Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:191

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-01-2020
Datum publicatie
05-03-2020
Zaaknummer
17/02047
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:358
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Caribische zaak. Medeplegen van het uitvoeren en aanwezig hebben van cocaïne en deelname aan een criminele organisatie te Bonaire en Curaçao (art. 3.1 Opiumwet 1960 BES en art. 3.1.A Opiumwet 1960 BES). Ontvankelijkheid cassatieberoep. O.g.v. art. 10.2 Rijkswet cassatierechtspraak staat voor verdachte, die in h.b. bij verstek is veroordeeld, geen beroep in cassatie open. Deze beperking van het recht op toegang tot de cassatierechter is - ook gelet op het procesverloop in deze zaak - niet in strijd met art. 6 EVRM (vgl. EHRM 16 januari 2002, nr. 38055/97, Eliazer/Nederland). Dat de raadsvrouw van de ttz. in h.b. niet verschenen verdachte aldaar het woord ter verdediging heeft gevoerd, leidt niet tot een ander oordeel (vgl. ECLI:NL:HR:2016:2267). Verdachte in cassatieberoep n-o.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 17/02047 A

Zitting 14 januari 2020

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij vonnis van 6 april 2017 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het hof), wegens het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Opiumwet 1960 BES, en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Opiumwet 1960 BES, telkens in eendaadse samenloop met: medeplegen van een feit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A, van de Opiumwet 1960 BES, opzettelijk gepleegd, voorbereiden en bevorderen door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen, daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid of inlichtingen te verschaffen, door zich gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het feit trachten te verschaffen of door voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd” en het onder 3 bewezenverklaarde “Deelnemen aan eene organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Het vonnis van het hof vermeldt dat het bij verstek is gewezen.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt en mr. I.N. Weski, beiden advocaat te Rotterdam, hebben bij schriftuur alsmede aanvullende schriftuur (in totaal) vier middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Alvorens aan de bespreking van de middelen toe te komen, bespreek ik de ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep.

  4. Bij de stukken die naar de Hoge Raad zijn gezonden bevindt zich een begeleidende brief van [betrokkene 1] , senior gerechtssecretaris bij het hof, van 2 maart 2018. Die brief houdt, voor zover relevant, het volgende in:

    “Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao,

    Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba, kan een verdachte geen beroep in cassatie

    instellen tegen bij verstek gewezen vonnissen.

    Gelet daarop, alsmede gezien de huidige werkbelasting van het hof, is volstaan met het

    opmaken van een verkort-proces-verbaal van de terechtzitting waarop de inhoudelijke

    behandeling heeft plaatsgevonden. Mocht de Hoge Raad te zijner tijd bij de behandeling van

    het cassatieberoep van oordeel zijn dat een verkort proces-verbaal niet volstaat, dan verneem ik

    dat uiteraard graag van u.”

    5. Het vonnis van het hof is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 4 maart 2015, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van die terechtzitting, alsmede van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2017 in Curaçao. Ten aanzien van laatstgenoemd proces-verbaal is namens de verdachte aan de rolraadsheer tijdig om een uitgewerkte versie verzocht. Het opvragen van dat document door een griffiemedewerker van de Hoge Raad leverde toezending van een kopie (volgens de voorzitter die over de zaak geoordeeld heeft: conform het origineel) van het zich reeds bij de stukken bevindende verkorte proces-verbaal van de betreffende terechtzitting op. Voorts vraagt de griffier F. Kruiswijk in het begeleidend schrijven bij de toezending van dat stuk ook aandacht voor de ontvankelijkheid van het cassatieberoep – voor zover relevant – als volgt:

    “Op 16 maar[t] 2017 is de verdachte niet ter terechtzitting verschenen. Blijkens mededeling van de raadsvrouw ter terechtzitting was hij wel op de hoogte van de zitting van heden, maar kon hij wegens verblijf in het buitenland niet verschijnen.

    Ter terechtzitting van 26 mei 2016 was reeds verstek tegen de verdachte gewezen en het onderzoek ter zitting is wegens een gewijzigde samenstelling opnieuw aangevangen.

Het hof heeft vervolgens op 6 april 2017 vonnis gewezen waarbij de verdachte bij verstek is veroordeeld. Tegen dit verstekvonnis is door de verdachte (tijdig) beroep in cassatie ingesteld.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Curaçao staat tegen dit bij verstek gewezen vonnis echter geen cassatieberoep open. Gezien het vorenstaande zal de verdachte, door uw Raad vermoedelijk in zijn beroep in cassatie niet ontvankelijk worden verklaard, reden waarom het hof heeft volstaan met inzending van voornoemd verkort proces-verbaal.

Hopende u hiermee voldoende te hebben ingelicht. Aangezien de griffier die op de zitting heeft gezeten niet meer werkzaam is op het hof, is deze brief door mij ondertekend.”

6. Art. 10 lid 2 Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba luidt:

“De verdachte kan geen beroep in cassatie instellen tegen bij verstek gewezen vonnissen.”

7. Art. 429 lid 1 Wetboek van Strafvordering BES luidt:

“Tegen een bij verstek gewezen vonnis, in eerste aanleg als einduitspraak gegeven, kan degene

die daarbij niet van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken, noch daaraan geheel of gedeeltelijk

heeft voldaan, verzet doen:

a. indien de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen hem in persoon is betekend,

gedurende veertien dagen na de uitspraak;

b. in andere gevallen, uiterlijk veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan,

waaruit voortvloeit dat het vonnis hem bekend is.”

8. Op grond van art. 10 lid 2 van de Rijkswet staat voor de verdachte, die in hoger beroep bij verstek is veroordeeld, geen beroep in cassatie open. Ingevolge voormeld wetboek heeft voor de verdachte ook niet het rechtsmiddel van verzet opengestaan zodat het beroep in cassatie niet kan worden verstaan als verzet tegen het vonnis van het Hof (vgl. HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6128, NJ 2006/420).1 Dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

9. Waar in de schriftuur – onder het vierde middel – nog wordt betoogd dat de ontzegging van het recht op cassatie, zoals die voortvloeit uit de Rijkswet, is strijd is met de art. 6 en 13 EVRM en derhalve niet toelaatbaar is, merk ik – ten overvloede – op (i) dat onder de “oude” regeling, van voor 1 oktober 1997, de Hoge Raad dit argument al eens terzijde heeft geschoven (vgl. HR 27 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0725, NJ 1997, 577) en (ii) mijn voormalige ambtgenoot Machielse in zijn conclusie voorafgaand aan HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6128, NJ 2006, 420 daaromtrent het volgende – zij het in een voetnoot - schreef:

“Mijns inziens is er derhalve in dit geval geen sprake van een zozeer met fundamentele beginselen van het strafproces strijdige gang van zaken dat dit de strikte rechtsmiddelenregeling zou moeten doorbreken. Verdachte heeft in voldoende mate zijn verdedigingsrechten kunnen uitoefenen. In eerste aanleg, waarbij verdachte is vrijgesproken van gekwalificeerde doodslag en de overtreding van de Vuurwapenverordening, is hij ter terechtzitting verschenen en in hoger beroep heeft de raadsman het woord ter verdediging kunnen voeren. De oproeping voor de appelzitting van 15 maart 2005, tijdens welke zitting de zaak inhoudelijk is behandeld, was verdachte in persoon uitgereikt. Verdachte heeft ervoor gekozen niet bij de behandeling in hoger beroep aanwezig te zijn en heeft kennelijk het behoud van zijn baan in Nederland (zie p.v. van terechtzitting van 14 december 2004 en pleitnotities) belangrijker geacht dan gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht, waarbij verdachte kon vermoeden dat hij bij schuldigverklaring een lange gevangenisstraf kon verwachten. Dat is een keuze die verdachte zelf heeft gemaakt.”

De Hoge Raad, die het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaarde, dacht daar, naar ik mag aannemen, in dezelfde lijn over. En mutatis mutandis gaat naar ik meen die redenering ook in het onderhavige geval op.

10. Voor zover bij aanvullende schriftuur wordt betoogd dat aan het aan het vonnis ten grondslag gelegde onderzoek ter terechtzitting niet (zonder meer) volgt dat tegen de verdachte verstek is verleend, zodat in cassatie er niet vanuit kan worden gegaan dat de verdachte bij verstek is veroordeeld, kan dat het voorgaande niet anders maken. Tegen de verdachte is immers ter terechtzitting van het hof op 26 mei 2016 verstek verleend. Bij tussenvonnis van 16 juni 2016 is het onderzoek ter terechtzitting, onder verwijzing naar art. 390 Sv heropend. Uit de stukken blijkt niet dat bij de voortzetting van het onderzoek op 15 september 2016 en 16 maart 2017 tegen de verdachte verstek is verleend. Dat behoefde het hof echter ook niet te doen. Voor zover relevant bepaalt het Wetboek van Strafvordering BES immers:

- Artikel 365 lid 1:

“Onverminderd het bepaalde bij artikel 366, wordt in alle gevallen waarin schorsing van het

“ onderzoek plaatsheeft, de zaak op de nadere terechtzitting hervat in de stand waarin zij zich op

“ het tijdstip van de schorsing bevond. Het Hof is bevoegd te bevelen dat het onderzoek op de

“ terechtzitting opnieuw wordt aangevangen.”

- Artikel 366 lid 1:

“Indien bij de hervatting van het onderzoek de verdachte tegen wie voor de schorsing verstek is verleend, op de terechtzitting voor de nadere behandeling bepaald, verschijnt, of zich in de

gevallen, bij wettelijke regeling, toegelaten, door een gemachtigde laat vertegenwoordigen, wordt

het verleend verstek vervallen verklaard.”

11. Anders dan de kennelijke opvatting van de opstellers van de schrifturen, was het hof op grond van het voorgaande niet gehouden om tegen de verdachte op 16 maart 2017 opnieuw verstek te verlenen.

12. Ten overvloede merk ik ook nog op dat de omstandigheid dat het hof in het vonnis noemt dat het kennis heeft genomen van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht, alsmede de zich bij de stukken van het dossier bevindende pleitnota zoals overgelegd op 16 maart 2017, het voorgaande niet anders kunnen maken. Anders dan in Nederland leidt het optreden van de raadsman ter verdediging in het Caribische strafproces nu eenmaal niet tot een procedure op tegenspraak. Van vertegenwoordiging in de zin van art. 366 Sv is evenmin sprake, alleen al omdat dit vanwege de aard van de berechte feiten niet mogelijk was: blijkens art. 306 is die figuur slechts toegelaten bij feiten waarop geen gevangenisstraf is gesteld. Van enige machtiging van de raadsvrouw daartoe door de verdachte blijkt daarnaast ook al niet (vgl. art. 58 lid 1 en 2 Sv).2

13. De verdachte kan op grond van het bepaalde in art. 10 lid 2 Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet in zijn beroep in cassatie worden ontvangen.

14. Gelet op het voorgaande behoeven de middelen geen bespreking.

15. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. ook HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2267, rov. 2.3.

2 Zie voor een andersoortige redenering, die overigens tot hetzelfde resultaat leidde, de conclusie van mijn ambtgenoot Aben voorafgaand aan HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2267, onder verwijzing naar HR 23 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8860.