Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:199

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-01-2020
Datum publicatie
05-03-2020
Zaaknummer
17/05571
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:364
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Caribische zaak. Vorderen van gegevens ex art. 177s Sv Sint Maarten. Middel over de nietigheid van de mondeling gegeven vordering tot het verstrekken van gegevens ex art. 177s Sv nu deze niet binnen drie dagen schriftelijk is bevestigd zoals op straffe van nietigheid is voorgeschreven in art. 177s lid 5 Sv. Plv. AG: de op schrift gestelde vordering heeft ook zelfstandige betekenis als vordering tot het verstrekken van gegevens als bedoeld in de art. 177s lid 1 jo. 177h lid 1 Sv. Strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 17/05571 A

Zitting 7 januari 2020

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij strafvonnis van 23 november 2017 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof), wegens “onder invloed van alcoholhoudende drank aan het verkeer deelnemen en zich daarbij zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Het Hof heeft de verdachte daarnaast de bevoegdheid ontzegd tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 36 maanden met aftrek van de tijd gedurende welke het de verdachte als gevolg van de aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden niet was toegestaan een motorrijtuig te besturen. Het Hof heeft verder de teruggave van de Hummer aan de vader van de verdachte gelast en de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.

  2. Namens de verdachte heeft mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof in strijd met het tweede en derde lid van art. 395 van het Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten (hierna: Sv), in samenhang met het algemene motiveringsvoorschrift van art. 402 Sv, niet heeft laten blijken dat het “bij eenparigheid van stemmen” de verdachte in hoger beroep heeft veroordeeld wegens een feit waarvan hij in eerste aanleg was vrijgesproken. Aangevoerd wordt dat de verdachte in eerste aanleg was “vrijgesproken van het hem ten laste gelegde rijden onder invloed”, waarvoor hij in hoger beroep wel is veroordeeld.

  4. Artikel 395, tweede en derde lid, Sv luiden aldus:

“2. In het geding in hoger beroep kan slechts met eenparigheid van stemmen worden bewezenverklaard datgene waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken. Die eenparigheid is echter niet vereist, indien bij een alternatieve telastelegging in eerste aanleg is beslist, dat door de verdachte een van de hem tenlastegelegde feiten is begaan.

“3. Indien alleen de verdachte in hoger beroep is gekomen, kan hij ter zake van hetgeen in eerste aanleg te zijnen laste bewezen is verklaard, slechts met eenparigheid van stemmen tot een zwaardere straf worden veroordeeld, dan hem bij het vonnis is opgelegd.”

5. Voor zover wordt geklaagd over schending van het bepaalde in art. 395, derde lid, Sv faalt het middel. Uit een daarvan opgemaakte akte, die zich bij de stukken bevindt, blijkt dat op 15 februari 2016 officier van justitie N.M. Lemmers in hoger beroep is gekomen. Om die reden is het voorschrift niet van toepassing.

6. De verdachte is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vrijgesproken van het primair tenlastegelegde (doodslag).

7. Aan de verdachte is subsidiair tenlastegelegd:

“dat hij op of omstreeks 16 april 2015 in Sint Maarten,

als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een (personen)auto, merk Hummer, daarmede rijdende over de [a-straat] , althans over een weg,

zich toen aldaar zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten botsing, aan-of overrijding met dat motorrijtuig heeft plaatsgevonden door toen aldaar als bestuurder van genoemd motorrijtuig roekeloos, althans hoogst, althans zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onoplettend,

o gereden terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank en/of andere bedwelmende middelen, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan zijn rijvaardigheid kon verminderen, althans terwijl hij verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 6 onder a van de Wegenverkeersverordening en/of

o gereden terwijl hij zeer vermoeid was, in elk geval gereden terwijl hij over een lange periode geen nachtrust had genoten en/of o gereden met een voor de situatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid, althans zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast op de wegsituatie en/of o (tijdens een inhaalmanoevre) gereden op de linker rij helft en/of in de linker berm en/of tegen de linker vangrail en/of

o onvoldoende aandacht gehad voor het overige verkeer, althans de overige weggebruikers/aldaar aanwezige voetgangers en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of

o met onverminderde snelheid tegen een voetganger ( [slachtoffer] ) is gebotst en/of o (vervolgens) na die aanrijding is doorgereden,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden,

waardoor het aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] bij gelegenheid van die aan-of overrijding of botsing is gedood, welke dood door die aan-of overrijding en/of botsing is veroorzaakt.”

8. Ten laste van de verdachte heeft het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) bewezenverklaard:

“dat hij op 16 april 2015 in Sint Maarten, als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een (personen)auto, merk Hummer, daarmede rijdende over de [a-straat] , zich toen aldaar zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten botsing met dat motorrijtuig heeft plaatsgevonden door toen aldaar als bestuurder van genoemd motorrijtuig zeer onvoorzichtig

o tijdens een inhaalmanoeuvre te rijden op de linker rijhelft en in de linker berm en tegen de linker vangrail en

o onvoldoende aandacht te hebben voor aldaar aanwezige voetgangers en de verkeerssituatie ter plaatse en

o met onverminderde snelheid tegen een voetganger ( [slachtoffer] ) te botsen

ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden,

waardoor het aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] bij gelegenheid van die botsing is gedood, welke dood door die botsing is veroorzaakt”.1

9. Het Hof is eveneens tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde gekomen, maar heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard:

“dat hij op 16 april 2015 in Sint Maarten, als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een (personen)auto, merk Hummer, daarmede rijdende over de [a-straat] , zich toen aldaar zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten botsing met dat motorrijtuig heeft plaatsgevonden door toen aldaar als bestuurder van genoemd motorrijtuig zeer onvoorzichtig,
o te rijden terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan zijn rijvaardigheid kon verminderen, en
o te rijden met een voor de situatie ter plaatse veel te hoge snelheid, en
o (tijdens een inhaalmanoeuvre) te rijden op de linker rijhelft en in de linker berm en tegen de linker vangrail en
o onvoldoende aandacht te hebben voor de overige weggebruikers/aldaar aanwezige voetgangers
o met onverminderde snelheid tegen een voetganger ( [slachtoffer] ) te botsen
ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden,
waardoor het aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] bij gelegenheid van die botsing is gedood, welke dood door die botsing is veroorzaakt.”2

10. Nadat het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten de verdachte had vrijgesproken van het “rijden terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank en/of andere bedwelmende middelen, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan zijn rijvaardigheid kon verminderen, althans terwijl hij verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 6 onder a van de Wegenverkeersverordening” heeft het Hof dus – anders dan het Gerecht – bewezen verklaard het “rijden terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan zijn rijvaardigheid kon verminderen”.

11. In cassatie wordt aangevoerd dat het Hof de verdachte op grond van het bepaalde in art. 395, tweede lid, Sv alleen met eenparigheid van stemmen had mogen veroordelen wegens “het hem ten laste gelegde rijden onder invloed”. Daarbij merk ik volledigheidshalve op dat het feit dat de verdachte “tijdens het ongeval onder zodanige invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde, dat hij niet in staat moest worden geacht het motorrijtuig naar behoren te besturen” is bewezenverklaard als een bestanddeel van het feit zoals dat strafbaar is gesteld in art. 321a Sr (oud).

12. Nu de subsidiair tenlastegelegde feiten, die zijn gebaseerd op art. 320, tweede lid jo. 321/321a Sr (oud), niet alternatief ten laste zijn gelegd, is inderdaad het bepaalde in art. 395, tweede lid, Sv van toepassing waarin is voorgeschreven dat in het geding in hoger beroep slechts “met eenparigheid van stemmen” bewezenverklaard kan worden datgene waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken.

13. Het is bestendige rechtspraak van de Hoge Raad dat de rechter in zijn uitspraak niet hoeft te laten blijken dat hij het betreffende feit met eenparigheid van stemmen bewezen heeft verklaard.3 In de schriftuur wordt dit onderkend, maar aangevoerd dat deze rechtspraak niet meer van deze tijd is vanwege eisen van “transparantie en controleerbaarheid” die aan de rechtspraak worden gesteld en het vertrouwen in de rechtspraak dat niet door “onnavolgbare” uitspraken op de proef mag worden gesteld. Hier stel ik tegenover dat het Hof in zijn arrest uitvoerig gemotiveerd heeft aangegeven dat en waarom het van oordeel is dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte als bestuurder onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde ten tijde van de door hem veroorzaakte botsing, aan de gevolgen waaraan het slachtoffer is overleden. Dat is transparant en controleerbaar en niet onnavolgbaar.

14. Het middel faalt.

15. Het tweede middel klaagt over de bewijsvoering waarvoor het Hof ten onrechte gebruik heeft gemaakt van camerabeelden die zijn verstrekt door [A] omdat niet is voldaan aan de toepasselijke regels, in het bijzonder niet aan het voorschrift van art. 177s, vijfde lid, Sv. Het Hof zou het verweer, dat strekt tot bewijsuitsluiting van de door [A] verstrekte camerabeelden, ten onrechte hebben verworpen. Het vormverzuim heeft het Hof ten onrechte beoordeeld aan de hand van art. 413 Sv.

16. Het verweer waarop het middel betrekking heeft, heeft het Hof in zijn strafvonnis als volgt samengevat en verworpen:

camerabeelden
Door de verdediging is een beroep gedaan op bewijsuitsluiting van onderzoeksresultaten. Aangevoerd is dat de vordering tot het verstrekken van gegevens van [B] op grond van artikel 177s Sv van 5 mei 2015 nietig is, omdat de mondeling gegeven vordering niet conform lid 5 van dat artikel binnen drie dagen op papier is gezet en dat de op grond van die vordering verkregen camerabeelden van de bewakingscamera’s van [B] daarom - zoals direct uit de BOB-wetgeving volgt - niet voor het bewijs mogen worden gebruikt.

“ Het verweer met betrekking tot de verkrijging van de camerabeelden van de bewakingscamera’s van [B] en de daarop gebaseerde onderzoeksresultaten kan niet slagen aangezien deze niet voor het bewijs worden gebezigd.

“ Het Hof begrijpt dat de verdediging heeft bedoeld dit verweer ook te voeren ten aanzien van de camerabeelden van [C] , [D] en [A] . Daarvoor geldt het volgende. Uit het proces-verbaal van relaas van 1 juni 2015 blijkt dat de verbalisanten bij de officier van justitie vorderingen tot afgifte van camerabeelden door de genoemde bedrijven hebben aangevraagd en dat die vorderingen zijn verkregen. Uit de schriftelijke vorderingen die zijn gericht aan [C] en [D] , beide gedateerd 21 april 2015, blijkt niet dat de officier van justitie op een eerder moment mondeling de vordering tot afgifte van de camerabeelden heeft gegeven. Ook overigens blijkt uit het dossier niet van een mondelinge vordering gericht aan die bedrijven. Door de verdediging is daarover niets aangevoerd. Ten aanzien van [C] en [D] is van een overschrijding van de in artikel 177s lid 5 Sv bedoelde termijn dus geen sprake. De schriftelijke vordering gericht aan [A] is eveneens gedateerd 21 april 2015. Uit dit stuk blijkt wel dat de vordering eerder mondeling is verstrekt en wel op (donderdag) 16 april 2015, de dag van het ongeluk. Mede gelet op artikel 3 lid 2 Sv diende deze vordering uiterlijk op maandag 20 april 2015 op schrift te zijn gesteld. Dit betekent dat deze vordering een dag te laat op schrift is gesteld. Anders dan de verdediging heeft bepleit, volgt uit het bepaalde in artikel 177s lid 5 Sv niet dat dit in alle gevallen leidt tot bewijsuitsluiting. Blijkens de parlementaire geschiedenis heeft de wetgever bij de invoering van deze bepaling de sanctie van nietigheid als volgt toegelicht: ‘Omdat het gaat om diep ingrijpende bevoegdheden en voor de procesvoering wezenlijke normen mag ervan worden uitgegaan dat de rechter die resultaten niet voor het bewijs van het strafbare feit zal toelaten indien de beslissingen daarover niet (binnen drie dagen) schriftelijk zijn genomen of op papier gezet.’

Verdere relevante toelichting van de wetgever ontbreekt. Het is niet goed voorstelbaar dat de wetgever heeft bedoeld dat schending van dit vormvoorschrift, zelfs in zijn lichtste variant en (dus) in alle gevallen moet leiden tot bewijsuitsluiting. Die lichtst denkbare variant doet zich hier voor: het gaat om overschrijding van de termijn met één dag ten aanzien van de schriftelijke vastlegging van een door de daartoe bevoegde persoon mondeling gedane vordering, die, in aanmerking genomen dat het gaat om beelden van de door verdachte bestuurde auto op de openbare weg, geen inbreuk maakt op het door artikel 177s Sv beschermde belang, namelijk het privéleven van degenen die op de beelden voorkomen. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat deze lichtste variant van schending van het voorschrift van artikel 177s lid 5 Sv moet worden getoetst aan de criteria van artikel 413 lid 5 Sv.

Door de verdediging is niet gesteld dat en in welke mate haar belangen door schending van dit vormvoorschrift zijn geschaad. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de aard en de ernst van de normschending en over het door artikel 177s beschermde belang, valt ook overigens niet goed in te zien in welke in rechte te beschermen belang de verdachte is geraakt. De conclusie is dan ook dat het vormverzuim geen aanzienlijke schending van een strafvorderlijk voorschrift oplevert en dat de verdachte niet in zijn belangen is geschaad, zodat kan worden volstaan met de constatering van de normschending. Het verweer wordt verworpen.

Voorts is betoogd dat de camerabeelden en de daarop gebaseerde bevindingen niet voor het bewijs mogen worden gebruikt omdat de mondelinge vordering van de officier van justitie onvoldoende concreet is en niet afdoende is geverbaliseerd, dat de politie kennelijk geen schriftelijke aanvragen gericht aan de officier van justitie heeft opgesteld, dat er geen bewijs is dat (afschriften van) de vorderingen daadwerkelijk zijn verstrekt aan degenen tot wie deze zijn gericht en dat het in de vorderingen genoemde proces-verbaal met nummer VA 0541/15 d.d. 21 april 2015 niet in het dossier zit.

Uit het voorgaande volgt dat aan [C] en [D] geen mondelinge vordering is gericht. Ten aanzien van de aan [A] gerichte vordering geldt dat uit de schriftelijke vordering blijkt dat de mondelinge vordering op 16 april 2015 is gedaan. Uit de aard der zaak volgt dat de mondelinge vordering dezelfde inhoud en strekking had als de schriftelijke vordering. Aanwijzingen dat dit in dit geval anders is ontbreken en zijn door de verdediging ook niet naar voren gebracht. De wet stelt niet de eis dat ook de aanvragen door de politie op schrift zouden moeten worden gesteld, dan wel dat concreter geverbaliseerd had moeten worden op welke wijze de aanvraag is gedaan. Dit te meer nu het vorderen van gegevens een bevoegdheid van de officier van justitie betreft en een formele aanvraag dan ook niet is vereist. De omstandigheid dat het dossier geen bewijs bevat voor de daadwerkelijke verstrekking van (afschriften van) de vordering ex artikel 177s Sv aan degenen tot wie deze zijn gericht, staat aan de geldigheid van de vorderingen evenmin in de weg.”

17. Voor de beoordeling van het middel is de volgende regelgeving van belang:

Art. 177h, eerste lid, Sv:

“Bevelen tot toepassing van een bevoegdheid als bedoeld in titel XVIII en XIX alsmede een wijziging, aanvulling, verlenging of intrekking daarvan worden schriftelijk gegeven. Aan een schriftelijk bevel staat gelijk een mondeling bevel dat, op straffe van nietigheid, binnen drie dagen op schrift is gesteld.”

Art. 177s, eerste, vierde en vijfde lid, Sv:

“1. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, vorderen bepaalde opgeslagen gegevens of vastgelegde gegevens van een persoon te verstrekken. De vordering kan betrekking hebben op gegevens die ten tijde van de vordering zijn verwerkt, dan wel na het tijdstip van de vordering worden verwerkt, in geval van: a. verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten; b. aanwijzingen van een terroristisch misdrijf.

[…]
4. Indien de vordering van gegevens betrekking heeft op gegevens die na het tijdstip van de vordering worden verwerkt, wordt de vordering gedaan voor een periode van ten hoogste vier weken en kan telkens met maximaal vier weken worden verlengd. De officier van justitie vermeldt deze periode in de vordering.
5. Bij dringende noodzaak kan de vordering mondeling worden gegeven. De officier van justitie stelt de vordering in dat geval achteraf op schrift en verstrekt deze, op straffe van nietigheid, binnen drie dagen nadat de vordering is gedaan aan degene tot wie de vordering is gericht.”
Art. 413, vijfde lid, Sv:

“De rechter kan in zijn eindvonnis, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bij schending van voor de procesvoering wezenlijke normen, na een redelijke afweging van alle in het geding zijnde belangen, beslissen, voor zover een bijzondere wettelijke bepaling niet reeds in de gevolgen van de normschending voorziet:

a.

dat de hoogte van de straf, in verhouding tot de ernst van de normschending, zal worden verlaagd, indien het door de schending veroorzaakte nadeel langs die weg redelijkerwijze kan worden gecompenseerd;

b.

dat de resultaten van het onderzoek, voor zover zij rechtstreeks door middel van de normschending zijn verkregen, niet tot het bewijs van het strafbare feit worden toegelaten, indien redelijkerwijze aannemelijk is, dat de verdachte door het gebruik van de onderzoeksresultaten ernstig in zijn verdediging is geschaad;

c.

dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien door toedoen van de normschending er geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak, die aan de eisen van een eerlijk proces voldoet.”

18. Het wetsvoorstel voorzag aanvankelijk niet in een sanctie op het in 177h, eerste lid, Sv en het in art. 177s, vijfde lid, Sv opgenomen voorschrift dat het mondelinge bevel binnen drie dagen op schrift moet zijn gesteld. Met de nota van wijziging is voorzien in “expliciete sancties” te weten “op straffe van nietigheid”. De nota van wijziging houdt hierover het volgende in:

“Omdat het gaat om diep ingrijpende bevoegdheden en voor de procesvoering wezenlijke normen mag er van worden uitgegaan dat de rechter die resultaten niet voor het bewijs van het strafbare feit zal toelaten indien de beslissingen niet (binnen drie dagen) schriftelijk zijn genomen of op papier gezet.”4

19. Door erop te wijzen dat ervan “mag” worden uitgegaan dat de rechter die resultaten niet voor het bewijs van het strafbare feit zal toelaten in plaats van erop te wijzen dat de rechter dit “moet” doen, lijkt de toelichting enige ruimte te laten voor relativering van de sanctie die de rechter moet verbinden aan het niet-nakomen van de voorschreven termijn van drie dagen. De tekst van de wet schrijft echter ondubbelzinnig nietigheid voor.

20. De Nederlandse wetgever heeft zich bij deze sanctionering aangesloten in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering BES in verband met aanpassing van de regeling van de bijzondere opsporingsbevoegdheden.5 Voor de regeling die in het Europese deel van Nederland van toepassing is, had de wetgever enkele jaren eerder een andere benadering gekozen. Art. 126nc Sv Nederland voorziet ook in de mogelijkheid om bij dringende noodzaak een vordering tot het verstrekken van gegevens mondeling te geven. De verplichting voor de opsporingsambtenaar om de vordering in dat geval achteraf op schrift te stellen en deze binnen drie dagen nadat de vordering is gedaan, te verstrekken aan degene tot wie de vordering is gericht, is evenwel niet op straffe van nietigheid voorgeschreven. Art. 177s Sv is gemodelleerd op art. 126nc Sv,6 wat de keuze van de wetgever van Sint Maarten voor de gekozen strikte sanctionering onderstreept.

21. Nu de wet reeds in de gevolgen van de normschending voorziet, is art. 413, vijfde lid, Sv niet van toepassing.

22. Voor het bewijs heeft het Hof gebruik gemaakt van camerabeelden van [A] die als volgt zijn gerelateerd in het voor het bewijs gebruikte proces-verbaal:

“Onderzoek camerabeelden
[…]
Camerabeelden [A] :
- 6:54:51; de zwartkleurige Hummer rijdt deels in de zuidelijke berm en deels op de zuidelijke rijstrook, met achter zich een grote stofwolk, en rijdt vervolgens van links naar rechts de rijbaan over en remt sterk af richting de noordelijke berm.

- 6:54:52; voetganger komt in voornoemde stofwolk aangerold en komt deels op de zuidelijke rijstrook en deels in de zuidelijke berm tot stilstand.

- 6:54:52; de zwarte pick-up rijdt op de noordelijke rijstrook direct na het slachtoffer en de Hummer rechtdoor uit beeld.

- 6:55:55; de zwarte personenauto komt langzaam rijdend in beeld.

- 6:55:22; de zwarte Toyota RAV4 komt in beeld rijdend in de richting van [b-straat] .”

23. De door [A] verstrekte gegevens, te weten de camerabeelden, zijn voorts gebruikt door verbalisant [verbalisant 1] voor een snelheidsindicatie van de door de verdachte bestuurde Hummer en vastgesteld op 92 km/u. Het betreffende proces-verbaal is eveneens voor het bewijs gebruikt en is opgemaakt en gesloten op 5 juli 2016.

24. Bij de beoordeling van het verweer waarop het middel betrekking heeft, heeft het Hof zich gericht op de geldigheid van de mondelinge vordering die is gedaan op 16 april 2015. Uit de overwegingen van het Hof blijkt dat op 21 april 2015 een schriftelijke vordering aan [A] is gericht. Uit art. 177s, vijfde lid, Sv volgt dat de mondelinge vordering nietig is omdat deze niet binnen drie dagen nadat deze is gedaan, is verstrekt aan degene tot wie de mondelinge vordering is gericht.

25. Het feit dat de mondelinge vordering nietig is, doet niet af aan het bestaan en de betekenis van de schriftelijke vordering van 21 april 2015. De schriftelijke vordering heeft in het onderhavig geval een tweeledige betekenis. Ten eerste bevestigt deze de mondeling gedane vordering van 16 april 2015. Ten tweede heeft de op schrift gestelde vordering ook zelfstandige betekenis als vordering tot het verstrekken van gegevens als bedoeld in de artikelen 177s, eerste lid, jo. 177h, eerste lid, Sv. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt dat de gevorderde gegevens door [A] pas zijn verstrekt nádat schriftelijk de vordering tot het verstrekken van gegevens was aangevraagd en bevestigd.7 Hieruit maak ik op dat de door het Hof voor het bewijs gebruikte gegevens van de camera van [A] zijn verstrekt op basis van de schriftelijke vordering van 21 april 2015 en niet op basis van de mondelinge vordering van 16 april 2015. Dat door [A] gegevens zijn verstrekt vóór de schriftelijke vordering van 21 april 2015, is ter terechtzitting niet aangevoerd.

26. Uit het bovenstaande volgt, dat het Hof het verweer waarop het middel betrekking heeft terecht heeft verworpen, wat er ook zij van de door het Hof daaraan ten grondslag gelegde motivering.

27. Het middel faalt.

28. Het derde middel klaagt over de beslissing van het Hof tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

29. In cassatie is niet gesteld dat de verdachte zich (nog) in voorlopige hechtenis bevindt. Uit de stukken waarvan de Hoge Raad kennis neemt, kan dat ook niet blijken. Weliswaar bevindt zich bij de stukken een in Willemstad opgemaakte akte van cassatie waarin is vermeld dat de verdachte het cassatieberoep op 29 november 2017 heeft laten instellen toen hij gedetineerd was, maar bij de stukken bevindt zich ook een op dezelfde dag opgemaakte akte van cassatie waarbij is doorgehaald “thans verblijvende in het Huis van Bewaring op Sint Maarten”. Uit de doorhaling van die voorgedrukte tekst leid ik af dat deze akte is opgemaakt op Sint Maarten. Nu de verdachte op Sint Maarten woonachtig is en het strafproces op Sint Maarten is gevoerd, kan ervan worden uitgegaan dat de informatie op laatstgenoemde akte de juiste is. Daarbij komt dat de aanzegging dat de stukken van het geding zijn ingekomen bij de Hoge Raad op 3 januari 2019 in persoon is uitgereikt op het woonadres van de verdachte. Daaruit volgt dat de verdachte zich in verband met de onderhavige strafzaak op laatstgenoemde datum (ook) niet in voorlopige hechtenis bevond. Ten slotte wijs ik erop dat het Gerecht in zijn strafvonnis het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis al had opgeheven.

30. Gelet op het voorgaande is het belang van de verdachte bij dit middel niet evident terwijl dat belang ook niet in de schriftuur is aangegeven, en hoeft het middel verder niet inhoudelijk te worden besproken.8

31. Het middel faalt.

32. Het eerste en derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

33. Ambtshalve wijs ik erop dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de verdachte op 29 november 2017 beroep in cassatie heeft laten instellen. Op grond van bestendige rechtspraak van de Hoge Raad dient deze inbreuk op het in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, te leiden tot strafvermindering.

34. Ambtshalve heb ik geen andere grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zou moeten leiden.

35. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van deze straf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Het bewezenverklaarde levert volgens het Gerecht op: “Aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, terwijl de dood, bij gelegenheid van een botsing met een door de schuldige bestuurd voertuig, veroorzaakt is door de botsing, strafbaar gesteld bij artikel 320, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (oud).”

2 Het bewezenverklaarde levert volgens het Hof op: “Onder invloed van alcoholhoudende drank aan het verkeer deelnemen en zich daarbij zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood, strafbaar gesteld bij artikel 320 juncto artikel 321a van het Wetboek van Strafrecht (oud).”

3 In de schriftuur zelf wordt gewezen op HR 15 februari 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB4847, NJ 1972/240 en HR 3 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9717, NJ 1994/613.

4 Geciteerd in: H. de Doelder, J. Verbaan & R. Verbeek (red.), BOB-wetgeving Curaçao, Sint Maarten en Aruba De Landsverordening bijzondere opsporingsbevoegdheden en andere spoedeisende veranderingen inclusief Memorie van toelichting, z.p. [Nijmegen]: z.u. [Wolf] 2012, p. 80.

5 Kamerstukken II 2017/18, 34976, nr. 3, p. 6: “Omdat het gaat om ingrijpende bevoegdheden en voor de procesvoering wezenlijke normen, mag er van worden uitgegaan dat de rechter die resultaten niet voor bewijs van het strafbare feit zal toelaten indien de beslissingen niet binnen drie dagen schriftelijk zijn genomen of op papier gezet.”

6 A.B. Sint Maarten 2012, no. 25, p. 18.

7 In het proces-verbaal inzake een verkeersongeval met dodelijke afloop, met mutatienummer VA 0541/15, gesloten en ondertekend door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] op 1 juni 2015 wordt gerelateerd: “Door officier van justitie N. Lemmers werd op voorhand mondeling toestemming gegeven tot vordering van deze camerabeelden. Deze vordering werd later schriftelijk aangevraagd en bevestigd, waarna de beelden werden veilig gesteld”.

8 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 23 onder verwijzing naar HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1611.