Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:189

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-03-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
19/00043
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:657
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Medeplegen diefstal met bedreiging met geweld door een 92-jarige vrouw in de nacht op haar woonboot te overvallen. De AG geeft de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/00043

Zitting 3 maart 2020

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 21 december 2018 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. ‘diefstal, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’, 2. ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd’, 3. ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd’ en 4. ’handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring onder 1 onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed is. De door de verdachte uitgesproken (scheld)woorden en het door verdachte vragen naar de pincode van aangeefster zouden niet zonder meer kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van diefstal met bedreiging met geweld.

  4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

    ‘hij op 21 november 2016 te [plaats], gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, uit een woning (gelegen aan de [a-straat 1]), tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen handtassen en een portemonnee en een mobiele telefoon en twee bankpassen en een rijbewijs en een identiteitskaart en één of meer pasjes en een doosje inclusief sieraden toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan een andere deelnemer van voormeld misdrijf het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededader
    - tegen voornoemde [slachtoffer] hebben gezegd: “oude rothoer, ga naar je nest, met je gezicht naar de muur” en
    - (daarbij) eenmaal of meermalen aan voornoemde [slachtoffer] hebben gevraagd wat haar pincode was;’

  5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

    ‘1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte met bijlagen, (…) gesloten en getekend op 27 november 2016 door [verbalisant 1], hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland (…), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van aangeefster [slachtoffer]:

    Ik wil aangifte doen, omdat ik op maandag 21 november 2016 omstreeks 4.00 uur ben overvallen in mijn woning. Ik ben 92 jaar en woon nog alleen in mijn woonboot aan de [a-straat 1] te [plaats].

    Ik ben die avond omstreeks 22.00 uur gaan slapen en had de voordeur op het nachtslot gedaan. Ik werd om 4.00 uur wakker om naar de wc te gaan. Ik zag op de klok dat het 4.00 uur was. Ik liep met mijn rollator de gang op, richting de wc. Toen kwam er ineens een man op mij af lopen, hij was geheel in het zwart gekleed. (...) De man begon gelijk tegen mij te schelden: 'Oude rothoer, ga naar je nest, met je gezicht naar de muur.’. Dat heb ik toen gedaan. Ik zag dat hij mee naar de slaapkamer liep. Ik hoorde hem meerdere malen vragen wat mijn pincode was. (...) Ik ben toen op mijn bed gaan liggen en heb niet meer gezien wat hij heeft gedaan, omdat ik naar de muur keek. Ik was heel erg bang en durfde mij niet meer te bewegen.

    (...)

    Nadat ik een beetje tot rust was gekomen bemerkte ik dat ik een aantal spullen mis zoals mijn handtas, dit is een donkerblauw lederen tas met schouderband. In deze tas zat mijn portemonnee met daarin mijn bankpasje van de ING bank met rekeningnummer [001], mijn bankpas van de Rabobank met rekeningnummer [002], mijn rijbewijs, mijn identiteitskaart, zorgverzekering en andere pasjes. Ook mijn mobiele telefoon, die uit stond, zat in de tas. Ik mis ook nog een tweede handtas, dit is een zwart lederen rugzakje. Verder mis ik uit de slaapkamer een rechthoekig, gelakt rood bruin doosje met sieraden. In het doosje zat een gouden ketting uit Sulawesi, een rood bruine kornalijnen ketting van antiek chinees, een antiek horloge aan een ketting en verder nog wat andere kettingen. Ook mijn eigen horloge was weg.

    (...) Nadat mijn dochter bij mij was gekomen, zijn wij mijn bankpassen gaan blokkeren bij de bank. Mijn dochter hoorde van de ING bank dat er 1.250,00 euro van mijn rekening was gehaald. Er was in Weesp 1.000,00 euro gepind bij een ABN Amro bank en bij de ING bank in Diemen werd 250,00 euro gepind.

    Bijlage goederen (BFK: samengevat een ING bank pinpas, een Rabobank pinpas, een ID-kaart, een rijbewijs, de omschreven kettingen met twee horloges, een schoudertas, een rugtas en een mobiele telefoon)

    2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, (…) gesloten en getekend op 21 november 2016 door [verbalisant 2], brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland (…), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als proces-verbaal van bevindingen van verbalisant:

    Op 21 november 2016 was ik belast met incidentafhandeling in de gemeente Stichtse Vecht. (...) Omstreeks 4.18 uur kregen wij van een medewerker van het operationeel centrum Midden-Nederland het verzoek te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats]. Aldaar zou een woningoverval hebben plaatsgevonden. De bewoonster zou door twee mannen onder bedreiging van stokken haar pincode hebben moeten afgeven. De mannen zouden in het donker zijn gekleed en hun gezicht hebben bedekt.

    (...)

    Omstreeks 4.30 uur kwamen wij ter plaatse op genoemd perceel.

(…)

Ik hoorde dat [slachtoffer] verklaarde dat:

- zij op zondag 20 november omstreeks 22.00 uur naar haar slaapkamer was gegaan om te slapen;

- zij daarvoor de voordeur op het nachtslot had gedraaid;

- zij op enig moment naar het toilet moest en in de gang oog in oog kwam te staan met twee mannen;

- zij had gezien dat de mannen allebei in het zwart waren gekleed en hun gezicht hadden bedekt;

(…)

- zij had gehoord dat er in accentloos Nederlands was geroepen: 'Ga je nest in vuile rothoer' en 'Ga met je kop tegen de muur staan';

- zij daarop haar pincode desgevraagd had gegeven;

(…)

- zij zag dat haar blauwe lederen schoudertasje was weggenomen;

- in dit blauwe tasje onder andere een uitgeschakelde mobiele telefoon had gezeten, alsmede een portemonnee met haar rijbewijs, bankpasjes en ongeveer 50 euro.

(...)

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal 112 gesprek aangeefster, (…) gesloten en getekend op 30 november 2016 door [verbalisant 3], BOA domein generieke opsporing, (…) Assistent Intake & Service B, werkzaam bij de Eenheid Midden-Nederland (…), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:

(...) Dit gesprek was opgenomen op 21 november 2016 om 4.18 uur. (...) Het gesprek is tussen [slachtoffer] en een medewerker van de Politie Alarmlijn. (...)

MP = medewerker Politie Alarm Lijn

[slachtoffer] = Aangeefster

[slachtoffer]: Dag met [slachtoffer], [a-straat 1], [plaats]. Ik ben net overvallen door 2 kerels die zijn hier binnengekomen en ze hebben me bedreigd en ik denk dat ze terugkomen.

(…)

[slachtoffer]: Ze waren helemaal gemaskerd en ik moest mijn pincode afgeven.

(…)

[slachtoffer]: (...) Ik moest te bed naar de muur scheren en mijn pincode afgeven.
(…)
MP: (…) Wat wilden ze allemaal van u?

[slachtoffer]: Nou ja, dat ik naar bed moest en dat ik een ‘Vuile hoer’ was en verder begonnen ze gewoon te schreeuwen tegen me.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte verhoor verdachte bij de rechter-commissaris (toetsing inverzekeringstelling en inbewaringstelling), RC-nummer (…), getekend op 13 april 2017 door de officier van justitie, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte:

(...) U vraagt mij of [telefoonnummer 1] mijn nummer is. Ja, dat klopt.

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte, (…), uitwerking AVR verhoor [betrokkene 1], gesloten en getekend op 25 mei 2017 door [verbalisant 4], hoofdagent, Generalist Tactische Opsporing, werkzaam bij de Eenheid Midden-Nederland en [verbalisant 5], brigadier, Senior Tactische Opsporing, werkzaam bij de Eenheid Midden-Nederland (…), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten:

Op maandag, 24 april 2017, hoorden wij de verdachte

Voornamen: [betrokkene 1]

Naam: [betrokkene 1]

Geboortedatum: [geboortedatum] 1992

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

(…)

Hij heeft mij op een gegeven moment opgehaald. (...) Wij gingen in de richting van die woning, een woonboot. (...) Het is in [plaats]. Op een gegeven moment liep ik samen met die jongen naar die voordeur. (...) Hij had een sleutel waarmee wij naar binnen konden van de voordeur. Toen wij binnen aan kwamen waren wij bezig aan het rommelen in het huis. Met zijn tweeën zijn we naar binnen geweest. Op een gegeven moment hoor ik wat op de gang en toen zag ik een vrouw aan komen lopen met een rollator. Toen is die jongen meteen de gang in gerend, die heeft die vrouw eigenlijk, ja op een dwingende manier terug naar de kamer gedwongen en op bed gedrongen. (...) Toen zag ik een sieradenkist staan in de slaapkamer. Die heb ik gepakt. (...) Toen ben ik weer terug de gang in gelopen en die jongen waar ik het over heb die bleef schreeuwen om de pincode. (...) Toen zijn wij naar buiten gelopen. Hij had een tas en nog wat spulletjes vast en ik had een hout sieradenkistje in mijn hand. Toen zijn wij bij hem thuis gaan zitten, toen deed hij die tas open en toen zat hij te rommelen in de portemonnee en nog wat dingetjes. En toen vond hij twee of drie pinpasjes en een geel, ja ik weet niet hoe je zo'n kladblokpapiertje noemt. Zo'n geel blaadje met drie codes er op van vier cijfers, zo'n note blokje zeg maar die je ergens aan kan plakken. (...) De bankpassen waren van ING bank en een van Rabobank als ik het goed heb. (...) Toen zijn wij naar de eerste bank gereden. De eerste bank zou ik echt niet weten. De tweede bank weet ik wel. Dat was in Diemen. (...) De jongen reed in de auto. Het was zijn auto. Het was een zwarte BMW. Station. (...)

Ik heb 1.250 euro opgenomen. De jongen die bij mij was liep achter mij langs op de weg.

(...)

Hij had een sleutel van het huis en vroeg of ik mee wilde naar binnen en zo is het eigenlijk gegaan.

(...)

De jongen heeft op een dreigende manier om de pincode gevraagd.

(...)

De jongen had bij hem thuis de tas van de mevrouw in zijn handen.

(...)

Het geld dat is gepind hebben wij verdeeld. Ik had zeshonderd en hij had ook zeshonderd en toen hebben wij voor 50 euro bij een benzinepomp sigaretten gekocht op de weg terug. (...) De sigaretten hebben wij voor ons allebei gekocht.

6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal getuige, getekend op 18 juni 2018 door de getuige [betrokkene 1], griffier L.C. Hemmer en raadsheer-commissaris mr. A J. Smit, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van getuige [betrokkene 1]:

(...) Het klopt dat het om de nacht van 21 november 2016 gaat. Wij waren met zijn tweeën. De mededader heeft mij later met zijn auto (een zwarte BMW) naar het station gebracht. (...) De mededader had een sleutel. Ik had gezien dat hij daarmee de deur openmaakte. (...) Tussen de mededader en de bewoonster van de woonark is een confrontatie ontstaan. Er werd geschreeuwd. (...) Ik heb een sieradenkistje met sieraden erin weggenomen. (...) De mededader schreeuwde tegen de bewoonster van de woonark dat zij op bed moest gaan liggen. (...) De mededader heeft een tas en een portemonnee met pinpassen meegenomen. (...) De mededader had de pasjes, maar ik moest uitstappen om te pinnen. (...) Ik heb in twee keer 1.250 euro gepind. De eerste keer pinde ik 1.000 euro en de tweede keer 250.

(...)

U, advocaat-generaal, vraagt mij waarom ik de naam van de mededader niet wil noemen. Dat is voor mijn eigen veiligheid. U, raadsheer-commissaris, legt mij uit wat de verdachte heeft verklaard bij gelegenheid van de behandeling van zijn strafzaak bij het gerechtshof op 30 maart 2018. Nu u mij dit voorhoudt zeg ik u dat degene die ik heb aangeduid als mededader [verdachte] betreft.

7. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Midden- Nederland op 5 september 2017 voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

(...) Ik heb een zwarte BMW. (...)

Het klopt dat ik daar naartoe ging. Ik heb hem de straat uit zien vluchten. Ik heb de uitzending gezien en ik herkende [betrokkene 1] direct. (...) Hij heeft mij gebeld en toen zei hij dat hij op Opsporing Verzocht was. Toen ik achter in de straat reed, heb ik een aantal keren geprobeerd om hem te bellen, maar hij nam niet op. Er zat een motoragent achter hem aan.

8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, (…), gesloten en getekend op 21 juni 2017 door [verbalisant 4], hoofdagent, Generalist Tactische Opsporing, werkzaam bij de Eenheid Midden-Nederland (…), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als proces-verbaal van bevindingen van verbalisant:

(...)

Uit het onderzoek is gebleken dat de eigenaar en gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] [verdachte] was. De deelnemer aan de WhatsApp berichten stond vermeld als: [verdachte] [telefoonnummer 1]@s.whatsapp.net. Uit het onderzoek is gebleken dat [verdachte] tot voor kort ingeschreven stond in [plaats].

(...)

Uit het onderzoek is gebleken dat de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 2] [betrokkene 1] geboren [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] was.

(...)

Op 21 november 2016 start een Whatsapp-gesprek tussen [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte] en [betrokkene 1] [telefoonnummer 2] @s.whatsapp.net

(…)

7:21:15 uur: * [telefoonnummer 1] appt * [telefoonnummer 2] : Heb je de smaak nu te pakken???

7:21:22 uur: * [telefoonnummer 2] appt * [telefoonnummer 1] : Ja tuurlijk gek

7:21:27 uur: * [telefoonnummer 2] appt * [telefoonnummer 1] : Wanneer volgende

(...)

Op 22 november 2016 start een Whatsapp-gesprek start tussen [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte] en [betrokkene 1] [telefoonnummer 2] @s.whatsapp.net.

(…)

10:28:59 uur: * [telefoonnummer 1] appt * [telefoonnummer 2] : En als je had geluisterd en niet para was geweest had je gewoon geld gehad

11:07:17 uur: * [telefoonnummer 1] appt * [telefoonnummer 2] : Je was aan zoeken naar niets je had mij het denk werk moeten laten doen met je ze slaapt

11:11:53 uur: * [telefoonnummer 1] appt * [telefoonnummer 2] : Ing=2500,-

11:12:52 uur: * [telefoonnummer 1] appt * [telefoonnummer 2] : Rabobank=5000,-

13:16:39 uur: * [telefoonnummer 1] appt * [telefoonnummer 2] : En weet geeneens hoeveel tijd ik overal in steek om een klus te hebben, geef je van te voren aan helm, panty voor je kop, wanten iedere keer is het wat ik ben er eigenlijk best wel ziek van.

13:27:44 uur: * [telefoonnummer 1] appt * [telefoonnummer 2] : En dat gouden kettingtje met hanger zes gram 110,- euro gehad is voor de gemaakte onkosten van te voren

23:14:52 uur: * [telefoonnummer 2] appt * [telefoonnummer 1] : Voor mij ook de eerste keer

23:15:02 uur: * [telefoonnummer 2] appt * [telefoonnummer 1] : Volgende gaat beter

Op 23 november 2016 start een Whatsapp-gesprek start tussen [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte] en [betrokkene 1] [telefoonnummer 2] @s.whatsapp.net [betrokkene 1]

0:15:03 uur: * [telefoonnummer 1] appt * [telefoonnummer 2] : Heb al nieuwe op oog weet alleen nog niet hoe binnen moet zonder schades wil geen enkel spoor achter laten

0:15:43 uur: * [telefoonnummer 1] appt * [telefoonnummer 2] : En wis je berichten voordat het misgaat

(...)

Samenvatting van de berichten tussen [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 3]:

Uit het onderzoek is gebleken dat de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 3] [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1966 in [geboorteplaats] was.

• [telefoonnummer 3] vraagt aan [telefoonnummer 1], Ennnnnnn?

(21-11-2016 te 7.17.20 uur)

• [telefoonnummer 1] antwoordt: Maar paar honderd verdient hoor je nog wel
(21-11-2016 te 7.17.50 uur)

• [telefoonnummer 1] stuurt een afbeelding (foto 02) van biljetten van 50 euro.

(21-11-2016 7.18 uur)

(...)

Samenvatting van de berichten tussen [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 4]:

21-11-2016 08.51 uur tot 25-11-2016

Uit het onderzoek is gebleken dat de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 4] [betrokkene 3], geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] was.

• [telefoonnummer 1]: oke heb goude brose met stenen en dunne gouden ketting met hanger

• [telefoonnummer 1]: als jij het inlevert bij lomert

• [telefoonnummer 1]: Amsterdam dan krijg je van mij 25 erbij en geld drank is voor jou

• [telefoonnummer 1]: stuurt foto (foto 03 op 21 november 2016 9:21:15 uur) met de tekst: En had 650,- cash

9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, (…), gesloten en getekend op 26 juni 2017 door [verbalisant 6], inspecteur, Operationeel Specialist A, werkzaam bij de Eenheid Midden- Nederland (…), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als proces-verbaal van bevindingen van verbalisant:

(...)

Foto geld

Door collega [verbalisant 1] werd een foto aangetroffen in het bewijs bestand van een hand met een stapel geld hierin. De foto was aangetroffen in een WhatsApp chat tussen de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 4]. De foto bleek gemaakt op 21 november 2016, 09:21 uur. Op de foto zag ik een stapel van 12 briefjes van 50 euro. Bijgevoegd de betreffende foto, waarop ik vervolgens heb ingezoomd en de briefjes heb genummerd.

10. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met bijlagen van de tapgesprekken, (…), gesloten en getekend op 6 april 2017 door [verbalisant 1], hoofdagent, Generalist Tactische Opsporing werkzaam bij de Eenheid Midden-Nederland (…), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als proces-verbaal van bevindingen van verbalisant:

Opsporing Verzocht

Naar aanleiding van het onderzoek naar de woningoverval op 21 november 2016 aan de [a-straat 1] in [plaats] werd er op 7 maart 2017 een reconstructie van de overval getoond in het televisieprogramma Opsporing Verzocht.

Ook de beelden van de pintransacties, met de weggenomen bankpas van het slachtoffer in Weesp en Diemen werden hierbij uitgezonden.

(...)

Tapgesprekken

Naar aanleiding van de uitzending Opsporing Verzocht werden de telefoongesprekken van verdachte [verdachte] [telefoonnummer 1] en zijn vriendin [betrokkene 4] [telefoonnummer 5] vanaf 3 maart 2017 opgenomen en afgeluisterd.

(…)

Sessie 470: 7 maart 2017 om 23:14 uur: duur 00:01:31 uur

Hierin geeft NN2785 aan dat de ander Nnman1448 op internet moet kijken over wat er gebeurd is met [betrokkene 1], omdat hij op Opsporing Verzocht staat. Hij had het net gezien en ze zochten maar 1 dader. De ander moet maar op programma gemist kijken.

(…)

Sessie 480: 8 maart 2017 om 00:33 uur: duur 00:02:12 uur
Nnman1448 zegt wat een lul he. NN2785 geeft aan dat hij steeds verder met zijn harses erop gaat staan en het gelijk al zag met die kop van hem, helemaal paranoia.

NNman1448 zegt dat hij overal op staat met alles erop en eraan met pinnen. NN2785 zegt met die dikke oorbel, hij schoot onderuit dwars door de struiken, helemaal parra was ie.

* Opmerkelijk in het gesprek is dat NN2785 aangeeft: 'Hij schoot onderuit, dwars door de struiken, helemaal parra was ie.' De herkenning van [betrokkene 1] werd gedaan op de camerabeelden van de pintransactie van de ABN-AMRO bank in Diemen. Kennelijk spreekt verdachte [verdachte] hier over de camerabeelden van de pintransactie van de ING bank in Weesp. Hier waren namelijk struiken in beeld, waar de verdachte door heen rent. Of de verdachte pinner ‘parra’ was, was niet te zien op de beelden, want deze werden alleen van bovenaf opgenomen. Het gezicht van de verdachte kwam niet in beeld. Op de beelden van de ABN-AMRO bank waren geen struiken in beeld waar de verdachte door kon gaan.

Sessie 1184: 7 maart 2017 om 21:32 uur duur 00:05:29 uur

Nnvrouw7214 geeft aan dat zij onderweg naar huis was toen die opbelde en ze moest snel naar huis komen, want dat staat nu op Opsporing Verzocht en die gozer waar die mee was staat vol met zijn bek op de camera bij de pinautomaat. Vol herkenbaar. Hij is nu weg, hij is nu naar die gozer toe. Dus hij is meteen helemaal parra. Hij staat er misschien niet met zijn bek op, maar die andere gozer vol gas.

11. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, (…), genaamd proces-verbaal verplaatsing paallokaties naar Hilversum, gesloten en getekend op 12 april 2017 door [verbalisant 1], hoofdagent, Generalist Tactische Opsporing werkzaam bij de Eenheid Midden-Nederland (…), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als proces-verbaal van bevindingen van verbalisant:

(...)

Op de taplijn van verdachte [verdachte] bleek dat op 7 maart 2017 zijn telefoon verplaatste naar [plaats] richting Hilversum en weer terug tussen 20.43 uur en 21.22 uur. Dit was zichtbaar op de taplijn van het telefoonnummer *[telefoonnummer 1] en op de taplijn van het Imeinummer *[003] van de mobiele telefoon van verdachte [verdachte].

De aangehouden verdachte [betrokkene 1] verbleef op de [b-straat 1] in Hilversum ten tijde van de uitzending Opsporing Verzocht.

12. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, (…), gesloten en getekend op 24 april 2017 door [verbalisant 7], hoofdagent, Generalist Tactische Opsporing werkzaam bij de Eenheid Midden-Nederland (…), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als proces-verbaal van bevindingen van verbalisant:

(…)

Op 20 april 2017 werd in het politie cellencomplex vanuit de fouillering van verdachte [betrokkene 4] haar mobiele telefoon in beslag genomen voor nader onderzoek.

(…)

Ik zag in het menu instellingen, bij Icloud, de gebruikersnaam van [betrokkene 4] staan.

(...)

Ik zag in het toestel diverse sms-berichten stonden, onder meer van een contact met de naam [verdachte] met telefoonnummer [telefoonnummer 1].

(...)

Op woensdag 9 november (het hof begrijpt: 9 november 2016) werd om 13.50 uur het volgende bericht gestuurd: 'Zit al de hele dag met jas aan. Maar niks hoor maar zal die code krijgen.' (...)

Ik zag dat contact [verdachte] hierna de volgende berichten stuurde:

'Aanhouder zal winnen de beste manier erin en eruit.

Heel zachtjes iedere keer naar binnen pasje mee en later weer terug.

Ruk de hele rekening leeg.

(...)

Als ze der tasje in de woonkamer en altijd zelfde plek heeft moet het te doen zijn.

Zei slaapt helemaal links achterin.

Als eenmaal lukt en ze hoort eens wat voordat ze nest uit is benne alweer weg.’

(…)

In het proces-verbaal aangifte verklaarde aangeefster [slachtoffer] dat haar dochter een plattegrond van haar woonboot had gemaakt.

(...)

Op 27 november 2016 bezocht politieambtenaar [verbalisant 1] de woonboot van aangeefster [slachtoffer]. Van dit contact werd een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Achter dit proces-verbaal van bevindingen werd een plattegrond van de woonboot toegevoegd (bijlage 4).

Op beide tekeningen was te zien dat de slaapkamer van aangeefster [slachtoffer] aan de linkerachterzijde van de woonboot was gelegen.

13. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 7 december 2018 voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

(...)

Er is wel een plan gemaakt.

(...)

Het klopt dat er op mijn laptop foto’s zijn aangetroffen, waarop een hand is te zien met biljetten geld. Het klopt dat dit mijn hand is.

(...)

U houdt mij voor dat ik op de vorige zitting heb verklaard dat er wel een plan is gemaakt, maar dat ik niet mee ben geweest en dat medeverdachte het plan zou uitvoeren. Ik zou meedelen in de opbrengst en het was de bedoeling dat de pincodes zouden worden bemachtigd. Dat klopt, er zou gezocht worden naar het geheime briefje. Als u het zo leest, zegt u, dan heb ik het plan van A tot Z bedacht en heb ik medeverdachte op pad gestuurd. Dat klopt.’

6. Het bestreden arrest bevat de volgende overweging met betrekking tot het bewijs:

Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het eerste en tweede ten laste gelegde feit bepleit wegens het ontbreken van voldoende overtuigend bewijs. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet samen met medeverdachte [betrokkene 1] in de woning van aangeefster is geweest. Er moet worden uitgegaan van de verklaring van aangeefster tijdens het opstellen van de schriftelijke aangifte. Zij heeft op dat moment verklaard dat er maar één man binnen is geweest. Ook op beelden van Opsporing Verzocht spreekt zij slechts over één man.

Beoordeling door het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

Verklaring aangeefster

Aangeefster [slachtoffer] is op 21 november 2016 omstreeks 4.00 uur ’s nachts wakker geworden, waarna zij is opgestaan en oog in oog kwam te staan met twee gemaskerde mannen in haar woning. Zij heeft om 4.18 uur 112 gebeld en verklaard dat zij zojuist is overvallen door twee mannen. Omstreeks 4.30 uur kwamen verbalisanten ter plaatse, tegenover wie zij eveneens heeft verklaard dat er twee mannen in haar woning waren geweest. In haar aangifte heeft ze verklaard dat de man die op haar afliep riep: ‘oude rothoer ga naar je nest, met je gezicht naar de muur.’ Vervolgens vroeg hij meerdere malen om haar pincode.

Verklaring medeverdachte [betrokkene 1]

Medeverdachte [betrokkene 1] heeft op 24 april 2017 bij de politie een verklaring afgelegd. In deze verklaring heeft [betrokkene 1], ook in zijn nadeel, meer verklaard dan al bij de politie bekend was. Die verklaring van [betrokkene 1] wordt op een aantal belangrijke punten ondersteund door ander bewijsmateriaal. Het hof acht die verklaring daarom betrouwbaar. [betrokkene 1] heeft toen verklaard dat hij samen met een andere man (waarvan hij bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat dat verdachte was) een diefstal met geweld heeft gepleegd op een oudere dame in een woonboot. Die man beschikte over een sleutel van de voordeur. Ze gingen naar binnen en doorzochten de woonkamer, totdat zij hoorden dat de bewoonster met haar rollator naderde. De andere man liep hierop de gang in en stuurde de vrouw terug naar de slaapkamer. Die man zei op een dreigende toon tegen de vrouw dat zij haar pincode moest geven. [betrokkene 1] heeft een sieradendoosje meegenomen en de andere man de handtas. Vervolgens zijn zij samen naar pinautomaten gereden en heeft [betrokkene 1] geld, in totaal € 1.250,00 gepind. Bij een tankstation hebben zij voor ongeveer € 50,00 aan sigaretten gekocht en de rest van het geld is verdeeld.

Telefoon verdachte

Uit de stukken in het dossier volgt dat verdachte op de dag van de overval om 7.18 uur en om 9.21 uur foto’s via WhatsApp heeft rond verstuurd naar twee verschillende personen. Op de foto’s is een hand te zien die meerdere bankbiljetten van € 50,00 vast houdt. Een verbalisant heeft in een proces-verbaal van bevindingen van 26 juni 2017 gerelateerd dat het om 12 bankbiljetten van € 50,00 gaat. In totaal dus om een bedrag van € 600,00. Uit de WhatsApp berichten blijkt dat een persoon om 7.17 uur ‘Ennnnnn?’ naar verdachte heeft gestuurd. Een minuut later heeft verdachte hierop met de woorden ‘Maar paar honderd verdient hoor je nog wel’ gereageerd, waarna hij de foto van de bankbiljetten van € 50,00 verstuurd. Uit de WhatsApp berichten blijkt voorts dat verdachte na het versturen van een van de foto’s zegt dat hij € 650,00 cash had.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat op de foto wel zijn hand staat, maar dat hij niet de gepinde € 600,00 van de overval vasthoudt. Hij kon evenwel geen aannemelijke verklaring geven voor de herkomst van het geld en waarom hij juist op dat tijdstip de foto van het geld heeft gestuurd.

Gelet op bovenstaande (en andere eventueel in de aanvulling op te nemen bewijsmiddelen) acht het hof vaststaan dat verdachte samen met [betrokkene 1] ’s nachts de woonboot is binnen gegaan, dat hij op aangeefster is afgelopen, haar heeft uitgescholden, haar naar haar bed heeft gestuurd, opgedragen heeft dat zij met haar gezicht naar de muur moest gaan liggen, op dreigende toon heeft gezegd dat zij haar pincode moest geven, waarna verdachte en [betrokkene 1] met onder andere de handtas en passen van aangeefster de boot hebben verlaten en met één van de passen van aangeefster zijn gaan pinnen.

Dat aangeefster later heeft verklaard dat zij niet twee mannen (zoals zij aanvankelijk verklaarde), maar slechts één man in haar woonboot heeft gezien, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Kennelijk kon zij het door haar leeftijd en tijdsverloop zich niet goed meer herinneren en mogelijk heeft zij medeverdachte [betrokkene 1] niet (goed) gezien, omdat toen zij de woonkamer naderde, verdachte meteen op haar is afgelopen en haar opgedragen heeft terug naar haar bed te gaan en met haar gezicht naar de muur te gaan liggen.

Verdachte – die zich bij de politie op zijn zwijgrecht heeft beroepen, heeft bij de rechtbank verklaard dat hij er niets mee te maken had en bij het hof heeft hij beweerd dat hij wel met de planning te maken had, maar niet in de woonboot is geweest – heeft naar het oordeel van het hof niet geloofwaardig verklaard en slechts getracht zijn aandeel zo klein mogelijk te maken en getracht ter profiteren van de niet consistente verklaring van aangeefster.

Mede gelet op het overige bewijsmateriaal ziet het hof ook geen reden om aan de verklaringen van [betrokkene 1] te twijfelen.

Het hof acht niet aannemelijk dat [betrokkene 1] de overval samen met een ander dan verdachte heeft gepleegd en daarna bij banken met de buitgemaakte pas is gaan pinnen. Door de verdediging is aangevoerd dat uit het door haar gepresenteerde schema van tijdstippen van handelingen, reistijden en van afstanden zou volgen dat de verklaring van [betrokkene 1] niet kloppen en verdachte (ook) niet [betrokkene 1] heeft vergezeld bij het pinnen. Maar, zoals ook uit het voorgaande blijkt, heeft het hof uit de bewijsmiddelen het tegendeel afgeleid. Daar komt onder meer bij, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt, dat onder meer omtrent het door [betrokkene 1] genoemde tijdstip waarop hij in Hilversum is aangekomen onvoldoende is komen vast te staan.

Uit het bovenstaande volgt dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] ten aanzien van zowel de diefstal met bedreiging met geweld (feit 1) als ten aanzien van het pinnen van het geld met de gestolen bankpas (feit 2).’

7. Art. 312 Sr luidt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – als volgt:

‘1. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

2. Gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd:

1°. indien het feit wordt gepleegd hetzij gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning (…);

2°. indien het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

(…)’

8. Het bestanddeel ‘bedreiging met geweld’ komt niet alleen in art. 312 Sr voor. In art. 285 Sr is de bedreiging met (nader omschreven) geweld zelfstandig strafbaar gesteld. Van afpersing, strafbaar gesteld in art. 317 Sr, kan sprake zijn als iemand door geweld of bedreiging met geweld wordt gedwongen tot afgifte van een goed (etc.). In de artikelen 242 en 246 Sr komt het bestanddeel eveneens voor. Ook de rechtspraak inzake deze en andere strafbaarstellingen waarin dit bestanddeel voorkomt, kan voor de interpretatie van het bestanddeel ‘bedreiging met geweld’ in art. 312 Sr van belang zijn.

9. De interpretatie van ‘bedreiging met geweld’ in de context van diefstal was aan de orde in HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6967, NJ 2009/499. De verdachte had samen met een medeverdachte op het eiland Curaçao een overval gepleegd op een filiaal van de Girobank. Het Gemeenschappelijk Hof had vastgesteld dat de twee overvallers gekleed in donkerblauwe overalls, hun hoofden en gezichten bedekt met mutsen waarin ooggaten waren aangebracht de bank binnen waren gestormd, dat één van de daders een beveiligingsmedewerker een duw gaf, dat één van hen naar een beveiligingsmedewerker richtte en naar hem wees met zijn linkerhand, dat één van hen een portofoon uit de handen van een beveiligingsmedewerker rukte, dat één van hen riep ‘Iedereen stil blijven staan’, en dat één van de aanwezigen heeft verklaard dat zij bang was toen ze de bankovervallers zag. Op grond van die vaststellingen had het hof ‘bedreiging met geweld’ in de zin van art. 325, eerste lid, SrNA bewezenverklaard. De delictsomschrijving in dat artikellid komt overeen met die van art. 312, eerste lid, Sr. In cassatie werd geklaagd dat het hof aan het begrip ‘bedreiging met geweld’ een te ruime uitleg had gegeven. Uw Raad oordeelde dat gelet op de vaststellingen van het hof het oordeel dat sprake was van ‘bedreiging met geweld’ in de zin van genoemd artikel geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij overwoog Uw Raad:

‘Immers van bedreiging met geweld kan ook sprake zijn indien de daders een dermate dreigende situatie hebben gecreëerd, dat de vrees van de slachtoffers voor geweld van hun zijde gerechtvaardigd is (vgl. HR 22 maart 1988, LJN AD0225, NJ 1988, 785). De bewezenverklaring is toereikend gemotiveerd.’1

10. Het door Uw Raad genoemde arrest, HR 22 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0225, NJ 1988/785 m.nt. Van Veen, betrof een veroordeling wegens verkrachting. De verdachten waren met de twee slachtoffers naar een afgelegen plek op een industrieterrein gereden en hadden, in de bewoordingen van het hof, ‘mede door de onverbiddelijke doelgerichtheid van hun gedragingen waarbij geen spoor van mededogen met de meisjes werd getoond, een situatie geschapen waarvan voor deze meisjes de dreiging uitging dat als zij niet zouden toegeven, geweld van de kant van de verdachten hun deel zou zijn’. Uw Raad verwierp het middel met een overweging die in de kern gelijkluidend was aan die welke in het voorgaande randnummer is geciteerd.2

11. Bij afpersing wordt het bestanddeel ‘bedreiging met geweld’ eveneens ruim uitgelegd. In HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:207, NJ 2015/245 m.nt. Reijntjes was afpersing van en diefstal met geweld jegens een pizzakoerier bewezenverklaard. Uw Raad leidde uit ‘s hofs vaststellingen af dat de pizzakoerier ’s avonds naar een adres met een niet bestaand huisnummer was gelokt, dat de daders hem daar op straat met een paar man hadden opgewacht, dat twee van hen hun gelaat hadden bedekt en dus kennelijk niet herkend wilden worden, en dat zij de pizzakoerier op agressieve wijze hadden gezegd dat hij geld moest geven. Uw Raad overwoog dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met geweld vereist is ‘dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat geweld jegens hem zou worden uitgeoefend’ en dat ’s hofs oordeel dat van bedreiging met geweld in deze zin sprake was ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk was.3 Hofstee wijst er nog op dat het geweld of de bedreiging met geweld bij afpersing (anders dan bij art. 312 Sr) niet iemand in persoon behoeft te betreffen.4

12. De stellers van het middel wijzen er in de toelichting op dat de tenlastelegging van feit 1 ook inhield dat de bedreiging met geweld erin bestond dat verdachte en/of zijn mededader aangeefster [slachtoffer] ‘één of meerdere stok(ken) heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of in haar richting heeft/hebben gehouden’ en dat het hof de verdachte daarvan partieel heeft vrijgesproken. En zij menen dat de bewezenverklaarde uitlatingen niet (zonder meer) kunnen worden aangemerkt als een bedreiging met geweld. Uit de bewezenverklaarde gedragingen zou niet volgen dat een dermate dreigende situatie is gecreëerd dat de vrees van het slachtoffer voor geweld van de zijde van de daders gerechtvaardigd was. De stellers van het middel wijzen er daarbij op dat de verdachten aangeefster niet hebben aangeraakt en dat zij geen spullen uit haar handen hebben getrokken.

13. Het hof heeft op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte samen ’s nachts de woonboot binnen zijn gegaan en dat de verdachte ‘op aangeefster is afgelopen, haar heeft uitgescholden, haar naar haar bed heeft gestuurd, opgedragen heeft dat zij met haar gezicht naar de muur moest gaan liggen (en) op dreigende toon heeft gezegd dat zij haar pincode moest geven’. Voorts heeft het hof blijkens de bewijsmiddelen vastgesteld dat verdachte en de medeverdachte geheel in het zwart waren gekleed en dat zij gemaskerd waren (bewijsmiddelen 1-3).

14. De combinatie van uitlatingen heeft reeds een bedreigend karakter. Door aangeefster uit te maken voor ‘oude rothoer’ maakte de verdachte duidelijk dat zij voor hem een zeer minderwaardig persoon was, door haar op te dragen op bed te gaan liggen met haar gezicht naar de muur maakte hij duidelijk dat zij had te doen wat hij zei, en door meerdere malen te vragen naar haar pincode maakte hij aangeefster duidelijk dat passief blijven niet volstond. Daar komt de toon van de uitlatingen bij: tegen aangeefster werd gescholden (bewijsmiddel 1), geroepen (bewijsmiddel 2) dan wel geschreeuwd (bewijsmiddelen 3, 6). Wat de omstandigheden betreft is het in het zwart gekleed gaan en in het bijzonder het dragen van maskers bedreigend, mede omdat de kleinere kans op herkenning een ontremmend effect op de dader kan hebben. Ik merk daarbij op dat het slachtoffer 92 jaar oud was en blijkens de bewijsmiddelen met een rollator liep. Zij had tegen eventuele geweldsuitoefening derhalve geen verweer, terwijl zij ook van een betrekkelijk geringe geweldsuitoefening al ernstige lichamelijke gevolgen had te vrezen. Het slachtoffer heeft ook verklaard dat zij ‘heel erg bang’ was en zich ‘niet meer (durfde) te bewegen’ (bewijsmiddel 1) en dacht dat ze zouden terugkomen (bewijsmiddel 3). Al met al blijkt uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden dat de verdachte en de medeverdachte een dermate dreigende situatie hebben gecreëerd, dat bij aangeefster in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat geweld jegens haar zou worden uitgeoefend. Het hof heeft de bewezenverklaring van ‘bedreiging met geweld’ uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden. En het hof heeft de bewezenverklaring op dit punt ook overigens toereikend gemotiveerd.

15. Het eerste middel faalt.

16. Het tweede middel klaagt over schending van de redelijke termijn, in het bijzonder de inzendingstermijn.

17. Namens de verdachte is op 2 januari 2019 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 23 augustus 2019 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De klacht dat de stukken niet tijdig, te weten binnen zes maanden5 na het instellen van beroep in cassatie, naar de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden, zodat de redelijke termijn is geschonden, slaagt. De inzendingstermijn is met afgerond twee maanden overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

18. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Het tweede middel slaagt.

19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.6

20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie ook Hofstee, Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 4 bij art. 312 Sr (bijgewerkt t/m 9 oktober 2019).

2 Zie over het bestanddeel ‘bedreiging met geweld’ in art. 242 Sr nader Machielse, Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 1 bij art. 242 Sr (bijgewerkt t/m 15 oktober 2018).

3 Vgl. over het bestanddeel ‘bedreiging met geweld’ bij afpersing ook de conclusie van A-G Machielse voorafgaand aan HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1296. Machielse wijst daarbij op verschillen met art. 285 Sr, en geeft onder verwijzing naar HR 28 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD1118, NJ 1995/454 en HR 2 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1188 aan dat bij art. 317 Sr ‘het oproepen van een dreigende sfeer voldoende’ is (randnummer 3.5). Het verschil met art. 285 Sr zit er vooral in dat het ‘geweld’ waarmee bedreigd moet zijn een veel ruimer begrip is.

4 Hofstee, Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 6 bij art. 317 Sr (bijgewerkt t/m 9 oktober 2019).

5 De inzendingstermijn in cassatie is (onder meer) op zes maanden gesteld indien de verdachte in verband met de zaak waarin cassatieberoep is ingesteld in voorlopige hechtenis verkeert. Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.3. Uit het overzicht van de historische detentiegegevens van de verdachte blijkt dat hij zich ten tijde van het instellen van het cassatieberoep in voorlopige hechtenis bevond in verband met de onderhavige zaak.

6 Aangezien de verdachte ten tijde van de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv was gedetineerd geldt dat de redelijkheid van de behandelingstermijn in cassatie op zestien maanden is gesteld. Zie in dit verband ook de conclusie van A-G Hofstee van 4 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:91 onder 20, alsmede HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:BF3301.