Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:179

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-03-2020
Datum publicatie
05-03-2020
Zaaknummer
18/02879
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:646
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Art. 359.2 Sv. Verdachte is veroordeeld wegens medeplegen van oplichting en witwassen voor zijn betrokkenheid bij de ontvreemding van grote ladingen laptops bij een logistiekbedrijf, waar twee chauffeurs zich met van een medewerker van dat bedrijf verkregen referentienummers hadden voorgedaan als de rechtmatige chauffeurs van de ladingen, waarna deze naar verschillende loodsen zijn gebracht en (een deel van) de laptops zijn verkocht. De AG stelt zich op het standpunt dat, ondanks de selectie en -waarderingsvrijheid van de feitenrechter, de verwerping door het hof van een aantal uitdrukkelijk onderbouwde standpunten met betrekking tot door het hof gebruikte getuigenverklaringen voor het bewijs van het medeplegen van de oplichting, niet zonder meer begrijpelijk is. Ook is volgens de AG sprake van denaturering van een getuigenverklaring. De overige bewijsmiddelen bieden onvoldoende aanknopingspunten om tot een bewezenverklaring van het medeplegen van oplichting te komen, zodat aan de Hoge Raad wordt geadviseerd het bestreden arrest gedeeltelijk te vernietigen en in zoverre terug te wijzen. Samenhang met 18/02884, 18/02900, 18/03070, 18/04529 en 19/00309 (alle thans niet gepubliceerd).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/02879

Zitting 3 maart 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1.

De verdachte is bij arrest van 28 juni 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens onder 1 “medeplegen van oplichting” en onder 2 “witwassen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

1.2.

Er bestaat samenhang met de zaken 18/02884 ( [medeverdachte 1] ), 18/02900 ( [medeverdachte 2] ), 18/03070 ( El- [medeverdachte 3] ), 18/04529 ( [medeverdachte 4] ) en 19/00309 ( [medeverdachte 5] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

1.3.

Het gaat in deze en een aantal van de samenhangende zaken kort gezegd om het volgende feitencomplex. Op 12 november 2012 is er bij het logistiekbedrijf [A] in Tiel een groot aantal laptops ontvreemd. De werkwijze hierbij was als volgt. Twee verschillende chauffeurs hebben zich in de ochtend met de benodigde referenties gemeld bij het bedrijf om twee vrachten laptops op te halen. Zij waren weliswaar eerder dan zij ingepland stonden aanwezig, maar omdat de chauffeurs de juiste referentienummers konden noemen, werden de vrachten aan hen meegegeven. Toen in de middag de daadwerkelijke chauffeurs van de ladingen zich meldden, bleek dat de chauffeurs die inmiddels vertrokken waren, onder valse voorwendselen en onrechtmatig de ladingen hadden meegenomen. Deze vrachtauto’s zijn vervolgens voorzien van andere kentekens en uiteindelijk naar loodsen in Loosdrecht, De Meern of Nieuwegein gebracht om daar te worden overgeladen op andere busjes dan wel te worden opgeslagen.

1.4.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel bevat klachten over aangevoerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunten en denaturering van een getuigenverklaring. Het tweede middel bevat eveneens een klacht over een gevoerd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het derde middel komt op tegen het onder 1 bewezen verklaarde ‘medeplegen’. Het vierde middel richt zich tegen de strafmotivering.

1.5.

Voordat ik over ga tot de bespreking van de middelen, geef ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof weer.

2 Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en -overwegingen

2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 bewezen verklaard dat:

“1: hij op 12 november 2012 te Tiel, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [A] heeft bewogen tot de afgifte van 84 pallets met in totaal 4752 (Acer en Packard-Bell), hierin bestaande dat verdachte en verdachtes mededader(s), met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid

  • -

    medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , terwijl zij in het bezit waren van een wederrechtelijk verkregen referentienummer uitgegeven aan [B] te Echt of aan [C] te Uden, die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zich hebben voorgedaan als chauffeur, als waren zij in het bezit van een rechtmatig referentienummer uitgegeven aan [B] te Echt of aan [C] te Uden, waardoor die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , bevoegd zouden zijn om bovengenoemde pallets met laptops in te laten laden en te vervoeren,

  • -

    waardoor [A] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

  • -

    2: hij op 12 november 2012 in Nederland, van een voorwerp, te weten één of meer laptopcomputers (Acer en Packard Bell), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en verhuld, terwijl hij wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit misdrijf.”

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende in de aanvulling op het verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] , hoofagent van politie Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 13 november 2012 (dossierpagina 35 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] , zakelijk weergegeven:

Afgelopen vrijdag 9 november 2012, om 12.45 uur hebben wij een opdrachtbevestiging verstuurd naar [C] te Uden. Hierin stond ook referentienummer 153904 en het VBS nummer 719. Afgelopen vrijdag 9 november 2012, om 12.39 uur hebben wij een opdrachtbevestiging verstuurd naar [B] in Echt. Hierin stond ook het referentienummer 153886 en het VBS nummer 701 (...) Gister maandag 12 november 2012 omstreeks 08.11 uur kwam er een vrachtauto bij ons het terrein opgereden. De chauffeur gaf aan dat hij een rit kwam doen met het ritnummer T53904, welke correspondeerde met een lading die klaar stond. (...) Ondanks dat de auto ingepland stond voor laden tussen 10:00 en 12.00 uur zag de loodsmedewerker toch mogelijkheden om de rit eerder te laden dan gepland. (...) Vervolgens heeft de chauffeur zijn vrachtwagen van de parkeerplaats gehaald en met een toegangskaart heeft hij de toegangspoort geopend en is hij naar het toegewezen dock 38 gereden. Daar is de lading Vervolgens door de loodsmedewerkers [betrokkene 4] en [medeverdachte 1] , ingeladen. (...) De vrachtwagen werd tussen 09.35 en 09.05 geladen. Daarna is de vrachtwagen weggereden in de richting van de Prinsenhof.

Vervolgens kwam op dezelfde dag om 09.32 uur een andere vrachtauto het terrein op rijden, (...) Nadat hij zich had gemeld bij de chauffeursbalie meldde hij zich met het loading reference nummer: T53886. Ook deze chauffeur was te vroeg. Hij stond gemeld tussen 12.00 en 14.00 uur.

Er is ook toen weer contact gezocht met het personeel in de loods. Ook toen is weer aangegeven dat de lading al geladen kon worden. Na de gevolgde procedure heeft de chauffeur een toegangspas gekregen waarmee hij vanaf de parkeerplaats naar het toegewezen dock 22 kon rijden. Daar is de lading vervolgens door de zojuist al genoemde loodsmedewerkers [betrokkene 4] en [medeverdachte 1] , ingeladen (P-38)

Diezelfde dag meldden zich aan het eind van de ochtend omstreeks 11.30 uur en 12.15 uur nog twee vrachtwagenchauffeurs, om de eerder bedoelde ladingen op te halen. Toen pas bleek dat de eerste twee chauffeurs, die inmiddels vertrokken waren, onder valse voorwendselen en onrechtmatig de lading hadden meegenomen.

De lading waar het om gaat betreffen Acer laptops (...). De lading die is meegenomen had in zijn totaliteit een waarde van ongeveer 1.700.000 euro. De eigenaar van de gestolen goederen is officieel Acer Europe S.A. te Zwitserland.

2. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] , inspecteur van politie, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 28 januari 2012 (dossierpagina 28 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 12 november 2012 werd (...) een voor verzending gereedstaande partij van 84 pallets (4752) laptops van Acer en Packard Bell waarde ongeveer € 2.000.000) verkregen bij het warehouse [A] , Tiel. (...)

Deze voertuigen waren respectievelijk voorzien van de kentekens [kenteken 1] (...)

Als chauffeur van deze combinatie trad op: [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] -1969, wonende te [plaats] , [a-straat 1] .

Deze chauffeur (...) schreef de kentekens van trekker en oplegger en zijn personalia in op een aldaar aanwezige intekenlijst. Hij legitimeerde zich hierbij met zijn Nederlandse identiteitskaart nummer [001] . Verder werd door hem een formulier Drivers’ Registration Form van [A] ingevuld waarop vermeld zijn naam, kenteken, bedrijfsnaam, ID-nummer en handtekening, (...) Tevens was hij voorzien van het verstrekte referentienummer uitgegeven aan [C] (...)

Op maandag 12 november 2012 omstreeks 09.32 uur arriveerde te Tiel bij [A] een witte Mercedes trekker met het opschrift [...] met daarachter gekoppeld een gesloten witte koeltrailer met het opschrift [...] . Deze voertuigen waren respectievelijk voorzien van de kentekens [kenteken 2] . (...) Hij legitimeerde zich hierbij met zijn Nederlandse identiteitskaart nummer [002] . Tevens was hij voorzien van het verstrekte referentienummer uitgegeven aan [B] te Echt.

3. Een schriftelijk bescheid, zijnde een “Drivers Registration Form”, pag. 2576, voor zover inhoudende:

Naam: [betrokkene 1] , Kenteken: [kenteken 1] , Bedrijfsnaam: [C] .

Naam: [betrokkene 2] , Kenteken: [kenteken 2] , Bedrijfsnaam: [B] .

4. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , beiden hoofagent van politie, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van 14 maart 2013 (dossierpagina 5240 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 5] , zakelijk weergegeven:

A: (...) Eén of twee weken later komt [medeverdachte 2] naar mij toe en zei dat ze een slag wilden slaan. Ik zei oké. Hij zei dat hij twee auto’s nodig had. (...) Hij zei dat ik er goed voor beloond zou worden. (...) Met dit ben ik naar [medeverdachte 5] gegaan, die zat ook op zwart zaad, omdat ze zoveel auto’s hadden gepakt. (...) Hij belde terug en zei dat hij een Daf had staan, een koeler, een Mercedes en nog een koeler, die ik kon gebruiken. (...) Toen is [medeverdachte 2] bij mij gekomen met de orders, met. papiertjes met referentienummers over welke vracht het ging. Hij had intern iemand.

(…)

V: Waar intern?

A: Bij [A] . (...)

V: Die [medeverdachte 5] heeft het transport geregeld. De Daf en de Mercedes.

Hoe is dat in zijn werk gegaan? Wie heeft die opgehaald, waar zijn die opgehaald?

A: Nou, ik moest contact leggen met [verdachte] , want die wist waar die auto in Almere stond.

(...)

A (...) ‘s Morgens kwam [medeverdachte 2] er aan met die nummerplaten. (...)

A: Ja, en die (hof: [medeverdachte 2] ) heeft die nummerplaten bij mij erop gedaan.

V: [betrokkene 2] die gaat ook laden daar en die is ook klaar, wat gebeurt er vervolgens, want die twee transporten die moeten ergens naar toe?

A: Toen werd ik gebeld door [verdachte] , ze moesten naar Loosdrecht komen naar de loods van [D] .(...)

V: Wie heeft gelost daar?

A: Ik weet [betrokkene 1] samen met [verdachte] .

(...)

A: (...) Die handel heeft [medeverdachte 5] , wat ik weet, samen met [verdachte] , hebben ze een koper voor gevonden. Ze hebben die [medeverdachte 2] en die andere jongen uit Den Bosch, wat ik begrepen heb, die hebben ze flink genaaid. Ze hebben gezegd, ze konden niet meer dan 70,- euro per laptop beuren, werd er verteld.

5. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] en [verbalisant 3] , beiden hoofagent van politie, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van 15 februari 2013 (dossierpagina 5272 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 5] , zakelijk weergegeven:

V: Hoe weet je dat [verdachte] dat allemaal moest regelen?

A: Omdat [verdachte] continu met mij contact legde over alles. (...) [verdachte] heeft mij doorgebeld waar de Mercedes trekker stond en waar ik de sleutels kon gaan ophalen in Almere. Toen alles gebeurd was die maandag heeft [verdachte] het merendeel contact gehad met [medeverdachte 2] en die andere jongen.

V: Wie waren er allemaal betrokken geweest bij deze diefstal? Gisteren heb jij verklaard [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 2] , [betrokkene 1] , [verdachte] . Wat is hun rol precies geweest?

A: (...) [verdachte] : Die regelde alles. Het lossen en laden van de gestolen lading, contacten onderhouden met [medeverdachte 2] en met [medeverdachte 5] .

(...)

V: Wie waren er allemaal aanwezig bij het lossen bij [D] in Loosdrecht en wat was hun rol?

A: [medeverdachte 5] , [betrokkene 6] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en een onbekend aantal Marokkanen. (...) [verdachte] was daar om de zaken te regelen, was aan het laden en het lossen. (...)

0: Wij laten je foto 1 zien.

V: Wie is dit?

A: Ja dat is [verdachte] .

0: De foto die wij lieten zien dat dit [verdachte] is geboren op [geboortedatum] /1971. Dit is de persoon die dus [verdachte] genoemd wordt.

6. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , beiden hóofagent van politie, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, opgemaakte proces-verbaal 25 februari 2013 (dossierpagina 5287 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 5] , zakelijk weergegeven:

V: Wie heeft die bakwagen dan gereden vanaf Loosdrecht?

A: Volgens mij [betrokkene 1] .

(...)

A: [betrokkene 1] tot aan de afrit de Meern en daarna heb ik hem verder gereden.

V: Dus als we het over die bakwagen hebben dan hebben we het over die blauwe

bakwagen van [D] ?

A: Ja.

V: Van wie hadden jullie de opdracht gekregen dan?

A: Van [verdachte] .

V: Waarom moest die bakwagen dan naar de [b-straat 1] te Nieuwegein?

A: Weet ik niet. Dat waren orders van [verdachte] . (...)

A: Wij moesten in opdracht van [verdachte] die blauwe DAF meenemen zodat die niet in de buurt van Nieuwegein gesignaleerd kon worden.

0: En [verdachte] vroeg aan jou om die bij de wasstraat neer te zetten?

A: Ja.

(...)

A: Die avond van te voren hebben ze een pallet of 10 in de [b-straat] gezet. (...)

A: Die maandagavond 12/11/2012. Ik was daarbij dat ze die pallets daar neergezet

hadden. (...) Eerst vroeg [verdachte] € 100 toen € 90 en toen maar € 70 per laptop. (...)

A: Dat hoorde ik van die [medeverdachte 2] , die kleine jongen uit Den Bosch en [verdachte] (...)

V: Waarom ben je naar [D] in Loosdrecht gegaan?

A: Wij, [betrokkene 1] en ik, kregen de opdracht van [verdachte] om daar naar toe te gaan. Daar kregen wij te horen dat hun dat spul daar niet wilde laten staan en dat dit vervoerd moest worden naar de Loods aan de [b-straat 1] te Nieuwegein. (...)

V: Wat was hun rol?

A: (...) [verdachte] : die reed op de heftruck en was aan het lossen en laden. Hij gaf de opdrachten door die [medeverdachte 5] hem gaf.

V: Hoe weetje dat de kentekenplaten die gestolen waren overeen kwamen met het merk van het voertuig?

A: Dat heeft [medeverdachte 2] speciaal aan [verdachte] gevraagd. Om wat voor merk auto’s het ging.

7. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , beiden hoofagent van politie, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van 14 maart 2013 (dossierpagina 5311 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 5] , zakelijk weergegeven:

A (...) [medeverdachte 2] had me al iets eerder gevraagd of ik het transport kon regelen voor de diefstal van die Acer laptops. Daarop heb ik [verdachte] gebeld en aan [verdachte] gevraagd of ik even de chef kon spreken, [medeverdachte 5] dus. Die was er niet volgens [verdachte] . Ik heb [verdachte] gezegd dat hij maar tegen [medeverdachte 5] moest zeggen dat hij wat geld kon verdienen. Daarop werd ik teruggebeld door [betrokkene 7] , [betrokkene 7] dus.

(…)

A (...) Die kleine jongen uit Den Bosch deed later ook vaak het woord bij bepaalde zaken, bijvoorbeeld een keer in het loodsje bij [verdachte] op de [c-straat] in Nieuwegein.

(...) [verdachte] , en die kleine jongen uit Den Bosch hadden toen ruzie over de betaling van de Acer Laptops. (...)

A: Wat ik uit dat gesprek in Nieuwegein heb begrepen en gehoord, hebben [verdachte] en [medeverdachte 5] een gedeelte van de gestolen partij laptops verkocht voor een bedrag van 120.000,00 euro. (...) Die kleine Marokkaanse jongen en [medeverdachte 2] hadden al eerder het overige bedrag van 30.000,00 euro ontvangen van [verdachte] en [medeverdachte 5] .

(...)

A: [verdachte] belde mij op toen [betrokkene 2] en ik onderweg waren naar de [D] loods in Loosdrecht. (...) [verdachte] zei tegen mij dat [betrokkene 2] niet naar de [D] loods mocht rijden met die Mercedes Actros omdat daar een Track & Trace-systeem in zat.

[verdachte] zei dat we daarom naar de parkeerplaats bij het tankstation in Maartensdijk moesten gaan om daar de oplegger om te koppelen (...)

V: Wie heb je nu allemaal gezien bij [D] , toen de laptops werden overgeladen? Als je de namen niet kent, kun je die personen dan beschrijven?

A: Ik heb daar gezien: [betrokkene 6] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , de persoon die ik steeds [medeverdachte 2] heb genoemd, dus in werkelijkheid [medeverdachte 2] , [betrokkene 1] en die kleine Marokkaanse jongen uit Den Bosch.

8. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , beiden inspecteur van politie, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van 11 april 2013 (dossierpagina 4121 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 5] , zakelijk weergegeven:

A: Ik ben naar het huis van [verdachte] gereden aan de [d-straat 1] te [plaats] . Ik ben bij [verdachte] in de woning geweest. Dit was tussen 20.00 uur en 21.00 uur geweest. Bij mij was op dat moment [betrokkene 1] . In de woning troffen wij [medeverdachte 5] en [verdachte] . Door [medeverdachte 5] werd uitleg gegeven wat er zou moeten gebeuren. (...) [verdachte] is de man, een soort voorman die van alles voor [medeverdachte 5] regelt. [medeverdachte 5] staat duidelijk boven aan (....) [verdachte] staat in ieder geval niet op gelijke hoogte.

9. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 5] en [verbalisant 8] , respectievelijk hoofdagent en brigadier van politie, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van 26 juni 2013 (dossierpagina 6042 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 5] , zakelijk weergegeven:

A: (...) [verdachte] belde mij op dat [betrokkene 5] mij wilde spreken. [verdachte] had niet gezegd waarover. (...) [betrokkene 8] is in de auto blijven zitten en [betrokkene 5] en ik hebben op de parkeerplaats met elkaar gepraat. (...)

A: Dit gesprek ging over of ik een vrachtauto kon lenen aan [betrokkene 5] .

10. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 9] en [verbalisant 10] , respectievelijk hoofagent en brigadier van politie, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van 6 februari 2013 (dossierpagina 3740 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:

V: Welke naam heb je bij de balie ingevuld?

A: [betrokkene 1] . Want ik voelde natuurlijk ook wel nattigheid. Ze hadden mij verteld dat het geen zuivere koffie was.

A: [betrokkene 5] heeft mij dat verteld. Er is mij 15.000 euro beloofd.

11. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 9] en [verbalisant 10] , respectievelijk hoofagent en brigadier van politie, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van 5 februari 2013 (dossierpagina 5360 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:

A: (...) [betrokkene 5] vroeg mij of ik dat transportje wilde doen. Van [betrokkene 5] kreeg ik toen ook het referentienummer waar ik de lading mee kon ophalen. Ik moest gaan laden in Tiel bij [A] .

A: (...) Ik vulde mijn naam in bij de balie en gaf mijn identiteitskaart. De identiteitskaart is gekopieerd. Ze vroegen me het referentienummer. Ik noemde dit nummer en zij noemde vervolgens het docknummer. Ik ben naar het dock gereden en aldaar is de trailer geladen.

A: (...) Ik moest na het laden naar Beesd rijden, naar de BP, langs de A2. (...)

Die man aan de telefoon zei mij hoe ik moest rijden. Hij zei mij dat ik bij St Maartensdijk de A27 eraf moest en dan tot het eind, dan rechts af, rotonde 3/4, rond en dan richting Hollandse Rading. (.;.) Op het pand zag ik [D] staan. (...)

O: Door de verdachte wordt via Google Maps aangegeven waar hij de vrachtwagen naartoe heeft moeten brengen. (...)

Het adres behorende bij [D] betreft [c-straat 1] , [postcode] Loosdrecht.

A: Bij het pand aangekomen kwam ik het mannetje tegen van kantoor die toen ik voor [medeverdachte 5] werkte bij [medeverdachte 5] op kantoor werkte.

Dit kantoor was in Nieuwegein op de [b-straat] . Daar zijn ook nog op maandagavond pallets met laptops die ik geladen had bij [A] heengebracht. (...)

V: Het mannetje die kwam lossen, wie was dit?

A: [verdachte] . (...) Toen ik hem zag, wist ik dat ik [verdachte] ook aan de lijn had gehad. Ik had de link in eerste instantie alleen door zijn stem niet gemaakt. (...) [verdachte] heeft de heftruck bestuurd en heeft de pallets gelost in de loods. De hele vrachtwagen ging leeg.

(…)

A: (...) Ze trokken op een gegeven moment een verpakking open. Ik zag toen pas dat ik laptops geladen had.

(…)

A: [betrokkene 5] en [medeverdachte 2] zijn vaak naar [verdachte] gegaan om de centen te vragen. (...) Ik zag dat ze een pallet afgestapeld hebben. [verdachte] werd hier nog pissig over. Hij zei ze nog dat ze die pallet niet zomaar op straat moesten flikkeren. (...)

V: Wie heeft de laptops verkocht?

A: [medeverdachte 5] . Tenminste hoe ik het begrepen heb van de jongens. Met de jongens bedoel ik [medeverdachte 2] , zijn handlanger en [betrokkene 5] . [verdachte] is de woordvoerder van [medeverdachte 5] . Hij regelde het verder met [medeverdachte 2] en zo. (...)

V: Bij de zoeking in jouw woning is onder meer een laptop van het merk Acer Aspire V3 aangetroffen, deze werd voorzien van het beslag nummer BRZ341.H02.01.01 en een bijbehorende doos voorzien van het beslagnummer BRZ34I.H02.02.01. Waar komt deze laptop vandaan? (...)

A: Die heb ik de bewuste dinsdagochtend meegenomen uit de aangebroken partij in de [b-straat] . (...)

V: Wat heeft [verdachte] er van meegekregen?

A: Dat hebben we gewoon ook met hem overlegd. We zeiden hem dat we deze mee zouden nemen. Hij vond dit goed.

A: (...) [betrokkene 5] heeft mij zondagavond nog verteld dat ik na [A] in Tiel naar de wasstraat in Geldermalsen moest komen om daar kentekenplaten te wisselen.

(...)

A: Ik weet dat [betrokkene 2] ook onderweg was naar Loosdrecht. Dit weet ik doordat er telefoonverkeer is geweest waardoor ik hoorde dat [betrokkene 2] er ook zou komen! Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Niet hier, niet hier.” Er ontstond een beetje paniek. Ik weet niet met wie [verdachte] dit gesprek voerde. Ik dacht dat dit met [medeverdachte 5] is geweest.

12. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 9] en [verbalisant 10] , respectievelijk hoofagent en brigadier van politie, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van 6 februari 2013 (dossierpagina 3753 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:

V: Oké even terug naar [medeverdachte 5] Op wat voor manieren had jij contact met [medeverdachte 5] ?

A: Telefonisch, maar eigenlijk liep dit allemaal via [verdachte] . [medeverdachte 5] belde me wel eens terug wat er aan de hand was als ik bij [verdachte] had aangegeven dat ik [medeverdachte 5] even nodig had.

13. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] en [verbalisant 9] , beiden hoofagent van politie, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van 12 maart 2013 (dossierpagina 5373 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:

V: Je hebt net verklaard, dat je vanuit Loosdrecht vertrokken bent, [betrokkene 5] was met de auto vooruit gereden naar waar jij net over verklaard hebt, de A27 de parkeerplaats bij Maartensdijk, ben jij met de trekker, volgens een eerdere verklaring heb je gezegd, dat was een witte Daf, met een witte koeltrailer, die van [medeverdachte 5] was, ben je er naar toe gereden en is vervolgens omgekoppeld.

Maar je zegt heb net verklaard, dat je gehoord had dat dat daar niet kon, omdat het vol was, dat [verdachte] dat vertelde?

A: Nee, er is eerst telefonisch contact geweest met [verdachte] , die zei, die trailer moet niet hiero, niet hiero. (...)

(…)

A: Nee die handlanger van [medeverdachte 2] die is bij mij in de auto gekomen, die is met zijn broer of familie, ik weet niet precies wie dat is, met zon huurbus, die stond bij de pomp te wachten, voor de afslag Maartensdijk bij de A27 en toen zijn we daarheen gereden. Want ik wist ook niet precies hoe of wat, waar dat in Hollandse Rading was en hij had dan het nummer van [verdachte] , nou die heb ik gesproken, die heeft mij daar naar toe geloodst.

V: Jullie zijn daar vervolgens naar toe gegaan? Er is gelost. Je zegt [verdachte] daar gelost heeft?

A: Ja.

14. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 9] en [verbalisant 10] , respectievelijk hoofagent en brigadier van politie, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van 7 februari 2013 (dossierpagina 3886 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] , zakelijk weergegeven:

A (…) In de wasstraat de ochtend voordat ik ging laden, kreeg ik van [betrokkene 5] te horen dat er twee wagens naar [A] moesten. Eentje met [betrokkene 1] als chauffeur en eentje met mij als chauffeur.

15. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] en [verbalisant 9] , beiden hoofagent van politie, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van 12 maart 2013 (dossierpagina 3893 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] , zakelijk weergegeven:

V: En je weet ook niet van wie heb je het referentienummer gekregen?

A: Van de [betrokkene 5] .

16. Een schriftelijk bescheid, zijnde een (vertaald) verhoor van [betrokkene 9] d.d. 10 april 2013, (dossierpagina 3026 e.v.)

Wie heeft die Mercedes (hof: Actros) bij u opgehaald, waar heeft u hem geparkeerd?

[verdachte] heeft getuige gebeld en gezegd dat getuige de truck moest ophalen en terugbrengen. Omdat deze geleast moest worden. Dat was op een zondag. (...) [verdachte] zei dat hij een chauffeur zou sturen om hem te halen.

Correcties bij doorlezing: de truck moest teruggebracht worden naar het leasebedrijf.

Weet u wie de chauffeur is die de truck opgehaald heeft?

Ze zijn met zijn tweeën gekomen. De ene heet [medeverdachte 5] , getuige kent hem. (...)

Getuige kent die andere man ook, maar weet niet hoe hij heet. Hij heeft vroeger ook voor [E] gewerkt.

Die man heeft een autowasserij en ook een benzinepomp. Daar kent getuige hem van.

17. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 19 maart 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 12 november 2012 ben ik vanaf 08:00/08:30 uur een aantal uur bij [D] in Loosdrecht geweest. (...) Nadat [betrokkene 5] onverwachts langs kwam, heb ik in het pand aan de [b-straat 1] te Nieuwegein geholpen met het uitladen van laptops om ze vervolgens in de loods neer te zetten.

18. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 11] , hoofagent van politie Utrecht, opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 19 november 2012 (dossierpagina 5132 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] , zakelijk weergegeven:

Plaats delict: [b-straat 1] , [postcode] Nieuwegein. (...)

Als huurder van het pand aan de [b-straat 1] ben ik bevoegd tot het doen van aangifte namens de benadeelde [F] . (...)

Ook wordt het pand gebruikt voor de opslag en overslag van goederen. (...)

19. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 5] en [verbalisant 8] , respectievelijk hoofdagent en brigadier van politie, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van 25 juni 2013 (dossierpagina 6036 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 5] , zakelijk weergegeven:

A (...) Deze overig bleven lading gestolen laptops zijn toen naar de locatie [b-straat 1] Nieuwegein gebracht. Dit is een loods met een kantoor. Deze locatie werd door mij gehuurd.

(...) De andere persoon aan wie ik de loods had onderverhuurd was [verdachte] .

20. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 11] en [verbalisant 12] , beiden hoofagent van politie Utrecht, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 27 december 2012 (dossierpagina 5136 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Omstreeks 01:15 uur kwamen wij ter plaatse op de [b-straat 1] te Nieuwegein.

(...)

Wij zagen dat rechts in de ruimte, achter de vorkheftruk, vier pallets met ingesealde laptopdozen stonden.

21.

Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] , hoofagent van politie, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 10 januari 2013 (dossierpagina 5142 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op de foto’s die genomen zijn in de loods aan de [b-straat 1] te Nieuwegein is te zien dat de pallets verpakt zijn met doorzichtig folie.

Op de foto’s die genomen zijn door [betrokkene 10] is te zien dat de pallets zoals die bij [A] genomen zijn ook met doorzichtig plastic verpakt zijn. Verder is te zien dat op de foto’s die genomen zijn in de bedoelde loods en die genomen zijn bij [A] er om het doorzichtige folie een geel plaklint is geplakt, waarop een rood opschrift vermeld staat. De manier van sealen van dit gele lint is zowel zichtbaar op de foto’s die genoemd zijn in de bedoelde loods als bij [A] .

Verder is op de foto’s te zien die genomen zijn in de bedoelde loods als wel bij [A] dat de bovenzijde en de zijkanten beschermd zijn met kartonnen hoekstrips en aan de bovenzijde een kartonnen afdekplaat.

Bovendien is te zien op de foto’s die in de loods aan de [b-straat 1] te Nieuwegein genomen zijn dat er op de pallets computers staan van het merk Acer.

22. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] , inspecteur van politie, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 17 januari 2013 (dossierpagina 5174 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Getapt nummer [telefoonnummer 1] [verdachte] (...) tegennummer [telefoonnummer 2]

abonnement op naam [betrokkene 5] (...) einde 08-12-2012 16:15:29 u. (...)

Beller (Man 2) belt naar gebelde (Man 1) (...)

2. in een vakantiehuisje. He, ken jij die die die grijze auto, op hebt gehaald (...)

2. Is .... ok. Want, eh, die is bekend.

(...)

2. Had je wel die dingen gewisseld van al die auto’s?

1. Ja ja ja ja ja.

2. Honderd procent?

1. Jazeker.

(…)

2. (...) Van die andere ook, he?

1. Ja. (…)

2. Dat is echt zeker he? Voor, achter, alles he?

1. Alles, alles gedaan jongen, serieus.

2. Ja ok, want ze weten dat die ene gebruikt is daar zeg maar.

1. Ja, we hebben alles verwisseld. Allemaal met eh..

Ok.

23. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] , inspecteur van politie, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 30 mei 2013 (dossierpagina 5195 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakélijk weergegeven:

Het nummer [telefoonnummer 3] is in gebruik bij [verdachte] , [e-straat 1] te Nieuwegein, die als enig aandeelhouder staat geregistreerd in het bedrijf [G] .

Het nummer [telefoonnummer 1] betreft een prepaid nummer, maar is in gebruik bij [verdachte] , voornoemd.

Het nummer [telefoonnummer 2] is in gebruik bij [betrokkene 5] , eigenaar van het bedrijf [H] aan de [f-straat 1] te Geldermalsen.

24. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 13] , hoofdagent van politie, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van stemherkenning van 30 mei 2013 (dossierpagina 5473 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Uit de verstrekte informatie van het onderzoeksteam van het Landes Kriminal Ambt Niedersachsen is uit de Duitse Telekommunikationsüberwachuhg gebleken dat [verdachte] gebruik maakt van de nummers;

- [telefoonnummer 3]

- [telefoonnummer 1]

(…)

Ik, [verbalisant 13] , verklaar hierbij dat ik in de stem die ik gehoord heb in voornoemde afgeluisterde telefoongesprekken, die gevoerd werden met de telefoonnummer [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 1] , voor wat betreft intonatie, klank en spraakwijze zodanige overeenkomsten hoorde, dat beide stemmen van een en dezelfde persoon zijn, namelijk van de verdachte [verdachte] .

25. Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 9] , hoofdagent van politie, Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland, opgemaakte proces-verbaal onderzoek Telecommunicatie van 26 juni 2013 (dossierpagina 6010 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Uit onderzoek van de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] van [verdachte] bleek dat op 11 november 2012 er inderdaad telefonisch contact was geweest met [betrokkene 5] . (...)

Ook blijkt uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] van [verdachte] dat er op 12 november 2012 in totaal 6 maal contact is geweest met het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Dit telefoonnummer blijkt uit een Ciot-bevraging ook op naam te staan van [betrokkene 7] .

(...)

Het telefoonnummer [telefoonnummer 3] van [verdachte] straalde op 12 november 2012, tussen 08:58 uur en te 11:45 uur de volgende zendmast aan:

(...) [c-straat 2] , [postcode] Loosdrecht.”

2.3.

Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Standpunt openbaar-ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van feit 1 primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair en van feit 2 bepleit. Hij heeft daartoe, kort samengevat, betoogd dat voor het bewijs niet kan worden uitgegaan van de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 1] , maar dat moet worden uitgegaan van de verklaringen van de verdachte. Op basis van die verklaringen moet de conclusie zijn dat de verdachte noch een rol heeft gehad in de voorbereiding of de uitvoering van de oplichting noch in de overslag van de laptops in Loosdrecht. Ook zijn er geen bewijsmiddelen voorhanden waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte wist van het door anderen vormgegeven en uitgevoerde plan om een partij laptops te ontvreemden. Hij heeft in de voorbereiding niet nauw en bewust met medeverdachten samengewerkt en hij kan dus ook niet als medepleger worden gezien.

De verdachte heeft op 11 november 2012 géén bespreking gehad waarbij ook [medeverdachte 5] , [betrokkene 5] en [betrokkene 1] aanwezig waren, laat staan dat die bespreking bij de verdachte thuis was. De verdachte heeft ook géén contact gehad met [medeverdachte 2] en hij heeft dan ook niet aan hem het merk van een of meer vrachtauto’s doorgegeven met het oog op het gebruik van gestolen kentekenplaten. De verdachte is op 12 november 2012 wel aanwezig geweest bij [D] in Loosdrecht, maar dat was alleen om de overname te bespreken van een klant van [D] , [I] inclusief twee vaste chauffeurs, door het bevrachtingskantoor van de verdachte ( [G] ).

[D] had op dat moment net een nieuwe eigenaar. De verdachte was daar dus niet om laptops te lossen of te verplaatsen, laat staan om dat te coördineren. Volgens de voor de verdachte belastende verklaringen zou hij op 12 november 2012 met diverse medeverdachten telefonisch contact hebben gehad, maar uit de historische verkeersgegevens komt niet anders naar voren dan dat de verdachte op en omstreeks 12 november 2012 alleen met het nummer dat bij [betrokkene 5] in gebruik was contact heeft gehad.

Voor zover de verdachte, behulpzaam is geweest, kan het tenlastegelegde toch niet bewezen worden omdat het opzet (op het gronddelict) dan heeft ontbroken. De verdachte heeft de parkeerlocatie van een vrachtwagen doorgegeven aan [betrokkene 5] . Hij kende die locatie omdat hij in die periode de ritten plande die met die vrachtauto werden gereden. Op dat moment wist hij echter niet dat die auto zou worden gebruikt voor het plegen van een strafbaar feit.

Ook witwassen kan niet bewezen worden, omdat de verdachte pas na de inbraak in de nacht van 13 op 14 november 2012 in de loods op het adres [b-straat 1] in Nieuwegein, op de hoogte is geraakt van de criminele herkomst van de laptops. Op dat moment had hij de laptops niet meer voorhanden.

Oordeel hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof heeft in het bijzonder het volgende overwogen.

Als vaststaand kan worden aangenomen, wat door de verdediging ook niet ter discussie is gesteld, dat er op 12 november 2012 vanaf 08.11 uur onderscheidenlijk 09.32 uur bij [A] in Tiel in totaal 84 pallets met in totaal 4752 laptops van Acer Europe SA zijn meegenomen als lading van twee trekkers met oplegger, waarvan de betreffende chauffeur - [betrokkene 1] onderscheidenlijk [betrokkene 2] - zich in strijd met de waarheid presenteerde als chauffeur van één van de vervoerders aan wie het vervoer van die ladingen was gegund. Beide chauffeurs hadden de beschikking over een uniek door [A] voor dat transport uitgegeven referentienummer. De vrachten waren door [A] aangeboden aan [B] en [C] in Uden. De vrachten zouden op 12 november 2012 tussen 10.00 en 14.00 uur worden afgehaald.

Nu beide chauffeurs gebruikmaakten van een valse hoedanigheid en er sprake was van een samenweefsel van verdichtsels, waardoor er bij [A] een onjuiste voorstelling van zaken is ontstaan, op basis waarvan zij ertoe is overgegaan aan beide chauffeurs een lading laptops mee te geven , is er naar het oordeel van het hof bij de afgifte en het meenemen van de laptops sprake van (het medeplegen van) oplichting.

Het onder 2 tenlastegelegde is toegesneden op de strafbepaling van artikel 420bis, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht. Hierbij gaat het om het verhullen en verbergen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, enzovoort, van een voorwerp. In HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236 (NJ 2017/377) is, onder aanhaling van de wetsgeschiedenis van de strafbaarstelling van witwassen, overwogen dat ‘verbergen’ en ‘verhullen’ als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht betrekking hebben op gedragingen die erop zijn gericht het zicht op de herkomst van voorwerpen te bemoeilijken. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken (rov. 2.8).

Uit de wetsgeschiedenis van witwassen - Kamerstukken H, 1999-2000, 27 159, nr. 3, p. 14-15 - komt naar voren dat veelal bij een enkele handeling ten aanzien van een voorwerp nog niet van een dergelijke doelgerichtheid zal kunnen worden gesproken. Vaak zal het gaan om een reeks van handelingen, die tezamen een geval van witwassen opleveren. Dit betekent dat voor het bewijs van het verbergen of verhullen vaak naar meer handelingen of transacties in het witwastraject gekeken zal moeten worden. Uit alle stappen tezamen zal duidelijk moeten worden dat er zonder redelijke economische grond met goederen is geschoven op een manier die geschikt is het spoor aan de waarneming te onttrekken. Juist die ondoorzichtigheid van de opeenvolgende transacties brengt mee dat de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, enzovoort, buiten beeld blijven.

Uit de voorhanden bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de door de oplichting meegenomen laptops, via Geldermalsen, waar de kentekens van de vrachtwagens zijn verwisseld, zijn vervoerd naar loodsen in Loosdrecht, De Meern en Nieuwegein om daar overgeladen te worden of in afwachting van verder transport daar tijdelijk opgeslagen te worden. Naar het oordeel van het hof leveren deze handelingen, mede gelet op de wetgeschiedenis van de strafbaarstelling van, en de rechtspraak over witwassen, het verbergen en verhullen op van de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing van de uit de oplichting afkomstige laptops.

De vraag die het hof dient te beantwoorden is of, en zo ja welke, de verdachte een rol bij de oplichting en het witwassen heeft gespeeld.

Het hof is op grond van met name de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 1] van oordeel dat de verdachte betrokken is geweest bij de oplichting en het witwassen. Het hof is van oordeel dat [betrokkene 5] en [betrokkene 1] geloofwaardig zijn en hun verklaringen betrouwbaar. Hun verklaringen vinden op hoofdpunten steun in historische verkeersgegevens inclusief mastlocatiegegevens en over en weer in elkaars verklaringen en in de verklaringen van [betrokkene 9] en in die van [betrokkene 2] , die net zoals [betrokkene 5] en [betrokkene 1] (ook) zichzelf heeft belast.

Uit de te bezigen bewijsmiddelen en in het bijzonder uit de verklaringen van [betrokkene 5] , [betrokkene 1] , [medeverdachte 5] en [betrokkene 9] is het volgende af te leiden:

- [medeverdachte 5] werd op een zondag in november 2012 benaderd door [betrokkene 5] (die op zijn beurt weer door [medeverdachte 2] , [medeverdachte 2] , was benaderd) met de vraag of hij auto’s kon regelen voor een klus bij een distributiebedrijf. [betrokkene 5] had eerst de verdachte gebeld en aan hem gevraagd of hij even ‘de chef’, [medeverdachte 5] , kon spreken. De verdachte heeft aan [medeverdachte 5] doorgegeven dat [betrokkene 5] hem wilde spreken.

[medeverdachte 5] wist dat het geen zuivere koffie was en dat het om de diefstal van een bepaalde lading ging. [medeverdachte 5] heeft gezegd dat hij een DAF had staan, een koeloplegger, een Mercedes en nog een koeloplegger, die door [betrokkene 5] konden worden gebruikt. Die trekkers en opleggers zijn op 12 november 2012 bij het tenlastegelegde onder 1 en onder 3 gebruikt;

- [betrokkene 5] moest contact leggen met de verdachte omdat hij wist waar in Almere de Mercedes trekker met koeloplegger geparkeerd stond;

- De verdachte heeft aan [betrokkene 5] de parkeerlocatie van de Mercedes trekker met oplegger doorgegeven en waar in Almere hij de sleutels kon ophalen;

- de verdachte heeft op 11 november 2012 tegen de getuige [betrokkene 9] gezegd dat een chauffeur de Mercedes met koeloplegger zou komen ophalen. [betrokkene 5] en [betrokkene 2] hebben vervolgens die vrachtwagencombinatie in Almere opgehaald. [betrokkene 5] en [betrokkene 1] hebben later diezelfde dag een DAF trekker met koeloplegger opgehaald in Nieuwegein;

- [medeverdachte 2] , [medeverdachte 2] , heeft aan de verdachte gevraagd wat het merk was van de vrachtauto’s die door [medeverdachte 5] ter beschikking waren gesteld. [medeverdachte 2] heeft vervolgens gestolen kentekenplaten geregeld. Op 8 december 2012 heeft de verdachte bij [betrokkene 5] navraag gedaan of de kentekenplaten van de bij de oplichting gebruikte vrachtwagens wel verwisseld waren, omdat bekend was geworden dat één van die vrachtwagens ‘gebruikt is daar zeg maar’;

- [betrokkene 5] en [medeverdachte 5] hebben contact met elkaar gehad op 11 november 2012, waarna de verdachte die dag nog contact heeft gehad met [betrokkene 5] ;

- de verdachte was aanwezig bij [D] in Loosdrecht tijdens het lossen en overladen van de laptops. De verdachte bestuurde een heftruck en hielp mee met het laden en lossen. Hij gaf daarbij opdrachten door die [medeverdachte 5] hem gaf;

- de verdachte heeft doorgegeven dat de Mercedes trekker niet moest doorrijden naar een losplaats omdat in die truck een track-&-trace-systeem zat. De verdachte zei dat de chauffeur naar een parkeerplaats bij een tankstation in Maartensdijk moest gaan om de koeloplegger om te koppelen;

- er zijn in een bakwagen door [betrokkene 5] in opdracht van de verdachte laptops vervoerd van Loosdrecht naar een loods op het adres [b-straat 1] in Nieuwegein. [medeverdachte 5] huurde die loods en de verdachte onderhuurde een gedeelte ervan;

- de verdachte heeft op het adres [b-straat 1] in Nieuwegein laptops gelost en opgeslagen;

- de verdachte is betrokken geweest bij de verkoop van een deel van de laptops. [medeverdachte 2] en diens handlanger hebben in verband met die verkoop geld ontvangen van [medeverdachte 5] en de verdachte.

Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders. De bewezen - intellectuele en materiële - bijdrage van de verdachte, die een aandeel heeft gehad in het regelen van de trekkers en opleggers, het merk van de vrachtauto’s heeft doorgegeven voor het regelen van gestolen kentekenplaten en instructies heeft gegeven aan of voor de chauffeurs waar zij na de oplichting met de laptops naartoe moesten rijden, is van voldoende gewicht om van medeplegen van oplichting te kunnen spreken. De handelingen die de verdachte na de oplichting heeft verricht, waaronder ook het helpen met het overladen en lossen van de laptops in Loosdrecht en Nieuwegein, leveren naar het oordeel van het hof witwassen op.

De verdachte heeft het merk van de vrachtauto’s doorgegeven aan [medeverdachte 2] die gestolen kentekenplaten zou regelen, de verdachte heeft doorgegeven dat de chauffeur van de Mercedes trekker niet moest doorrijden naar de losplaats in verband met het track-&-trace-systeem en de verdachte heeft op 8 december 2012 bij [betrokkene 5] navraag gedaan of de kentekenplaten wel waren omgewisseld. In die gedragingen ligt naar het oordeel van het hof besloten dat de verdachte wist dat er een partij laptops zou worden ontvreemd en dat de laptops die op 12 november 2012 zijn vervoerd naar Loosdrecht, De Meern en Nieuwegein van dat misdrijf afkomstig waren. Dat uit de historische verkeersgegevens blijkt dat een van de nummers die bij de verdachte in gebruik waren, [telefoonnummer 3] , op 11 november 2012 alleen met een nummer dat in gebruik was bij [betrokkene 5] contact heeft gehad, is zonder meer niet voldoende voor een ander oordeel.

De andersluidende lezing van de verdachte, inhoudende dat hij van niets wist en dat hij alleen bij [D] aanwezig was in verband met de overname van een klant van [D] , wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, is onvoldoende onderbouwd en, mede gelet op het aanvullend proces-verbaal van 17 oktober 2016 over het onvindbaar zijn van de getuige [betrokkene 11] en het horen van een medewerker van [I] in Breda, niet aannemelijk geworden.”

3 Het eerste middel

3.1.

Het middel, in samenhang bezien met de toelichting daarop, bevat de klacht dat de bewezenverklaring ten aanzien van feit 1, mede in het licht van het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak, onbegrijpelijk althans ontoereikend is gemotiveerd.

3.2.

Het middel valt uiteen in meerdere deelklachten, die betrekking hebben op (onderdelen van) de bewezenverklaring ten aanzien van de rol van de verdachte bij voorbereiding van de oplichting, te weten:

(i) de deelname van de verdachte aan de voorbespreking in de avond van 11 november 2012 (bewijsmiddel 8, verklaring van [betrokkene 5] );

(ii) het doorgeven van het merk van de vrachtwagens aan medeverdachte ‘ [medeverdachte 2] ’ (bewijsmiddel 6, verklaring van [betrokkene 5] );

(iii) de vaststelling van het hof dat de verdachte het merk van de vrachtauto’s aan ‘ [medeverdachte 2] ’ heeft doorgegeven met het opzet dat deze gestolen kentekenplaten kon regelen (denaturering van bewijsmiddel 6, verklaring van [betrokkene 5] ).

3.3.

Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop dat de feitenrechter vrij is om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. De invoering van de motiveringsplicht van art. 359 lid 2 Sv heeft geen wijziging gebracht in de vrije selectie en -waarderingsvrijheid van de feitenrechter. Wel brengt die bepaling mee dat de rechter zijn beslissing nader zal dienen te motiveren indien door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat voorts niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.1 Het voorgaande brengt mee dat de verwerping van een betrouwbaarheidsverweer in cassatie slechts beperkt, namelijk op zijn begrijpelijkheid, kan worden getoetst en zelden tot cassatie leidt.2

3.4.

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging onder meer het volgende aangevoerd (met weglating van voetnoten):

“2. De overige verweren worden wel herhaald (.12 tot en met .30 pleitnota eerste aanleg). In het licht van die verweren zal ik eerst - mede aan de hand van het in hoger beroep verrichte onderzoek - een drietal aspecten uit het vonnis belichten waar de verdediging het mee oneens is. Dat betreffen:

a) het feit dat de rechtbank [verdachte] een rol heeft toebedeeld in de voorbereidingsfase van diefstal op 11 november 2012;

b) de reden van zijn aanwezigheid in de loods van [D] te Loosdrecht in de ochtend van 12 november 2012;

c) en het beweerdelijk door hem (telefonisch) coördineren van het lossen en verplaatsen van de laptops.

ad a) de voorbereiding

3. Willen de voorbereidingshandelingen die hebben plaatsgevonden op zondag 11 november 2012 gekwalificeerd kunnen worden als gedragingen die strekken tot deelneming aan de latere diefstal, dan zal in ieder geval genoegzaam uit het dossier moeten volgen dat [verdachte] daarin enige vorm van betrokkenheid heeft gehad én moet hij op dat moment hebben geweten met welk (kennelijke) doel die voorbereidingen werden getroffen.

4. Volgens de rechtbank is dat het geval. Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt de rechtbank namelijk af [verdachte] :

- ervoor heeft gezorgd (met onder meer hulp van [betrokkene 5] ) dat de Mercedes trekker waarmee een deel van de lading laptops moest worden vervoerd (tijdig) beschikbaar was;

- hij betrokken was bij het wisselen van de nummerplaten, nu hij aan [medeverdachte 2] heeft bevestigd om welk merk het ging en bij [betrokkene 5] heeft geverifieerd of het wisselen van de kentekenplaten in goede orde was uitgevoerd;

- hij voorts betrokken was bij de overige voorbereidingen, waaronder een bespreking in zijn woning op 11 november 2012. met [betrokkene 5] , [betrokkene 1] en [medeverdachte 5] over wat er moest gebeuren bij [A] op 12 november 2012;

Voorbespreking

5. Om te beginnen met dat laatste: de vermeende bespreking die plaats zou hebben gehad in de woning van [verdachte] , aan de vooravond van de daadwerkelijke diefstal. De rechtbank leidt het bestaan van die bespreking af uit de verklaring van [betrokkene 5] van 11 april 2013, p. 4126 van het dossier. Daarin verklaart hij het volgende:

“A: Ik ben naar het huis van [verdachte] gereden aan de [d-straat 1] te [plaats] . Ik ben bij [verdachte] in de woning geweest Dit was tussen 20.00 uur en 21.00 uur geweest Bij mij was op dat moment [betrokkene 1] . In de woning troffen wij [medeverdachte 5] en [verdachte] . Door [medeverdachte 5] werd uitleg gegeven wat er zou moeten gebeuren. (...) [verdachte] is de man, een soort voorman die van alles voor [medeverdachte 5] regelt [medeverdachte 5] staat duidelijk boven aan (....) [verdachte] staat in ieder geval niet op gelijke hoogte.”

6. Een vrij specifieke, gedetailleerde verklaring van [betrokkene 5] dus. En als het waar zou zijn, ook een incriminerende verklaring. [verdachte] ontkent echter stellig dat een dergelijke bespreking in zijn bijzijn heeft plaatsgevonden - laat staan in zijn woning. Ook [medeverdachte 5] en zelfs [betrokkene 1] ontkennen dat deze bespreking heeft bestaan. Die ‘ontkenningen’ zijn in lijn met de zendmastgegevens van de gsm van [betrokkene 1] , die hem in de avond van 11 november 2012 immers niet (na)bij de woning van [verdachte] plaatsen. Bovendien heeft [betrokkene 5] tijdens zijn RC-verhoor van 4 februari 2014 aangegeven zich niet te kunnen herinneren dat deze bespreking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Al met al staat dan ook wel vast dat de ‘bespreking [in de woning van [verdachte] ] op 11 november 2012 met [betrokkene 5] , [betrokkene 1] en [medeverdachte 5] over wat er moest gebeuren bij [A] op 12 november 2012’ helemaal niet heeft plaatsgevonden.

7. Hier hebben we dus het eerste toetsmoment van de verklaring van [betrokkene 5] te pakken. Op dit belangrijke aspect moet dus - mede op grond van de objectieve histo-gegevens en de door de A-G als betrouwbaar geboekstaafde RHC-verklaring van [betrokkene 1] - worden vastgesteld dat de verklaring van [betrokkene 5] onbetrouwbaar is.

(…)

Wisselen nummerplaten

12. Dan nog de vaststelling van de rechtbank dat [verdachte] betrokkenheid heeft gehad bij het wisselen van de nummerplaten, door aan ‘ [medeverdachte 2] ’ door te geven om welk merk auto het ging. Die vaststelling is onjuist en onbegrijpelijk.

13. Vooropgesteld: [verdachte] ontkent dat hij wist dat er gestolen kentekenplaten zijn gebruikt voor het transport. Dat sprake is geweest van enig contact tussen hem en [medeverdachte 2] vindt voorts ook geen bevestiging in de histo-gegevens. Uit die gegevens volgt dat op 11 november 2012 ergens tussen 16.45 uur en 17.30 de bespreking tussen in Van der Valk Houten moet zijn geweest. Hier spraken [medeverdachte 5] en [betrokkene 5] voor het eerst over het transport. Het staat vast [verdachte] niet bij die bespreking aanwezig was. Kijken we vervolgens naar de contacten tussen de gsm van [betrokkene 5] en die van [verdachte] op 11 november 2012 na 17.30 uur, dan zien we dat de gsm van [verdachte] slechts één keer uitbelt en wel naar het nummer van [betrokkene 5] . Van enig contact met [medeverdachte 2] voorafgaand aan de diefstal blijkt dus niet - ook niet in de ochtend van 12 november overigens. Zie in dit verband heel specifiek ook hetgeen gerelateerd wordt pagina 5200-5201 van het dossier. Ik citeer:

“Alle bekende, bij [verdachte] in gebruik zijnde telefoonnummers werden vergeleken met de aanwezige verkeersgegevens binnen het onderzoek in de periode van 10-11-2012 te 00.01 uur t/m 14-11-2012 te 23.59 uur.

Hierbij werden geen contacten vastgesteld met medeverdachten, met uitzondering van [betrokkene 5] .”

14. De door [betrokkene 5] gestelde betrokkenheid van [verdachte] bij het wisselen de nummerplaten, is derhalve opnieuw iets wat geen bevestiging vindt in de histo-gegevens. Wederom is zijn verklaring op een belangrijk onderdeel - want immers voor het bewijs gebezigd - onbetrouwbaar.

15. Ten overvloede merk ik nog op dat de rechtbank in dit verband ten onrechte redengevende betekenis heeft toegekend aan het voor het bewijs gebezigde tapgesprek tussen [verdachte] en [betrokkene 5] van 8 december 2012. Dat gesprek is volledig weergegeven op p. 5174 van het dossier en gaat — voor zover hier relevant - als volgt:

"(…)

He, ken jij die die die grijze auto, op hebt gehaald..

Eh...Grijze auto...

Ja.

Eh Ja.

In Almere.

Heb je toen een pas gebruikt?

Nee. Is.... ok. Want, eh, die is bekend.

Wat zeg je?

(Op de achtergrond klink een mannen stem: Wel die dingen omgewisseld?) Had je wel die dingen gewisseld van al die auto's?

Ja ja ja ja ja.

Honderd procent?”

16. Aan de inhoud van dit tapgesprek kan niet worden ontleend dat [verdachte] op 11 november 2012 wist dat de nummerplaten van de door hem aangewezen Mercedes verwisseld zouden worden met valse kentekenplaten. In het gesprek - dat dus een maand na de diefstal plaatsvond - vraagt [verdachte] immers aan [betrokkene 5] of hij die dingen gewisseld [had] van al die auto's’. Die vraag had [verdachte] uiteraard niet hoeven stellen als hij daadwerkelijk betrokken was bij het wisselen van de nummerplaten - zoals de rechtbank aldus ten onrechte heeft vastgesteld.

17. Op die 8ste december was hem via [betrokkene 5] echter al wel bekend geworden dat met de auto onoorbare zaken hadden plaatsgevonden (dat is hem bij gelegenheid van hun contacten op 14 november 2012 verteld, ik kom zo nog op terug). Aangezien de auto (ook) voor normale ritten werd ingezet, is de vraag van [verdachte] bepaald niet onlogisch; hij wilde van [betrokkene 5] weten hoe ‘besmet’ de auto was waarvoor zijn onderneming in die tijd immers de bevrachting regelde.

Conclusie

18. De conclusie is dus dat de rechtbank ten onrechte aan [verdachte] een strafrechtelijk relevante rol in de voorbereiding heeft toebedeeld.”

3.5.

De eerste klacht is dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat in de avond van 11 november 2012 geen (voor)bespreking heeft plaatsgehad bij en in aanwezigheid van de verdachte, zonder in het bijzonder de redenen te geven die tot afwijking van dat standpunt hebben geleid. Het hof heeft als bewijsmiddel 8 opgenomen de verklaring van medeverdachte [betrokkene 5] , die er kort gezegd op neer komt dat hij bij de verdachte thuis is geweest, dat de verdachte en medeverdachten [betrokkene 1] en [medeverdachte 5] daar aanwezig waren, dat door [medeverdachte 5] uitleg werd gegeven over wat er zou moeten gebeuren en dat de verdachte een soort voorman is die van alles voor [medeverdachte 5] regelt. De steller van het middel wijst erop dat, zeker nu ook andere betrokkenen – waaronder medeverdachte [betrokkene 1] , van wie het hof de verklaringen betrouwbaar heeft geacht – het plaatsvinden van deze bespreking hebben ontkend, die ontkenning in overeenstemming is met de zendmastgegevens van de gsm van [betrokkene 1] in die zin dat deze aantonen dat [betrokkene 1] desbetreffende avond niet nabij de woning van de verdachte is geweest, en [betrokkene 5] later, tijdens zijn verhoor ten overstaan van de RC op 4 februari 2014, heeft verklaard zich niet te kunnen herinneren of deze bespreking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, het hof op dit onderdeel gehouden was tot een (nadere) motivering.

3.6.

Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte betrokken is geweest bij de oplichting en het witwassen met name gebaseerd op de verklaringen van medeverdachten [betrokkene 5] en [betrokkene 1] . Daarbij heeft het hof overwogen dat medeverdachten [betrokkene 5] en [betrokkene 1] geloofwaardig zijn en hun verklaringen betrouwbaar en dat hun verklaringen op hoofdpunten steun vinden in historische verkeersgegevens inclusief mastlocatiegegevens en over en weer in elkaars verklaringen en in de verklaringen van getuige [betrokkene 9] (bewijsmiddel 16, AG) en in die van medeverdachte [betrokkene 2] (bewijsmiddel 15, AG), die net zoals medeverdachten [betrokkene 5] en [betrokkene 1] (ook) zichzelf heeft belast. Hiermee heeft het hof in algemene zin gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat voor het bewijs niet kon worden uitgegaan van de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 1] , maar dat moest worden uitgegaan van de verklaringen van de verdachte. Het hof heeft, als gezegd, de betwiste getuigenverklaring van [betrokkene 5] dat de betreffende bijeenkomst op 11 november 2012 bij de verdachte thuis heeft plaatsgevonden wél tot het bewijs gebezigd. Ook daarin kan de verwerping van het verweer dat deze verklaring onbetrouwbaar is, worden gevonden. In zoverre heeft het hof dus wel gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging.

3.7.

Waar het echter om gaat is of de verwerping van het verweer dat de betreffende verklaring van [betrokkene 5] onbetrouwbaar is, begrijpelijk is en voldoende toegespitst op hetgeen in het verweer naar voren is gebracht. Ik meen, hoewel ik mij bewust ben van de beperkte toetsing in cassatie, om de navolgende redenen, van niet.

3.8.

In de eerste plaats overweegt het hof in zijn algemeenheid dat de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 1] steun vinden in historische verkeersgegevens inclusief mastlocatiegegevens. Daarbij gaat het hof niet in op het verweer dat de aanwezigheid van [betrokkene 1] bij de bijeenkomst, zo die al zou hebben plaatsgevonden, geen steun vindt in de zendmastgegevens van de gsm van [betrokkene 1] . Verder doet de verdediging bij de onderbouwing van haar standpunt een beroep op de verklaringen die de medeverdachten [medeverdachte 5] en [betrokkene 1] ten overstaan van de raadsheer-commissaris hebben afgelegd. Tussen de op de voet van art. 434 lid 2 Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken, bevinden zich getuigenverhoren bij de raadsheer-commissaris van medeverdachten [medeverdachte 5] en [betrokkene 1] , waar de verdediging kennelijk op doelt.3 Deze getuigenverklaringen houden onder meer kort gezegd in dat zij niet op zondag 11 november 2012 bij een bespreking in de woning van de verdachte zijn geweest. In het licht hiervan kon naar mijn oordeel het hof voor het gebruik van de hierop betrekking hebbende getuigenverklaring van [betrokkene 5] (bewijsmiddel 8) niet volstaan met de overwegingen dat het [betrokkene 5] en [betrokkene 1] geloofwaardig acht en hun verklaringen betrouwbaar. Medeverdachte [betrokkene 1] heeft immers ten overstaan van de raadsheer-commissaris ook stellig ontkend dat de betreffende bespreking heeft plaatsgevonden.4

Wat mij daarnaast is opgevallen is dat het hof de getuigenverklaring van medeverdachte [betrokkene 5] over de betreffende voorbereidende bijeenkomst wel voor het bewijs heeft gebruikt, maar in zijn nadere bewijsoverwegingen niet aan deze voorbespreking refereert. Dat valt op, omdat het hof verder wel stapsgewijs de betrokkenheid van de verdachte bij gepleegde feiten uiteen heeft gezet.

3.9.

De steller van het middel klaagt dus terecht over dit motiveringsgebrek ten aanzien van het gebruik van de verklaring van medeverdachte [betrokkene 5] dat er een (voor)bespreking heeft plaatsgehad bij de verdachte thuis. Of dit tot cassatie moet leiden hangt af van de bewijsvoering in zijn geheel, met name of de bewezenverklaring bij de schrapping van de betreffende getuigenverklaring uit de bewijsmiddelen in voldoende mate gedekt wordt door de overige bewijsmiddelen. Daarover kan pas een oordeel worden geveld na de bespreking van de overige klachten.

3.10.

De tweede klacht houdt in dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte niet het merk van de vrachtwagens aan medeverdachte [medeverdachte 2] (‘ [medeverdachte 2] ’) heeft doorgegeven, zonder in het bijzonder de redenen op te geven die tot afwijking van dat standpunt hebben geleid, althans dat het oordeel van het hof dat de verdachte dit wel heeft gedaan, niet zonder meer begrijpelijk is. Meer specifiek is door de verdediging op dit punt aangedragen dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte slechts één keer naar de gsm van [betrokkene 5] heeft gebeld op 11 november 2012 na 17.30 uur en dat van enig contact met [medeverdachte 2] voorafgaand aan de ontvreemding van de laptops of in de ochtend van 12 november 2012 niet blijkt. Ter onderbouwing hiervan wordt geciteerd uit het proces-verbaal van bevindingen pagina’s 5200-5201 van het dossier:

“Alle bekende, bij [verdachte] in gebruik zijnde telefoonnummers werden vergeleken met de aanwezige verkeersgegevens binnen het onderzoek in de periode van 10-11-2012 te 00.01 uur t/m 14-11-2012 te 23.59 uur.

“ Hierbij werden geen contacten vastgesteld met medeverdachten, met uitzondering van [betrokkene 5] .”

3.11.

Het hof heeft, in tegenstelling tot het gevoerde verweer, overwogen dat de verdachte aan medeverdachte [medeverdachte 2] heeft doorgegeven om wat voor merk auto’s het ging die door medeverdachte [medeverdachte 5] ter beschikking werden gesteld. Het hof heeft dit gebaseerd op de als bewijsmiddel 6 gebezigde verklaring van medeverdachte [betrokkene 5] dat ‘ [medeverdachte 2] ’ dit aan verdachte heeft gevraagd. Daaraan heeft het hof in de nadere bewijsoverwegingen toegevoegd:

“Dat uit de historische verkeersgegevens blijkt dat een van de nummers die bij de verdachte in gebruik waren, [telefoonnummer 3] , op 11 november 2012 alleen met een nummer dat in gebruik was bij [betrokkene 5] contact heeft gehad, is zonder meer niet voldoende voor een ander oordeel.”

Deze overweging is moeilijk te rijmen met het door de verdediging aangehaalde citaat uit het proces-verbaal van bevindingen omtrent het telefoonverkeer van alle bij de verdachte in gebruik zijnde telefoonnummers. Hetgeen hieruit naar voren komt lijkt in strijd te zijn met de bevindingen van het hof.

3.12.

Ook wat dit aangaat heeft de steller van het middel dus een punt. De motivering die het hof heeft gegeven voor het gebruik van de verklaring van medeverdachte [betrokkene 5] voor zover deze heeft verklaard dat de verdachte aan ‘ [medeverdachte 2] ’ heeft doorgegeven om wat voor merk auto’s het ging die door [medeverdachte 5] ter beschikking werden gesteld, valt gelet op het gevoerde verweer niet goed te begrijpen. Ook deze klacht slaagt.

3.13.

Dan resteert de derde klacht, die samenhangt met de tweede klacht, en die inhoudt dat het hof de verklaring van medeverdachte [betrokkene 5] heeft gedenatureerd, door ten onrechte daaraan de strekking te geven dat verdachte het merk van de vrachtauto’s aan [medeverdachte 2] heeft doorgegeven met het opzet dat [medeverdachte 2] gestolen kentekenplaten kon regelen. Gedoeld wordt op de overweging van het hof:

“De bewezen intellectuele en materiële – bijdrage van de verdachte, die, (…) het merk van de vrachtauto’s heeft doorgegeven voor het regelen van gestolen kentekenplaten (…) is van voldoende gewicht om van medeplegen van oplichting te kunnen spreken.”

3.14.

De als bewijsmiddel 6 gebezigde verklaring van [betrokkene 5] houdt op dit punt in:

“V: Hoe weet je dat de kentekenplaten die gestolen waren overeen kwamen met het merk van het voertuig?

A: Dat heeft [medeverdachte 2] speciaal aan [verdachte] gevraagd. Om wat voor merk auto’s het ging.”

3.15.

Ik ben het eens met de steller van het middel dat uit deze verklaring van [betrokkene 5] niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte merk van de auto(‘s) zou hebben doorgegeven ‘voor het regelen van gestolen kentekenplaten’, in die zin dat hij met dat opzet de bedoelde informatie aan ‘ [medeverdachte 2] ’ heeft verstrekt. Ook blijkt uit de verklaring van [betrokkene 5] verder niet, zoals in de cassatieschriftuur aangehaald, of er tussen hem en de verdachte voorafgaand aan de oplichting iets besproken is over het omwisselen van kentekenplaten of dat de verdachte hiervan op de hoogte zou zijn. Die (voorafgaande) wetenschap blijkt evenmin uit de omstandigheid dat de verdachte in december 2012 navraag heeft gedaan of de kentekenplaten van de bij de oplichting gebruikte vrachtwagens wel verwisseld waren, omdat bekend was geworden dat één van die vrachtwagens ‘gebruikt is daar zeg maar’ (bewijsmiddel 22). Het gaat hier immers om een moment na de oplichtingshandelingen en waarbij de verdachte heeft toegegeven dat hij toen wist wat er gebeurd was. Ook deze klacht slaagt.

3.16.

Nu alle klachten mijns inziens slagen blijft de vraag over of dit tot cassatie moet leiden. Ik ben van mening dat de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen onvoldoende nadere aanknopingspunten bieden om tot een bewezenverklaring van feit 1, het medeplegen van de oplichting, te komen. Als ik de nadere bewijsoverwegingen van het hof afloop dan blijven de navolgende door het hof vastgestelde feiten die betrekking hebben op feit 1 overeind:

(iv) [medeverdachte 5] werd op een zondag in november 2012 benaderd door [betrokkene 5] (die op zijn beurt weer door [medeverdachte 2] , [medeverdachte 2] , was benaderd) met de vraag of hij auto’s kon regelen voor een klus bij een distributiebedrijf. [betrokkene 5] had eerst de verdachte gebeld en aan hem gevraagd of hij even ‘de chef’, [medeverdachte 5] , kon spreken. De verdachte heeft aan [medeverdachte 5] doorgegeven dat [betrokkene 5] hem wilde spreken.

(v) [medeverdachte 5] (niet de verdachte, AG) wist dat het geen zuivere koffie was en dat het om de diefstal van een bepaalde lading ging. [medeverdachte 5] heeft gezegd dat hij een DAF had staan, een koeloplegger, een Mercedes en nog een koeloplegger, die door [betrokkene 5] konden worden gebruikt. Die trekkers en opleggers zijn op 12 november 2012 bij het tenlastegelegde onder 1 en onder 3 gebruikt;

(vi) [betrokkene 5] moest contact leggen met de verdachte omdat hij wist waar in Almere de Mercedes trekker met koeloplegger geparkeerd stond;

(vii) De verdachte heeft aan [betrokkene 5] de parkeerlocatie van de Mercedes trekker met oplegger doorgegeven en waar in Almere hij de sleutels kon ophalen;

(viii) de verdachte heeft op 11 november 2012 tegen de getuige [betrokkene 9] gezegd dat een chauffeur de Mercedes met koeloplegger zou komen ophalen.

Deze door het hof vastgestelde feiten bevatten niets over de wetenschap van de verdachte over de voorgenomen oplichting. De overige vaststellingen van het hof, die overigens niet worden bestreden, zien alle op handelingen die door de verdachte zijn verricht ná de oplichting, zodat de mogelijkheid open blijft dat de verdachte pas ná de oplichting op de hoogte is gebracht en toen is gaan meehelpen (hetgeen eerder moet worden aangemerkt als witwassen zoals bewezenverklaard onder feit 2). De (overblijvende) vaststellingen van het hof passen allemaal (ook) in het door de verdachte geschetste scenario dat hij, als transportplanner voor [medeverdachte 5] , weliswaar handelingen heeft verricht bij het ter beschikking stellen van de voertuigen, maar op dat moment nog niet wist dat er later met deze voertuigen een strafbaar feit zou worden gepleegd.

3.17.

Ik kom dan ook tot de conclusie dat de bewezenverklaring ten aanzien van feit 1 niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

3.18.

Het middel slaagt.

4 Het tweede middel

4.1.

Het middel bevat de klacht dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat verdachte op 12 november 2012 in Loosdrecht geen (coördinerende) rol heeft gehad bij het lossen en verplaatsen van de laptops, zonder in het bijzonder de redenen op te geven die tot afwijking van dat standpunt hebben geleid en/of dat het oordeel van het hof dat verdachte een strafrechtelijk relevante rol heeft gehad hierbij, niet begrijpelijk, althans ontoereikend is gemotiveerd.

4.2.

Ter terechtzitting in hoger beroep is onder meer het volgende aangevoerd:

ad c) het beweerdelijk coördineren van het lossen en verplaatsen van de laptops

25. [verdachte] was dus niet in Loosdrecht om de laptops te lossen en te verplaatsen. Wat [betrokkene 5] en [betrokkene 1] hierover blijkens de gebezigde bewijsmiddelen verklaren, klopt ook niet met de histo-gegevens. Ik citeer een aantal passages (onderstreping van mijn hand, NvS)

“De verklaring van [betrokkene 5] d.d. 14 februari 2013, p. 5259:

V: [betrokkene 2] die gaat ook laden daar en die is ook klaar, wat gebeurt er vervolgens, want die twee transporten die moeten ergens naar toe?

A: Toen werd ik gebeld door [verdachte] . ze moesten naar Loosdrecht komen naar de loods van [D] . (...)

De verklaring van [betrokkene 5] d.d. 25 februari 2013, p.5294:

V: Waarom ben je naar [D] in Loosdrecht gegaan?

A: Wij, [betrokkene 1] en ik, kregen de opdracht van [verdachte] om daar naar toe te gaan. (...)

V: Wat was hun rol?

A: (...) [verdachte] : die reed op de heftruck en was aan het lossen en laden. Hij gaf de opdrachten door die [medeverdachte 5] hem [telefonisch, NvS] gaf.

De verklaring van [betrokkene 5] d.d. 14 maart 2013, p. 5320:

A: [verdachte] belde mij op toen [betrokkene 2] en ik onderweg waren naar de [D] loods in Loosdrecht. (...) [verdachte] zei tegen mij dat [betrokkene 2] niet naar de [D] loods mocht rijden met die Mercedes Actros omdat daar een Track & Trace- systeem in zat [verdachte] zei dat we daarom naar de parkeerplaats bij het tankstation in Maartensdijk moesten gaan om daar de oplegger om te koppelen. (...)

De verklaring van [betrokkene 1] d.d. 5 februari 2013, p. 5363-5364:

A: (...) Ik moest na het laden naar Beesd rijden, naar de BP, langs de A2. (...) Die man aan de telefoon zei mij hoe ik moest rijden. (...) V; Het mannetje die kwam lossen, wie was dit

A: [verdachte] . (...) Toen ik hem zag, wist ik dat ik [verdachte] ook aan de lijn had gehad. Ik had de link in eerste instantie alleen door zijn stem niet gemaakt (...)

De verklaring van [betrokkene 1] d.d. 5 februari 2013, p. 5368-5369:

(...) Ik weet dat [betrokkene 2] ook onderweg was naar Loosdrecht Dit weet ik doordat er telefoonverkeer is geweest waardoor ik hoorde dat [betrokkene 2] er ook zou komen. Ik hoorde dat [verdachte] zei: "Niet hier, niet hier" Er ontstond een beetje paniek. Ik weet niet met wie [verdachte] dit gesprek voerde. Ik dacht dat dit met [medeverdachte 5] is geweest.”

26. Volgens deze verklaringen zou [verdachte] in de ochtend van 12 november 2012 aldus veelvuldig telefonisch contact hebben onderhouden met diverse betrokkenen, waaronder [betrokkene 1] , [betrokkene 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] . Kijken we echter naar de histo-gegevens, dan wordt het bestaan-van die contacten daarin niet bevestigd. Zie nogmaals p. 5200/5201. Ook op dit belangrijke punt blijken de (politie)verklaringen van deze getuigen dus weer onbetrouwbaar.

27. Uit de histo-gegevens blijkt wél van telefonische contacten tussen onder meer [betrokkene 5] en [betrokkene 6] - die volgens getuigen óók aanwezig was in de loods en zich daar bemoeide met de lading laptops.11 [betrokkene 1] is met het bestaan van die contacten geconfronteerd tijdens zijn RHC-verhoor en zegt dan (onderstreping van mijn hand, NvS):

“Dat is nieuw voor mij. Ik weet niet anders dan dat [betrokkene 6] de loods ter beschikking heeft gesteld voor laden en lossen. En dat het daarbij bleef. Dat [betrokkene 6] met de handlangers contact had is nieuw voor mij. Hij stelde de loods ter beschikking omdat het een kennis van [medeverdachte 5] is.

U heeft mij zojuist mijn verklaring voorgelezen en ik aarzel nu over een bepaald punt Ik kan nu niet stellig zeggen of het [verdachte] was of [betrokkene 6] die contact heeft gehad met de handlanger van [medeverdachte 2] , waarmee ik in de vrachtauto zat.”

28. [betrokkene 1] komt hier dus terug op zijn eerdere verklaring dat het [verdachte] was die telefonische instructies gaf. Maar - belangrijker misschien nog wel - [betrokkene 1] komt óók terug op zijn voor het bewijs gebezigde verklaring dat hij [verdachte] in Loosdrecht heeft getroffen bij het lossen van de lading laptops. Hij zegt immers: ‘Ik heb [verdachte] pas later in Nieuwengein gezien. Dat ik de eerste keer dat ik hem heb gezien.”'2 En niet in Loosdrecht dus.

29. Die gewijzigde verklaring is ook meer in lijn met de histo-gegevens. Daaruit volgt namelijk dat de telefoon van [verdachte] tussen 08:30 en 11:45 aanstraalt bij de loods in Loosdrecht. Bij de politie verklaart [betrokkene 1] aanvankelijk echter dat [verdachte] pas om 12.30 uur bij [D] heeft gelost - op een moment dus dat de gsm niet meer aanstraalt in Loosdrecht.

30. Dus: [betrokkene 1] komt terug op zijn eerdere verklaring dat [verdachte] het lossen en verplaatsen van de laptops in Loosdrecht (telefonisch) heeft gecoördineerd. Dat ‘coördineren’ in Loosdrecht vindt ook geen bevestiging in de histo-gegevens. We moeten er dus van uitgaan dat zijn latere verklaringen juist zijn. Eén en ander plaatst vervolgens de voor het bewijs gebezigde verklaringen van [betrokkene 5] in een ander daglicht, want ook zijn verklaringen vinden op dit onderdeel geen bevestiging in die histo-gegevens, noch in de (latere) verklaring van [betrokkene 1] . Ook op dit cruciale onderdeel toont [betrokkene 5] dus weer. onbetrouwbaar te zijn.

31. Het oordeel van de rechtbank dat [verdachte] op 12 november 2012 in Loosdrecht een coördinerende rol heeft gehad bij het lossen en verplaatsen van de laptops, kan derhalve geen stand houden.”

4.3.

In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat de verdediging heeft aangevoerd dat medeverdachte [betrokkene 1] bij het verhoor bij de raadsheer-commissaris is teruggekomen op zijn verklaringen dat verdachte telefonische instructies gaf en dat hij de verdachte in Loosdrecht heeft getroffen bij het lossen van de lading laptops. Op grond hiervan had, volgens de steller van het middel, het hof niet de (politie)verklaringen van [betrokkene 1] tot het bewijs mogen bezigen, aan de hand waarvan het hof heeft vastgesteld dat verdachte aanwezig was bij [D] in Loosdrecht tijdens het lossen en overladen van de laptops, dat hij een heftruck bestuurde en meehielp met het laden en lossen en dat hij daarbij opdrachten van [medeverdachte 5] doorgaf. Ook wordt erop gewezen dat is aangevoerd dat de verklaringen van [betrokkene 5] over (kort gezegd) het telefonisch coördineren van het lossen in Loosdrecht en het doorgeven dat de Mercedes niet moest doorrijden naar een losplaats omdat in die truck een track & trace-systeem zat, geen steun vinden in historische verkeersgegevens. De verwerping van het hof op de grond dat [betrokkene 5] en [betrokkene 1] geloofwaardig zijn en hun verklaringen betrouwbaar, omdat hun verklaringen op hoofdpunten steun vinden in historische verkeersgegevens inclusief mastlocatiegegevens en over en weer in elkaars verklaringen, is volgens de steller van het middel in dat licht bezien, ontoereikend gemotiveerd.

4.4.

Afgezien van de vraagtekens die gezet kunnen worden bij de verklaring van [betrokkene 5] , dat de verdachte hem telefonisch zou hebben doorgegeven dat de Mercedes trekker niet moest doorrijden naar een losplaats omdat in die truck een track & trace-systeem zat, en de overige telefonische instructies die de verdachte zou hebben gegeven, omdat hiervoor geen steun is te vinden in de historische verkeersgegevens (zie de opmerkingen hierover bij de bespreking van het eerste middel), stuiten de klachten die betrekking hebben op de bewezenverklaring van hetgeen na de oplichting heeft plaatsgevonden en hetgeen is tenlastegelegd onder feit 2, af op de vrije selectie en waarderingsvrijheid die de feitenrechter toekomt. Op grond daarvan is het hof vrij om tot het bewijs te bezigen wat het uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat het voor het bewijs van geen waarde acht. Dit geldt ook ten aanzien van verschillende verklaringen van dezelfde getuige. Het hof heeft overwogen dat het de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 1] geloofwaardig en hun verklaringen betrouwbaar acht. Uit de tot het bewijs gebezigde getuigenverklaringen leid ik af dat het hof hiermee kennelijk het oog had op de door [betrokkene 1] bij de politie afgelegde verklaringen die kort gezegd inhouden dat de verdachte bij de loods in Loosdrecht was en daar handelingen heeft uitgevoerd, en niet op de nadien bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen, die onder meer inhoudt dat [betrokkene 1] de verdachte pas in Nieuwegein heeft gezien.5 Hoewel het hof er naar mijn idee goed aan had gedaan nader toe te lichten wélke verklaringen van medeverdachte [betrokkene 1] het dan betrouwbaar achtte, heeft het hof met zijn bewijsoverwegingen en het gebruik van de betreffende verklaringen voor het bewijs wel voldoende gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2 komt afdoende naar voren dat de verdachte op 12 november 2012 – eerder dan hij heeft willen toegeven – geweten heeft dat de partij laptops die toen zijn vervoerd naar Loosdrecht, De Meern en Nieuwegein van misdrijf afkomstig waren en dat de verdachte actief betrokken is geweest bij het verladen (en verkopen) van deze laptops. Dat oordeel is naar mijn mening, gelet op de gehele bewijsvoering van het hof, niet onbegrijpelijk.

4.5.

Het middel faalt.

5 Het derde middel

5.1.

Hoewel het eerste middel naar mijn mening slaagt en op grond daarvan het derde middel, dat ook betrekking heeft op de bewezenverklaring van feit 1, buiten bespreking zou kunnen worden gelaten, zal ik toch op het middel ingaan, voor het geval de Hoge Raad mijn conclusie over het eerste middel niet deelt.

5.2.

De kern van het middel is, als ik het goed begrijp, dat de bewijsvoering ten aanzien van feit 1 innerlijk tegenstrijdig is. Daarbij wordt erop gewezen dat het hof eerst heeft overwogen dat de bijdrage van de verdachte, die onder meer instructies heeft gegeven aan of voor de chauffeurs waar zij na de oplichting met de laptops naartoe moesten rijden, van voldoende gewicht is om van medeplegen van oplichting te kunnen spreken maar vervolgens heeft overwogen dat de handelingen die de verdachte heeft verricht ná de oplichting, zijn aan te merken als witwassen. Ik citeer voor een goed begrip de betreffende overwegingen:

“Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders. De bewezen - intellectuele en materiële - bijdrage van de verdachte, die een aandeel heeft gehad in het regelen van de trekkers en opleggers, het merk van de vrachtauto’s heeft doorgegeven voor het regelen van gestolen kentekenplaten en instructies heeft gegeven aan of voor de chauffeurs waar zij na de oplichting met de laptops naartoe moesten rijden, is van voldoende gewicht om van medeplegen van oplichting te kunnen spreken. De handelingen die de verdachte na de oplichting heeft verricht, waaronder ook het helpen met het overladen en lossen van de laptops in Loosdrecht en Nieuwegein, leveren naar het oordeel van het hof witwassen op.”

5.3.

Kennelijk betogen de stellers van het middel dat de overwegingen van het hof zichzelf lijken tegen te spreken in die zin dat de bewoordingen ‘na de oplichting’ zo moeten worden opgevat dat die handelingen geen onderdeel uitmaakten van het medeplegen van de oplichting zelf. Dat berust naar mijn oordeel op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Volgens het hof bestond de bijdrage van de verdachte aan de oplichting eruit dat hij een aandeel heeft gehad in het regelen van de trekkers en opleggers, het merk van de vrachtauto’s heeft doorgegeven voor het regelen van gestolen kentekenplaten en instructies heeft gegevens aan of voor de chauffeurs waar zij na de oplichting met de laptops naartoe moesten rijden. Een deel van zijn gedragingen vond dus na de oplichting plaats, maar was nog wel een bijdrage aan het medeplegen van de oplichting. De handelingen die na de oplichting hebben plaatsgevonden, waaronder het helpen met het overladen en lossen van de laptops in Loosdrecht en Nieuwegein maar kennelijk ook het geven van instructies, heeft het hof tevens aangemerkt als witwassen. Daaraan biedt steun dat het hof, gelet op de aangehaalde wetsbepaling van art. 57 Sr, de handelingen van de verdachte kennelijk heeft opgevat als een meerdaadse samenloop.

5.4.

Het middel faalt.

6 Het vierde middel

6.1.

Het middel bevat de klacht dat het hof in de strafoplegging is uitgegaan van onjuiste, althans oncontroleerbare gegevens, te weten (a) dat de oplichting meer dan 2 miljoen euro schade zou hebben veroorzaakt en (b) dat er extra beveiligingsmaatregelen zouden zijn getroffen, met alle extra kosten van dien, om herhaling in de toekomst van soortgelijke feiten te voorkomen.

6.2.

Het bestreden arrest bevat de volgende strafmotivering:

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden - dat de oplichting van [A] meer dan € 2 miljoen schade heeft veroorzaakt. Naast die directe schade heeft het bewezenverklaarde ook het vertrouwen in het economisch verkeer tussen een distributiebedrijf als dat van de aangeefster en vervoerders geschaad. Naar het zich laat aanzien zijn er extra beveiligingsmaatregelen getroffen, met alle extra kosten van dien, om herhaling in de toekomst van soortgelijke feiten te voorkomen. Bij de oplichting is gebruikgemaakt van informatie van binnenuit van een medewerker die zijn eigen werkgever heeft helpen oplichten en zodoende het in hem gestelde vertrouwen ernstig heeft geschaad en ervoor heeft gezorgd dat zijn werkgever reputatieschade heeft kunnen lijden.

Het hof acht vanwege de ernst van het bewezenverklaarde een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, zoals opgelegd door de rechtbank, in beginsel passend en geboden.

Het hof zal evenwel rekening houden met de omstandigheid dat de redelijke termijn waarbinnen in hoger beroep het geding met een einduitspraak behoort te zijn afgerond - twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld - met ruim twee jaar is overschreden.

Het hof acht al met al een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.”

6.3.

De kern van de klacht is dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet blijkt dat de oplichting van [A] meer dan € 2 miljoen schade heeft veroorzaakt. Ook de overweging dat naar het zich laat aanzien er extra beveiligingsmaatregelen zijn getroffen, met alle extra kosten van dien, om herhaling in de toekomst van soortgelijke feiten te voorkomen, is volgens de stellers van het middel oncontroleerbaar. Dit maakt de strafmotivering volgens hen onbegrijpelijk.

6.4.

Van Dorst beschrijving de grenzen van de strafoplegging en de toetsing daarvan in cassatie als volgt6:

“Zolang de feitenrechter binnen de door de wet aan de straf en maatregel gestelde grenzen blijft, is de strafoplegging in cassatie nagenoeg onaantastbaar. Met name is de feitenrechter vrij in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Deze afweging is aan hem voorbehouden en zijn oordeel daaromtrent behoeft geen motivering. In cassatie kan dus niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte. De enige grens die de rechter in acht moet nemen bij de selectie van de gegevens die hij wil gebruiken bij de straftoemeting, is dat zij moeten zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Niet-naleving van dit voorschrift van art. 350 Sv levert een vormverzuim op. Dit betekent dat de rechter alles wat ter terechtzitting is verklaard of wat in de gedingstukken is neergelegd, in aanmerking mag nemen. Wat de gedingstukken betreft moet daaraan echter worden toegevoegd dat zulks alleen maar is toegestaan voor zover is voldaan aan het voorschrift van art. 301 lid 4 Sv, inhoudende dat ten bezware van de verdachte slechts acht mag worden geslagen op stukken die ter zitting zijn voorgelezen of waarvan aldaar de korte inhoud is medegedeeld. Van die voorlezing of korte mededeling dient te blijken uit het proces-verbaal der terechtzitting. Wordt in de strafmotivering rekening gehouden met de inhoud van zo’n niet aan de orde gesteld stuk, dan volgt vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging.”

6.5.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen 2 en 16 volgt dat de lading laptops een waarde had van ongeveer € 2.000.000. Uit het ook in de schriftuur aangehaalde en het zich in het dossier bevindende proces-verbaal van voorgeleiding (p. 8) volgt dat de laptops een retailwaarde van € 2.005.226,40 hadden en dat genoemde retailwaarde het bedrag is dat Acer aan de groothandel berekent. Hoewel de processen-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet inhouden dat de gedingstukken ter zitting zijn voorgelezen of dat daarvan de korte inhoud is medegedeeld, kan zulks wel uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg worden afgeleid (zie het proces-verbaal van de terechtzitting bij de rechtbank van 19 maart 2014, p. 2). Omdat het bestreden arrest ex art. 422 lid 2 Sv ook is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, kan ook in hoger beroep acht worden geslagen op de al in eerste aanleg voorgehouden stukken. Hiermee is dus voldoende uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de laptops méér dan € 2.000.000 waard waren. Dat het hof dit bedrag heeft aangemerkt als veroorzaakte schade acht ik niet onbegrijpelijk. Mogelijk heeft het hof deze schade gezien als schade voor [A] , het opgelichte logistiekbedrijf dat als tussenschakel fungeerde tussen eigenaar Acer Europe S.A. en de beoogde afnemers. Ook dat vind ik niet onbegrijpelijk. Dat, zoals in de schriftuur kennelijk wordt betoogd, Acer Europe S.A eigenaar is van de weggenomen laptops en niet blijkt wat voor Acer de inkoopwaarde van de laptops is geweest, komt mij in dat verband niet relevant voor. Ook de overweging van het hof dat naar het zich laat aanzien er extra beveiligingsmaatregelen zijn getroffen, met alle extra kosten van dien, om herhaling in de toekomst van soortgelijke feiten te voorkomen, is, gelet op de feiten zoals die blijken uit de gedingstukken, niet onbegrijpelijk.

6.6.

Het middel faalt.

7 Conclusie

7.1.

Het eerste middel slaagt. De overige middelen falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

7.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven .

7.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissing over feit 1 en de strafoplegging betreft, tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, ten einde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie recent HR 21 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:780.

2 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee (ECLI:NL:PHR:2019:228) voorafgaand aan HR 21 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:780.

3 Zie het proces-verbaal van verhoor bij de RHC op 17 december 2015 van [medeverdachte 5] en het proces-verbaal van verhoor bij de RHC van 30 maart 2016 van [betrokkene 1] .

4 Zie het proces-verbaal van verhoor bij de RHC van 30 maart 2016 van [betrokkene 1] , onder meer op p. 2: “Daar ben ik pertinent niet bij geweest. Ik ben opgehaald door [betrokkene 5] thuis. Wij hebben de vrachtwagen opgehaald in Nieuwengein en ik ben toen teruggegaan met de vrachtwagen naar [plaats] .”.

5 Zie het proces-verbaal van verhoor bij de RHC van 30 maart 2016 met getuige [betrokkene 1] , p. 2 en 6.

6 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 264-265.