagen op stukken, die niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet overeenkomstig het derde lid is meegedeeld.”

6.3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 30 augustus 2017 luidt voor zover relevant:

“Met instemming van de advocaat-generaal en de raadslieden worden alle stukken van het dossier geacht voorgehouden te zijn.”8

6.4.

Ik lees in de schriftuur niet dat wordt betwist dat de voormelde toestemming is gegeven. De stellers van het middel klagen dat uit het proces-verbaal niet blijkt wat onder ‘alle stukken van het dossier’ moet worden verstaan en derhalve art. 301 lid 4 Sv en het recht op een eerlijk proces zijn geschonden. Onder stukken waarop ten bezware van de verdachte geen acht mag worden geslagen wordt verstaan “stukken die van invloed kunnen zijn op het bewijs van het tenlastegelegde, de strafbaarheid van het bewezene en van de verdachte of de oplegging van straf of maatregel”.9 De omstandigheid dat de raadsvrouw te kennen heeft gegeven geen behoefte te hebben aan het voorhouden of bespreken van de stukken, brengt niet per definitie met zich dat van een schending van art. 301 lid 4 Sv geen sprake meer kan zijn.10 Art. 301 Sv strekt ertoe te voorkomen dat de verdachte in de uitspraak wordt geconfronteerd met voor hem nadelige stukken waarvan hij de inhoud niet kent.11 In de schriftuur lees ik echter niet welke stukken die ten nadele van de verdachte in de beoordeling zijn betrokken, voorgehouden hadden moeten worden. Gelet hierop meen ik dat de verdediging geen rechtens te respecteren belang heeft bij deze klacht.12

6.5.

In de toelichting wordt voorts geklaagd over de verwijzing door het hof naar het arrest in de zaak van de medeverdachte. De betreffende overwegingen luiden als volgt:

“In het op 3 oktober 2017 uitgesproken arrest in de zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 1] onder parketnummer 23-006369-08 is het hof gemotiveerd tot het oordeel gekomen dat het van de medeverdachte bij de Belastingdienst bekende inkomen - ook indien daarbij wordt opgeteld wat de medeverdachte aan inkomsten stelt te hebben gehad, voor zover die stellingen niet als onaannemelijk terzijde zijn geschoven - geen verklaring biedt voor de vermogenstoename van de medeverdachte, voor haar uitgavenpatroon en het overigens kunnen voorzien in haar levensonderhoud en dat van haar kinderen op de wijze zoals zij dat deed. Dat oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde motivering dienen als hier ingelast te worden beschouwd. Een kopie van het arrest is aan dit arrest gehecht (zie bijlage).

(…)

In de zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 1] heeft het hof in het eveneens op 3 oktober 2017 uitgesproken arrest (met parketnummer 23-006369-08) vastgesteld dat zij wetenschap had van de aanwezigheid van deze geldbedragen en horloges en dat zij over dit geld ook kon beschikken en dat zij wist dat dit ging om voorwerpen met een - middellijk of onmiddellijk - misdadige herkomst. Gezien de hier als herhaald en ingelast te beschouwen bewijsvoering in haar zaak, is het hof van oordeel dat de verdachte dit geld en de horloges tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] voorhanden heeft gehad.”

6.6.

Voor zover wordt geklaagd dat het – op dezelfde dag gewezen als het onderhavige arrest – (promis)arrest in de zaak van de medeverdachte niet als processtuk in het dossier van de verdachte is gevoegd, faalt de klacht. Immers, dat arrest zelf wordt niet als bewijsmiddel gebruikt. De bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten in het geciteerde deel van de uitspraak van de medeverdachte wordt verwezen, maken ook onderdeel uit van het dossier van de verdachte dat door het hof naar de Hoge Raad is toegezonden. Het gaat daarbij om ‘het in de wettelijke vorm door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] opgemaakte proces-verbaal (zaakrelaas zaakdossier B13) van 8 november 2006’ inclusief bijlagen, ‘het in de wettelijke vorm door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] opgemaakte (overzicht) proces-verbaal van 26 juni 2006’ inclusief bijlagen en een ‘brief van [betrokkene 4] , Belastingdienst/Kantoor Hoorn, namens de inspecteur van 2 juli 2013’. Dat laatste stuk is blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 15 januari 2014 gevoegd bij de ingekomen stukken voor die terechtzitting.

6.7.

Voor zover wordt geklaagd dat het hof door deze verwijzing heeft verzuimd de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden, te vermelden meen ik dit ook deze klacht faalt. De bijlage moet worden geacht deel uit te maken van het arrest. Tot slot wordt betoogd dat onvoldoende gespecificeerd is verwezen naar het arrest in de zaak van de medeverdachte. Uit de hierboven geciteerde overweging blijkt duidelijk dat de gehele bewijsvoering in het arrest van de medeverdachte als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Het hof was mijns inziens, mede gelet op de beperkte omvang van die bewijsvoering, niet gehouden zijn verwijzing nader te specificeren.

6.8.

Het middel faalt.

7 Het vierde middel

7.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden, omdat de stukken van het geding te laat door het hof zijn ingezonden. Namens de verdachte is op 10 oktober 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezette stempel op 11 december 2018 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn, die acht maanden bedraagt, met ruim zes maanden is overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, behoort niet meer tot de mogelijkheden. Een en ander dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in het geval de Hoge Raad in afwijking van mijn conclusie de zaak niet terugwijst naar het hof. In het andere geval kan het hof na terugwijzing daarmee rekening houden.

7.2.

Het middel slaagt maar leidt in mijn optiek niet tot cassatie.

8. De middelen 2 en 4 slagen. De middelen 1 en 3 falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam om in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ik laat voetnoten achterwege.

2 HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298 m.nt. Rozemond, r.o. 2.3.2-2.3.3.

3 Zie onderdeel 17.2 op p. 29-30 van de aan het proces‑verbaal van de terechtzitting van het hof van 30 augustus 2017 gehechte pleitnotities van de raadsvrouw, aan de hand waarvan zij blijkens dat proces-verbaal het woord heeft gevoerd.

4 HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005 (overzichtsarrest 80a RO), NJ 2016/430 m.nt. Van Kempen. Vgl. HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:133.

5 Zie onderdeel 5.1 op p. 32 van de aan het proces verbaal van de terechtzitting van het hof van 30 augustus 2017 gehechte pleitnotities van de raadsvrouw, aan de hand waarvan zij blijkens dat proces-verbaal het woord heeft gevoerd.

6 Vgl. HR 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:17.

7 Art. 301 Sv is ingevolge art. 415 Sv eveneens in hoger beroep van toepassing.

8 P. 3.

9 HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0403, NJ 2011/607 m.nt. Borgers, r.o. 3.4. Vgl. HR 26 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1050, NJ 1998/713, r.o. 5.1.

10 HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN4351, NJ 2011/358 m.nt. Keijzer, r.o. 3.5.

11 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt van 27 maart 2018 voor HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:750.

12 Vgl. HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5707, r.o. 3.7.