Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:197

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-03-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
19/02511
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:895
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. De verdachte diende heimelijk insuline toe aan haar slapende echtgenoot. Poging tot zware mishandeling. Klachten over voorwaardelijk opzet. Veroorzaakte de toediening van insuline een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel? Heeft de verdachte die kans bewust aanvaard? Bovendien klacht over het oordeel dat geen vrijwillige terugtred heeft plaatsgehad. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2020/103 met annotatie van Oort, C. van
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02511

Zitting 3 maart 2020

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 6 juli 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens het onder 1 bewezenverklaarde “poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, begaan tegen haar echtgenoot, terwijl het misdrijf wordt gepleegd door toediening van voor het leven of de gezondheid schadelijke stoffen” en het onder 2 bewezenverklaarde “verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte, een verzorgende individuele gezondheidszorg, met name in de ouderenzorg, heeft bij haar echtgenoot een hoeveelheid insuline ingespoten. Het ging al langere tijd slecht tussen de verdachte en haar partner, naar haar zeggen vanwege (vermeend) overspel (door haar partner) en ziekte. Dat dreef haar, zo begrijp ik haar verklaring, tot boosheid en wanhoop. Op internet las zij dat een vader zijn kind met insuline had ingespoten, met als gevolg dat dit kind een paar dagen ‘de weg kwijt’ was. Dat bracht haar op het idee om insulinepennen van haar werk mee te nemen en die in te spuiten bij haar partner, zodat zij een paar dagen ‘rust’ zou krijgen. Na enige tijd heeft de verdachte die insuline bij haar partner toegediend terwijl hij lag te slapen, aldus (telkens) de verdachte zelf.

4. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van opzet in het onder 1 tenlastegelegde.

5. Onder 1 subsidiair is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

zij in de periode van 22 november 2014 tot en met 23 november 2014 te IJsselmuiden, gemeente Kampen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan haar echtgenoot [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, op een moment dat die [slachtoffer] in slaap was een hoeveelheid insuline in diens lichaam heeft gespoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Daartoe heeft het hof de volgende bewijsmiddelen in de aanvulling op het arrest opgenomen:

1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor aangever (als bijlage op pagina 18-20 van het proces-verbaal, genummerd 2015454974) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [slachtoffer] d.d. 6 oktober 2015:

In de nacht van zaterdag op zondag 22 (het hof leest: 23) november 2014 ben ik achteraf gezien door [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) met insuline ingespoten. Ik was die dag erg wankel op de benen en ik voelde me beroerd en moe. Toen ik wakker werd had ik het gevoel dat ik wat moest eten. Ik heb nog wel een broodje gemaakt en heb deze opgegeten. Ik heb nog even op de bank gelegen, maar dat voelde ook niet goed. Ik ben daarna weer in slaap gevallen en ik weet verder niet veel meer van die dag.

Maandagmorgen (het hof begrijpt: 24 november 2014) ben ik opgenomen in de Isala Klinieken te Zwolle. Ik had een hypo. [verdachte] heeft de ambulance gebeld en ik ben met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Het insulinegehalte bleek te hoog te zijn. De insuline die gevonden is, was niet de insuline die mijn lichaam kon aanmaken. Ik heb geen suikerziekte en spuit zelf geen insuline. De dokters vertelden mij dat het niet anders kon dan dat iemand mij ingespoten moet hebben met insuline. [verdachte] heeft me verteld dat ze mij in het bovenbeen heeft ingespoten.

2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid , aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een medische rapportage op basis van ingewonnen informatie van GGD IJsselland d.d. 12 oktober 2015, met aanvulling van 21 oktober 2015 (dossierpagina 32 en 33), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Volgens het PV is betrokkene (BE) op 24 november 2014 opgenomen in het ziekenhuis wegens een hypo (hypoglycaemie = te laag bloedsuikergehalte).

Hij is behandeld op de afdeling Spoedeisende Hulp van de Isala klinieken te Zwolle en aansluitend opgenomen in het ziekenhuis.

Bij opname in het ziekenhuis is bij BE geen fysiek letsel geconstateerd. Opname was vanwege een verminderd bewustzijn die leek te zijn veroorzaakt door een te lage bloedsuikerspiegel. Bij aankomst ambulance glucose 1,6 waarop 6 ml glucose 10% toegediend.

Bij onderzoek ambulancebemanning en opname in Isala op 24-11-2014 is op diverse momenten de glucosewaarden gemeten:

-ambulanceonderzoek BE thuis: 1,6 mmol/l (normaalwaarden 3,5 - 7,8 mmol/l);

-opname/aankomst Isala: 7.39u;

BE is na het voorval in het ziekenhuis uitvoerig onderzocht om een mogelijke oorzaak van de hypo te vinden. Er is echter geen duidelijke verklaring hiervoor gevonden. Omdat andere lichamelijke oorzaken zijn uitgesloten en er reststoffen van niet-lichaamseigen insuline in het lichaam zijn aangetroffen is geconcludeerd dat de hypo is veroorzaakt door van buitenaf toegediende insuline.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige (als bijlage op pagina 166 e.v. van het proces-verbaal genummerd 2015454974) voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 1] :

We hebben deze meneer (hof: bedoeld wordt aangever [slachtoffer] ) aangetroffen in een hypo. We hebben hem bijgekregen door glucose toe te dienen via een infuus. Wat ik me herinner is dat hij heel bleek was, zweterig en nog op bed lag en daarnaast dat hij een laag bloedsuikergehalte had. Door de toediening van glucose kwam hij weer bij. Hij kwam toen bij maar was nog wel verward.

De partner is meegegaan in de ambulance. Ze heeft nog verteld dat ze in de zorg werkte. Zij heeft niet aangestuurd op zaken waar ik en collega [betrokkene 1] specifiek naar moesten kijken.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte (als bijlage op pagina 199-210 van het proces-verbaal genummerd 2015454974) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Ik weet dat je insuline voor het eten moet spuiten. Insuline zorgt dat de bloedsuikers op peil blijven. Als je suikerpatiënt bent heb je een probleem met de alvleesklier. De alvleesklier maakt niet genoeg suikers aan en daarom moet je bij spuiten. Als je dat niet doet krijg je klachten. Voor beiden is een heel rijtje aan klachten. Ik heb ze wel geleerd. Als iemand geen suikerziekte heeft en toch insuline toegediend krijgt dan zal die bloedsuiker te laag worden, dan maak je teveel suikers aan. Je kunt zweterig worden je wordt duizelig. Als het nog lager wordt dan kun je volgens mij in coma raken.

(p. 208)

Ik heb bij [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) insuline ingespoten. Ik wilde dit doen omdat ik niet steeds wilde dat hij met haar zat te appen. Ik dacht hij moet een beetje suffig blijven zodat hij niet meer kan appen. Die ene pen van die bewoner, die had ik bij mij toen ik thuis was. Het waren meerdere pennen. Ongeveer een maand daarvoor heb ik die mee naar huis genomen. Die had ik verstopt in de kast in de douche. Het was die zaterdag op zondagnacht (het hof begrijpt: de nacht van 22 op 23 november 2014). Hij lag heel diep te slapen. Ik denk dat het midden in de nacht was, zo rond 02.00 uur. Ik heb toen die pen gepakt. Ik ben het bed uitgegaan en heb de spuit uit de kast gehaald en heb toen de spuit in zijn kont gestoken. Dit gebeurde door zijn onderbroek heen.

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte (als bijlage op pagina 214-216 van het proces-verbaal genummerd 2015454974) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

(p. 214)

V: Waarom nam jij insulinepennen mee naar huis?

A: Om [slachtoffer] te spuiten.

V: Je wilde [slachtoffer] inspuiten. Leg eens uit waarom jij vijf spuiten mee hebt genomen?

A: Ik wilde hem suf maken.

V: Hoe kom je dan aan vijf pennen?

A: Er komen er twee bij [betrokkene 2] vandaan, dat zijn de oranje pennen. De grijze komt bij [slachtoffer] vandaan. De zwarte pennen komen bij een mevrouw vandaan op afdeling 3. Ik heb drie pennen bewust meegenomen omdat ik [slachtoffer] wilde inspuiten.

V: Hoe ben je op het idee gekomen?

A: Ik heb er wel eens over gelezen. Ik heb een keer op internet gelezen dat een vader zijn kind met insuline had ingespoten. Dat kind was een paar dagen de weg kwijt.

V: Maar waarom dan insuline?

A: Dat werkt direct ofzo. (..) Ik denk dat het pijnlijk is.

V: Wanneer heb je bedacht datje [slachtoffer] met insuline wilde inspuiten?

A: Het was een week dat hij weer flink aan het appen was. Ik zat er helemaal doorheen. Ik denk echt een maand van tevoren.

V: Wat maakt dat je hem niet meteen laat stoppen?

A: Dan was het weer zo dat het weer een tijdje goed en dan beloofde [slachtoffer] mij weer dat hij het niet meer zou doen. Ik geloofde hem dan weer gewoon. Of ik wilde hem geloven. Dat is de reden geweest dat ik niet meteen heb gespoten.

6. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 22 juni 2018, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Inwendig was ik erg nijdig. Ik wilde rust. Hij moest stoppen met appen met zijn vriendin.

Ik werd wakker en heb die spuit met insuline die nacht uit de badkamer gepakt.

Het moest gewoon stoppen. Ik wist het gewoon niet meer. Ik wilde een paar dagen rust hebben en heb daarom insulinepennen van mijn werk meegenomen en hem ingespoten. Hij sliep op dat moment erg vast en ik heb in zijn bovenbil gespoten.

Ik heb al wel eerder overwogen om hem insuline toe te dienen. Er zijn in de maanden ervoor meer momenten geweest dat ik eraan dacht om hem met insuline in te spuiten. Hij beloofde echter telkens weer beterschap. We zijn ook een halfjaar uit elkaar geweest en toen is hij weer teruggekomen. Op een gegeven moment zag ik geen uitweg meer.

Ik vond dat hij er die maandagmorgen niet goed uitzag, zijn mond hing scheef. Ik dacht aan een combinatie van de insuline en een beroerte. Ik moest hulp halen. Het ambulancepersoneel heeft gelijk bloed geprikt en zag dat de glucosewaarde 1,6 was. Daarna hebben ze glucose toegediend. Ik heb niet tegen het ambulancepersoneel gezegd dat ik insuline bij hem had ingespoten. Ik heb niets tegen het ambulancepersoneel over hem verteld.

U houdt aan mij voor dat ik verklaard heb dat ik niet weet wat het toedienen van zes eenheden met iemand doet. Ik weet dat dit per persoon verschilt. Ik kende de risico’s. Ik ken iemand die dat gebruikt voor het sporten. Hij doet aan bodybuilding. U houdt aan mij voor dat ik verklaard heb dat ik op het idee gekomen ben doordat ik op internet had gelezen dat iemand zijn kind had ingespoten met insuline en dat dat kind toen “de weg kwijt was”. Dat klopt wel en zo ben ik inderdaad op het idee gekomen.

Ik had wel veel ervaring met het toedienen van insuline aan diabetespatiënten. De één heeft meer nodig dan de ander. Hoe lichter de diabetes hoe minder insuline er nodig is. Langwerkende insuline gebruik je voor de nacht en kortwerkende gebruik je rond etenstijd.

Ik ben jarenlang werkzaam geweest als verzorgende Individuele Gezondheidszorg in de ouderenzorg en heb vaker insuline toegediend aan patiënten. Ik handelde daarbij wel altijd in opdracht van een arts en heb ook altijd een door de betreffende arts tevoren aangegeven hoeveelheid ingespoten bij een patiënt. Ik heb daarin nooit zelfstandig gehandeld.

7. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid , aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een rapportage in opdracht van de rechtercommissaris, van 26 september 2016, van rapporteur dr. J.D. Banga, internist, zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Kan het toedienen van zes (6) eenheden insuline (uitgesplitst naar langwerkende en kortwerkende insuline) bij een gezond persoon die niet aan diabetes lijdt leiden tot dood of letsel en zo ja, welk letsel?

Zes eenheden betekent in zijn algemeenheid een lage dosering. Wel kan een dergelijke dosis een hypoglycemia (abnormaal verlaagde glucoseconcentratie in het bloed) veroorzaken. De effecten van langwerkende en “gewone” kortwerkende insuline verschillen. Langwerkende insuline: deze heeft als eigenschap geleidelijk in de loop van zo’n 20 uur vrij te komen in de bloedsomloop. Een lage dosering van 6-8 eenheden zal geringe hypoglycémie met weinig klachten of verschijnselen veroorzaken, geen blijvend letsel. Kortwerkende insuline: een dosis van 6 eenheden kortwerkende insuline komt vrijwel direct in de bloedsomloop. Dit kan bij een persoon zonder diabetes een snelle daling in de glucosespiegel teweegbrengen.

Deze gedaalde glucosespiegel geeft dan zeker klachten en verschijnselen, maar zal niet leiden tot een coma, en zeker niet dodelijk zijn. De klachten en verschijnselen kunnen bestaan uit transpireren, moeheid, hongergevoel, gejaagd gevoel. Agressief gedrag, incoherente gedachten en spraak. De werking van kortwerkende insuline houdt enkele uren aan.

Wat is het antwoord op de vraag wanneer wordt uitgegaan van het toedienen van 7 á 8 eenheden insuline?

Hiervoor geldt in principe het bovenstaande. Het effect van 7-8 eenheden langwerkende insuline verschilt niet essentieel van dat van 6 eenheden. Het effect van 7-8 eenheden kortwerkende insuline heeft een sterker bloedsuikerverlagend effect dan 6 eenheden, maar ook bij deze dosering is een dodelijk afloop uitgesloten.

Bij [slachtoffer] is op 24 november 2014 bij een bloedmeting een glucosewaarde van 1,6 mmol/l geconstateerd. De oorzaak wordt geduid als exogeen. Is een andere oorzaak dan toedienen van insuline uit te sluiten?

Andere oorzaken dan toedienen van exogeen insuline zijn uit te sluiten, door het zeer uitgebreide onderzoek dat werd ingezet tijdens zijn opname in de Isala Klinieken. Uit het totaal van gegevens blijft maar één mogelijke oorzaak over: aanhoudende hypoglycaemie ten gevolge van hoge dosering(en) exogeen toegediende insuline.

Kan hieruit worden afgeleid dat de bij de eerste meting gemeten 1,6 mmol/l niet het dieptepunt zou zijn geweest op het moment dat niet medisch was ingegrepen?

De meting van 1,6 mmol/l (meting rond 7 uur door ambulancepersoneel) zou in geval dat er niet medisch was ingegrepen mogelijk niet het dieptepunt zijn geweest, en op zijn minst zou de hypoglycémie langer aangehouden hebben. Dit is af te leiden uit de later tijdens opname gemeten lage glucosewaarden, ondanks de in die episode meermalen toegediende glucose. Dit past bij een depot-effect dat optreedt wanneer een hoeveelheid insuline nog als een vloeistofbel op de injectieplaats als een soort stuwmeer aanwezig is en waaruit over een episode langer dan een etmaal nog insuline vrijkomt in de bloedsomloop. De klachten die [slachtoffer] in de loop van de zondag 23 november heeft gehad, passen bij een aanhoudende hypoglycémie (en mogelijk waarden lager dan 1,6 mmol/l). Hij was die zondag “erg wankel op zijn benen en voelde zich beroerd en moe”. Het ontstaan van symptomen is een glijdende schaal. Bij waarden van 1-2 mmol/l kunnen convulsies en coma optreden. Bij aanhoudende ernstige hypoglycémie met glucosewaarden lager dan 1 mmol/l kan blijvende hersenschade optreden.

Wat zegt dit over het soort insuline dat kan zijn toegediend?

De gemeten lage glucosewaarden op 24 november (07.00u, 20.06u en 22.00u) en op 25 november (rond 04.00u en 05.00u) duiden op een (depot)effect van vooral langwerkende insuline. De toestand en klachten door [slachtoffer] beschreven over de dag van 23 november passen goed bij het effect van langwerkende insuline veroorzaakt door aanhoudende hypoglycémie.

Een depot-effect van een aanzienlijke dosis langwerkende insuline (al of niet als combinatiepreparaat van lang- en kortwerkende insuline) is de meest logische verklaring wanneer uitgegaan wordt van een eenmalige toediening op 23 november rond 02.00u.

Geeft het onderzoek de deskundige aanleiding tot het maken van nadere opmerkingen?

Tijdlijn : De tijdlijn van geobserveerde lage bloedsuikerwaarden suggereert dat de toegediende hoeveelheid insuline (veel) meer is geweest dan 6-8 eenheden en dat er sprake is geweest van depotwerking. De heer [slachtoffer] zou op zondag 23 november 2014 om 02.00 uur zijn ingespoten. Ruim een etmaal later, namelijk 29 uur later, op maandagochtend 24 november rond 7 uur, is hij niet wekbaar en wordt bij hem door het ambulancepersoneel een bloedglucosewaarde van 1,9 mmol/l (het hof begrijpt en leest: 1,6 mmol/l) gemeten. Dan zijn er twee mogelijkheden:

1e Er is op 23 november rond 02.00 uur veel meer insuline toegediend dan verklaard en/of

2e Er is op een later tijdstip (of tijdstippen) nogmaals een hoge dosis insuline toegediend.

Uitgaande van de juistheid van het tijdstip van toedienen, dus 29 uur eerder, en daarna niet meer: Kortwerkende insuline in een dosering van 6 tot 8 eenheden zou al veel eerder dan na 29 uur volledig uitgewerkt zijn. Het effect van langwerkende insuline kan grofweg een etmaal aanhouden. Bij zeer hoge doseringen kan depotwerking optreden, met lang aanhoudende hypoglycémie als gevolg. De tijd verlopen tussen het veronderstelde moment van injectie en meting van lage glucosewaarden tot ruim 2 etmalen daarna kan alleen worden verklaard door toediening van een (veel) hogere dosis insuline, resulterend in een depoteffect. Een depoteffect treedt op wanneer grote hoeveelheden insuline worden ingespoten. Men moet dan denken aan hoeveelheden in de orde van vele tientallen, eerder honderden eenheden. Als een grote hoeveelheid insuline zou zijn ingespoten, ontstaat een grote vloeistofbel van insuline in het weefsel, waarvan aan de oppervlakte insuline over langere tijd (langer dan een etmaal) vrijkomt. Daarmee wordt het effect in de tijd op de glucosespiegel onvoorspelbaar, want de hypoglycémie blijft in stand zolang nog insuline in het depot aanwezig is. Door correctie van een lage glucosespiegel met toegediende glucose wordt het bloedsuikergehalte tijdelijk genormaliseerd, maar na uitwerking hiervan daalt het bloedsuikergehalte opnieuw door de nog steeds vrijkomende insuline. Deze situatie blijft bestaan totdat de inhoud van het insulinedepot geleidelijk volledig is opgenomen in de bloedomloop. Dit proces kan afhankelijk van de omvang van het depot lang aanhouden. De vastgestelde lage glucosewaarden in de loop van 24 november en in de vroege ochtend van 25 november duiden daarop.

8. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid , aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een medische verklaring/onderzoek door deskundige d.d. 29 juli 2018 door S.J.Th. van Kuijk, forensisch arts bij GGD IJsselland, zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het is niet aannemelijk dat 6 E (eenheden) insuline bij een gezond persoon tot de dood of letsel zal leiden. Bij langwerkende insuline komt de hoeveelheid insuline geleidelijk aan vrij en is de effectieve dosis nog veel lager dan 6 E en de kans op overlijden navenant nog kleiner.

Wanneer wordt uitgegaan van het toedienen van 7 á 8 eenheden insuline wordt het antwoord inhoudelijk niet anders.”

Het hof heeft ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen voor het aan haar onder feit

1 subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ten gevolge van het handelen van verdachte aanwezig was. Dit blijkt uit de rapportages van deskundigen. Aangever had door het toedienen van de insuline blijvend hersenletsel kunnen oplopen.

Verdachte heeft de aanmerkelijk kans hierop ook willens en wetens aanvaard. Gelet op haar kennis en ervaring had zij namelijk wetenschap van de gevolgen van de toediening van insuline en heeft zij de kans op deze gevolgen geaccepteerd. Het is ongeloofwaardig dat zij slechts zes eenheden insuline zou hebben toegediend.

Er is sprake van handelen met voorbedachten rade. Verdachte was al langere tijd van plan om aangever insuline toe te dienen met de door haar op haar werk ontvreemde insulinepennen. Zij heeft - terwijl aangever lag te slapen en zij op dat moment dus geen ‘last’ van hem had - welbewust een insulinepen gepakt en een grote hoeveelheid insuline bij aangever ingespoten. Zij heeft dit in koelen bloede gedaan. Het was geen opwelling.

Van vrijwillige terugtred kan geen sprake meer zijn. Dit moet uit de gedragingen van de verdachte blijken. De enkele 112-melding is hiervoor onvoldoende.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat ook ter zake het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde een vrijspraak moet volgen. Verdachte heeft gehandeld in een opwelling. Door het toedienen van een kleine hoeveelheid insuline wist verdachte dat het effect niet groot zou zijn. Haar intentie was slechts het versuffen van aangever. Zij heeft niet de opzet gehad op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel noch de aanmerkelijke kans hierop aanvaard.

Er is bovendien geen sprake geweest van voorbedachte raad. Verdachte heeft inderdaad de insulinepennen in de maanden voor het ten laste gelegde verzameld en op internet gezocht naar de gevolgen van het toedienen van insuline. Dit moet echter bezien worden in het licht van de situatie waarin verdachte zich bevond. De vernederingen die veroorzaakt werden door aangever waren voor verdachte ondraaglijk. Dit is uiteindelijk tot een ontlading gekomen.

In tegenstelling tot wat de advocaat-generaal heeft betoogd kan er nog wel sprake zijn van vrijwillige terugtred. Verdachte heeft immers niet alleen 112 gebeld zodat er een ambulance zou komen, maar heeft verdachte ook eten en drinken zou geven opdat dit een positief effect zou hebben op zijn glucosewaarden.

Voorwaardelijk verzoek verdediging

De raadsman heeft ter zitting het voorwaardelijke verzoek gedaan om - naar aanleiding van de stellige opvatting van deskundige Banga - nog een getuige-deskundige te doen horen over de effecten van insuline. In de medische wereld bestaan meerdere opvattingen over de al dan niet schadelijke gevolgen van het inspuiten met een bepaalde hoeveelheid insuline. Voor de beoordeling van de vraag of er sprake geweest zou kunnen zijn van enig risico op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel ten gevolge van het handelen van verdachte is het noodzakelijk om hierover nog een deskundige te laten rapporteren.

Oordeel hof

Aan verdachte is onder 1 subsidiair ten laste gelegd - kort gezegd - dat zij gepoogd heeft om haar echtgenoot zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door het toedienen van een hoeveelheid insuline. Voorts is ten laste gelegd dat daarbij sprake is geweest van voorbedachten raad.

Beoordeling voorwaardelijk verzoek verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman het voorwaardelijke verzoek gedaan tot het horen van een getuige-deskundige over de mogelijke gevolgen van de toediening van insuline. Het hof zal, toetsend aan het noodzaakcriterium en gelet op de gegeven onderbouwing, het verzoek afwijzen, omdat het hof zich voldoende voorgelicht acht, en van oordeel is dat het onderzoek volledig is geweest. Het hof vindt daarom het horen van een getuige-deskundige niet noodzakelijk.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

Zwaar lichamelijk letsel

Met de rechtbank oordeelt het hof dat de verklaring van verdachte dat zij slechts zes eenheden insuline heeft toegediend niet aannemelijk is. Verdachte heeft aangever in de nacht van 22 op 23 november 2014 ingespoten met insuline. Verdachte heeft verklaard dat zij dit op 23 november 2014 omstreeks 02.00u heeft gedaan, Op 24 november 2014 is aangever met spoed opgenomen in het ziekenhuis. De laagste glucosewaarde is door het ambulancepersoneel vastgesteld op 1,6 mmol/l. Uit de rapportage van deskundige Banga volgt dat bij een dergelijke waarde tussen 1-2 mmol/l verschijnselen als agressief gedrag, convulsies en coma kunnen optreden. De op 24 november 2014 omstreeks 07.00u gemeten glucosewaarde - na verloop van 29 uren na het tijdstip van toediening - kan enkel worden verklaard door toediening van een veel hogere dosis insuline dan enkel zes eenheden, aldus deskundige Banga. Forensisch arts Van Kuijk bevestigt dit en stelt dat het onaannemelijk is dat toediening van zes tot acht eenheden insuline bij een gezond persoon tot letsel zal leiden.

Het hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.

Het hof is van oordeel dat het mogelijke letsel dat kan ontstaan bij toediening van (grote) hoeveelheden insuline, te weten convulsies en het geraken in een comateuze toestand, zwaar lichamelijk letsel in de zin van art. 302 van het Wetboek van Strafrecht oplevert. Dit betekent dat de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewezen kan worden verklaard.

(Voorwaardelijk) opzet

Beoordeeld moet worden of verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever. Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo'n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat zij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Met de rechtbank overweegt het hof dat verdachte – gelet op haar werk als verzorgende Individuele Gezondheidszorg in de ouderenzorg – kennis had van de werking van insuline. Zij heeft ook meerdere malen ter zitting herhaald dat zij juist door haar kennis en ervaring kon handelen zoals zij gehandeld heeft. Bij de politie heeft zij verteld dat zij wist dat iemand bij een te lage bloedsuikerspiegel in coma kan raken. Verdachte heeft bovendien extra kennis opgedaan door op internet te zoeken naar de effecten van insuline en voorts navraag te doen bij een vriend die voor de verbetering van zijn sportprestaties insuline gebruikt. Verdachte was derhalve op de hoogte van de mogelijk ernstige gevolgen van de toediening van insuline bij een persoon die niet lijdt aan diabetes. Ondanks deze kennis heeft zij insulinepennen van haar werk meegenomen met als doel de insuline bij aangever in te spuiten om - zoals zij zelf heeft verklaard - een paar dagen rust te krijgen. Verdachte heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zij tijdens haar werkzaamheden als verzorgende altijd slechts in opdracht van een arts een door de betreffende arts aangegeven hoeveelheid insuline heeft toegediend bij een patiënt en daarin dus nooit zelfstandig heeft gehandeld.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte door te handelen zoals zij heeft gedaan welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij aangever zwaar lichamelijk letsel zou optreden. Het hof acht het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend bewezen.

Voorbedachten raad

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Met de rechtbank stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. Voordat verdachte overging tot het inspuiten van insuline bij haar echtgenoot is er een lange aanloop naar dat moment geweest. De relatie tussen verdachte en aangever verliep al gedurende lange tijd niet goed door ziekte en overspel. Verdachte heeft aangegeven daardoor wanhopig en ook boos te zijn geweest. Zij heeft verklaard dat zij op internet heeft gelezen dat een vader zijn kind met insuline had ingespoten en dat dat kind vervolgens een paar dagen de weg kwijt was. Zo is zij op het idee gekomen, aldus verdachte. Om dit idee uit te voeren heeft verdachte een maand voor het ten laste gelegde bewust insulinepennen van haar werk mee naar huis genomen, met als doel haar echtgenoot daarmee in te spuiten zodat zij een paar dagen, in elk geval enige tijd, rust zou krijgen. De insulinepennen heeft zij in huis verstopt. Vanaf het moment dat zij op het idee kwam, zijn er – zoals zij ook ter zitting in hoger beroep heeft verklaard – in die maand voorafgaande aan het incident meerdere momenten geweest waarop zij aangever met insuline wilde inspuiten. Echter, omdat hij telkens weer beterschap beloofde, zag zij telkens tijdelijk van de uitvoering van het plan af. In de nacht van 22 op 23 november 2014 werd verdachte midden in de nacht wakker. Aangever lag op dat moment te slapen. Verdachte is uit bed gegaan en heeft de insulinepen uit de kast in de badkamer gepakt. Vervolgens is zij teruggegaan naar de slaapkamer alwaar zij de insuline bij aangever heeft geïnjecteerd.

Met de rechtbank concludeert het hof dat er een langere periode is geweest waarin verdachte meerdere wilsbesluiten heeft genomen om tot uitvoering van het strafbare feit te komen. Het hof is op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte voorafgaand aan haar handelen voldoende tijd - een tijdsbestek van ongeveer een maand - heeft gehad om zich te beraden op haar genomen of te nemen besluit, zodat zij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. Aldus staat voor het hof vast dat het handelen van verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Dit blijkt te meer nu aangever op dat moment lag te slapen en voor verdachte geen enkele bedreiging vormde. Verdachte is naaf een andere ruimte gelopen om de insulinepen op te halen. Ook op dat moment heeft verdachte voldoende tijd gehad om na te denken over haar voorgenomen daad en eventueel op haar schreden terug te keren. Het hof acht voorts geen contra-indicaties aannemelijk geworden die aan het aannemen van de voorbedachten raad in de weg staan.

Voorwaardelijk opzet bij een berispelijke gedraging vereist het bewust aanvaarden van een aanmerkelijke kans dat door die gedraging een bepaald gevolg – zoals in dit geval zwaar lichamelijk letsel – zal intreden.1 Voor de vaststelling dat de verdachte zich met zijn gedraging willens en wetens heeft blootgesteld aan een zodanige kans bestaan dus drie samenhangende condities, te weten (i) de aanmerkelijke kans dat het gevolg door de gedraging zal intreden, (ii) de wetenschap bij de verdachte van het bestaan van die kans, en (iii) het (ten tijde van de gedraging) bewust aanvaarden van die kans c.q. het op de koop toenemen daarvan.2

9. Het middel komt blijkens de toelichting op tegen het bewijs van de eerste en de derde conditie. Aan het middel is immers ten grondslag gelegd dat het hof ten aanzien van de aanmerkelijke kans enkel de theoretische kans op zwaar lichamelijk letsel door het toedienen van een grote hoeveelheid insuline zou hebben vastgesteld, inhoudend dat bij bloedsuikerwaarden tussen 1 en 2 millimol bloedglucose per liter bloed (mmol/l) verschijnselen als agressief gedrag, convulsies en coma kunnen optreden, terwijl uit de verdere bewijsvoering van het hof omtrent de daadwerkelijke aanmerkelijkheid van die kans niets zou blijken.

10. Ten tweede klaagt de steller van het middel over het oordeel van het hof dat de verdachte die aanmerkelijke kans welbewust heeft aanvaard. Het inroepen van medische hulp door de verdachte, toen bleek dat de medische toestand van haar toenmalige echtgenoot toch méér penibel was dan enkel wat versuft, zou erop wijzen dat zij niet de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Ik zal deze twee klachten successievelijk bespreken.

Aanmerkelijke kans

11. Het antwoord op de vraag of een gedraging een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, aldus overweegt de Hoge Raad steevast. Er is volgens de Hoge Raad geen grond om de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.3 Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ dient te worden verstaan een kans die onder de gegeven omstandigheden gelijkstaat aan een reële, niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid. Daarmee wordt geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak gebruikte formulering ‘de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans’, zo benadrukt de Hoge Raad bij arrest van 29 mei 2018, E:718.4 Volgens de Hoge Raad zijn geen algemene regels te stellen over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan deze kans uit te drukken in een percentage.5

12. Bij mijn bespreking van de drie condities – en met name de kans-conditie – van voorwaardelijk opzet in mijn bijdrage aan de (verlaat gepubliceerde) feestbundel 175 jaar Hoge Raad der Nederlanden. Bijdragen aan de samenleving (2014),6 kon ik uiteraard nog niet bekend zijn met het arrest HR 29 mei 2018, E:718,7 waarin de Hoge Raad met zoveel woorden overwoog dat met het begrip ‘aanmerkelijke kans’ geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking wordt gebracht dan met de in oudere rechtspraak gebruikte formulering ‘de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans’. De gelijkstelling van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ met ‘de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans’ was voor mij bij het schrijven van mijn bijdrage aan die bundel niet zo duidelijk, en in elk geval om redenen van semantische aard niet vanzelfsprekend. Niettemin heb ik in die bijdrage betoogd – en ik zie nu nog geen reden om daarover anders te denken – dat het begrip ‘aanmerkelijke kans’ in de betekenis die de Hoge Raad blijkens zijn jurisprudentie heeft omarmd het bestaan van één vaste objectieve drempelwaarde veronderstelt. Die drempelwaarde is onafhankelijk van de aard van het gevolg of van het type delict. De Hoge Raad heeft zich evenwel niet willen vastleggen op de precieze hoogte van die drempelwaarde, en dit met de overweging dat “geen algemene regels [zijn] te stellen over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan deze kans uit te drukken in een percentage.

13. Dat geen algemene regels zouden zijn te stellen, aldus de Hoge Raad, strookt echter in theoretisch opzicht niet helemaal met de notie (ik herhaal) dat “het (…) in alle gevallen [zal] moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.8 In principe is ‘een aanmerkelijke kans’ als zodanig te kwantificeren en – dus ook – “uit te drukken in een percentage”. Niettemin is zeer wel te begrijpen waarom de Hoge Raad geen algemene regels heeft willen stellen over de exacte grootte van de kans die minimaal is vereist om deze als ‘aanmerkelijk’ te kunnen betitelen. Dat is namelijk om de strafrechtspraak niet op te zadelen met weinig vruchtbare, oeverloze discussies over frequenties en statistieken. Met gemillimeter achter de komma is niemand gebaat. In veruit de meeste gevallen is de grootte van de kans op het intreden van een bepaald gevolg immers niet wetenschappelijk verantwoord te calculeren, terwijl tegelijkertijd wel degelijk redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het intreden van een bepaald gevolg een reële mogelijkheid betreft die niet onwaarschijnlijk is, c.q. dat de kans daarop geenszins verwaarloosbaar klein is. Elke kans die groter is dan zo’n onwaarschijnlijkheid, respectievelijk zo’n kleine kans, is dus een aanmerkelijke kans.

14. Leidend bij de beoordeling van de aanmerkelijkheid van de kans op het gevolg is de vraag of de kans naar objectieve maatstaven aanwezig kon worden geacht. Doorslaggevend is dus niet de inschatting van de dader.9 Zoals mijn ambtgenoot Knigge al eens benadrukte, is met name die objectieve maatstaf van belang ingeval het – zoals in casu – gaat om een poging. Voor een strafbare poging mag worden geëist dat – ofschoon het gevolg niet is ingetreden – het beschermde rechtsgoed daadwerkelijk in gevaar is gebracht.10 Vertaald naar de onderhavige zaak betekent dit dat het toedienen van de hoeveelheid insuline objectief gezien voor de gezondheid van [slachtoffer] zodanig gevaar moet hebben opgeleverd dat het intreden van zwaar lichamelijk letsel in de vorm van coma en convulsies niet onwaarschijnlijk was.

15. De bewijsoverwegingen die het hof onder het kopje ‘(voorwaardelijk) opzet’ heeft opgenomen, hebben voornamelijk betrekking op de subjectieve conditie, oftewel de hierboven als (ii) genoemde conditie van voorwaardelijk opzet, namelijk de wetenschap zijdens de verdachte dat zijn gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept. Het kennelijke oordeel van het hof dat de voor voorwaardelijk opzet vereiste aanmerkelijke kans zich hier voordeed, kan echter uit de vaststellingen van het hof wel degelijk worden opgemaakt.

16. Ik laat dat zien door specifieke passages uit de bewijsmiddelen aan te halen. Het hof heeft in de bewijsvoering onder meer een rapport van internist dr. Banga betrokken. Daaruit heeft het hof in de eerste plaats kunnen afleiden dat de verdachte aan het slachtoffer grote hoeveelheden, “eerder honderden eenheden” insuline heeft toegediend. Ik citeer hiertoe uit bewijsmiddel 7: “Een depot-effect van een aanzienlijke dosis langwerkende insuline (al of niet als combinatiepreparaat van lang- en kortwerkende insuline) is de meest logische verklaring wanneer uitgegaan wordt van een eenmalige toediening op 23 november rond 02.00u. (…). De tijd verlopen tussen het veronderstelde moment van injectie en meting van lage glucosewaarden tot ruim 2 etmalen daarna kan alleen worden verklaard door toediening van een (veel) hogere dosis insuline, resulterend in een depoteffect. Een depoteffect treedt op wanneer grote hoeveelheden insuline worden ingespoten. Men moet dan denken aan hoeveelheden in de orde van vele tientallen, eerder honderden eenheden.

17. In de tweede plaats heeft het hof over de gevolgen van het toedienen van dergelijke hoeveelheden insuline kunnen oordelen dat het optreden van zwaar lichamelijk letsel niet onwaarschijnlijk was. Dr. Banga merkte daarover blijkens bewijsmiddel 7 op: “De meting van 1,6 mmol/l (meting rond 7 uur door ambulancepersoneel) zou in geval dat er niet medisch was ingegrepen mogelijk niet het dieptepunt zijn geweest, en op zijn minst zou de hypoglycémie langer aangehouden hebben. Dit is af te leiden uit de later tijdens opname gemeten lage glucosewaarden, ondanks de in die episode meermalen toegediende glucose. Dit past bij een depot-effect dat optreedt wanneer een hoeveelheid insuline nog als een vloeistofbel op de injectieplaats als een soort stuwmeer aanwezig is en waaruit over een episode langer dan een etmaal nog insuline vrijkomt in de bloedsomloop. De klachten die [slachtoffer] in de loop van de zondag 23 november heeft gehad, passen bij een aanhoudende hypoglycémie (en mogelijk waarden lager dan 1,6 mmol/l). Hij was die zondag “erg wankel op zijn benen en voelde zich beroerd en moe”. Het ontstaan van symptomen is een glijdende schaal. Bij waarden van 1-2 mmol/l kunnen convulsies en coma optreden. Bij aanhoudende ernstige hypoglycémie met glucosewaarden lager dan 1 mmol/l kan blijvende hersenschade optreden.”

18. Kennelijk heeft het hof op basis van een en ander dus geoordeeld dat er als gevolg van de toediening van grote hoeveelheden insuline door de verdachte aan het slachtoffer een reële, niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat bij het slachtoffer convulsies zouden optreden en/of dat hij in comateuze toestand zou geraken. Dat oordeel lijkt mij op basis van de bewijsvoering niet onbegrijpelijk.

19. In zoverre faalt het middel.

Bewuste aanvaarding

20. Over de derde conditie van voorwaardelijk opzet eerst het volgende. Uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het besproken gevolg zal intreden, kan niet zonder meer volgen dat hij met zijn gedraging de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat bij die gedraging ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Kort gezegd betekent dit dus dat uit conditie (ii) van voorwaardelijk opzet (de wetenschap van de kans) conditie (iii) (het aanvaarden van die kans) niet zonder kan meer worden afgeleid. De derde conditie heeft dus zelfstandige betekenis. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.11

21. De bewijsvoering van het hof houdt met betrekking tot conditie (iii) in dat de verdachte wilde dat het slachtoffer een beetje suffig zou worden zodat hij niet meer zou kunnen appen met zijn vriendin, dat ze de risico’s kende en wist dat je ervan in coma kunt raken. Verder heeft zij verklaard op het idee te zijn gekomen door een verhaal dat zij op internet had gelezen over een vader die insuline toediende bij zijn zoontje, waarna die een paar dagen ‘de weg kwijt’ was. Ondanks haar kennis van de mogelijk ernstige gevolgen van de werking van insuline heeft de verdachte insulinepennen van haar werk meegenomen met als doel die insuline bij haar toenmalige echtgenoot in te spuiten om “een paar dagen rust te krijgen”. Het kennelijke oordeel van het hof dat die gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als zozeer gericht op zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard, lijkt mij op basis van die bewijsvoering niet onbegrijpelijk.

22. Daaraan doet – anders dan de steller van het middel meent – niet af dat de verdachte de alarmlijn heeft gebeld voor medische hulp. Zoals uit de bewijsvoering volgt is die keuze immers ingegeven doordat de verdachte vermoedde dat het slachtoffer – naast de insuline – te kampen had met een beroerte, omdat zijn mond scheef hing. Bovendien is zij eerst na 29 uur, op het moment dat het slachtoffer niet meer wakker te krijgen was, tot dat besluit gekomen, en heeft zij het ambulancepersoneel niet gewaarschuwd dat het slachtoffer (grote) hoeveelheden insuline had toegediend gekregen.

23. Ook in zoverre faalt het middel.

24. Het tweede middel klaagt dat het hof het beroep op vrijwillige terugtred ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

25. Voor zover relevant voor de beoordeling van het middel heeft het hof het volgende overwogen:

Vrijwillige terugtred

Het hof stelt voorop dat van vrijwillige terugtred in de zin van art. 46b Sr sprake is, indien de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat het misdrijf is voltooid. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt - mede gelet op de aard van het misdrijf - af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat voor het aannemen van vrijwillige terugtred in geval van een voltooide poging veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten.

Het hof stelt aan de hand van het onderzoek ter terechtzitting vast dat verdachte welbewust insuline bij aangever heeft geïnjecteerd en hierbij de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Pas toen verdachte op maandagochtend - ruim een dag na toediening van de insuline - zag dat het niet goed ging met aangever heeft zij de ambulance gebeld. Zij heeft geen nadere informatie over aangever aan de ambulancebroeders gegeven en verzwegen dat zij aangever heimelijk geïnjecteerd had met insuline. Dat men al snel kon constateren dat de glucosewaarden in het bloed erg laag waren en hiernaar gehandeld heeft, is niet te danken aan verdachte. Het optreden van verdachte in deze, namelijk het enkel bellen van 112, kan niet worden beschouwd als een naar aard en tijd geschikte gedraging om het intreden van het gevolg -het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel- te beletten. Juist het (tijdig) verstrekken van informatie over de insulinetoediening was essentieel om adequaat medisch handelen mogelijk te maken en te bevorderen. Van vrijwillige terugtred door de verdachte is derhalve geen sprake geweest. De door de verdediging naar voren gebrachte omstandigheid dat verdachte aangever nog wat te eten heeft gegeven voordat hij meeging met de ambulance, brengt het hof niet tot een ander oordeel.

26. Artikel 46b Sr luidt:

Voorbereiding noch poging bestaat indien het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk.”

27. Bij vrijwillige terugtred gaat het niet om de vraag of de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat sprake is van een strafbare poging, maar of hij is teruggetreden voordat sprake is van een voltooid misdrijf. In geval van een voltooide poging is derhalve vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b Sr niet reeds in zijn algemeenheid uitgesloten. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt – mede gelet op de aard van het misdrijf – af van de concrete omstandigheden van het geval.12, 13 Daarbij verdient opmerking dat voor het aannemen van vrijwillige terugtred in geval van een voltooide poging veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten.14 Volgens de Hoge Raad is bij de beantwoording van de vraag of van zodanig optreden sprake is, mede van belang of en zo ja in welke mate het waarschijnlijk is dat het gevolg zou zijn ingetreden ná de uitvoeringshandelingen van de verdachte maar vóór de gedragingen waarop het beroep op vrijwillige terugtred is gebaseerd. Hoe waarschijnlijker een dergelijk intreden van het gevolg is, des te minder ligt het in de rede om vrijwillige terugtred aan te nemen.15

28. Laatstgenoemde factor moet, anders dan de steller van het middel wil, niet zo strikt worden opgevat dat het hof daaraan met zoveel woorden aandacht moet besteden, wil zijn oordeel dat geen sprake is geweest van vrijwillige terugtred in cassatie de begrijpelijkheidstoets kunnen doorstaan. Uit de overwegingen van het hof kan immers worden opgemaakt dat het beroep op vrijwillige terugtred in dit geval reeds afstuit op de ongeschiktheid van de gedragingen van de verdachte om het intreden van het gevolg te beletten. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de handelingen van de verdachte waarop het beroep is gebaseerd pas een ruime dag (29 uur) na het toedienen van de insuline hebben plaatsgevonden, terwijl de verdachte bij het arriveren van de hulpdiensten geen aanwijzingen heeft gegeven die adequaat medisch handelen op enige wijze had kunnen bespoedigen. Blijkens de vaststellingen verkeerde het slachtoffer bij het arriveren van de hulp al in een zodanige toestand dat medisch handelen – in de vorm van toediening van glucose – ook daadwerkelijk nodig was om hem weer ‘bij’ te laten komen, terwijl hij al de hele dag beroerd was. De bloedsuikerwaarde van het slachtoffer was ten tijde van de meting bij arriveren van de hulpdiensten reeds tot 1,6 mmol/l gedaald. Weliswaar hadden de bloedsuikerwaarden van het slachtoffer volgens deskundige Banga, gelet op de depotwerking die blijkt uit het latere verloop daarvan, op dat moment mogelijk nog niet hun laagste punt bereikt, maar was deze wel reeds tot een dusdanig niveau gedaald dat coma en convulsies konden optreden. Daarin ligt besloten dat geenszins onwaarschijnlijk was dat de gevolgen van de handelingen van de verdachte reeds vóór het inroepen van hulp hun intrede zouden hebben gedaan.

29. Ook overigens is het oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte naar aard en tijdstip ongeschikt waren het intreden van het gevolg te beletten niet onbegrijpelijk, gelet op het verzwijgen van de nodige informatie om adequaat medisch ingrijpen door de hulpdiensten te bespoedigen.16 Daarmee heeft de verdachte het al dan niet intreden van de gevolgen nog langer laten bepalen door niet van haar wil afhankelijke omstandigheden. De snelle diagnose en daaropvolgende toediening van glucose doen daaraan niet af. Dat het ambulancepersoneel “ook zonder die informatie heel wel in staat [is] gebleken ‘adequaat medisch te handelen’” vormt immers juist een contra-indicatie voor de vaststelling dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk.

30. Het oordeel van het hof dat zich niet het geval voordoet dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk, geeft gelet op het voorgaande geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en noopte evenmin tot een nadere motivering.

31. Het middel faalt.

32. Beide middelen falen.

33. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

34. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 238.

2 HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552, rov. 3.6.

3 HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552, rov. 3.6.

4 HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103 m.nt. Wolswijk, rov. 5.3.2, onder verwijzing naar HR 9 november 1954, NJ 1955/55.

5 HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103 m.nt. Wolswijk, rov. 5.3.2.

6 Zie D.J.C. Aben, ‘Gif, het verkeer, hiv en de dood: voorwaardelijk opzet’, p. 64-80, in: G.J.M. Corstens, Lord Mance, C.W.A. Timmermans, D.J.C. Aben, G. de Groot & J.W. Fokkens, 175 jaar Hoge Raad der Nederlanden. Bijdragen aan de samenleving, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2014.

7 HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103 m.nt. Wolswijk.

8 HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552, rov. 3.6.

9 J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 238, onder verwijzing naar mijn ambtgenoot Knigge in zijn conclusie voorafgaand aan HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4871, onder 12.

10 Zie in zijn conclusie voorafgaand aan HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4871, onder 14 en 19.

11 HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552, rov. 3.6.

12 Zie HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6709, NJ 2007/171 (openzetten gaskraan), rov. 3.4, en HR 3 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF8844, NJ 2009/236 m.nt. Keijzer (doorgesneden remkabel), rov. 2.5.

13 Mijn medewerkster wees mij – m.i. met juistheid – op het volgende. De aan de voetnoten 12 en 13 in de hoofdtekst voorafgaande zin is een letterlijke weergave van een passage uit de twee in voetnoot 12 vermelde arresten. In drie andere arresten, te weten HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2169, NJ 2007/29 (kopje onder, met baby in Eemskanaal), rov. 3.5.2, HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:109, NJ 2016/247 m.nt. Keijzer (poging tot tassenrollen), rov. 2.4, en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:421, rov. 4.3, geeft de Hoge Raad de aan de voetnoten voorafgaande zin echter enigszins afwijkend weer, namelijk (afwijking vetgedrukt én onderstreept): “Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil onafhankelijk zijn, hangt (…).” Dat lijkt mijn medewerkster en (thans ook) mij geen perfecte weergave van hetgeen de Hoge Raad in die passage vermoedelijk heeft bedoeld te overwegen, namelijk (geparafraseerd): Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat er sprake is geweest van vrijwillige terugtred, hangt … etc. Ik houd het er daarom voor dat wél de in voetnoot 12 genoemde twee arresten en niet de in deze voetnoot 13 genoemde drie arresten de bedoeling van de Hoge Raad op het springende punt het meest correct weergeven. Andere dan deze vijf arresten waarin de Hoge Raad de bediscussieerde passage zelf weergeeft heb ik niet gevonden. Terzijde beveel ik de lezing van de hier genoemde twee doorwrochte NJ-noten van mijn voormalige ambtgenoot Keijzer van harte aan.

14 HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2169, NJ 2007/29 (kopje onder, met baby in Eemskanaal), rov. 3.5.2; HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6709, NJ 2007/171 (openzetten gaskraan).

15 HR 3 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF8844, NJ 2009/236 m.nt. Keijzer (doorgesneden remkabel), rov. 2.5.

16 Vgl. de recente conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld van 14 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:21.