Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:188

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-03-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
18/03449
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:868
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

CAG over vordering benadeelde partij wegens immateriële schade. Het oordeel van het hof dat de verdachte het oogmerk had om dergelijke schade toe te brengen, als bedoeld in art. 6:106 onder a BW, is volgens de AG onvoldoende begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0287
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03449

Zitting 10 maart 2020

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 10 april 2018 door het gerechtshof Amsterdam vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde en wegens 1. en 2. telkens “poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van het voorarrest. Verder heeft het hof de vorderingen van vier benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen en aan de verdachte vier schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, één en ander zoals nader in het arrest omschreven.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld[1] namens de verdachte en mr. B.J.W. Tijkotte, advocaat te Koog aan de Zaan, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt over de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, in het bijzonder dat het oordeel van het hof dat de verdachte het oogmerk had tot het toebrengen van nadeel als bedoeld in art. 6:106, eerste lid, aanhef en onder a, (oud) BW onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.

    3.1 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

    “1 primair:

    hij op 03 december 2007 in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant 1] (brigadier van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland) en [verbalisant 2] (hoofdagent van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

    - met een (personen)auto in de richting van de dienstauto waarin voornoemde [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zaten is gereden en heeft getracht voornoemde dienstauto waarin voornoemde [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zaten aan te rijden;

    2 primair:

    hij op 03 december 2007 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant 3] (hoofdagent van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland) en [verbalisant 4] (hoofdagent van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland), zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een personenauto met aanmerkelijke snelheid tegen de dienstauto, waarin voornoemde [verbalisant 3] en [verbalisant 4] zaten, is gereden of gebotst en voornoemde dienstauto heeft geraakt.”

    3.2Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv. De aanvulling op het verkorte arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

    “I.

    Een proces-verbaal van bevindingen van 4 december 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (doorgenummerde p. 20-23). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als bevindingen en/of verrichtingen van evengenoemde verbalisanten, of van één van hen:

    (…)

    De verdachte sloeg rechtsaf een landweg in. Op een afstand van 150 meter reden wij achter het voertuig aan over landwegen in de buurt van Krommenie-Assendelft. Vervolgens raakten wij, verbalisanten, de verdachte door een lange bocht even uit het zicht en zagen ineens, toen wij weer uit de bocht kwamen, dat de verdachte 180 graden keerde door een verharde uitsparing in de weg. Wij zagen vervolgens dat de verdachte volop ons inreed. Hierop moest ik, [verbalisant 1] , naar rechts uitwijken. Wij wisten een aanrijding te voorkomen.

    II.

    Een proces verbaal van aangifte van 16 december 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (doorgenummerde p. 1-3). Dit proces-verbaal houdt – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 16 december 2007 door aangever [verbalisant 1] ten overstaan van de genoemde verbalisant afgelegde verklaring:

    (…) Door een lange bocht had ik de verdachte even niet in het zicht. Toen ik hem in het zicht kreeg zag ik dat hij op ons af kwam rijden. Hij reed op een smalle landweg ongeveer 60 kilometer per uur. Hij reed recht op ons af. Ik dacht dat hij koste wat het kost wilde ontkomen, wat de gevolgen hiervan ook zouden zijn. Om een aanrijding te voorkomen heb ik mijn voertuig met twee wielen rechts de berm ingereden. Had ik dit niet gedaan, waren de gevolgen niet te overzien. Dan had er zeer waarschijnlijk een zware aanrijding plaatsgevonden met zwaar gewonden en of mogelijk dodelijk afloop tot gevolg.

    III.

    Een proces-verbaal van aangifte van 17 december 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (doorgenummerde p. 7-10). Dit proces-verbaal houdt – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 16 december 2007 door aangever [verbalisant 2] ten overstaan van de genoemde verbalisant afgelegde verklaring:

    (…) Bij het uitkomen van een bocht zie ik dat het gesignaleerde voertuig bij een uitsparing in de weg heeft gekeerd en onze kant oprijdt. Wij reden op dat moment op een smalle landweg. Ik zag dat de bestuurder van het gesignaleerde voertuig in tegengestelde richting op ons af komt rijden. Door de smalheid van de weg is mijn collega [verbalisant 1] gedwongen ons voertuig de berm in rijden om een frontale aanrijding met alle gevolgen van dien te voorkomen. (…)

    IV,

    Een proces-verbaal van bevindingen van 4 december 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (doorgenummerde p. 16-19). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als bevindingen en/of verrichtingen van evengenoemde verbalisanten, of van één van hen:

    (…) Ik, verbalisant [verbalisant 3] , heb vervolgens het gesignaleerde voertuig aan de rechterzijde ingehaald. (…) Hierop ben ik met het dienstvoertuig voor het gesignaleerde voertuig gaan rijden. Ik heb vervolgens de weg geblokkeerd door met het dienstvoertuig schuin op de weg te gaan staan, met de neus naar de middenberm gericht. Het betrof een weg met vier rijstroken, met in het midden een verhoogde berm. Wij, verbalisanten, voelden en hoorden vervolgens een harde klap. Wij voelden en zagen dat wij aan de linker achterzijde van het dienstvoertuig kennelijk opzettelijk met snelheid werd aangereden door de verdachte.

    V.

    Een proces-verbaal van aangifte van 16 december 2007 met nummer 2007326962-11, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (doorgenummerde p. 4-6). Dit proces-verbaal houdt – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 16 december 2007 door aangever [verbalisant 3] ten overstaan van de genoemde verbalisant afgelegde verklaring:

    (…) Terwijl wij nog aan het afremmen waren en reden voor het voertuig van de verdachte voelden en hoorden wij een enorme klap. Wij zagen dat de verdachte opzettelijk tegen de linker achterzijde van ons voertuig aan was gereden. Door deze enorme klap verplaatste mijn auto zich naar rechts. De verdachte moet hebben geweten dat hij met zijn gedrag, en het opzettelijk aanrijden van ons voertuig, ons zwaar lichamelijk letsel had kunnen toebrengen.

    VI.

    Een proces-verbaal van aangifte van 9 januari 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (doorgenummerde p. 11 -14). Dit proces-verbaal houdt – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 9 januari 2008 door aangever [verbalisant 4] ten overstaan van de genoemde verbalisant afgelegde verklaring:

    (…) Ik zag dat de bestuurder van de Opel Combo (…) doorreed kennelijk met de bedoeling om ons voertuig te rammen. Ik hoorde en voelde linksachter een klap, waardoor ons voertuig opzij schoof. Ik had niet verwacht dat de bestuurder op ons in zou rijden. (…)”

    3.3Verder bevat het arrest, voor zover hier van belang, de volgende bewijsoverweging:

    “Het hof verwerpt de verweren en overweegt hieromtrent als volgt.

    (…) [verbalisant 1] en [verbalisant 2] haalden de auto in en gaven de bestuurder een stopteken, waar geen gehoor aan werd gegeven. Hierop hebben zij het zwaailicht en de geluidssignalen van hun politievoertuig in werking gesteld. Vervolgens trachtten [verbalisant 4] en [verbalisant 3] de Opel Combo tot stilstand te brengen, waarop hun politievoertuig aan de linker achterzijde met een harde klap door de Opel Combo werd aangereden. Na een achtervolging op landwegen in de omgeving van Krommenie en Assendelft hadden [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de Opel Combo door een lange bocht met in zicht. Toen zij hem weer in zicht kregen zagen zij dat hij recht op hun dienstvoertuig afreed, waarbij [verbalisant 1] en [verbalisant 2] noodgedwongen moesten uitwijken om een aanrijding te voorkomen. (…)

    (…)

    Uit het samenstel van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder hij deze heeft begaan, zoals één en ander blijkt uit het voorgaande en de te bezigen bewijsmiddelen, die bij een eventueel ingestelde cassatieberoep nog opgenomen zullen worden, leidt het hof af dat de verdachte minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de betrokken politieambtenaren zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.”

    3.4Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen houdt het bestreden arrest het volgende in:

    “De politieambtenaren [verbalisant 2] , [verbalisant 1] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben zich als benadeelde partijen in onderhavig strafproces gevoegd en daarbij een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten. De vorderingen tot vergoeding van immateriële schade van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] bedragen elk € 300 terwijl de vorderingen voor deze kosten van [verbalisant 3] en [verbalisant 4] € 1.700 respectievelijk € 500 bedragen. In hoger beroep zijn deze vorderingen opnieuw aan de orde.

    De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

    De vorderingen van de benadeelde partijen zijn door de raadsvrouw van de verdachte betwist. Daartoe is in de kern aangevoerd dat voor toewijzing is vereist dat sprake is van geestelijk letsel, hetgeen niet uit de onderbouwing van de vorderingen van de benadeelde partijen is gebleken.

    Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

    Vast staat dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partijen, welk onrechtmatig handelen hem kan worden toegerekend. Immers, bewezen is verklaard dat de verdachte zich strafbaar heeft gemaakt aan telkens een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verdachte is derhalve verplicht de door de benadeelde partijen geleden schade die zij dientengevolge hebben geleden, te vergoeden. De door de benadeelde partijen geleden schade is naar het oordeel van het hof ter hoogte van de hieronder vermelde bedragen het rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde feiten, als bedoeld in art. 361 lid 2 aanhef en sub b Sv. Artikel 6:95 BW bepaalt dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. Artikel 6:106 BW geeft hiervoor een nadere regeling. Het eerste lid luidt, voor zover hier relevant:

    ‘1. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

    a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;

    b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.’

    Het hof is van oordeel dat de benadeelde partijen voldoende concrete feiten en omstandigheden hebben aangevoerd die maken dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om jegens de benadeelde partijen ander nadeel dan vermogensschade toe te brengen, wat er ook zij van het betoog van de raadsvrouw waarin de vraag is voorgelegd -naar het hof begrijpt- of sprake is van geestelijk letsel en in hun persoon zijn aangetast in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en sub b BW.

    Immers, bewezen is verklaard, kort gezegd, dat de verdachte op de benadeelde partijen, die zich in hun dienstvoertuigen bevonden, is aangereden en/of ingereden, waarbij de benadeelde partijen ternauwernood zijn ontkomen aan het oplopen van zwaar lichamelijk letsel. Door aldus te handelen, namelijk opzettelijk een situatie te scheppen waarin de benadeelde partijen ernstig dienden te vrezen voor hun gezondheid heeft de verdachte met het vereiste oogmerk, als bedoeld in art. 6:106 lid 1 aanhef en sub a BW, gehandeld. De door de slachtoffers ondervonden schrik en angst betreft nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, als bedoeld in dat artikel. Het hof leidt uit het voorgaande dan ook af dat de benadeelde partijen in aanmerking komen voor een schadevergoeding.

    Voor toewijzing van de vorderingen tot schadevergoeding is voldoende dat feiten worden gesteld en komt vast te staan waaruit in het algemeen het geleden zijn van de schade kan worden afgeleid (vgl. HR 9 december 2011, ECLI:HR:2011:BR5211). Bij de begroting van de naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden. De begroting is voorts voorbehouden aan de feitenrechter die niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast (vgl. HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8358). De benadeelde partijen hebben concreet onderbouwd en aangevoerd dat de gebeurtenissen een grote impact hebben gehad op hun persoonlijk leven.

    Gelet op het vorenoverwogene lenen de vorderingen van de benadeelde partijen [verbalisant 3] en [verbalisant 4] zich elk - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 500. De vordering van de benadeelde partijen [verbalisant 2] en [verbalisant 1] lenen zich elk voor toewijzing van een bedrag ter hoogte van € 300.

    Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 3] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan zij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

    Om te bevorderen dat de geleden immateriële schade door de verdachte worden vergoed, zal het hof ten aanzien van elk van de toegewezen vorderingen tot schadevergoeding de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”

    3.5 Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het oordeel van het hof dat de verdachte door opzettelijk een situatie te scheppen waarin de benadeelde partijen ernstig dienden te vrezen voor hun gezondheid heeft gehandeld met het vereiste oogmerk als bedoeld in art. 6:106, eerste lid, onder a, (oud) BW onbegrijpelijk is. Enerzijds lijkt dit oordeel volgens de steller van het middel strijdig met het oordeel van het hof dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Anderzijds heeft het hof volgens de steller van het middel miskend dat voor toekenning van een schadevergoeding op de voet van art. 6:106, eerste lid, onder a, (oud) BW vereist is dat het oogmerk van de aansprakelijke persoon specifiek gericht moet zijn op het toebrengen van de schade, terwijl daarvan in deze zaak niet is gebleken.

    3.6 Art. 6:106 BW luidt thans[2], voor zover hier van belang, als volgt:

    “Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

    a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;

    b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;

    c. indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam.”

    3.7Ten aanzien van de onder a vermelde grond voor vergoeding van immateriële schade houdt de Toelichting-Meijers het volgende in:

    “Sub a wordt het geval genoemd dat de aangesprokene het oogmerk had de ideële schade zoals deze door de benadeelde is geleden, toe te brengen. Ons huidige wetboek kent niet deze schuldvorm als zelfstandige grond voor toekenning van een vergoeding voor ideëel nadeel. Vooral met het oog op de tweede, in de vorige alinea genoemde functie van de vergoeding voor ideëel nadeel – bevrediging van het geschokte rechtsgevoel – zal onder omstandigheden het feit dat de aangesprokene zich als doel had gesteld aan een ander dit ideële nadeel toe te brengen, rechtvaardigen dat aan de benadeelde een vergoeding daarvoor wordt toegekend; men denke aan het geval dat iemand eens anders, slechts geringe marktwaarde hebbende zaak vernielt met het oogmerk die ander te treffen in de grote affectieve waarde die de zaak voor deze had.”[3]

    3.8 Verder houdt de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer het volgende in:

    “Ten aanzien van het onder a bepaalde hebben de meeste leden van de Commissie zich afgevraagd of het regelen van dit geval nut heeft, waarbij zij betwijfelden of het geval zich in de praktijk vaak (bewijsbaar) zal voordoen. De ondergetekende verwacht inderdaad niet dat dit zo zal zijn, maar het zou anderzijds onbevredigend zijn juist hier de mogelijkheid van genoegdoening uit te sluiten. Men denke aan een dader die onder invloed van emoties, opgewekt door het verbreken van een huwelijk of andere intieme relatie zijn (gewezen) partner tracht te treffen door het vernielen van een zaak waaraan voor deze affectiewaarde is verbonden. Ook kan men denken aan het opzettelijk frustreren van een rechtspersoon met een ideëel doel in de verwezenlijking daarvan, een geval dat niet steeds onder de bepaling onder b zal zijn te brengen.”[4]

    3.9 In de rechtspraak van de Hoge Raad is deze grond voor vergoeding van immateriële schade een enkele keer aan de orde gekomen, namelijk in het arrest van de civiele kamer van 26 oktober 2001. In deze zaak had het hof vastgesteld dat de man zijn kind om het leven had gebracht met het oogmerk aan de vrouw leed toe te brengen. De Hoge Raad overwoog:

    “Art. 6:95 BW bepaalt dat schade die bestaat in ander nadeel dan vermogensschade slechts kan worden vergoed voorzover de wet op vergoeding daarvan recht geeft. In art. 6:106 BW is vervolgens aangegeven in welke gevallen een recht op vergoeding van immateriële schade bestaat. Het Hof heeft geoordeeld – welk oordeel naar uit het hierna overwogene zal blijken in cassatie tevergeefs wordt bestreden – dat R. bij de door hem gepleegde daad het oogmerk had nadeel dat niet in vermogensschade bestaat toe te brengen aan Van de W. Op deze situatie is art. 6:106 lid 1, aanhef en onder a BW, direct van toepassing. Blijkens de geschiedenis van haar totstandkoming strekt deze bepaling in het bijzonder ertoe het geschokte rechtsgevoel te bevredigen. Daarbij is bijvoorbeeld gedacht aan het beschadigen of vernielen van een zaak met het oogmerk daarmee immateriële schade toe te brengen (Parl. Gesch. Boek 6, blz. 380). Eens te meer zal dan ook in een geval als het onderhavige dienen te gelden dat aanspraak op vergoeding van immateriële schade bestaat.”[5]

    3.10 In de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis wordt de vraag wanneer sprake is van oogmerk in de zin van art. 6:106, onder a, BW niet beantwoord. Wel wordt daaruit duidelijk dat de verwachting is dat dit oogmerk zich niet vaak bewijsbaar zal voordoen. Dat wordt ook bevestigd in de literatuur. Zo zal een beroep op art. 6:106, onder a, BW volgens Elsen zelden of nooit slagen, omdat het dubbele bewijs, namelijk a. de opzet van de aansprakelijke persoon en b. dat de opzet was gericht op het veroorzaken van immaterieel leed bij de benadeelde, bijna nooit te leveren zal zijn.[6]

    3.11 Vranken merkt in zijn noot onder het hiervoor aangehaalde arrest op dat de eis dat het oogmerk gericht moet zijn op het toebrengen van immateriële schade uitstijgt boven het opzettelijk plegen van een onrechtmatige daad of wanprestatie, omdat ook als er opzet in het spel is dit in de overgrote meerderheid van de gevallen nog niet wil zeggen dat de daad gepleegd is met het oogmerk de ander immateriële schade te berokkenen. Oogmerk is specifieker en beperkter dan opzet en ook moeilijker te bewijzen, aldus Vranken.[7]

    3.12 Lindenbergh[8] schrijft dat het bereik van art. 6:106, onder a, BW sterk wordt beperkt door de eis dat sprake moet zijn van oogmerk, de zwaarste vorm van opzet. Bovendien vergt de bepaling dat het oogmerk specifiek is gericht op het toebrengen van immateriële schade, hetgeen zich zelden bewijsbaar zal voordoen. Volgens Lindenbergh kan bij toepassing van deze bepaling onder meer worden gedacht aan telefoonterreur, ernstige pesterijen, het opgeven van fictieve overlijdensadvertenties of seksadvertenties, beschadiging van zaken met het oogmerk de gerechtigde te kwetsen en ernstige gevallen van bedreiging.

    3.13 Volgens Langemeijer kan bij het in art. 6:106, onder a, BW genoemde geval worden gedacht aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Het oogmerk kan zijn gericht op het bewerkstelligen van angst bij het slachtoffer voor iets dat hemzelf of een van zijn naasten zal worden aangedaan. De doorgemaakte angst gedurende de bedreiging vormt op zichzelf al een immaterieel nadeel aldus Langemeijer, maar de psychische gevolgen kunnen voortduren nadat de oorzaak van de dreiging is weggenomen.[9]

    3.14 Schipper merkt op dat in de rechtspraak niet onomstotelijk vaststaat wanneer wordt voldaan aan het oogmerkvereiste van art. 6:106, onder a, BW. Zij betoogt dat wanneer bedreiging of belaging wordt bewezenverklaard ook het oogmerk om nadeel toe te brengen kan worden bewezen. Voor delicten waarbij het aanjagen van vrees meer dan een marginale rol speelt, zou de rechtsgrond van art. 6:106, onder a, BW volgens Schipper dan ook een belangrijkere functie kunnen dienen dan er tot op heden aan wordt toegedicht.[10]

    3.15 In deze zaak heeft het hof geoordeeld dat de verdachte door opzettelijk in te rijden op het ene politievoertuig en opzettelijk aan te rijden tegen het andere politievoertuig opzettelijk een situatie heeft geschapen waarin de benadeelde partijen ernstig dienden te vrezen voor hun gezondheid. Tegen dat oordeel valt mede in het licht van de bewijsvoering van het hof weinig in te brengen. De vraag is echter of dat toereikend is voor het oordeel dat de verdachte het oogmerk had de benadeelde partijen ander nadeel dan vermogensschade toe te brengen.

    3.16 In dat kader merk ik op dat de omstandigheid dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de politieambtenaren zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen naar mijn mening op zich niet in de weg staat aan het oordeel van het hof dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk als bedoeld in art. 6:106, onder a, BW. Het enkele feit dat men voorwaardelijk opzet heeft op het gevolg van zijn handelen sluit immers geenszins uit dat men heeft gehandeld met het oogmerk een ander nadeel dat niet in vermogensschade bestaat toe te brengen. Ook de omstandigheid dat het inrijden op het ene politievoertuig en het aanrijden tegen het andere politievoertuig in deze zaak is gekwalificeerd als poging tot zware mishandeling en niet als bedreiging, staat op zich niet in de weg aan het oordeel van het hof.[11]

    3.17 Het oordeel van het hof dat de verdachte opzettelijk een situatie heeft geschapen waarin de benadeelde partijen ernstig dienden te vrezen voor hun gezondheid kan op zichzelf genomen echter niet de conclusie dragen dat de verdachte het oogmerk had de benadeelde partijen ander nadeel dan vermogensschade toe te brengen. Het enkele feit dat een onrechtmatige daad opzettelijk is gepleegd, is daarvoor immers niet voldoende. Ook noodzakelijkheids­bewustzijn, in die zin dat de verdachte besefte of moet hebben beseft dat zijn handelen als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich bracht dat de benadeelde partijen immateriële schade zouden bekomen, lijkt mij in het licht van de wetsgeschiedenis onvoldoende voor het aannemen van oogmerk in de zin van art. 6:106, onder a, BW.[12]

    3.18 Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte door opzettelijk een situatie te scheppen waarin de benadeelde partijen ernstig dienden te vrezen voor hun gezondheid heeft gehandeld met het oogmerk de benadeelde partijen ander nadeel dan vermogensschade toe te brengen echter niet (nader) gemotiveerd. Meer in het bijzonder heeft het hof niet vastgesteld dat de verdachte zich ten doel had gesteld de benadeelde partijen ander nadeel dan vermogensschade toe te brengen. Integendeel, uit de strafmotivering van het hof komt een heel ander motief van de verdachte naar voren. Deze houdt namelijk onder meer in:

    • “Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij koste wat het kost wilde ontkomen aan de politie en daarbij slechts zijn eigen vlucht en belangen voor ogen heeft gehad, zonder zich daarbij te bekommeren om de gezondheid van de politieambtenaren.”[13]

    3.19 Gelet op het voorgaande komt het oordeel van het hof dat de verdachte het oogmerk had de benadeelde partijen ander nadeel dan vermogensschade toe te brengen mij niet zonder meer begrijpelijk voor. Daarover klaagt het middel terecht.

    3.20 Het middel slaagt.

  4. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, aangezien de stukken van het geding niet tijdig naar de griffie van de Hoge Raad zijn verzonden.

    4.1 Namens de verdachte is op 13 april 2018 cassatieberoep ingesteld. De stukken van het geding zijn op 27 november 2018 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De stukken zijn daarmee binnen acht maanden na het instellen van het cassatieberoep door de Hoge Raad ontvangen, zodat van een overschrijding van de inzendtermijn in cassatie geen sprake is.[14] Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de stukken van het geding niet blijkt dat zich hier een geval voordoet waar in plaats van de termijn voor het inzenden van de stukken van acht maanden een termijn van zes maanden van toepassing is, terwijl door de steller van het middel ook niet is toegelicht waarom in deze zaak een termijn van zes maanden zou moeten worden gehanteerd.

    4.2 Het middel faalt.

  5. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

  6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

[1] Het cassatieberoep is blijkens de akte rechtsmiddel van 19 maart 2019 niet gericht tegen de vrijspraken van de onder 1 primair en 2 primair telkens impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag en van het onder 3 tenlastegelegde.

[2] Bij de op 1 januari 2019 in werking getreden Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen (Stb. 2018, 132) zijn het tweede lid van art. 6:106 BW en de aanduiding “1.” voor het eerste lid komen te vervallen.

[3] C.J. van Zeben, J.W. du Pon & M.M. Olthof (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 6, Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1981, p. 378.

[4] C.J. van Zeben, J.W. du Pon & M.M. Olthof (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 6, Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1981, p. 380.

[5] HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2775, NJ 2002/216, m.nt. Vranken, rov. 3.3.2.

[6] M.A. Elsen, ‘Kan de immateriële schadevergoeding op grond van artikel 6:106 BW dienen als aanknopingspunt voor de Amerikaanse punitive damages?’, in: A.L. Mohr, F.H.J. Mijnssen & R.H. Stutterheim (red.), J.L.P. Cahen bundel, Deventer: Gouda Quint 1997, p. 98.

[7] Noot (onder 5) onder HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2775, NJ 2002/216.

[8] S.D. Lindenbergh, Smartengeld (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1998, p. 96-101. Zie ook S.D. Lindenbergh, Smartengeld. Tien jaar later, Deventer: Kluwer 2008, p. 24-26.

[9] F.F. Langemeijer, ‘Angst en onzekerheid als schadefactor’, in: M. Faure & T. Hartlief, De Spier-bundel. De agenda van het aansprakelijkheidsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 106. Zie ook A.J. Verheij, ‘Vergoedbaarheid van angstschade’, NTBR 2018/3, p. 19-20, en de noot van Lindenbergh (onder 17) onder HR (civiele kamer) 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, NJ 2019/162.

[10] N.A. Schipper, ‘De Hoge Raad over de vordering benadeelde partij: op welke punten is er ruimte over voor verduidelijking en/of heroverweging?’, TPWS 2019/101, p. 260-261.

[11] Vgl. de conclusie van A-G Wortel (ECLI:NL:PHR:2003:AL4719, onder 22) voor HR 4 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL4719 (art. 81 RO).

[12] Vgl. de conclusies van A-G Bleichrodt (ECLI:NL:PHR:2018:280, onder 46, en ECLI:NL:PHR:2018:281, onder 43) voor HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:836 (81 RO), en HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:796.

[13] P. 6 van het bestreden arrest.

[14] Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.3.