Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:196

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-03-2020
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
19/01638
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:756
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Kernroljurisprudentie. Art. 423.2 Sv. Raadsman te laat voor zitting politierechter. Verzoek raadsman om de zaak tijdens die zitting op een later moment te behandelen dan wel tot aanhouding naar een volgende zitting afgewezen. Heeft het hof het verzoek tot terugwijzing terecht en voldoende gemotiveerd afgewezen? Strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2020/84 met annotatie van Oort, C. van
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01638

Zitting 3 maart 2020

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

hierna: de verdachte.

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 22 maart 2019 de verdachte wegens “telkens: overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Voorts heeft het hof in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen verbeurd verklaard, dan wel de teruggave daarvan gelast aan de verdachte. Tot slot heeft het hof afgewezen de vorderingen tot tenuitvoerlegging als genoemd in het arrest.

2. Namens de verdachte heeft mr. H. Bakker, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.1

3. Het middel klaagt dat het hof het door de raadsman gedane verzoek tot terugwijzing als bedoeld in art. 423, tweede lid, Sv ten onrechte, dan wel onvoldoende gemotiveerd, heeft afgewezen.

4. Het procesverloop in deze zaak − voor zover relevant voor de beoordeling van het middel − luidt als volgt:

(i) Ter terechtzitting van 10 november 2016 is de zaak tegen de verdachte op verzoek van zijn raadsman door de politierechter aangehouden op grond van de omstandigheid dat de op dat moment gedetineerde verdachte niet kon worden aangevoerd, maar wel aanwezig wilde zijn op de terechtzitting;2

(ii) Ter terechtzitting van 1 juni 2017 is de zaak tegen de verdachte op verzoek van zijn raadsman door de politierechter wederom aangehouden tot 7 september 2017 te 13:00 uur, nu op grond van de omstandigheid dat de raadsman – kort gezegd – niet alle dossierstukken en oproepingen van de aan de orde zijnde vorderingen tenuitvoerlegging had ontvangen. De verdachte en zijn raadsman zijn aldaar door de politierechter aangezegd voor de terechtzitting van 7 september 2017. De raadsman heeft voorts verklaard die datum te hebben genoteerd;3

(iii) Op 7 september 2017 vond de terechtzitting voor de politierechter plaats. Noch de verdachte, noch zijn raadsman waren verschenen. Het proces-verbaal van deze terechtzitting vermeldt − voor zover voor de beoordeling van het middel relevant − het volgende (vetgedrukt in het origineel):

“De zitting van 7 september 2017 was een vol geplande zitting met dertien verdachten met in een aantal gevallen meerdere zaken per verdachte. In een aantal gevallen was behalve de strafzaak ook nog een vordering tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf aan de orde. Voor de behandeling van de zaken tegen verdachte [verdachte] , die inderdaad niet was verschenen, was gelet op het aantal zaken 45 minuten uitgetrokken. Het ging om een viertal zaken betreffende overtreding van artikel 9 lid 2 Wegenverkeerswet en daarnaast nog een drietal vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen onder meer ter zake van overtreding van artikel 9 lid 2 Wegenverkeerswet. Om 13.00 uur bij aanvang van de zitting vernam de politierechter van de bode dat verdachte niet was verschenen en dat de raadsman van verdachte had laten weten dat hij door een uitgelopen zitting in Alkmaar pas tussen 14.30 uur en 15.00 uur in Almelo zou kunnen zijn. De raadsman verzocht subsidiair – indien het niet zou lukken om de zaken tegen zijn cliënt later die middag te behandelen – om de behandeling van de zaak (wederom) aan te houden.

Gehoord de officier van justitie heeft de politierechter besloten om niet te wachten op de komst van de raadsman en pas dan de zaken tegen zijn cliënt te behandelen, nu dit ertoe geleid zou hebben dat de planning van de behandeling van zaken tegen andere verdachten ernstig in het gedrang zou komen.

Gelet op het feit dat de behandeling van de zaken tegen verdachte al tweemaal was aangehouden (waarvan de eerste keer op 10 november 2016 zonder meer terecht omdat verdachte buiten zijn schuld niet was aangevoerd) en verdachte en zijn raadsman op 1 juni 2017 – nadat op het verzoek van de raadsman om aanhouding van de behandeling van de zaken door de politierechter positief was beslist – was medegedeeld dat alle zaken op 7 september 2017 om 13.00 uur zouden worden behandeld, was de politierechter, gehoord de officier van justitie, van oordeel dat – mede in aanmerking genomen het feit dat de raadsman op de zitting van 1 juni 2017 blijkens het proces-verbaal van die zitting had laten weten dat hij ‘de datum van 7 september 2017 had genoteerd’ – het de verantwoordelijkheid van de raadsman was om te zorgen dat hij op 7 september 2017 tijdig bij de rechtbank in Almelo zou zijn.

Aan de politierechter is op 7 september om 13.00 uur door de bode niet medegedeeld wat de precieze oorzaak was van de vertraging van de raadsman anders dan dat een zitting in Alkmaar was uitgelopen. Gelet op die summiere mededeling en het feit dat de raadsman de zittingsdatum en het zittingstijdstip al op 1 juni 2017 had genoteerd, heeft de politierechter de bode, gehoord de officier van justitie, laten weten dat niet gewacht kon worden op de komst van de raadsman en verdachte (op wiens komst blijkens de mededeling van de raadsman op 1 juni 2017 al niet gerekend kon worden) en dat de behandeling van de zaken niet zou worden aangehouden omdat het in dit geval – onvoorziene omstandigheden waarmee de politierechter niet bekend mee is geworden daargelaten – op de weg van de raadsman lag om tijdig uit Alkmaar te vertrekken teneinde tijdig voor de zitting in Almelo te zijn.

Tenslotte merkt de politierechter achteraf op dat de raadsman in zijn brief aangeeft dat hij

7 september 2017 reeds omstreeks 12.00 uur telefonisch contact met de bodebalie te Almelo

heeft opgenomen, met de mededeling dat hij ernstig verlaat was vanwege de uitzonderlijke uitloop van een meervoudige kamer zitting in Alkmaar. Dat is de politierechter niet bekend. De politierechter kwam die dag om 13.00 uur in de zittingszaal en pas toen werd aan de politierechter door de bode medegedeeld dat de raadsman zojuist had gebeld en had laten weten dat hij op dat moment op de Ringweg bij Amsterdam reed en pas over anderhalf uur in Almelo kon zijn door uitloop van een zitting in Alkmaar. Gelet op de reisafstand tussen Amsterdam en Almelo per auto leek het de politierechter aannemelijk dat de raadsman vanaf

13.00 uur ongeveer anderhalf uur (14.30 uur) nodig had om in Almelo aan te komen. Op

basis van die informatie heeft de politierechter de raadsman laten weten dat de zaken tegen

zijn cliënt buiten zijn aanwezigheid zouden worden behandeld op het vooraf met instemming

van verdachte en raadsman aangegeven tijdstip.”4

(iv) Ter terechtzitting van het hof van 18 juli 2018 is door de raadsman een verzoek als bedoeld in art. 423, tweede lid, Sv gedaan. Ter onderbouwing van dat verzoek heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte “van een rechterlijke instantie [is] beroofd”, aangezien de politierechter ten onrechte heeft afgewezen het namens de raadsman gedane verzoek om te wachten met de terechtzitting tot hij zou arriveren, dan wel die terechtzitting aan te houden tot een later tijdstip. Het aanwezigheidsrecht van de verdachte, dan wel het recht van de verdachte op bijstand van een raadsman, had volgens de verdediging zwaarder moeten wegen dan het belang om de zaak tegen de verdachte direct af te doen. Het aanwezigheidsrecht van de verdachte als bedoeld art. 6, derde lid, sub c van het EVRM is zodoende geschonden waardoor de verdachte ten onrechte bij verstek is veroordeeld. De raadsman verzoekt het hof op grond van deze omstandigheden een ruime(re) uitleg te geven aan art. 423, tweede lid, Sv, door de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. Het hof kan dit verzuim, te weten de schending van verdachtes aanwezigheidsrecht, immers niet zelf herstellen;5

(v) Bij tussenarrest van 1 augustus 2018 heeft het hof het verzoek van de raadsman afgewezen. Het overweegt daartoe het volgende (vetgedrukt en cursief in het origineel):

De beoordeling van het verzoek tot terugwijzing

Het wettelijke kader

Ingevolge artikel 423, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering behoort het hof, indien de hoofdzaak door de rechtbank is beslist en sprake is van een ter gelegenheid van de behandeling en beslissing van de zaak in eerste aanleg tot nietigheid leidend verzuim, na een geheel nieuwe behandeling van de zaak in hoger beroep, de uitspraak van de eerste rechter te vernietigen, maar niet, vervolgens, de zaak terug te wijzen naar de eerste rechter op de grond dat de verdachte een aanleg heeft ontbeerd.

Voor enkele gevallen waarin de eerste rechter de hoofdzaak wel heeft beslist dient echter een uitzondering op de hiervoor bedoelde hoofdregel te worden gemaakt en brengt het in artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering besloten liggende beginsel mee dat een verdachte in aan hoger beroep onderworpen zaak aanspraak heeft op berechting in twee feitelijke instanties, De betreffende zaak wordt dan – na vernietiging van het vonnis in eerste aanleg – teruggewezen naar de rechter in eerste aanleg, tenzij door het openbaar ministerie en de verdachte de beslissing van de hoofdzaak door het hof is verlangd.

Van een geval als hiervoor bedoeld is sprake indien zich een zodanig gebrek heeft voorgedaan in de samenstelling van het gerecht in eerste aanleg dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden door een onpartijdige rechterlijke instantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM alsmede wanneer de rechter ter terechtzitting aan de behandeling ten gronde niet had mogen toekomen omdat een van de overige personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting aldaar niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was. Tot zodanige personen dienen, naast de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, slechts de verdachte en diens raadsman te worden gerekend. (Vgl. HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0442, NJ 1996/557.)

Beoordeling door het hof

De raadsman vraagt het hof om uitbreiding van het gebruikelijke toetsingskader. Hij stelt daartoe dat hij door een uitgelopen zitting bij een andere rechtbank niet tijdig aanwezig kon zijn bij de behandeling van onderhavige zaak in eerste aanleg en dat het door hem gedane aanhoudingsverzoek door de politierechter is afgewezen maken dat de zaak moet worden teruggewezen.

Het hof stelt voorop dat hier geen sprake is van een situatie in de zin van artikel 423 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. De raadsman was immers op de bij wet voorgeschreven wijze op de hoogte gebracht van de zitting. Ook overigens heeft het hof geen verzuim kunnen vaststellen. De politierechter heeft aldus het dossier een afweging gemaakt waarbij het belang van de voortgang na eerdere aanhoudingen, de wijze van planning van de zittingen in het land door de raadsman en de belangen van verdachte kennelijk door hem in aanmerking zijn genomen. In de door de raadsman geschetste feiten en omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om het gebruikelijke toetsingskader uit te breiden. Het hof wijst het verzoek tot terugwijzing af.”

(vi) Ter terechtzitting van het hof van 8 maart 2019 heeft de raadsman voornoemd verzoek herhaald en voor de onderbouwing daarvan verwezen naar hetgeen hij ter terechtzitting van het hof op 18 juli 2018 heeft aangevoerd én verwezen naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 27 augustus 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3285;6

(vii) Op 22 maart 2019 heeft het hof arrest gewezen en als volgt op het onder (vi) genoemde verzoek beslist (vetgedrukt in het origineel):

Herhaald verzoek tot terugwijzing

Ter terechtzitting van 18 juli 2018 heeft de raadsman verzocht tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, omdat in eerste aanleg het recht van de verdachte op een eerlijk proces zou zijn geschonden.

Bij tussenarrest van 1 augustus 2018 is het verzoek tot terugwijzing gemotiveerd verworpen. Ter terechtzitting van 8 maart 2019 heeft de raadsman zijn eerder gedane verzoek tot terugwijzing van de zaak herhaald. Daarbij heeft hij verwezen naar twee overgelegde arresten van het gerechtshof Amsterdam van 27 augustus 2018 en 17 oktober 2018.

Naar het oordeel van het hof is in die beide gevallen echter sprake van een andere situatie dan in de onderhavige zaak. Om die reden wijst het hof het verzoek van de raadsman af. Overigens verwijst het hof naar de motivering van de afwijzing van het verzoek in het tussenarrest van 1 augustus 2018 nu door de raadsman geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd ter nadere onderbouwing van zijn verzoek.”7

5. Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. Art. 423 Sv luidt, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, als volgt:

“1. Het gerechtshof kan het vonnis hetzij geheel bevestigen, hetzij gedeeltelijk bevestigen en gedeeltelijk vernietigen, hetzij geheel vernietigen. Het gerechtshof bevestigt het vonnis geheel hetzij met gehele of gedeeltelijke overneming hetzij met aanvulling of verbetering van gronden. Ingeval het vonnis geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, doet het gerechtshof wat de rechtbank had behoren te doen, behoudens terugwijzing op grond van het tweede lid.

2. Indien de hoofdzaak niet door de rechtbank is beslist en het onderzoek daarvan gevolg moet zijn van de vernietiging van het vonnis, doet het gerechtshof de zaak zelf af, tenzij terugwijzing naar dezelfde rechtbank door de advocaat-generaal of de verdachte ter terechtzitting is verlangd. Terugwijzing vindt ook zonder uitdrukkelijk gebleken verlangen van de verdachte plaats indien de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig is en de dagvaarding om op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. In geval van terugwijzing doet de rechtbank recht met inachtneming van 's hofs arrest.”

6. In het eerste lid van art. 423 Sv wordt de hoofdregel geformuleerd dat de appelrechter een hem voorgelegde zaak zelf afdoet. In hoger beroep vindt een herkansing plaats en kunnen fouten en gebreken uit eerste aanleg worden hersteld. Dat de eerste aanleg dan onvolkomen is geweest en er in zekere zin sprake kan zijn van verlies van een instantie, wordt op de koop toe genomen. Niettemin wordt in het tweede lid van dit artikel een uitzondering gemaakt op voormelde hoofdregel. Die uitzondering komt er kort gezegd op neer dat in het geval de eerste aanleg aan dermate ernstige onvolkomenheden heeft geleden, de eerste aanleg kan worden overgedaan. Terugwijzing naar de rechter in eerste aanleg kan – formeel gezien – alleen geschieden op grond van het in art. 423, tweede lid, Sv genoemde geval dat de rechter in eerste aanleg ten onrechte in de formele vragen van art. 348 Sv is blijven steken en niet aan de vragen van art. 350 Sv is toegekomen. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als de rechtbank de dagvaarding in eerste aanleg nietig heeft verklaard, maar het hof van oordeel is dat die dagvaarding geldig was.8 Met deze verwijzingsbevoegdheid wordt bewerkstelligd dat de belangrijkste vragen in een strafzaak door twee rechterlijke instanties worden beoordeeld.9 Uit de wetsgeschiedenis van dit artikel volgt dat met de invoering van art. 423, eerste en tweede lid, Sv het beginsel van berechting van de hoofdzaak in twee instanties wordt erkend, maar dat bij de uitwerking van dat beginsel de efficiëntie sterk in het oog is gehouden, nu de hoofdregel luidt dat de appelrechter een aan hem voorgelegde zaak afdoet.10

7. Het in artikel 423, eerste en tweede lid, Sv besloten beginsel, dat een verdachte in aan hoger beroep onderworpen zaken recht op heeft op berechting in twee feitelijke instanties, heeft al eerder de vraag opgeroepen of er ook niet andere gebreken aan het onderzoek in eerste aanleg kunnen worden onderkend waaraan de consequentie zou moeten worden verbonden dat de eerste aanleg opnieuw moet plaatsvinden. De Hoge Raad heeft die vraag in zijn zogenoemde kernroljurisprudentie bevestigend beantwoord en aan art. 423, tweede lid, Sv een ruimere werking toegekend.

8. Maatgevend is nog steeds HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0442. In deze zaak ging het om het volgende. Uit de processtukken die aan de Hoge Raad waren verzonden, bleek niet dat aan de raadsman van de verdachte een afschrift was verzonden van de aan zijn cliënt (rechtsgeldig) betekende dagvaarding voor de behandeling van zijn zaak in eerste aanleg. De behandeling van de zaak in eerste aanleg had ook buiten aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman plaatsgevonden. Derhalve was volgens de Hoge Raad art. 51 (oud) Sv11 niet nageleefd, hetgeen – hoewel niet uitdrukkelijk in de wet bepaald – een geldige behandeling van de zaak in de weg stond. Daarna had het hof de zaak echter overeenkomstig art. 423, eerste lid, Sv behandeld en het in het tweede lid van dat artikel gegeven voorschrift buiten beschouwing gelaten. In zijn uitspraak stelde de Hoge Raad voorop de hoofdregel dat de appelrechter een zaak zelf afdoet. Vervolgens overwoog de Hoge Raad ten aanzien van het art. 423, tweede lid, Sv echter het volgende (vetgedrukt in het origineel):

5.8.

Voor enkele gevallen waarin de eerste rechter de hoofdzaak wel heeft beslist dient echter een uitzondering op de hiervoor bedoelde hoofdregel te worden gemaakt en brengt het in art. 423, tweede lid, Sv besloten liggende beginsel dat een verdachte in aan hoger beroep onderworpen zaken aanspraak heeft op berechting in twee feitelijke instanties mee dat, na vernietiging van het vonnis in eerste aanleg, de zaak wordt teruggewezen naar de eerste rechter, tenzij door de procureur-generaal en de verdachte de beslissing van de hoofdzaak door het hof is verlangd.

5.9.

Van een geval als hiervoor onder 5.8 bedoeld is sprake indien zich een zodanig gebrek heeft voorgedaan in de samenstelling van het gerecht dat de behandeling van de zaak niet heeft plaats gevonden door een onpartijdige rechterlijke instantie als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM (vgl. EHRM 26 oktober 1984, A.86 (1984), NJ 1988, 744, onder nr. 33), alsmede wanneer de rechter ter terechtzitting aan de behandeling ten gronde niet had mogen toekomen omdat een van de overige personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting aldaar niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was. Tot zodanige personen dienen, naast de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, slechts de verdachte en diens raadsman te worden gerekend.”

9. Aldus heeft de Hoge Raad beslist dat het in art. 423, tweede lid, Sv besloten beginsel – berechting van de hoofdzaak in twee feitelijke instanties – met zich meebrengt dat terugwijzing op grond van dat artikellid in gevallen waarin de eerste rechter in de hoofdzaak heeft beslist, uitgebreid dient te worden met een tweetal situaties. De eerste situatie betreft die waarin de rechter in eerste aanleg niet onpartijdig moet worden geacht. De appelrechter die dat constateert kan de zaak dan, ook al is de zaak in eerste aanleg ten gronde berecht, terugwijzen naar de rechtbank. De tweede situatie is die waarin de rechter ter terechtzitting aan de behandeling ten gronde niet had mogen toekomen, omdat één van de overige personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting, aldaar niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit blijkt dat die dag hem tevoren bekend was. Die personen betreffen, naast de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, de verdachte en diens raadsman.12

10. In de tweede uitzonderingssituatie is sinds de gedeeltelijke invoering van de Wet stroomlijnen hoger beroep13 op 1 maart 2007 wat betreft de verdachte die in eerste aanleg niet goed is gedagvaard, ook wettelijk, te weten door art. 422a Sv, voorzien.14 Dat artikel ziet op terugwijzing door de appelrechter naar de rechtbank vanwege de nietigheid van de dagvaarding in eerste aanleg op grond van een gebrek dat niet samenhangt met de inhoud van de tenlastelegging, bijvoorbeeld indien de dagvaarding foutief is betekend of in het geval een verdachte op te korte termijn is gedagvaard. Op verzoek van de verdachte of de advocaat-generaal en soms ambtshalve kan de appelrechter de zaak in zo’n geval op grond van art. 422a Sv terugwijzen naar de rechtbank.

11. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat onder die tweede situatie valt een verdachte die op tijd aanwezig was in het gerechtsgebouw, van zijn aanwezigheid mededeling heeft gedaan, maar door de gerechtsbode niet werd opgeroepen om in de zaal van de terechtzitting te verschijnen.15 Van een uitzonderingssituatie als bedoeld in voornoemd arrest was ook sprake in HR 26 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3021. In de zaak die aan deze uitspraak voorafging, was de raadsman van de verdachte niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte gebracht van de dag van de terechtzitting in eerste aanleg en aldaar ook niet verschenen. Het vonnis in eerste aanleg werd daarop bij verstek gewezen. In hoger beroep deed de raadsman een terugwijzingsverzoek als bedoeld in art. 423, tweede lid, Sv. Het hof wees dit verzoek echter af en overwoog daartoe dat geen sprake was van een uitzondering als genoemd in art. 423, tweede lid, Sv en zich ook geen situatie voordeed als bedoeld in art. 422a Sv. De Hoge Raad heeft de zaak alsnog naar de politierechter verwezen teneinde op de inleidende dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan, nu de politierechter over de hoofdzaak heeft beslist, terwijl hij onder de gegeven omstandigheden ter terechtzitting aan de behandeling ten gronde niet had mogen toekomen.

12. De Hoge Raad houdt strikt de hand aan de twee door hem geformuleerde uitzonderingssituaties. Zo vormde het ten onrechte afwijzen van een aanhoudingsverzoek door de politierechter volgens de Hoge Raad terecht geen grond voor het hof om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank.16 Dat oordeel was de Hoge Raad ook toegedaan in een geval waarin de kantonrechter het onderzoek ter terechtzitting ten onrechte niet had geschorst om de verdachte in de gelegenheid te stellen om aldaar aanwezig te zijn, maar de rechtbank niet terugwees aangezien de verdachte bekend was met de zittingsdag en zich geen uitzonderingssituatie voor terugwijzing voordeed.17 Ook volgde geen terugwijzing in het geval daarom werd verzocht op grond van de omstandigheid dat de raadsman naar zijn mening zijn kernrol in eerste aanleg niet goed had kunnen uitoefenen of in het geval de in eerste aanleg verschenen raadsman ten onrechte niet als gemachtigde raadsman was erkend, ten onrechte niet het woord had mogen voeren en zelfs niet in de gelegenheid was gesteld om een toelichting te geven op de afwezigheid van de verdachte of een aanhoudingsverzoek te doen.18 Terugwijzing door de appelrechter naar de rechtbank geschiedt kennelijk echt alleen op grond van de in art. 423, tweede lid, Sv genoemde gevallen en in de twee in HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0442 geformuleerde uitzonderingssituaties.

13. Terug naar het onderhavige geval. Het middel betoogt dat de raadsman, een kernrolspeler in het onderzoek ter terechtzitting, ten onrechte buiten het rechtsgeding in eerste aanleg is gehouden. Dientengevolge is de afwijzende beslissing van het hof op het namens de raadsman gedane verzoek tot terugwijzing op grond van art. 423, tweede lid, Sv, niet begrijpelijk. Door te oordelen dat er geen verzuim heeft plaatsgevonden en dat het ook geen aanleiding ziet om het gebruikelijke toetsingskader uit te breiden, heeft het hof een te beperkte uitleg gegeven aan art. 423, tweede lid, Sv en de uitbreiding daarvan in de (kernrol)jurisprudentie, aldus de steller van het middel.

14. Ik acht ’s hofs afwijzende beslissing op het terugwijzingsverzoek als bedoeld in art. 423, tweede lid, Sv in het licht van hetgeen ik heb vooropgesteld, niet onjuist, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. In de kernroljurisprudentie staat, voor zover hier relevant, immers centraal de vraag of de verdachte en zijn raadsman afwezig waren bij het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg omdat zij niet wisten of niet konden weten wanneer de zittingsdag plaatsvond en ook overigens niet is gebleken dat zij van die zittingsdag op de hoogte waren. Gezien het onder randnummer 4 geschetste procesverloop, waren zowel de verdachte – die niet was verschenen – als de raadsman dat wel. Los van de omstandigheid dat de onderhavige casus daartoe mijn inziens geen aanleiding geeft, zie ik in de rechtspraak van de Hoge Raad geen aanknopingspunt om voor het onderhavige geval een uitbreiding van de kernroljurisprudentie te bepleiten. Zelfs in gevallen waarin een aanhoudingsverzoek ten onrechte werd afgewezen of het onderzoek ter terechtzitting ten onrechte niet werd geschorst, deed zich volgens de Hoge Raad immers geen uitzonderingssituatie voor terugwijzing voor. Voor zover het middel zich op HR 14 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5119 beroept, kan het niet slagen. In dat geval ging het immers om een verdachte die door de gerechtsbode ten onrechte niet was binnengeroepen, waardoor hij geheel buiten zijn schuld bij verstek werd veroordeeld. Die situatie is onvergelijkbaar met de onderhavige.

15. Het middel faalt.

16. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bij “herstel akte cassatie” van 29 maart 2019 heeft de (gemachtigde) raadsman van de verdachte het beroep in cassatie ingetrokken ten aanzien van de bij arrest van het hof gegeven beslissing tot vrijspraak en zijn beslissingen op de vorderingen tenuitvoerlegging als genoemd in die akte.

2 Zie het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 10 november 2016.

3 Zie het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 1 juni 2017.

4 Zie het proces-verbaal en vonnis van de rechtbank van 7 september 2017, p. 1-2.

5 Zie de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 18 juli 2018 gehechte pleitnota van mr. H. Bakker.

6 Zie het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 8 maart 2019, p. 1-2.

7 Zie het arrest van het hof van 22 maart 2019, p. 2. Ik merk op dat uit het arrest niet valt af te leiden naar welk arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 oktober 2018 de raadsman heeft verwezen, terwijl uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2019 niet blijkt dát de raadsman naar dit arrest heeft verwezen.

8 Zie bijvoorbeeld ook HR 14 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7768. In die zaak bleek uit het arrest van het hof niet dat het zich ervan had vergewist dat de rechtbank art. 51 Sv had nageleefd (terugwijzing naar de kantonrechter).

9 Zie: J. de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken, Gouda Quint BV: Arnhem 1989, p. 203.

10 Zie wederom J. de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken, Gouda Quint BV: Arnhem 1989, p. 201.

11 Art. 51 (oud) Sv (thans art. 48 Sv) luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit als volgt: “Ten aanzien van de bevoegdheid van den raadsman tot de kennisneming van processtukken en het bekomen van afschrift daarvan vinden de artikelen 30–34 overeenkomstige toepassing. Van alle stukken die ingevolge dit wetboek ter kennis van de verdachte worden gebracht ontvangt de raadsman onverwijld afschrift.

12 Zie: G.J.M. Corstens (bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans), Het Nederlands strafprocesrecht, Wolters Kluwer: Deventer 2018, p. 966.

13 Zie: Stb. 2006, 470.

14 Zie: Stb. 1991, 663.

15 Zie: HR 14 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5119, NJ 2000/423 m.nt. A.C. ’t Hart, r.o. 4.3.

16 Zie: HR 27 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0723.

17 Zie: HR 17 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0974.

18 Zie respectievelijk HR 10 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1982 en HR 5 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0187.