Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:166

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-03-2020
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
19/01046
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:660
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag, beslag ex art. 94 Sv op personenauto en geldbedragen. Rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave, omdat het handhaven van de inbeslagneming noodzakelijk is voor het veiligstellen van vermogen vooruitlopend op een door de RC te verlenen machtiging op grond van art. 103 Sv tot het leggen van conservatoir beslag ex art. 94a Sv. Dit is echter geen strafvorderlijk belang waarvoor art. 94 Sv de (handhaving van de) inbeslagneming toelaat. De AG stelt zich daarom op het standpunt dat de Hoge Raad de beslissing van de rechtbank zal vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01046 B

Zitting 3 maart 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klager] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

hierna: de klager.

1 Inleiding

1.1.

De rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft bij beschikking van 15 januari 2019 het klaagschrift van de klager, strekkende tot teruggave van een personenauto en geldbedragen die onder hem in beslag zijn genomen, ongegrond verklaard.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en wijlen mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Bij brief van 9 januari 2020 heeft mr. M.F.M. Geeratz, advocaat te Venlo zich in de plaats van mr. A.C.J. Lina gesteld in onderhavige cassatieprocedure.

2 Het middel

2.1.

Het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat het handhaven van de inbeslagneming nodig is voor het veiligstellen van vermogen vooruitlopend op een door de rechter-commissaris te verlenen machtiging als bedoeld in artikel 103 Sv.

2.2.

De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“In deze zaak is sprake van een klassiek beslag als bedoeld in artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De vordering van de officier van justitie dit beslag als conservatoir beslag te handhaven heeft de rechter-commissaris op 15 november 2018 als onvoldoende onderbouwd afgewezen, niet alleen in die zin dat onvoldoende was onderbouwd waarop het bedrag van € 50.000,- betrekking heeft maar ook in die zin dat niet was onderbouwd hoe dit bedrag tot stand is gekomen. Hoger beroep tegen die beslissing bij de raadkamer van de rechtbank heeft de officier van justitie niet ingesteld.

Uit het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal aanvraag machtiging omzetten conservatoir beslag van 14 november 2018, dat aan de vordering machtiging conservatoir beslag ten grondslag heeft gelegen, blijkt wat de opsporingsambtenaren op 29 en 30 oktober 2018 hebben aangetroffen in de woning van de klager respectievelijk in de achter de woning gelegen vrijstaande loods. Met name, zo begrijpt de rechtbank uit het proces-verbaal, vanwege de in de loods aangetroffen hoeveelheid chemische middelen en precursoren is jegens de klager de verdenking gerezen van betrokkenheid bij de productie van synthetische drugs. Nadat de ter plaatse aangetroffen productieplaats is ontmanteld, zijn van alle aangetroffen productiemiddelen, precursoren en afvalstoffen monsters genomen, die momenteel worden onderzocht door het NFI. Welk chemisch proces ter plaatse precies is uitgevoerd is tot dusver niet duidelijk geworden. Uit het proces-verbaal leidt de rechtbank verder af dat de resultaten van het onderzoek door het NFI daarvoor bepalend zijn evenals voor de vaststelling van de omvang van het vermoedelijk met de productie behaalde wederrechtelijk voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Klaarblijkelijk is die onduidelijkheid voor de rechter-commissaris van doorslaggevende betekenis geweest voor zijn beslissing de vordering van de officier van justitie af te wijzen.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal aanvraag machtiging omzetten conservatoir beslag van 14 november 2018 alsmede de processen-verbaal van verhoor van de klager als verdachte van overtreding van de Opiumwet en witwassen weliswaar niet de voor een veroordeling noodzakelijke zekerheid maar wel een meer dan gerechtvaardigd vermoeden dat de klager op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de productie van precursoren (zoals BMK) en/of de productie van amfetamine in de loods achter zijn woning. Die stukken zijn voorlopig ook voldoende voor de conclusie dat de productieplaats hiervoor al enige tijd in gebruik was. Feit van algemene bekendheid is bovendien dat het produceren en verkopen van synthetische drugs extreem grote sommen geld oplevert. Tot slot heeft de klager zelf tegenover de politie verklaard dat hij op verzoek van een Pool tien dozen magnesium heeft opgehaald in Frankfurt (Duitsland), dat hij daarvoor twee of drieduizend euro kreeg, dat hij wel het idee had dat daarvan drugs werden gemaakt en dat hij had afgesproken dat hij € 10.000,- zou krijgen als deel van de opbrengst.

De klager betrekt in deze kwestie de stelling dat de onder hem in beslag genomen Mercedes en de geldbedragen afkomstig zijn uit dan wel gebruikt worden ten behoeve van de onderneming die hij drijft. Het zou om legaal verkregen geld gaan. Hiertegenover heeft de officier van justitie de handhaving van het klassiek beslag en het daarvoor noodzakelijk aanwezige strafvorderlijk belang in raadkamer toegelicht door erop te wijzen dat de zaaksofficier, zodra het onderzoek van de op de productieplaats afgenomen monsters is afgerond, zich opnieuw tot de rechter-commissaris zal wenden met de vordering hem verlof te verlenen tot het als conservatoir beslag handhaven van de beslagen voorwerpen.

De rechtbank overweegt dat onder inbeslagneming van enig voorwerp wordt verstaan het onder zich nemen of gaan houden van dat voorwerp ten behoeve van de strafvordering. Daarmee heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat de inbeslagneming die in het strafvorderlijk kader plaatsvindt alleen dan rechtmatig is indien daarmee een belang wordt veilig gesteld dat artikel 94 Sv óf 94a Sv beoogt te beschermen. Het gaat dan, kort gezegd, om de doeleinden zoals ze in die artikelen zijn genoemd: waarheidsvinding (ten aanzien van strafbaar feit of wederrechtelijk verkregen vermogen) óf het veilig stellen van de tenuitvoerlegging van bepaalde door de rechter op te leggen straffen of maatregelen (verbeurdverklaring, onttrekking aan het verkeer, geldboete, voordeelsontneming of oplegging van een schadevergoedingsmaatregel).

Naar het oordeel van de rechtbank is het strafvorderlijk belang bij het voortduren van het klassiek beslag nog steeds gegeven in het licht van de uit het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal aanvraag machtiging omzetten conservatoir beslag van 14 november 2018 en de processen-verbaal van verhoor van de klager blijkende feiten en omstandigheden. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen het voornemen van de officier van justitie zich tot de rechter-commissaris te wenden met een nieuw en ditmaal met de resultaten van het onderzoek door het NFI beter onderbouwde vordering tot het als conservatoir beslag handhaven van het klassiek beslag op de voorwerpen. Op zichzelf verzet zich daartegen niets, ook niet het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Daar komt nog bij dat de rechter-commissaris de vordering tot het als conservatoir beslag handhaven van het klassieke beslag in dit geval heeft afgewezen vanwege de onderbouwing van het bedrag waarvoor machtiging was gevorderd. Niet uit het oog mag echter worden verloren dat het belang van het vermelden van het bedrag in de vordering geen verdere strekking heeft dan de kenbaarheid voor derden die de beslagen voorwerpen mogelijk ook tot verhaalsobjecten voor hun vorderingen zien. Aangenomen wordt voorts dat met de vermelding van het maximale bedrag, evenals het geval is in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, slechts is beoogd het bedrag te doen aangeven waarvoor de beslaglegger beweert een vordering op de beslagdebiteur (lees: de klager) te hebben en waarvoor hij verhaal beoogt te zoeken. Anders gezegd aan de vermelding van het maximumbedrag in de op de voet van het bepaalde in artikel 103 Sv verstrekte (of geweigerde) machtiging van de rechter-commissaris komt geen zelfstandige betekenis toe. Die vermelding is weliswaar wenselijk maar niet met zoveel woorden voorgeschreven (HR 31 januari 2006; NJ 2006, 589).

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie aannemelijk heeft gemaakt dat inbeslagneming van de Mercedes en de beide geldbedragen in dit concrete geval nog steeds noodzakelijk is ter bereiking van het door hem beoogde strafvorderlijk doel, namelijk het veiligstellen van vermogen vooruitlopend op een door de rechter-commissaris met oog op de tenuitvoerlegging van een door de rechter te zijner tijd op te leggen ontnemingsmaatregel, te verlenen machtiging als bedoeld in artikel 103 Sv.

Dat betekent ook dat het beklag, dat strekt tot opheffing van het klassieke beslag en teruggave van de Mercedes en de geldbedragen aan de klager, ongegrond is.”

2.3.

Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het beslag geen betrekking (meer) heeft op het veiligstellen van een belang waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat. Volgens de steller van het middel kan handhaving van het klassieke beslag in de zin van art. 94 Sv in deze zaak niet gebruikt worden als middel om op een later tijdstip een conservatoir beslag in de zin van art. 94a Sv mogelijk te maken, aangezien de rechter-commissaris reeds heeft geoordeeld dat er geen grondslag was voor een conservatoir beslag.

2.4.

De rechtbank heeft vastgesteld dat op de personenauto en de geldbedragen waarvan de klager de teruggave verzoekt, op grond van art. 94 Sv beslag is gelegd en dat op deze goederen (nog) geen beslag op de voet van art. 94a Sv ligt.

2.5.

Dit betekent dat de rechtbank (a) moet beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag nodig maakt en, zo nee, (b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp moet gelasten aan de klager indien deze redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Verder verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4, Sr in verbinding met art. 552f Sv.1

2.6.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van de auto en de geldbedragen, omdat het handhaven van de inbeslagneming noodzakelijk is voor het veiligstellen van vermogen vooruitlopend op een door de rechter-commissaris te verlenen machtiging als bedoeld in artikel 103 Sv. Een door de rechter-commissaris (op vordering van de officier van justitie) nog te geven beslissing als bedoeld in art. 103 Sv is echter geen strafvorderlijk belang waarvoor art. 94 Sv de (handhaving van de) inbeslagneming toelaat.2 Daarover klaagt het middel terecht.

3 Conclusie

3.1.

Het middel slaagt.

3.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

3.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Limburg.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. Mevis, rov. 2.8-2.9.

2 Vgl. HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1692, en HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3711.