Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:168

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-02-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
18/03722
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie na prejudiciële verwijzing na HR 2 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2027 en HvJEU 21 november 2019, ECLI:EU:C:2019:998, Art. 90 Gemeenschapsmodellenverordening, ook andere dan Haagse voorzieningenrechters zijn bevoegd om kennis te nemen van Gemeenschapsmodelinbreuken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03722

Zitting 18 februari 2020

CONCLUSIE

G.R.B. van Peursem

Vordering tot cassatie in het belang der wet:

Vzr. Rb. Amsterdam 12 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:298 (Spin Master/High5)

Deze cassatie in het belang der wet komt na prejudiciële verwijzing1 terug uit Luxemburg en gaat over art. 90 Gemeenschapsmodellenverordening (GModVo) en meer in het bijzonder over de vraag of ook andere dan Haagse voorzieningenrechters bevoegd zijn om kennis te nemen van Gemeenschapsmodelinbreuken. Het HvJEU heeft inmiddels geoordeeld dat art. 90 lid 1 GModVo zo moet worden uitgelegd dat de rechtbanken van de lidstaten die bevoegd zijn voorlopige of beschermende maatregelen te bevelen voor een nationaal model, tevens bevoegd zijn dergelijke maatregelen te bevelen voor een Gemeenschapsmodel2. Gelet op dit oordeel van het HvJEU strekt deze conclusie na verwijzing tot verwerping van de vordering tot cassatie in het belang der wet.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Voor de uitgangspunten in de onderliggende procedure verwijs ik naar rov. 3.2.1 van het verwijzingsarrest. In het kort komt het erop neer dat Spin Master speelballetjes van plastic die aan elkaar klitten verhandelt. Op 16 januari 2015 is op naam van Spin Master en onder nummer 0026146669-0002 een Gemeenschapsmodel voor haar speelballetjes geregistreerd. High5 verhandelt eveneens speelballetjes van plastic.

1.2

Tussen partijen is een geschil gerezen over de vraag of High5 inbreuk maakt op bovengenoemd Gemeenschapsmodel. Voor deze cassatie in het belang der wet na verwijzing is uitsluitend van belang dat de rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld dat zij bevoegd is van het geschil kennis te nemen3.

1.3

Tegen dit oordeel is in mijn conclusie van 31 augustus 2018 cassatie in het belang der wet ingesteld4. In het verwijzingsarrest heeft Uw Raad de volgende prejudiciële vraag geformuleerd:

“Moet art. 90 lid 1 GModVo aldus worden uitgelegd dat het een dwingende toekenning inhoudt aan alle daar genoemde rechterlijke instanties van een lidstaat, van de bevoegdheid om voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen, of laat het de lidstaten – geheel of gedeeltelijk – vrij om de bevoegdheid dergelijke maatregelen te bevelen, bij uitsluiting op te dragen aan de rechterlijke instanties die overeenkomstig art. 80 lid 1 GModVo zijn aangewezen als rechtbanken (van eerste en tweede aanleg) voor het Gemeenschapsmodel?”

1.4

Op 21 november 2019 heeft het Luxemburgse hof geoordeeld dat art. 90 lid 1 GModVo zo moet worden uitgelegd dat de rechtbanken van de lidstaten die bevoegd zijn voorlopige of beschermende maatregelen te bevelen voor een nationaal model, ook bevoegd zijn dergelijke maatregelen te bevelen voor een Gemeenschapsmodel. Er is dus in kort geding geen exclusiviteit voor de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel. Dergelijke zaken kunnen in kort geding ook worden beslist door voorzieningenrechters van andere rechtbanken, zoals die van de rechtbank Amsterdam deed in de voor cassatie in belang der wet voorgedragen uitspraak in onze zaak. Ik geef de daartoe dragende overwegingen van het prejudiciële arrest hier weer:

“28. Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 90, lid 1, van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat het bepaalt dat de rechtbanken van de lidstaten die bevoegd zijn om voorlopige of beschermende maatregelen te bevelen voor een nationaal model ook bevoegd zijn om dergelijke maatregelen te bevelen voor een Gemeenschapsmodel, dan wel of de lidstaten geheel of gedeeltelijk vrij zijn hiervoor een uitsluitende bevoegdheid toe te kennen aan enkel de rechterlijke instanties die zijn aangewezen als rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel.

29. Artikel 90, lid 1, van verordening nr. 6/2002 bepaalt dat aan de rechterlijke instanties van een lidstaat, met inbegrip van de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel, voor een Gemeenschapsmodel dezelfde voorlopige en beschermende maatregelen kunnen worden gevraagd als het recht van die staat kent voor nationale modellen, zelfs indien krachtens deze verordening een rechtbank voor het Gemeenschapsmodel van een andere lidstaat bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen.

30. De vraag van de verwijzende rechter betreft meer bepaald het eerste deel van deze bepaling, namelijk de bepaling welke rechterlijke instanties van elke lidstaat bevoegd zijn voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen voor een Gemeenschapsmodel.

31. Er zij aan herinnerd dat bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 22 juni 2016, Thomas Philipps, C‑419/15, EU:C:2016:468, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32. Uit de bewoordingen van artikel 90, lid 1, van verordening nr. 6/2002 volgt dat een justitiabele inzake een Gemeenschapsmodel niet alleen de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel van de lidstaat kan verzoeken om voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen, maar ook elke rechterlijke instantie van deze lidstaat die bevoegd is dergelijke maatregelen te nemen voor nationale modellen. Zoals de advocaat-generaal in punt 41 van zijn conclusie heeft opgemerkt, bevestigt het gebruik van de uitdrukking „met inbegrip van” dat het niet noodzakelijkerwijs hoeft te gaan om een gespecialiseerde rechterlijke instantie.

33. Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het gebruik van het woord „kunnen” in artikel 90, lid 1, van verordening nr. 6/2002. Het gebruik van dit woord kan niet aldus worden opgevat dat deze bepaling de lidstaten een beoordelingsbevoegdheid verleent voor de toekenning van de bevoegdheid ter zake van voorlopige en beschermende maatregelen voor een Gemeenschapsmodel. Zoals de advocaat-generaal in punt 66 van zijn conclusie opmerkt, heeft het woord „kunnen” namelijk uitsluitend betrekking op de justitiabelen die zich tot een rechtbank willen wenden met een verzoek om een voorlopige of beschermende maatregel met betrekking tot een van de in artikel 81 van verordening nr. 6/2002 genoemde vorderingen.

34. Hoewel de Nederlandse regering betoogt dat deze bepaling niet de interne bevoegdheid van de rechterlijke instanties binnen een lidstaat regelt, maar de regels inzake internationale bevoegdheid op het gebied van voorlopige en beschermende maatregelen verduidelijkt, blijkt uit een lezing van die bepaling in haar geheel bovendien dat alleen aan het tweede deel ervan, waarop de door de verwijzende rechter gestelde vraag als zodanig geen betrekking heeft, een dergelijke draagwijdte kan worden verleend, die niet van invloed is op de kwestie van het bepalen welke rechterlijke instanties binnen elke lidstaat bevoegd zijn om voorlopige en beschermende maatregelen te gelasten voor een Gemeenschapsmodel.

35. Anders dan deze regering stelt, wordt de constatering in punt 32 van het onderhavige arrest overigens bevestigd door de context van artikel 90, lid 1, van verordening nr. 6/2002.

36. In dit verband moet worden opgemerkt dat deze bepaling deel uitmaakt van titel IX van deze verordening, met het opschrift „Bevoegdheid en procedure inzake rechtsvorderingen betreffende Gemeenschapsmodellen”. Meer in het bijzonder staat zij in afdeling 2 van deze titel, met het opschrift „Geschillen ter zake van inbreuk op en nietigheid van Gemeenschapsmodellen”, die de artikelen 80 tot en met 92 van die verordening omvat.

37. Uit de algemene opzet van verordening nr. 6/2002 volgt dat de bepalingen in deze afdeling 2 specifieke forumregels ter zake van inbreuk op, of nietigverklaring van Gemeenschapsmodellen bevatten. Deze specifieke regels onderscheiden zich ook van de bevoegdheidsregels voor andere geschillen inzake Gemeenschapsmodellen dan de rechtsvorderingen betreffende inbreuk en rechtsvorderingen tot nietigverklaring, die zijn opgenomen in afdeling 3 van titel IX van die verordening.

38. Anders dan de Nederlandse regering betoogt, hebben de in artikel 90, lid 1, van verordening nr. 6/2002 bedoelde voorlopige en beschermende maatregelen ter zake van een Gemeenschapsmodel bijgevolg ten eerste betrekking op de in artikel 81 van die verordening genoemde rechtsvorderingen betreffende inbreuk of rechtsvorderingen tot nietigverklaring, en kunnen zij, ten tweede, worden bevolen door de rechtbanken van een lidstaat die bevoegd zijn om dergelijke maatregelen vast te stellen ter zake van nationale modellen.

39. In dit verband kan artikel 90, lid 1, van verordening nr. 6/2002 geen andere draagwijdte hebben dan de andere bepalingen van afdeling 2 van titel IX van die verordening, aangezien, zoals de advocaat-generaal in punt 50 van zijn conclusie heeft benadrukt, artikel 90, lid 1, net als de artikelen 82 tot en met 89 van die verordening, verwijst naar de in artikel 81 van die verordening vermelde rechtsvorderingen.

40. Een dergelijke uitlegging van dit artikel 90, lid 1, beantwoordt bovendien aan de door verordening nr. 6/2002 nagestreefde doelstellingen. De wetgever van de Unie heeft door de invoering van rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel binnen elke lidstaat inderdaad willen zorgen voor de specialisatie van de rechterlijke instanties die bevoegd zijn op het gebied van Gemeenschapsmodellen, om, zoals in overweging 28 van deze verordening staat, bij te dragen aan een uniforme interpretatie van de voorwaarden waaraan Gemeenschapsmodellen moeten voldoen om rechtsgeldig te zijn.

41. Ofschoon het volstrekt gegrond is deze doelstelling van uniforme uitlegging na te streven ter zake van de gerechtelijke procedures die betrekking hebben op de bodemgeschillen inzake inbreuk of nietigverklaring, heeft de wetgever van de Unie er in overweging 29 van verordening nr. 6/2002 niettemin ook aan herinnerd dat de aan een model verbonden rechten doeltreffend moeten kunnen worden gehandhaafd op het grondgebied van de gehele Unie. Wat betreft verzoeken om voorlopige en beschermende maatregelen op het gebied van inbreuk of nietigheid, mocht hij dan ook de dwingende vereisten van nabijheid en doeltreffendheid laten prevaleren op de specialisatiedoelstelling.

42. Zo kan door het toekennen van de bevoegdheid tot vaststelling van dergelijke maatregelen aan iedere rechterlijke instantie van een lidstaat die bevoegd is tot vaststelling van soortgelijke maatregelen voor nationale modellen, snel en doeltreffend een einde worden gemaakt aan handelingen die inbreuk maken op de rechten van houders van een Gemeenschapsmodel.

43. Overigens is het effect van dergelijke voorlopige en beschermende maatregelen naar de aard ervan beperkt in de tijd en kan de toewijzing van die maatregelen door de bevoegde rechterlijke instantie niet vooruitlopen op de uitkomst van de rechtsvordering betreffende inbreuk dan wel tot nietigverklaring ten gronde, die onder de exclusieve bevoegdheid van de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel valt.

44. Uit een en ander volgt dat artikel 90, lid 1, van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat het bepaalt dat de rechtbanken van de lidstaten die bevoegd zijn voorlopige of beschermende maatregelen te bevelen voor een nationaal model, tevens bevoegd zijn dergelijke maatregelen te bevelen voor een Gemeenschapsmodel.”

1.5

Zoals aangegeven in de voorafgaande conclusie in de inleiding en in 3.4, voetnoot 12, 3.8, voetnoot 15, 3.10, voetnoot 19, 3.12, voetnoten 21-23, 3.13-3.14, 3.17, 3.24-3.25 en voetnoot 42, heeft hetzelfde te gelden voor Uniemerkzaken in kort geding. Dat brengt mee dat de gevorderde cassatie in belang der wet dient te worden verworpen.

2 Conclusie

Op grond van de prejudiciële beslissing van het HvJEU concludeer ik dat de cassatie in het belang der wet dient te worden verworpen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het verwijzingsarrest betreft HR 2 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2027, NJ 2018/434, IER 2018/56 m.nt. S.J. Schaafsma (Spin Master/High5), na een conclusie van mij van 31 augustus 2018, ECLI:NL:PHR:2018:957.

2 HvJEU 21 november 2019, C-678/17, ECLI:EU:C:2019:998.

3 Vzr. Rb. Amsterdam 12 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:298, BIE 2017/5, m. nt. H.J. Koenraad, IER 2017/28.

4 Zie voetnoot 1.