Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:178

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-02-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
19/05951
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:745, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Wet Bopz. Voorlopige machtiging. Stoornis van de geestvermogens. Gevaar. Wijze van totstandkoming van geneeskundige verklaring. Kan gevaar worden afgewend buiten psychiatrisch ziekenhuis? Motiveringsklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05951

Zitting 21 februari 2020

CONCLUSIE

F.F. Langemeijer

In de zaak

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Noord-Holland

In deze Bopz-zaak hebben de motiveringsklachten betrekking op de stoornis van de geestvermogens, het gevaar en de totstandkoming van de geneeskundige verklaring. Daarnaast is aan de orde of het gevaar kan worden afgewend buiten een psychiatrisch ziekenhuis (instelling voor verstandelijk gehandicapten).

1 Feiten en procesverloop

1.1

Verzoekster tot cassatie (geboren in 1989, hierna: betrokkene) verblijft in een woonvoorziening van ’s Heeren Loo Zorggroep.1 Deze woonvoorziening is aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis (instelling voor verstandelijk gehandicapten) in de zin van art. 1 lid 1, aanhef en onder h, Wet Bopz.2

1.2

Op 17 september 2019 heeft de officier van justitie aan de rechtbank Noord-Holland verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om betrokkene te doen opnemen en verblijven in een zwakzinnigeninrichting.3 Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, op 16 september 2019 ondertekend door de geneesheer-directeur, die betrokkene daartoe heeft laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 1] .

1.3

In rubriek 4.d van de geneeskundige verklaring is als diagnose vermeld: “autisme spectrum stoornis in combinatie met selectief mutisme bij een vrouw met een sterk disharmonisch ontwikkelingsprofiel”. 4 Met betrekking tot het gevaar is in rubriek 5.a vermeld: “Betrokkene uit zich regelmatig suïcidaal en doet telkens weer pogingen om scherpe voorwerpen te bemachtigen om zich te beschadigen. Door haar selectief mutisme (ze communiceert vrijwel alleen met haar moeder) is het moeilijk om contact te krijgen om het gedrag te beïnvloeden. In deze toestand is betrokkene ook niet in staat om zich buiten een instelling te handhaven, waardoor ze zich zal gaan verwaarlozen en maatschappelijk ten onder zal gaan”.

1.4

De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 25 september 2019, in aanwezigheid van betrokkene en haar advocaat, een gedragswetenschapper, de manager zorg, de Bopz-arts, de voormalig begeleider [betrokkene 2] , de moeder (tevens mentor) en de broer (tevens co-mentor) van betrokkene. Bij beschikking van 30 september 20195 heeft de rechtbank de verzochte voorlopige machtiging verleend voor het tijdvak tot en met 30 maart 2020.

1.5

Namens betrokkene is op 30 december 2019 - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

De Wet Bopz is per 1 januari 2020 vervallen. Op grond van het overgangsrecht in art. 76 lid 1, aanhef en onder a en c, Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Stb. 2018, 36) blijft de Wet Bopz van toepassing op de behandeling van deze zaak.

2.2

Het cassatiemiddel valt uiteen in drie onderdelen, die achtereenvolgens betrekking hebben op de stoornis van de geestvermogens en het door de rechtbank aangenomen gevaar (I), op mogelijke alternatieven (II) en op de wijze waarop de geneeskundige verklaring tot stand is gekomen (III).

Onderdeel I

2.3

Onderdeel I is gericht tegen de volgende overwegingen:

“Uit de geneeskundige verklaring en het verhoor is gebleken dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens, te weten een stoornis in het autisme spectrum in combinatie met selectief mutisme bij een vrouw met een sterk disharmonisch ontwikkelingsprofiel.

Ook is vast komen te staan dat deze stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken, te weten dat zij zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen, dat zij maatschappelijk te gronde gaat, dat zij zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen en het gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen.”

2.4

De klacht houdt in dat uit de redengeving niet blijkt dat de rechtbank acht heeft geslagen op hetgeen betrokkene zelf, haar broer (co-mentor), haar voormalig begeleidster en haar advocaat tijdens de mondelinge behandeling hebben aangevoerd, zoals in het middelonderdeel geciteerd. Volgens het middelonderdeel (blz. 5, tweede alinea) is, mede gelet op die verklaringen, onvoldoende gebleken van een uit de stoornis voortvloeiend gevaar dat de vrijheidsbeneming kan rechtvaardigen en “kan men zich zelfs afvragen of het gevaar niet juist ontstaat door de wijze van behandeling in de inrichting, zodat een voorlopige machtiging juist niet mag worden verleend”.

2.5

Wat betreft de verklaring van betrokkene zelf, gaat het om het volgende:

“Ik wil geen rechterlijke machtiging. Ik ben geen gevaar voor mezelf. Ik ben niet van plan om mezelf te beschadigen. Het is zes weken geleden dat er een incident is geweest. Ik heb andere manieren gevonden om met spanningen om te gaan. Per 1 december ga ik naar een ander huis. Ik voel me hier niet begrepen. Ik heb selectief mutisme. Ik laat wel de begeleiders toe, maar ik ga niet met ze in gesprek.”

De klacht houdt in dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat de rechtbank hierover vragen aan haar heeft gesteld en dat de motivering volledig voorbij gaat aan deze stellingen.

2.6

Wat betreft de verklaring van haar broer: deze heeft, samengevat, verklaard dat betrokkene aangeeft dat zij ontzettend bang is, dat zij weg wil uit de instelling waar zij verblijft, dat het zelfs zeer gevaarlijk is om haar daar te laten blijven en dat het betrokkene in de instelling niet gaat lukken om tot rust te komen.

2.7

De voormalig begeleidster van betrokkene verklaarde, samengevat, dat zij begrijpt dat angst bestaat dat betrokkene zichzelf iets aandoet, omdat betrokkene dat in het verleden heeft gedaan. Zij meent dat dit komt doordat op een negatieve manier druk op betrokkene wordt uitgeoefend, waardoor de spanning oploopt. De begeleidster bevestigde dat betrokkene weg wil uit de instelling en de gegeven begeleiding niet wil; dat haar vertrouwen is geschaad door de manier van werken en dat een rechterlijke machtiging niet nodig is indien men betrokkene maar met rust laat. Zij ondersteunt het voorstel om betrokkene naar haar moeder te laten gaan, ter overbrugging in afwachting van een nieuwe plek.

2.8

De advocaat van betrokkene heeft, samengevat, het volgende aangevoerd:

- De rapporterende psychiater heeft niet met betrokkene gesproken, hij heeft haar slechts gezien. De psychiater heeft de diagnose kennelijk overgenomen uit het dossier; ook met betrekking tot het gestelde gevaar is hij afgegaan op hetgeen derden aan hem hebben medegedeeld.

- Aan de rapporterende psychiater was niet meegedeeld dat op 19 augustus 2019 een IBS-zitting heeft plaatsgevonden waarbij de arts [betrokkene 3] heeft verklaard dat er geen sprake is van onmiddellijk dreigend gevaar. Volgens de advocaat is niet duidelijk welk gevaar zich heeft geopenbaard tussen die zitting op 19 augustus en het verzoek van de instelling op 10 september 2019 aan de officier van justitie om een rechterlijke machtiging aan te vragen.

- Er is geen sprake van een gevaar dat voldoende ernstig is om vrijheidsbeneming te kunnen rechtvaardigen. Zo ja, dan kan dit gevaar worden afgewend doordat betrokkene bij haar moeder gaat wonen. De moeder wordt ondersteund door een verpleegkundige met wie betrokkene goed overweg kan. Dit is een tussenoplossing in afwachting van een kleinschalige woonvorm, waarvoor het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE) zich sterk maakt. Het CCE is van mening dat in de huidige situatie perspectief op verbetering ontbreekt.

2.9

De citaten in het cassatieverzoekschrift maken weliswaar duidelijk wat ter zitting is of zou zijn gezegd, maar zij maken niet duidelijk waarom de bestreden beslissing in strijd zou zijn met de wettelijke maatstaf of waarom de motivering niet aan de wettelijke vereisten zou voldoen. Kortom, de klacht voldoet niet aan de eisen van 426a lid 2 Rv. In de hier bestreden overweging geeft de rechtbank een oordeel over de stoornis van de geestvermogens, het gevaar en het oorzakelijk verband tussen beide. Dat oordeel stemt overeen met de geneeskundige verklaring waarnaar de rechtbank verwijst. Het merendeel van de in het middelonderdeel aangehaalde stellingen ziet niet op deze aspecten. Dit geldt met name voor de stellingen, kort samengevat: dat het gevaarlijk is om betrokkene nog langer te laten verblijven in deze woonvoorziening; dat een rechterlijke machtiging niet nodig is mits men betrokkene met rust laat; dat een tijdelijk verblijf bij haar moeder als overbrugging naar een andere woonplek een geschikt en voor betrokkene minder belastend alternatief kan vormen. Deze stellingen hebben betrekking op een in onderdeel II besproken vraag, namelijk of het gevaar door tussenkomst van personen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Daarover oordeelt de rechtbank in de hierop volgende twee alinea’s, die dit middelonderdeel niet bestrijdt.

Stoornis van de geestvermogens

2.10

Aan de wetgever heeft in art. 5 lid 1 Wet Bopz een onderzoek voor ogen gestaan waarbij de psychiater de betrokkene in een direct contact spreekt en observeert.6 Voor een onderzoek met direct contact is de medewerking van beide kanten nodig. Wat betreft de medewerking aan de zijde van de patiënt heeft de Hoge Raad overwogen dat niet kan worden aanvaard dat geen voorlopige machtiging kan worden verleend indien het vereiste directe contact niet (of slechts in een beperkte mate) mogelijk is als gevolg van een weigering van de betrokkene om daaraan mee te werken. Wel zal de psychiater in een dergelijk geval in zijn verklaring moeten uiteenzetten waarom hij de betrokkene niet of slechts in beperkte mate heeft kunnen onderzoeken en op welke gronden hij niettemin tot de slotsom is gekomen dat de betrokkene in zijn geestvermogens gestoord is en dat een geval als bedoeld in art. 2 Wet Bopz zich voordoet. De rechtbank dient in zo’n geval na te gaan of de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek te doen plaatsvinden.

2.11

Betrokkene heeft ter zitting zelf gesteld dat zij ‘selectief mutisme’ heeft. Haar advocaat heeft met betrekking tot de door psychiater [betrokkene 1] gestelde diagnose aangevoerd: “Ik betwist dat dit zijn diagnose is. Hij heeft deze diagnose gewoon uit het dossier overgenomen.” In deze stelling heeft de rechtbank kennelijk niet het betoog gelezen dat de psychiater bij het stellen van deze diagnose – naast zijn observatie van de patiënt en haar reactie op zijn poging om contact te maken − niet mede heeft mogen afgaan op de informatie die in het dossier van betrokkene aanwezig was.

2.12

Een patiënt met de ontwikkelingsstoornis ‘selectief mutisme’ zwijgt dikwijls tegen onbekenden. Een gesprek met een patiënt met selectief mutisme is daarom vaak niet mogelijk. Uit de houding van betrokkene bij zijn binnenkomst - het direct haar hoofd afwenden, geen oogcontact maken en het houden van haar handen tegen haar oren (zie rubriek 4.a van de geneeskundige verklaring) – in combinatie met hetgeen hem overigens bekend was geworden, heeft de psychiater [betrokkene 1] tot de diagnose ‘selectief mutisme’ kunnen komen. De bewering dat de psychiater de diagnose ‘selectief mutisme’ uitsluitend op basis van het dossier heeft gesteld is dan ook onjuist. Psychiater [betrokkene 1] heeft in de geneeskundige verklaring genoegzaam uiteengezet waarom hij betrokkene niet (verder) heeft kunnen onderzoeken en op welke gronden hij tot de slotsom is gekomen dat zij in haar geestvermogens is gestoord (autisme spectrum stoornis, disharmonisch ontwikkelingsprofiel en selectief mutisme). Daarmee is de in alinea 2.10 weergegeven regel in acht genomen.

Gevaar

2.13

Gelet op het voorgaande, kon de niet bij de behandeling betrokken psychiater wat het gevaarsaspect betreft ook informatie bij derden inwinnen en gebruik maken van het zorgdossier. De rechtbank heeft het oordeel van de psychiater dat gevaar bestaat dat betrokkene zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen, overgenomen. Dit oordeel behoefde in het licht van de overgelegde stukken geen nadere motivering. Daaruit blijkt dat de meeste hulpverleners hebben vastgesteld dat in het (ook relatief recente) verleden verschillende incidenten hebben plaatsgevonden met automutilatie van betrokkene waarbij zij in het ziekenhuis moest worden opgenomen.7 Bopz-arts [betrokkene 4] schrijft in het aanmeldingsformulier psychiatrisch consult van 10 september 2019 dat betrokkene bij oplopende spanningen zichzelf kan gaan snijden en dat de instelling zonder dwangmaatregelen haar veiligheid niet kan garanderen en niet kan bieden wat zij eigenlijk nodig heeft. In het behandeladvies dat op 28 augustus 2019 is opgesteld schrijft [betrokkene 5] dat automutilatie bij toenemende spanningen een drang kan worden die betrokkene niet meer goed kan tegenhouden, ook al wil ze zichzelf eigenlijk niet beschadigen.8 De orthopedagogen [betrokkene 6] en [betrokkene 7] schrijven in de onderbouwing aanvraag rechterlijke machtiging dat de ervaring heeft geleerd dat betrokkene in spanningsvolle situaties op zoek gaat naar scherpe voorwerpen om zich mee te snijden.9 In datzelfde stuk schrijven zij dat betrokkene zich in de afgelopen maanden enkele malen suïcidaal heeft geuit.

2.14

Uit deze stellingen kon genoegzaam worden afgeleid dat sprake is van gevaar. De stellingen van betrokkene dat het zes weken geleden is dat er een incident is geweest en dat zij niet van plan is om zichzelf te beschadigen, en de stelling van haar advocaat dat de arts tijdens een IBS-zitting op 19 augustus 2019 heeft aangevoerd dat geen sprake is van een onmiddellijk dreigend gevaar (vgl. art. 20, lid 2 onder c, Wet Bopz) kunnen aan dit oordeel niet afdoen. De slotsom is dat onderdeel I faalt.

Alternatieve mogelijkheden om het gevaar af te wenden?

2.15

Onderdeel II is gericht tegen het oordeel omtrent de mogelijkheden om het gevaar af te wenden door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis (zie art. 2, lid 2 onder b, Wet Bopz). De rechtbank overwoog dienaangaande:

“[Betrokkene] zou veel baat hebben bij een plek die haar voor de lange termijn veiligheid en voorspelbaarheid kan bieden. Feit is dat zij de afgelopen jaren bij een groot aantal zorginstellingen heeft verbleven en verontrustend veel wisselingen heeft gekend. Dit is geenszins in haar belang gezien haar stoornis. Het (tijdelijke) alternatieve plan zoals dat pas ter zitting is gepresenteerd en besproken, in afwachting van wederom een nieuwe woonplek voor [betrokkene], wordt naar de indruk van de rechtbank meer ingegeven door de breuk in vertrouwen tussen moeder en de instelling dan door het belang van [betrokkene]. Daar komt bij dat bij de instelling dusdanige zorgen zijn ontstaan over de zeer nauwe band tussen moeder en [betrokkene] dat een procedure is gestart moeder te ontheffen van haar mentorschap. In het licht hiervan acht de rechtbank een tijdelijk verblijf bij moeder geen veilig alternatief. Bovendien hebben zich onveilige en zelfbeschadigende momenten voorgedaan in de instelling terwijl moeder (grotendeels) de zorg had voor [betrokkene].”

2.16

Volgens de klacht moeten in een rechterlijke beslissing over vrijheidsbeneming alle standpunten worden afgewogen en blijkt uit de bestreden beschikking niet dat de rechtbank dat heeft gedaan. Deze klacht is toegelicht als volgt. Van de zijde van betrokkene was gesteld dat zij door het verblijf in een groot aantal zorginstellingen getraumatiseerd is geraakt. Onder verwijzing naar e-mails van het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE) 10 betoogt betrokkene dat het CCE van mening is dat de situatie waarin betrokkene zich nu bevindt onwenselijk is. In deze e-mails is melding gemaakt van een “alternatief plan”. Dit hield in dat betrokkene tijdelijk bij haar moeder kan verblijven, ter overbrugging totdat zij kan verhuizen naar een kleine setting waar zij kan worden begeleid en ondersteund. De overweging van de rechtbank dat dit alternatief meer is ingegeven door de vertrouwensbreuk tussen de moeder en de instelling dan door het belang van betrokkene, is volgens het middelonderdeel onbegrijpelijk. Volgens de klacht had de rechtbank te onderzoeken of een oplossing kan worden gevonden om het gevaar af te wenden buiten een psychiatrisch ziekenhuis: indien sprake is van een vertrouwensbreuk tussen haar moeder en de instelling, wil dat nog niet zeggen dat de voorgestelde alternatieve oplossing niet in het belang van betrokkene is. Wanneer betrokkene niet kan praten met de begeleid(st)ers in deze instelling, maar wel met haar moeder en met haar voormalig begeleidster, en op die manier het gevaar kan worden afgewend, had dit voor de rechtbank een punt van overweging moeten zijn.

2.17

Blijkens het proces-verbaal werd dit alternatieve plan gepresenteerd door de advocaat en ondersteund door de moeder en de voormalig begeleidster van betrokkene. De door de rechtbank gehoorde Bopz-arts heeft, in reactie hierop, onder meer het volgende verklaard:

“[Betrokkene] heeft het in haar brief over Münch[h]ausen bij Proxy. Daarom ben ik doodsbenauwd om haar bij moeder in een huisje te laten zitten. Ik kan dat niet uitleggen als ik bij de tuchtrechter moet verschijnen. Door het lezen van die diagnose zijn bij mij alle alarmbellen afgegaan. Daarom zal ik dat in geen geval toestaan. Men heeft het vermoeden dat de onrust bij [betrokkene] in de hand wordt gewerkt.”11

2.18

Het oordeel van de rechtbank dat het “alternatieve plan” meer wordt ingegeven door de breuk in vertrouwen tussen de moeder van betrokkene en de instelling dan door het belang van betrokkene berust op een waardering van de gedingstukken en hetgeen ter zitting is verklaard. Het oordeel is feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk voor de lezer. Het middel stelt niet ter discussie het (direct hierop volgende) oordeel van de rechtbank dat bij de instelling zorgen zijn ontstaan over de zeer nauwe band tussen de moeder en betrokkene, zodanig dat een procedure is gestart om de moeder te ontheffen van haar mentorschap en dat, in het licht hiervan, een tijdelijk verblijf bij de moeder geen veilig alternatief wordt geacht. Evenmin bestrijdt het middelonderdeel de vaststelling dat zich onveilige en zelfbeschadigende momenten hebben voorgedaan in de instelling terwijl de moeder (grotendeels) de zorg had voor betrokkene. Deze oordelen kunnen – zowel zelfstandig als in onderlinge samenhang bezien − de beslissing dragen dat het gevaar niet buiten de instelling kan worden afgewend door tussenkomst van (in dit geval) de moeder. Het middelonderdeel faalt.

De geneeskundige verklaring

2.19

Onderdeel III komt neer op de klacht dat de rechtbank niet of onvoldoende is ingegaan op het verweer omtrent de wijze waarop de geneeskundige verklaring tot stand is gekomen en onvoldoende heeft getoetst of het onderzoek door een niet bij de behandeling betrokken psychiater aan de wettelijke maatstaf voldoet. De toelichting op deze klacht verwijst naar punt 4 van de pleitnotities in eerste aanleg.

2.20

De verwerping van het verweer dat de psychiater betrokkene slechts heeft “gezien” maar niet heeft gesproken, is in dit geval niet onbegrijpelijk tegen de achtergrond van de geconstateerde stoornis (selectief mutisme).

2.21

In de toelichting op de klacht staat het volgende:

“Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat toen de psychiater de kamer van verzoekster binnen kwam, verzoekster haar hoofd direct heeft afgewend en geen oogcontact heeft gemaakt. Verzoeksters zou de handen tegen haar oren hebben, volgens de geneeskundige verklaring.

Kennelijk ging de psychiater haar kamer binnen met een verpleegkundige.

Niet blijkt dat hij iets tegen haar gezegd heeft, zoals bijvoorbeeld de reden voor zijn komst.

Hij had dat ook op een briefje kunnen schrijven.

Verzoekster had ook voorbereid kunnen worden op een bezoek door de psychiater, maar niet blijkt dat dat het geval is geweest.

Het had gecommuniceerd kunnen worden via haar moeder, maar niet blijkt dat dat gebeurd is. Met andere woorden: een volstrekt onbekende persoon komt met een verpleegkundige - met wie verzoekster kennelijk niet wil praten - haar kamer in en vervolgens wordt een geneeskundige verklaring opgemaakt naar aanleiding van de informatie van de behandelaars en het dossier.

De psychiater heeft geen poging gedaan om verzoekster anderszins te benaderen en haar vertrouwen te winnen, zodat zij met hem kon praten, welk vertrouwen zij in de inrichting en de begeleiders kennelijk niet meer heeft.”

2.22

Noch uit het proces-verbaal, noch uit de gedingstukken blijkt dat de zo-even genoemde stellingen ter zitting van de rechtbank zijn aangevoerd. Zij kunnen ook niet worden ‘ingelezen’ in de pleitnotities. Het in punt 4 van de pleitnotities gestelde had betrekking op betwisting van de gestelde diagnose, niet op de voorbereiding op het gesprek van de psychiater met betrokkene, noch op hetgeen tijdens dat gesprek anders of beter had gekund. In zoverre is sprake van nieuwe stellingen van feitelijke aard, waarvoor in cassatie geen plaats is; zie art. 429 lid 2 in verbinding met art. 419 lid 2 Rv. Onderdeel III faalt.

2.23

Toepassing van art. 81 lid 1 RO wordt in overweging gegeven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 Hoewel de rechtbank dit niet uitdrukkelijk vermeldt, kan m.i. in cassatie ervan worden uitgegaan dat betrokkene ten tijde van de indiening van het inleidend verzoek op 17 september 2019 op vrijwillige basis in de woonvoorziening verbleef.

2 Stcrt. 13 november 2017, nr. 64499.

3 Dit is de wettelijke benaming. In de praktijk wordt gesproken van een instelling voor verstandelijk gehandicapten.

4 De website van het UMC Utrecht vermeldt: “Selectief mutisme is een ontwikkelingsstoornis waarbij een kind/jongere in sommige situaties niet ‘kan’ praten, terwijl hij of zij dat in andere situaties heel goed kan. Kinderen/jongeren met selectief mutisme praten thuis en tegen sommige mensen. In andere situaties zwijgen ze, bijvoorbeeld op school, tegen onbekenden of bij familieleden die ze niet zo vaak zien. Het lijkt alsof het kind dichtklapt of blokkeert.”

5 De schriftelijke uitwerking van de beschikking is op 4 oktober 2019 vastgesteld.

6 Vaste rechtspraak. Zie onder meer: HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG5860, NJ 2009/25; HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:161.

7 Zie onder meer de brief van de orthopedagogen [betrokkene 6] en [betrokkene 7] waarin de aanvraag tot een rechterlijke machtiging wordt onderbouwd (prod. 6 bij het verzoekschrift tot cassatie) en het aanmeldingsformulier psychiatrisch consult van 10 september 2019, opgesteld door Bopz-arts [betrokkene 4] (prod. 7 bij het verzoekschrift tot cassatie).

8 Prod. 9 bij het verzoekschrift tot cassatie, blz. 2.

9 Prod. 6 bij het verzoekschrift tot cassatie, blz. 2. Zie ook de verklaring ter zitting van de manager zorg M. Kievits (proces-verbaal, blz. 2)

10 Producties 11, 12 en 14 bij het verzoekschrift tot cassatie.

11 Zie over het zgn. Münchhausen by proxy-syndroom onder meer: W. Vandereycken en R. van Deth, Psychiatrie: van diagnose tot behandeling, Bohn Stafleu Van Loghum, 2004, p. 231; J.W. Hummelen en M.W. Hengeveld, Psychiatrie voor juristen, de Tijdstroom, 2014, p. 128-129.