Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:163

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
07-01-2020
Datum publicatie
18-02-2020
Zaaknummer
18/04011
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:271
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Met vliegtuig landen op luchthaven Lelystad, terwijl verdachte niet beschikt over geldig bewijs van luchtwaardigheid van vliegtuig en geldig bewijs van bevoegdheid en zijn vliegtuig niet is verzekerd, overtreding Wet Luchtvaart (meermalen gepleegd). Aanhoudingsverzoek gemachtigde raadsvrouw voorafgaand aan tz. per e-mail gedaan (onder overlegging van verklaring van huisarts) en ttz. herhaald op de grond dat verdachte ziek is (longontsteking) en in ziekenhuis heeft gelegen, door Hof afgewezen o.g.v. overweging dat uit medische verklaring niet blijkt dat verdachte niet in staat is bij behandeling aanwezig te zijn. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:1934, inhoudende dat rechter gevolgen kan verbinden aan omstandigheid dat aanhoudingsverzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd indien hij aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheden niet z.m. aannemelijk acht en m.b.t. toetsingskader i.g.v. aanhoudingsverzoek wegens ziekte van verdachte. In het licht van het voorgaande is, gelet op inhoud van stukken (correspondentie tussen raadsvrouw en Hof voorafgaand aan tz.) en op verhandelde ttz., bestreden beslissing onbegrijpelijk gemotiveerd. Enkele omstandigheid dat uit overgelegde medische verklaring niet blijkt dat verdachte niet in staat is bij behandeling ttz. aanwezig te zijn, brengt niet mee dat aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04011 E

Zitting 7 januari 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,

hierna: de verdachte

1. De verdachte is bij arrest van 24 augustus 2018 door het Gerechtshof Amsterdam1 wegens 1. ‘handelen in strijd met artikel 3.8 eerste lid van de Wet Luchtvaart’; 2. ‘handelen in strijd met paragraaf SERA 5005 van de Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 923/2012 van de Europese Commissie’; 3. ‘handelen in strijd met artikel 2.1 eerste lid van de Wet Luchtvaart’; 4. ‘handelen in strijd met artikel 4.8 van de Wet Luchtvaart’ en 5. ‘handelen in strijd met artikel 7.4 Wet Luchtvaart’, veroordeeld tot respectievelijk een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis waarvan 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren (feit 1); een taakstraf van 32 uren subsidiair 16 dagen hechtenis (feit 2); een taakstraf van 32 uren subsidiair 16 dagen hechtenis (feit 3); een geldboete van € 200,00 subsidiair 4 dagen hechtenis (feit 4) en een taakstraf van 32 uren subsidiair 16 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid aan boord van een luchtvaartuig werkzaamheden te verrichten als lid van het boordpersoneel voor de duur van 9 maanden (feit 5).

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte.2 Mr. J.J. Sneller, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het recht – in het bijzonder artikel 6 EVRM – is geschonden doordat het gerechtshof ten onrechte het verzoek van de verdachte om bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting aanwezig te zijn, heeft afgewezen.

4. De verdachte is gedagvaard om ter terechtzitting van het hof te verschijnen op vrijdag 10 augustus 2018 te 09.00 uur.

5. Op maandag 6 augustus 2018, om 15.11 uur, heeft de raadsvrouw van de verdachte de strafgriffie van het hof een fax gestuurd met de volgende inhoud:

‘ ‘Vandaag ontving ik het bericht dat cliënt [verdachte] opgenomen ligt in het OLVG wegens een gevaarlijke longontsteking. De verwachting is nu wel dat hij later deze week naar huis mag, maar dat hij nog niet in staat zal zijn de zitting aanstaande vrijdag bij te wonen. Ik verzocht de advocaat-generaal daarom om aanhouding en om de zaak op een nieuwe zitting te plannen.’

6. De volgende ochtend, dinsdag 7 augustus 2018, om 9.02 uur, is namens de voorzitter van het hof aan de raadsvrouw naar aanleiding van haar fax van 6 augustus 2018 per e-mail verzocht ‘een medische verklaring toe te zenden’.

7. Op donderdag 9 augustus 2018, om 14.10 uur, heeft de raadsvrouw een medische verklaring betreffende de verdachte van 8 augustus 2018 van [betrokkene 1], huisarts, naar het hof gefaxt. Deze verklaring houdt het volgende in:

‘ ‘Hierbij deel ik u mede dat bovenstaande patiënt zich in verband met een medische aandoening heeft gemeld bij onze praktijk en daar momenteel voor onder behandeling is.’

8. Diezelfde middag, om 16.22 uur, is de raadsvrouw namens het hof per e-mail meegedeeld dat het hof ‘de verklaring onvoldoende vindt om de behandeling van de zaak op voorhand aan te houden’. De raadsvrouw is tevens te verstaan gegeven dat de zaak ‘morgen zodoende vooralsnog inhoudelijk (zal worden) behandeld’.

9. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van vrijdag 10 augustus 2018 houdt in dat de verdachte niet is verschenen. Het vermeldt voorts, voor zover hier van belang:

‘ ‘Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. J.J. Sneller, advocaat te Amsterdam, die mededeelt dat de verdachte op de hoogte is van de zitting.

‘ De raadsvrouw deelt mede:

‘ In navolging van mijn op voorhand gedane aanhoudingsverzoek, wil ik ook nu een verzoek tot aanhouding doen. Afgelopen maandag ben ik door de verdachte gebeld met de mededeling dat hij in het ziekenhuis lag. Toen ik vroeg om een medische verklaring moest hij heel hard hoesten, had hij last van zuurstofgebrek en hing hij op. Ik heb wel een foto van zijn ziekenhuispolsbandje ontvangen. Woensdag heb ik wederom contact met hem gehad. Hij was toen thuis en er zou die middag een huisarts langs komen. De huisarts heeft de medische verklaring opgesteld. Een uitgebreidere medische verklaring dan huisarts heeft gegeven, mag de huisarts niet opstellen.

‘ De voorzitter merkt op dat zij uit de medische verklaring van 8 augustus 2018 die het hof voorafgaand aan de zitting van heden heeft ontvangen en die in het dossier is gevoegd, niet kan opmaken dat de verdachte niet in staat is ter terechtzitting te verschijnen.

‘ De raadsvrouw deelt mede dat de huisarts niet meer mag opschrijven in de medische verklaring dan hij reeds gedaan heeft.

‘ De advocaat-generaal stelt zich op het volgende standpunt:

‘ Uit de medische verklaring blijkt enkel dat de verdachte vanwege een medische aandoening onder behandeling is bij de huisarts. De verklaring bevat geen concrete conclusies. De raadsvrouw heeft een helder verhaal en ik heb geen reden hieraan te twijfelen. De raadsvrouw geeft aan dat de verdachte bij de behandeling aanwezig wil zijn, maar dat hij verhinderd is, dus ik stel voor het aanhoudingsverzoek te honoreren.

‘ Het hof trekt zich terug voor beraad.

‘ Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:

‘ Het hof wijst het verzoek tot aanhouding af. Uit de medische verklaring die het hof voorafgaand aan de zitting heeft ontvangen blijkt niet dat de verdachte niet in staat is vandaag bij de behandeling aanwezig te zijn. Uit de verklaring blijkt slechts dat de verdachte onder behandeling is bij de huisarts. Het hof zal de zaak vandaag inhoudelijk behandelen.’

10. In het overzichtsarrest HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285 m.nt. Mevis heeft Uw Raad enkele algemene opmerkingen gemaakt over de wijze waarop verzoeken tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting die verband houden met het in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht dienen te worden onderbouwd en door de rechter dienen te worden beoordeeld. Na weergave van de toepasselijke wettelijke bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering (rov. 2.2), vooropstellingen inzake de wijze waarop het verzoek kan worden gedaan (rov. 2.3.1) en het moment waarop de rechter een beslissing op het verzoek dient te nemen (rov. 2.3.2), overweegt Uw Raad:

‘2.4. In de regel mag van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Indien de rechter de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheden niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd en/of aan zijn verlangen tot aanvulling niet (genoegzaam) is voldaan.

‘ Voor het oordeel dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, volstaat evenwel niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden – in het bijzonder of het gaat om een zich onverwacht aandienende omstandigheid, bijvoorbeeld verband houdend met ziekte van de verdachte – of, alvorens wordt beslist op het verzoek, gelegenheid dient te worden geboden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. Opmerking verdient evenwel dat de rechter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing omtrent de aannemelijkheid van de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid achterwege kan laten op grond van zijn oordeel dat hetgeen is aangevoerd – ware het juist – in de hierna, onder 2.5 weer te geven afweging van belangen niet tot toewijzing van het verzoek leidt.

‘ Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds – dat wil zeggen: zonder dat tot de hierna, onder 2.5 weer te geven afweging van belangen wordt overgegaan – afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. (Vgl. HR 20 februari 2018, ECLI:NL: HR:2018:251, NJ 2018/119.)

2.5.

Indien zich niet het geval voordoet dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht - waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen - en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. (Vgl. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294.) Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.

In het specifieke geval dat de verdachte wegens ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of doen verzoeken, voldoet de rechter aan dit verzoek teneinde de verdachte alsnog de gelegenheid te geven bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting aanwezig te zijn. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering – welke omvat de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn – ernstig in het gedrang zou komen, indien het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. (Vgl. HR 9 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5730, NJ 2002/466.)

Buiten deze situatie van verhindering wegens ziekte van de verdachte geldt in het algemeen dat niet op voorhand kan worden aangegeven hoe vorenstaande belangenafweging zal moeten uitvallen. De rechter dient deze afweging te maken in de concrete omstandigheden van het geval en, in geval van afwijzing van het verzoek tot aanhouding, de daarop gebaseerde beslissing te motiveren. In cassatie kan die motivering slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst.’3

11. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de verdachte ‘niet aanwezig (kon) zijn op het onderzoek ter terechtzitting van 10 augustus 2018’. Hij ‘was door ziekte verhinderd.’ Onder verwijzing naar het hiervoor geciteerde arrest wordt aangevoerd dat in het licht van het aanwezigheidsrecht ‘er geen vergaande eisen mogen worden gesteld aan een medische verklaring’. ‘Dat het hof aan de verklaring van de huisarts verdergaande inhoudelijke eisen stelde dan (het) volgens Uw Raad mocht doen’, geeft volgens de steller van het middel blijk van een onjuiste uitleg van het recht en meer precies van het EVRM.

12. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de voorzitter opgemerkt dat zij uit de medische verklaring niet kan opmaken dat de verdachte niet in staat is ter terechtzitting te verschijnen. In reactie daarop heeft de raadsvrouw medegedeeld dat ‘de huisarts niet meer mag opschrijven in de medische verklaring dan hij reeds gedaan heeft’. Mede tegen die achtergrond spelen bij de beoordeling van het aanhoudingsverzoek en het middel een aantal aspecten een rol: 1. de inhoud van de medische verklaring; 2. de inspanningen die van de verdediging gevergd mogen worden; 3. de beoordelingsruimte van de rechter. Ik zal over alle drie aspecten iets zeggen.

13. Op de website van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) staat over de geneeskundige verklaring het volgende te lezen:

‘Een geneeskundige verklaring is een (schriftelijke) verklaring van een arts, over een patiënt die onder behandeling staat of stond van deze arts. In zo’n verklaring geeft de arts een op medische gegevens gebaseerd waardeoordeel over de patiënt en diens gezondheidstoestand.

Als behandelend arts mag u geen geneeskundige verklaring afgeven over uw eigen patiënt. Zo’n geneeskundige verklaring is een schriftelijke verklaring die een oordeel bevat over een patiënt en over de (medische) geschiktheid of ongeschiktheid van een patiënt om bepaalde dingen wel of niet te doen. Voorbeelden daarvan zijn: is iemand in staat te werken, een auto te besturen, naar school te gaan, goed voor de kinderen te zorgen, is terecht een geboekte reis geannuleerd of heeft iemand recht op een parkeervergunning of aangepaste woonruimte?

Alleen door een onafhankelijke arts

Dergelijke verklaringen mogen alleen worden afgegeven door een onafhankelijke arts. Zo’n arts kan een eigen beoordeling maken van de situatie. Als dat nodig is, kan die arts, met de toestemming van de patiënt, ook nog extra informatie opvragen bij u en andere behandelend artsen.

Redenen voor weigering

Als behandelend arts moet u zich kunnen concentreren op de behandeling. Een goede vertrouwensrelatie met de patiënt is daarvoor belangrijk. Die vertrouwensrelatie kan gevaar lopen wanneer u een voor de patiënt ongunstig oordeel geeft en er een belangenconflict ontstaat. (…)

Wat kan de patiënt nu doen?

U kunt uw patiënt adviseren het volgende te doen:

1. De patiënt kan navragen bij de instantie die van hem een geneeskundige verklaring vraagt of hij niet kan volstaan met een verklaring van hemzelf over zijn gezondheidstoestand, eventueel in de vorm van een in te vullen vragenlijst;

2. De patiënt kan u als behandelend arts vragen om een afschrift van zijn medisch dossier waarin bepaalde belangrijke feiten over zijn gezondheidstoestand staan vermeld (bijvoorbeeld de uitslag van een looptest, de uitslag van een meting van diens gezichtsvermogen etc.) zodat uw patiënt dit kan verstrekken aan de instantie die een geneeskundige verklaring vraagt;

3. De patiënt kan zich voor de noodzakelijke beoordeling wenden tot een ter zake deskundige arts waarbij die patiënt niet onder behandeling staat. Deze arts kan met toestemming van de patiënt ook feitelijke informatie over zijn gezondheidstoestand bij u of een andere behandelend arts opvragen en deze informatie bij zijn beoordeling betrekken;

4. De patiënt kan de instantie die van hem een geneeskundige verklaring verlangt, vragen om een onafhankelijke arts voor hem te regelen.’4

14. Op dezelfde site is ook een voorbeeld te vinden:

‘Vraag

Mijn patiënte wil graag een verklaring van mij omdat ze wegens rugklachten niet meer in staat is om naar de sportschool te gaan. Daarmee kan ze haar jaarabonnement bij de sportschool tussentijds opzeggen. Mag ik deze verklaring afgeven?

Antwoord KNMG Artseninfolijn

Nee, u mag deze verklaring niet afgeven. Wel kunt u aangeven dat uw patiënte rugklachten heeft, maar niet dat zij hierdoor niet in staat is te sporten. Als u dit zou verklaren, geeft u namelijk een oordeel over de (medische) (on)geschiktheid van uw patiënte om te sporten. Dit kunt u beter overlaten aan een onafhankelijke arts met specifieke deskundigheid op dit terrein.

Waardeoordeel

In een geneeskundige verklaring geeft een arts schriftelijk, meestal op verzoek van een patiënt of zijn vertegenwoordiger, een op medische gegevens gebaseerd waardeoordeel met betrekking tot de patiënt en diens gezondheidstoestand. De KNMG heeft als standpunt dat een behandelend arts geen geneeskundige verklaringen over eigen patiënten mag afgeven. Dit standpunt wordt gesteund door de tuchtrechter.

Objectief en deskundig

Het geven van een waardeoordeel, dat een ander doel dient dan behandeling of begeleiding, moet objectief en deskundig gebeuren. Dat kan het best door een onafhankelijke arts met deskundigheid op het specifieke medische terrein. Een behandelend arts wordt niet geacht objectief te zijn ten opzichte van zijn patiënt. Daarnaast beschikt een behandelend arts vaak niet over de specifieke deskundigheid die nodig is voor het geven van een waardeoordeel. Ook is de arts veelal niet op de hoogte van de medische criteria waaraan de instantie die de verklaring nodig heeft, toetst.

Vertrouwensrelatie

Ook is belangrijk dat zo wordt voorkomen dat de vertrouwensrelatie tussen de patiënt en de arts mogelijk wordt geschaad. Deze relatie kan immers worden aangetast als het oordeel van de eigen arts niet gunstig is voor zijn patiënt.

Wat mag wel?

Met gerichte toestemming van de patiënt mag u feitelijke medische gegevens verstrekken. Het is dus toegestaan om (voor zover u dat feitelijk heeft vastgesteld) aan te geven dat uw patiënte rugklachten heeft. Het is vervolgens aan de eigenaar van de sportschool om te oordelen of dit voldoende reden is om tot restitutie van het jaarabonnement over te gaan.’

15. In het onderhavige geval heeft de huisarts van de verdachte zich op de vlakte gehouden, door slechts aan te geven dat ‘bovenstaande patiënt zich in verband met een medische aandoening heeft gemeld bij onze praktijk en daar momenteel voor onder behandeling is’. Uit het genoemde voorbeeld kan worden afgeleid dat de arts bij een verzoek van de patiënt wel iets (meer) mag mededelen over de aard van de medische aandoening. De behandelend arts kan zich op grond van de richtlijnen van de KNMG evenwel onthouden van een oordeel over de vraag of de verdachte de behandeling ter terechtzitting kan bijwonen.

16. Welke inspanningen van de verdachte en zijn raadsman gevergd mogen worden, verschilt per situatie. Zo komt betekenis toe aan het tijdstip waarop de verdachte ziek stelt te zijn geworden. In HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5171, NJ 2009/323 m.nt. Borgers had de raadsman ter terechtzitting gemeld dat hij op de ochtend van de terechtzitting door de broer van de verdachte was gebeld met de mededeling dat de verdachte ziek was. Het hof had het verzoek om aanhouding afgewezen ‘nu verdachte geen medische verklaring kan overleggen’. Uw Raad overwoog dat ‘het oordeel van het Hof dat het verzoek diende te worden afgewezen op grond van de enkele omstandigheid dat de verdachte op dat moment geen medische verklaring had overlegd, zonder dat was onderzocht of het overleggen van zo'n verklaring dan wel van andere gegevens in redelijkheid van de verdachte verlangd had kunnen worden, de afwijzing van het verzoek niet (kon) dragen’.5

17. Het ligt in de rede om bij de beoordeling van de inspanningen die van de verdachte en de raadsman gevergd mogen worden, ook betekenis toe te kennen aan de inspanningen die gevraagd zijn.6 Het staat rechtbank of hof vrij om, gegeven de beperkte informatieve waarde die een verklaring van de behandelend arts kan hebben bij het beantwoorden van de vraag of de verdachte bij de terechtzitting aanwezig kan zijn, aan de verdachte om meer informatie te vragen. Uw Raad spreekt in eerder genoemd overzichtsarrest over ‘bewijsstukken’ die het verzoek staven.

18. In het onderhavige geval heeft de raadsvrouw op maandag een bericht naar de strafgriffie gestuurd inhoudend dat de verdachte in het OLVG was opgenomen wegens een gevaarlijke longontsteking, maar naar verwachting later in de week naar huis zou mogen. De volgende ochtend vroeg is namens de voorzitter van het hof aan de raadsvrouw verzocht ‘een medische verklaring toe te zenden’. Op donderdag heeft de raadsvrouw de medische verklaring betreffende de verdachte gefaxt die de huisarts op woensdag had afgegeven. Op die donderdag is namens het hof meegedeeld dat het die verklaring onvoldoende vindt om de behandeling van de zaak op voorhand aan te houden. Dat heeft er niet toe geleid dat de raadsvrouw aan het hof aanvullende bewijsstukken heeft gezonden of tijdens het onderzoek ter terechtzitting aanvullende informatie heeft overgelegd.

19. Door een medische verklaring te sturen heeft de raadsvrouw voldaan aan het verzoek dat op dinsdag aan haar is gericht.7 Zij heeft niet voor aanvullende bewijsstukken gezorgd na de reactie van het hof op donderdagmiddag om 16.22 uur. Daar had zij ook weinig tijd meer voor, mede gelet op het tijdstip (09.00 uur) waarop de zaak een dag later volgens de appeldagvaarding zou worden behandeld. Daar staat evenwel tegenover dat de verdachte en de raadsvrouw er al op maandag rekening mee moesten houden dat van hen verwacht zou (kunnen) worden het verzoek met toereikende bewijsstukken te staven. Dit temeer nu de verdachte die maandag al wist dat hij naar verwachting in de loop van de week uit het ziekenhuis zou worden ontslagen en dat op dinsdag of woensdag ook daadwerkelijk is gebeurd. Dat de raadsvrouw over andere bewijsstukken heeft nagedacht blijkt uit haar opmerking tijdens het onderzoek ter terechtzitting over een foto van het ‘ziekenhuispolsbandje’ van de verdachte. Ik teken daarbij aan dat longontstekingen verschillend van ernst kunnen zijn.8 Informatie over (de duur van) de ziekenhuisopname van de verdachte, bijvoorbeeld, zou een indicatie kunnen geven van de ernst van de longontsteking en van de mate waarin de verdachte, ten tijde van de berechting 62 jaar oud, door de longontsteking is verzwakt. Ik merk daarbij op dat elke patiënt volgens de website van het OLVG zijn dossier kan bekijken door in te loggen in ‘MijnOLVG’.9 In de onderhavige zaak zou in het medisch dossier van de verdachte een longfoto kunnen zitten, een bericht van het ziekenhuis aan de huisarts betreffende het ontslag van de verdachte uit het ziekenhuis en/of informatie betreffende voorgeschreven medicatie.

20. Voor de rechter geldt het beslisschema dat Uw Raad in voormeld overzichtsarrest heeft geformuleerd. In dat schema staat voorop of de rechter de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheid aannemelijk heeft geoordeeld. ‘Indien de rechter de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheden niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd en/of aan zijn verlangen tot aanvulling niet (genoegzaam) is voldaan’, zo overweegt Uw Raad. Op dat punt bieden ’s hofs overwegingen geen optimale duidelijkheid. Het hof stelt vast dat uit de medische verklaring die het hof voorafgaand aan de zitting heeft ontvangen niet blijkt dat de verdachte niet in staat is ‘vandaag bij de behandeling aanwezig te zijn’. Het hof laat zich niet expliciet uit over de vraag of het de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheid aannemelijk heeft geoordeeld.

21. Dat Uw Raad centraal stelt of het hof heeft geoordeeld dat de aangevoerde omstandigheid aannemelijk is geworden, en dat de stukken waarmee het verzoek wordt onderbouwd alleen in relatie tot die vaststelling van belang zijn, blijkt ook uit het vervolg van de overwegingen in voormeld arrest. ‘Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds (…) afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is’. Mij komt die benadering juist voor. Bij de beslissing op een aanhoudingsverzoek moet centraal staan wat de rechter aannemelijk acht, niet wat de verdachte aannemelijk weet te maken.

22. De feiten en omstandigheden van de onderhavige zaak wijzen er niet op dat de verdachte de berechting wilde uitstellen of ontwijken en de longontsteking heeft verzonnen. De zaak is in hoger beroep niet eerder aangehouden. In eerste aanleg is de zaak berecht op 30 maart 2017, in aanwezigheid van de verdachte. Ook in eerste aanleg is de zaak niet aangehouden. Ook overigens zie ik in de proceshouding van de verdachte geen aanwijzingen dat hij met een verzonnen ziekte probeerde de berechting uit te stellen. Daar komt bij dat de verdachte ten tijde van de behandeling in hoger beroep 62 jaar oud was. Personen ouder dan 55 jaar hebben meer kans op een longontsteking.10 En de medische verklaring bevestigt dat de verdachte zich in verband met een medische aandoening heeft gemeld bij de huisarts en daar ‘momenteel’ voor onder behandeling is. Daaruit volgt dat het kennelijk om een aandoening gaat die een langer durende behandeling vergt, niet om een eenmalig consult. In het licht van deze feiten en omstandigheden voert het mijns inziens te ver, in ’s hofs overweging in te lezen dat het niet aannemelijk geworden acht dat de verdachte een longontsteking heeft gehad.

23. Waarschijnlijker is dat het hof er op grond van de mededelingen van de raadsvrouw van is uitgegaan dat de verdachte een longontsteking had, maar dat uit de medische verklaring niet blijkt dat deze de verdachte verhinderde op vrijdag bij de behandeling ter terechtzitting aanwezig te zijn. Afwijzing op die grond komt mij zonder nadere toelichting, die ontbreekt, evenwel niet zonder meer begrijpelijk voor. Daarbij neem ik in aanmerking dat patiënten die met een zware longontsteking in het ziekenhuis worden opgenomen volgens cijfers van het longfonds gemiddeld ruim negen dagen in het ziekenhuis liggen.11 Op de site van het longfonds wordt voorts vermeld dat een longontsteking bij een gezond persoon ‘meestal twee tot drie weken’ duurt, terwijl herstellen van een longontsteking ‘weken tot maanden’ kan duren.12 Ik teken voorts aan dat het hof, in zoverre het ervan zou zijn uitgegaan dat uit een medische verklaring dient te blijken dat de verdachte niet in staat zal zijn bij de behandeling aanwezig te zijn, een eis stelt aan die verklaring waar de behandelend arts in een deel van de gevallen niet aan zal kunnen en willen voldoen. En het voert naar het mij voorkomt te ver om bij aanhoudingsverzoeken als het onderhavige in beginsel van de verdachte te vergen dat op zo korte termijn (ook nog) een andere arts dan de behandelend arts wordt ingeschakeld.

24. Indien zich niet het geval voordoet dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld, dient de rechter volgens Uw Raad ‘een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen’. Een dergelijke afweging heeft het hof in het onderhavige geval blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet gemaakt.

25. Ik rond af. Indien het hof ervan is uitgegaan dat een verzoek tot aanhouding wegens ziekte niet dient te worden gehonoreerd als niet uit een medische verklaring blijkt dat de verdachte buiten staat is bij de behandeling aanwezig te zijn, is het hof uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting. Indien het hof daar niet van is uitgegaan, is ’s hofs beslissing op het verzoek tot aanhouding niet zonder meer begrijpelijk gemotiveerd. In het licht van (i) het faxbericht van de raadsvrouw inhoudende dat de verdachte op maandag wegens een gevaarlijke longontsteking in het ziekenhuis opgenomen ligt en naar verwachting niet in staat zal zijn de behandeling van de zaak op vrijdag bij te wonen, (ii) de mededeling van de raadsvrouw ter terechtzitting dat de verdachte maandag last had van zuurstofgebrek en dat woensdag, toen de verdachte thuis was, een huisarts is langsgekomen die een medische verklaring heeft opgesteld en (iii) de medische verklaring van de huisarts, inhoudende dat de verdachte zich met een medische aandoening heeft gemeld bij de huisartsenpraktijk en daar momenteel onder behandeling staat, brengt de enkele omstandigheid dat uit de overgelegde medische verklaring niet blijkt dat de verdachte niet in staat is bij de behandeling ter terechtzitting aanwezig te zijn, niet mee dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is.13 Ik neem hierbij in aanmerking dat de raadsvrouw ter terechtzitting heeft medegedeeld dat de huisarts niet een uitgebreidere medische verklaring mag opstellen dan de huisarts heeft gedaan en dat het hof niet ervan blijk heeft gegeven te hebben onderzocht of van de verdediging in de gegeven omstandigheden kon worden verlangd een uitgebreidere medische verklaring in het geding te brengen. Daarbij merk ik nog op dat de advocaat-generaal zich op het standpunt heeft gesteld dat hij geen reden heeft aan het verhaal van de raadsvrouw te twijfelen en dat hij heeft voorgesteld het aanhoudingsverzoek te honoreren.

26. Het middel slaagt.

27. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

28. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het bestreden arrest vermeldt dat het is gewezen door de Economische Kamer. Geen van de vijf feiten betreft een economisch delict. In eerste aanleg zijn de feiten berecht door de politierechter. De Economische Kamer van het hof was onbevoegd (vgl. art. 52 WED). Mogelijk berust de vermelding in het arrest op een misslag. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof houdt in dat de zaak is behandeld door de ‘meervoudige kamer’. Voor zover in het arrest geen sprake is van een misslag, merk ik op dat nu niet is geklaagd over de bevoegdheid van de Economische Kamer, het toepasselijke strafprocesrecht op enkele hier niet ter zake doende uitzonderingen na hetzelfde is als bij de gewone meervoudige kamer, en de raadsheren die de strafzaak hebben berecht ook van die kamer deel hadden kunnen uitmaken, Uw Raad daaraan voorbij kan gaan.

2 Het cassatieberoep is ontvankelijk, ook voor zover het feit 4 betreft, nu de feiten 2, 3 en 5 eveneens overtredingen betreffen en voor die overtredingen taakstraffen zijn opgelegd (vgl. HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2433, NJ 2008/342).

3 Zie ook E.T. Luining, ‘Het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting en de afwijzing daarvan’, TPWS 2018/2 (in het bijzonder 5.1) en M.J. Dubelaar, ‘Het aanwezigheidsrecht in strafzaken anno 2019’, DD 2019/47 (in het bijzonder 5.2.1).

4 www.knmg.nl/advies-richtlijnen/dossiers/geneeskundige-verklaring.htm. Zie verder de KNMG-richtlijn Omgaan met medische gegevens, mei 2018 (www.knmg.nl/richtlijn-omgaan-met-medische-gegevens/). Zie ook H.J.J. Leenen e.a, Handboek gezondheidsrecht, zevende druk, Den Haag, Boom Juridisch 2017, paragraaf 2.12.3. en A.C. Hendriks, ‘Mag ik een geneeskundige verklaring verstrekken?, NTvG 2018;162:D3008 (met verwijzing naar uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 11 november 2008, nr. 2008/129, Stcrt. 2008/229 (rov. 4.6)).

5 Zie ook HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5174. Zie verder HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2869, NJ 2015/420; HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1236; HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0083; HR 7 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0566, NJ 2009/186.

6 Vgl. ook HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0940, NJ 1998/428.

7 Anders dan in het in het overzichtsarrest genoemde HR 9 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5730, NJ 2002/466 m.nt. Knigge, waarin de raadsman geen gevolg had gegeven aan het verzoek van het hof om een medische verklaring te overleggen.

8 Vgl. de informatie op https://www.longfonds.nl/longontsteking/wat-is-een-longontsteking.

9 https://www.olvg.nl/.

10 Vgl. https://www.longfonds.nl/longontsteking/oorzaken-longontsteking.

11 https://www.longfonds.nl/longontsteking/wat-is-longontsteking.

12 https://www.longfonds.nl/longontsteking/behandeling-longontsteking. Zie in dit verband ook HR 3 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9714, NJ 1994/582 waarin sprake was van een aanhoudingsverzoek in verband met een (zware) longontsteking.

13 Vgl. ook HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3205 waarin de raadsvrouw verwees naar het standpunt van de psychiater. Niet blijkt dat de raadsvrouw daarbij een medische verklaring heeft overgelegd.