Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:147

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-02-2020
Datum publicatie
25-02-2020
Zaaknummer
19/03841
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:622
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag tegen beslag n.a.v. rechtshulpverzoeken. Art. 552a jo 5.1.11 Sv. Door de VS zijn in het kader van strafrechtelijk onderzoek tegen klager rechtshulpverzoeken tot inbeslagneming en overdracht van voorwerpen gedaan aan NL. Daarnaast is door de VS om uitlevering van klager verzocht. Zowel de overdracht van de goederen (in de onderhavige beklagprocedure) als de uitlevering van klager (in de samenhangende uitleveringsprocedure) is toelaatbaar verklaard. De AG gaat nader in op (i) de vraag of sprake kan zijn van parallel lopende overdrachtsverzoeken die zijn gebaseerd op een uitleveringsverdrag respectievelijk een rechtshulpverdrag en (ii) de werking van het specialiteitsbeginsel in wederzijdse rechtshulp. De AG adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep te verwerpen. Samenhang met 19/03841 U.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03841 Br

Zitting 18 februari 2020

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klager] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de klager.

1 Inleiding

1.1.

De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 5 juli 2019 het klaagschrift ex art. 552a Sv en 5.1.11 Sv1, strekkende tot teruggave van de in het kader van rechtshulpverzoeken in beslag genomen goederen, ongegrond verklaard.

1.2.

Er bestaat samenhang met de zaak 19/03920 U. In deze samenhangende uitleveringszaak van de klager zal mijn ambtgenoot D.J.M.W. Paridaens vandaag concluderen (ECLI:NL:PHR:2020:156).

1.3.

Het gaat in deze beslagzaak en de samenhangende uitleveringszaak kort gezegd om het volgende:

(i) Door de Verenigde Staten van Amerika (VS) is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen de klager, die de Iraanse nationaliteit heeft, op 30 augustus 2018 aan Nederland een rechtshulpverzoek gedaan, gebaseerd op het tussen de VS en Nederland gesloten rechtshulpverdrag2 wegens verdenking van onder meer het onrechtmatige uitvoeren van Amerikaanse goederen naar Iran. In dit rechtshulpverzoek wordt onder andere verzocht om inbeslagname en overdracht van alle in het bezit van klager aangetroffen voorwerpen bij zijn aanhouding.

(ii) Daarnaast is door de VS de uitlevering verzocht van klager. Daartoe is op 31 augustus 2018 een verzoek tot voorlopige aanhouding gedaan, waarin eveneens een aanvullend verzoek is gedaan om de inbeslagneming van de voorwerpen zoals vermeld in het rechtshulpverzoek van 30 augustus 2018.3 Het verzoek tot inbeslagneming van 31 augustus 2018 is gebaseerd op art. 17 van het tussen de VS en Nederland gesloten uitleveringsverdrag.4

(iii) Op 14 september 2018 is de klager op Schiphol voorlopig aangehouden en zijn alle goederen die hij bij zich had in beslag genomen. Op 13 november 2018 volgde het uitleveringsverzoek. Het gaat hierbij om een vervolgingsuitlevering.

(iv) De meervoudige strafkamer van de rechtbank heeft op 5 juli 2019 de uitlevering van de klager aan de VS toelaatbaar verklaard. De raadkamer van de rechtbank heeft op diezelfde dag geoordeeld dat de in beslag genomen voorwerpen mogen worden overgedragen aan de VS, nu aan alle daarvoor in de wet en het rechtshulpverdrag gestelde eisen is voldaan. Beide beslissingen ligt thans in cassatie voor.

1.4.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

In het eerste middel wordt betoogd dat het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 24 juni 1980 (hierna: Uitleveringsverdrag) en niet het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 12 juni 1981 (hierna: Rechtshulpverdrag) als grondslag van de overdracht van de goederen heeft te gelden.

Het tweede middel heeft betrekking op het vereiste van dubbele strafbaarheid.

Het derde middel is gericht tegen de ongegrondverklaring van het beklag en overdracht van de inbeslaggenomen voorwerpen heeft toegestaan terwijl voor het overgrote deel van de feiten geen dubbele strafbaarheid is aangenomen.

Het vierde middel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het EU blocking statute5 niet in de weg staat aan overdracht van de goederen.

2 Ambtshalve opmerkingen ten aanzien van de toepasselijke termijnen

2.1.

Ambtshalve wil ik het volgende opmerken. Art. 552d lid 4 Sv bevat voor zaken waarin het beklag betrekking heeft op de uitvoering van een verzoek om rechtshulp een afwijkende cassatieregeling. De schriftuur moet in dat geval, op straffe van niet ontvankelijkheid, binnen veertien dagen na de betekening van de aanzegging worden ingediend en de Hoge Raad moet binnen negentig dagen na de indiening van de schriftuur beslissen. Het vierde lid van art. 552d Sv is ingevoegd bij Wet van 7 juni 2017, Stb. 2017, 246, en is in werking getreden op 1 juli 2018. Volgens de overgangsbepaling (art. VI)6 is art. 552d lid 4 Sv van toepassing op de inwilliging en de uitvoering van een verzoek om rechtshulp dat wordt ontvangen na de inwerkingtreding van deze wet. Aangezien het verzoek om rechtshulp dat in onderhavige zaak centraal staat dateert van 30 augustus 2018, zijn de termijnen van art. 552d lid 4 Sv van toepassing.

Mijn ambtgenoot Knigge werpt in een recente conclusie van 28 januari 20207 nog de vraag op of onder de “inwilliging en uitvoering” van een rechtshulpverzoek ook de behandeling valt van beklag dat zich richt tegen een op grond van dat verzoek gelegd beslag. Hoewel dat uit de wetsgeschiedenis niet duidelijk volgt, meent hij dat daarin wel voldoende aanknopingspunten kunnen worden gevonden om de beklagprocedure aan te merken als een onderdeel van de inwilliging en uitvoering van het rechtshulpverzoek zoals bedoeld in art. VI. In voetnoot 2 van zijn conclusie onderbouwt hij dit als volgt:

“De MvT (Kamerstukken 2015-2016, 34495, nr. 3, p. 32) op art. IV van het wetsvoorstel luidt: “Overgangsrecht is noodzakelijk, omdat de procedure die op grond van onderhavig wetsvoorstel wordt gestart na ontvangst van een rechtshulpverzoek op onderdelen afwijkend is en inhoudelijk verschillend is ten opzichte van de bestaande regeling. Rechtstreekste toepassing van de nieuwe wet zou in die zin tot verwarring leiden”. Merkwaardig genoeg is de bedoelde overgangsbepaling ook in het wetsvoorstel in art. VI te vinden, en dus niet in art. IV. Ik merk nog op dat de genoemde wet art. 552p Sv schrapte, omdat het naast elkaar bestaan van de verlofprocedure en de beklagprocedure tot onnodige vertraging in de rechtshulpverlening en tot onnodige misverstanden zou leiden. De beide procedures werden “omgevormd tot een sluitend systeem dat tot doel heeft altijd rechterlijke controle mogelijk te maken voordat resultaten van de toegepaste bevoegdheden (…) aan de verzoekende staat worden overgedragen” (Kamerstukken II 2016/2017, 34493, nr. 6, p. 8). Dat pleit ervoor om de beklagprocedure aan te merken als een onderdeel van de inwilliging en uitvoering van het rechtshulpverzoek als bedoeld in art. VI van de wet.”

Ervan uitgaande dat de analyse van Knigge juist is, betekent dat voor onderhavige zaak het volgende. De aanzegging is op 18 december 2019 betekend. Hierin is, in strijd met art. 552d lid 4 Sv echter niet de termijn van veertien dagen voor het indienen van de cassatieschriftuur vermeld maar dertig dagen. Hoewel het klager op grond hiervan niet zou kunnen worden tegengeworpen indien niet binnen veertien dagen een schriftuur zou zijn ingediend, is deze schriftuur wel tijdig ingediend, namelijk op 31 december 2019.

Dat betekent dat het cassatieberoep ontvankelijk is en dat de Hoge Raad binnen negentig dagen na de indiening van de schriftuur zal dienen te beslissen op het cassatieberoep. Hiermee zal dus de nodige spoed moeten worden betracht.

3 De beschikking

3.1.

De beschikking houdt in (met weglating van voetnoten):

1. Procedure

Op 28 september 2018 is een klaagschrift ingediend (door de voormalige advocaat van de klager). De raadsvrouw heeft dit klaagschrift bij brief van 11 december 2018 nader toegelicht. Het klaagschrift is, zoals toegelicht door de raadsvrouw, gegrond op artikel 5.1.11 en (in samenhang daarmee) artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

Het klaagschrift is op 12 december 2018 door de enkelvoudige raadkamer in het openbaar behandeld. De officier van justitie mr. B. den Hartigh en de raadsvrouw mr. T.M.D. Buruma, zijn toen gehoord. De klager was niet verschenen omdat hij niet was aangevoerd vanuit de penitentiaire inrichting. De behandeling van het klaagschrift is aangehouden tot 16 januari 2019 ten behoeve van gelijktijdige behandeling hiervan met de op die datum geplande behandeling van de tegen de klager lopende uitleveringszaak met bovengenoemd parketnummer.

De behandeling van het klaagschrift is voortgezet op 16 januari 2019 door de meervoudige raadkamer. De officier van justitie mr. B. den Hartigh, de klager en zijn raadsvrouw mr. T.M.D. Buruma, zijn gehoord. Deze behandeling heeft gelijktijdig, maar niet gevoegd plaatsgevonden met de behandeling op de zitting van voornoemde uitleveringszaak. Beide zaken zijn met gesloten deuren behandeld.

De rechtbank heeft in de uitleveringszaak (met lurisnummer: UTL-I-2018031306 en parketnummer: 10/965081-18) bij tussenuitspraak van 30 januari 2019 het onderzoek ter zitting heropend en de behandeling van het uitleveringsverzoek aangehouden teneinde van de Amerikaanse autoriteiten nadere informatie te verkrijgen ten aanzien van de in deze tussenuitspraak vermelde punten. Omdat deze informatie eveneens noodzakelijk is voor de beoordeling van het klaagschrift, heeft de rechtbank bij tussenbeschikking van 30 januari 2019 ook het onderzoek in raadkamer in deze zaak heropend en de behandeling van het klaagschrift aangehouden.

De officier van justitie heeft de Amerikaanse autoriteiten verzocht deze nadere informatie te verstrekken en heeft de volgende stukken aan het dossier toegevoegd:

- de door de Amerikaanse autoriteiten verstrekte ‘Indictment’ van de Grand Jury, die is uitgesproken ter openbare zitting van 18 oktober 2018 van de District Court van het District Columbia, Verenigde Staten (hierna: de Indictment), en de Nederlandse vertaling daarvan;

- een proces-verbaal van ambtshandeling van het team Precursoren, Strategische goederen en Sanctiewetgeving van de Belastingdienst/Douane van 30 april 2019, nummer Poss LP 02, met bijlagen (onder meer, als bijlage 1, een door de Amerikaanse autoriteiten verstrekte lijst met de goederen (elektronica) waarop de Indictment ziet; dit betreft een uitbreiding van de eerder overgelegde lijst die nog onvolledig was.

Tevens is bij de rechtbank ingekomen een brief van de raadsvrouw van 7 juni 2019, met bijlagen.

De behandeling van het klaagschrift door de meervoudige kamer is voortgezet op 18 juni 2019. De officier van justitie mr. B. den Hartigh, de klager en zijn raadsvrouw mr. T.M.D. Buruma, zijn gehoord. Deze behandeling heeft ook op deze datum gelijktijdig, maar niet gevoegd plaatsgevonden met de behandeling op de zitting van voornoemde uitleveringszaak. Beide zaken zijn met gesloten deuren behandeld.

2. Feiten

Op 30 augustus 2018 hebben de Amerikaanse autoriteiten een verzoek om rechtshulp gericht aan dé bevoegde Nederlandse justitiële autoriteiten. Op 3 september 2018 hebben de Amerikaanse autoriteiten een aanvullend rechtshulpverzoek gestuurd.

Deze rechtshulpverzoeken zijn gedaan in het kader van het in de Verenigde Staten van Amerika lopende strafrechtelijke onderzoek tegen de klager, in verband waarmee ook het verzoek tot uitlevering is gedaan.

Op 14 september 2018 is de klager, ter uitvoering van de rechtshulpverzoeken, op de luchthaven Schiphol aangehouden en is onder de klager beslag gelegd op onder meer de volgende voorwerpen, die hij bij zijn aanhouding bij zich had:

- 3 verschillende soorten medicatie/pillen;

- 1 laptop (MacBook Pro);

- een Samsung telefoon;

- een Apple iPhone, klein model;

- dossier/papieren;

- geld (Nederlands en Iraans);

- verschillende soorten opladers;

- koptelefoon (Sony);

- 4 bankpassen, waaronder 1 creditcard;

- een witte iPhone, groot model.

3. Standpunt klager en standpunt officier van justitie

Het klaagschrift strekt tot teruggave aan de klager van de hierboven genoemde voorwerpen. Aangevoerd is - kort weergeven - dat de overdracht van deze voorwerpen aan de Verenigde Staten niet plaats mag vinden, omdat:

  • -

    niet is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid,

  • -

    dit in strijd zou zijn met artikel 4 van de EU verordening 2271/96 (het zgn “blocking statute”);

  • -

    en de overtreding van de sanctiewetgeving van de Verenigde Staten in dit geval moet worden beschouwd als politiek delict en er daarom sprake is van een weigeringsgrond als genoemd in artikel 10 van het Rechtshulpverdrag en artikel 5.1.5 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

  • -

    De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag.

4. Beoordeling

4.1. Grondslag rechtshulpverzoek

De door de Amerikaanse autoriteiten gedane rechtshulpverzoeken zijn onder meer gebaseerd op (onder meer) het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 12 juni 1981 (Trb. 1981/188; hierna: het Rechtshulpverdrag) en de daarbij behorende bijlage, welk verdrag is geïncorporeerd in het later gesloten verdrag van 29 september 2004 (Trb. 2004/300, in werking getreden 1 februari 2010).

4.2. Juridisch kader

Vooropgesteld wordt dat indien, zoals hier, een rechtshulpverzoek is gegrond op een verdrag, gelet op het bepaalde in artikel 5.1.4, tweede lid, Sv zoveel mogelijk aan dat verzoek gevolg dient te worden gegeven. Er kan slechts van inwilliging van het verzoek worden afgezien als zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag dan wel de wet (in het bijzonder de weigeringsgronden die zijn genoemd in het verdrag en artikel 5.1.5 Sv) of indien door inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht (vgl. HR 19 maart 2002, NJ 2002/580).

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Rechtshulpverdrag geeft de aangezochte staat gevolg aan verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming overeenkomstig zijn wetten en gebruiken, indien op het desbetreffende feit krachtens de wetten van beide verdragsluitende partijen een vrijheidsstraf is gesteld van meer dan een jaar dan wel - indien daarop een kortere vrijheidsstraf is gesteld - dat feit is vermeld in de bijlage bij dit verdrag. Voorts dient de Nederlandse rechter op grond van artikel 6, tweede lid, te beoordelen of de in het rechtshulpverzoek voorkomende materiële beschrijving van de door de verzoekende staat strafbaar geachte gedragingen (de uiteenzetting van feiten) de bestanddelen bevat van een in Nederland strafbaar gesteld feit.

In artikel 5.1.8, eerste lid Sv, is als criterium gesteld dat in Nederland opsporingsbevoegdheden worden toegepast, voor zover deze eveneens zouden kunnen worden toegepast in een Nederlands strafrechtelijk onderzoek naar dezelfde feiten. Ook dit criterium impliceert dat moet zijn voldaan aan de vereisten van dubbele strafbaarheid. Daarnaast moeten de in beslag genomen voorwerpen, in dit geval op grond van artikel 94 juncto 95 Sv, ook vatbaar zijn geweest voor inbeslagneming indien de feiten in Nederland zouden zijn begaan.

4.3. Dubbele strafbaarheid

In het rechtshulpverzoek en de overige verstrekte stukken, zoals de Indictment en de lijst met goederen, zijn de feiten en omstandigheden uitgewerkt die hebben geleid tot de verdenkingen. Ook zijn daarbij de strafbepalingen alsmede de daarin opgenomen delictsomschrijvingen genoemd.

Uit de stukken volgt dat de klager in het Amerikaanse strafrechtelijk onderzoek wordt verdachte van de volgende feiten:

1. samenzwering (‘conspiracy’) aangaande (a.) het onrechtmatig (zonder vergunning) uitvoeren van Amerikaanse goederen naar Iran en (b.) het oplichten van de Verenigde Staten en het Amerikaanse ministerie van Financiën, in strijd met titel 18, United States Code, sectie 371;

2. het opzettelijk onrechtmatig, namelijk zonder voorafgaande vergunning, (laten) uitvoeren of wederuitvoeren van goederen uit de Verenigde Staten naar Iran, in strijd met titel 50, United States Code, sectie 1705 en titel 31, Code of Federal Regulations, secties 560.203, 560.204 en 560.205; en het uitlokken van en het medeplichtig zijn aan alsmede het aanzetten tot het uitvoeren van die handeling, in strijd met titel 18, United States Code, sectie 2;

3 - 7. het opzettelijk pogen om onrechtmatig, namelijk zonder voorafgaande vergunning, goederen uit de Verenigde Staten naar Iran te (laten) uitvoeren of wederuitvoeren, in strijd met titel 50, United States Code, sectie 1705 en titel 31, Code of Federal Regulations, secties 560.203, 560.204 en 560.205; en het uitlokken van en het medeplichtig zijn aan alsmede het aanzetten tot het uitvoeren van die handeling, in strijd met titel 18, United States Code, sectie 2;

8. samenzwering aangaande het witwassen van monetaire instrumenten (‘conspiracy to launder monetary instruments’), in strijd met titel 18, United States Code, sectie 1956(h);

9-13. het internationaal witwassen van geld, in strijd met titel 18, United States Code, sectie 1956(a)(2)(A).

In de Indictment en de verstrekte lijst met goederen zijn met betrekking tot een deel van de feiten (in de Indictment de feiten 2 tot en met 7, en in de lijst de feiten 1 tot en met 8) de goederen (elektronica) genoemd waarop deze feiten betrekking hebben. Zoals geoordeeld in de uitspraak in de uitleveringszaak (met lurisnummer: UTL-I- 2018031306 en parketnummer: 10/965081-18) van heden, is ten aanzien van de volgende feiten deels voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid:

- feit 1, voor zover dit feit ziet op de volgende items: 4x A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed, ISLA216P25IRZ en ISLA216P13IRZ.

- feit 3, voor zover dit feit ziet op de volgende items: 4 x A/D Converter 2.0/3.2 GSPS Ultra High-Speed.

Deze feiten zijn, voor zover deze zien op de genoemde items, zowel naar Amerikaans als naar Nederlands recht strafbaar. Ook kan voor elk van deze feiten zowel naar Amerikaans opgelegd.

4.4. Vatbaarheid voor inbeslagneming naar Nederlands recht

De in beslag genomen voorwerpen zouden op grond van artikel 94 juncto 95 Sv ook vatbaar zijn geweest voor inbeslagneming indien de feiten in Nederland zouden zijn begaan. Gelet op de omschrijving van de verdenkingen ten aanzien van voornoemde feiten 1 en 3 in het Indictment, kunnen de betreffende goederen dienen om de waarheid aan de dag te brengen en/of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Daarnaast is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het in beslag genomen geld en/of de goederen zal bevelen.

4.5. Verweren ten aanzien van het zgn "blocking statute” en de politieke exceptie

Zoals geoordeeld in de uitspraak in de uitleveringszaak (met lurisnummer: UTL-I- 2018031306 en parketnummer: 10/965081-18) van heden, worden de verweren van de raadsvrouw met betrekking tot het zgn "blocking statute” en de politieke exceptie verworpen.

4.6. Slotsom

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat de in beslag genomen goederen mogen worden overgedragen aan de Verenigde Staten van Amerika, nu aan alle daarvoor in de wet en het Rechtshulpverdrag gestelde eisen is voldaan. Daarnaast doen zich geen belemmeringen van wezenlijke aard voor die voortvloeien uit het Rechtshulpverdrag onderscheidenlijk de wet. Er zijn geen aanknopingspunten voor de weigeringsgronden die zijn genoemd in artikel 10 van het Rechtshulpverdrag en artikel 5.1.5 Sv. Door de inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt evenmin gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht. Gezien het voorgaande zal het beklag ongegrond worden verklaard. Beslissing De rechtbank: verklaart het beklag ongegrond.”

4 Het eerste middel

4.1.

Het middel bevat de klacht dat de rechtbank niet het Rechtshulpverdrag, maar het Uitleveringsverdrag als grondslag voor de inbeslagname en de overdracht van de goederen had moeten aanmerken en daarom ten onrechte heeft aangenomen dat aan alle voorwaarden voor inbeslagname en overdracht is voldaan. Art. 17 Uitleveringsverdrag bepaalt immers dat voor de inbeslagname en/of overdracht van de goederen eveneens als voorwaarde geldt dat de uitlevering van de klager is toegestaan.

4.2.

Voor de bespreking van het middel is het van belang kort alle gedane rechtshulpverzoeken weer te geven.

(i) Op 24 augustus 2017 hebben de Amerikaanse autoriteiten een eerste rechtshulpverzoek gedaan aan Nederland, waarin is verzocht om assistentie in het opzetten van een ‘undercover’ operatie in het strafrechtelijk onderzoek tegen de klager wegens verdenking van onder meer het onrechtmatige uitvoeren van Amerikaanse goederen naar Iran.

(ii) Op 5 februari 2018 hebben de Amerikaanse autoriteiten een eerste aanvullend rechtshulpverzoek gedaan, waarin om vergelijkbare assistentie is verzocht bij een specifieke ontmoeting van klager met een undercover ‘U.S. law enforcement agent’. Bij dit eerste aanvullende verzoek is ook verzocht ‘[to] obtain valuable evidence likely to be in his possession’.

(iii) Op 30 augustus 2018 is een tweede aanvullend rechtshulpverzoek gericht aan Nederland, waarin wederom is verzocht om alle goederen van en in de omgeving van klager in beslag te nemen en over te dragen. Alle tot nu toe gedane rechtshulpverzoeken zijn gebaseerd op het Rechtshulpverdrag.

(iv) Op 31 augustus 2018, is verzocht om de voorlopige aanhouding van klager in Nederland. Daarin is, dit maal op grond van art. 17 Uitleveringsverdrag nogmaals verzocht om inbeslagname van de in het vorige verzoek genoemde en nog niet in beslag genomen goederen.

(v) Op 14 september 2018 is klager op Schiphol aangehouden en is onder hem op grond van het aanvullende rechtshulpverzoek van 30 augustus 20188 beslag gelegd op de voorwerpen die hij bij zijn aanhouding bij zich had, waaronder een laptop en telefoons.

(vi) Op 13 november 2018 is een formeel uitleveringsverzoek gericht aan Nederland, waarin tevens wederom is verzocht om inbeslagname van alle goederen die mogelijk van bewijsrechtelijk belang kunnen zijn in verband met de verdenking tegen klager. Dit rechtshulpverzoek is ook gebaseerd op art. 17 Uitleveringsverdrag.

4.3.

De rechtshulpverzoeken waarin is verwezen naar art. 17 Uitleveringsverdrag houden, voor zover van belang, het volgende in:

Het verzoek van 31 augustus 2018:

“Pursuant to Article 17 of the Annex to the Extradiction Agreement, any such items described in the request of Augustus 30, 2018, and not previously seized in connection with it, should now be seized and surrendered.”

Het verzoek van 13 november 2018:

“The offenses with which [klager] is charged are covered under Article 2 of the Annex. In accordance with Article 17 of the Annex, the United States requests the seizure of all articles which may be required as evidence relating to the offenses charged for surrender with the fugitive if extradiction to the United States is granted.”

4.4.

De vraag welk inbeslagnemings- en overdrachtsverzoek van toepassing is, is ook aan de orde geweest tijdens de raadkamerbehandeling bij de rechtbank. Het proces-verbaal van 16 januari 2019 houdt daarover het volgende in:

“De voorzitter deelt mede:

Het is ook de vraag of de rechtbank nog een afzonderlijke beslissing moet nemen in deze zaak. De goederen zijn bij de klager in beslag genomen in verband met het strafrechtelijk onderzoek in het kader waarvan zijn uitlevering is verzocht. De raadsvrouw heeft in haar brief van 8 januari 2019 naar voren gebracht dat er voor wat betreft deze goederen twee overdrachtverzoeken liggen, namelijk het verzoek dat is gebaseerd op het rechtshulpverdrag en het verzoek ex artikel 17 van het Uitleveringsverdrag om alle goederen uit te leveren. Zij stelt dat artikel 17 van het Uitleveringsverdrag op dit moment de enige basis voor het verzoek tot overdracht van de in beslag genomen goederen is. Zij stelt dus, naar de rechtbank begrijpt, dat daarop moet worden beslist in de uitleveringszaak.

De officier van justitie deelt mede:

Daar verzet ik mij wel tegen. Met betrekking tot de inbeslagname en de overdracht van deze goederen is een apart rechtshulpverzoek ingediend. De goederen zijn op grond van dat verzoek in beslag genomen. Het betreft dus een aparte zaak. Als dit niet als aparte zaak wordt behandeld, kunnen de in beslag genomen goederen pas worden overgedragen als de klager (opgeëiste persoon) wordt uitgeleverd. Dat zou leiden tot vertraging. In beide zaken bestaat dezelfde rechtsbescherming. Het is niet zo dat artikel 17 van het Uitleveringsverdrag en artikel 47 van de Uitleveringswet een betere rechtsbescherming biedt.

De raadsvrouw deelt mede:

Het uitleveringsverzoek is volgens mij het enige nog geldende verzoek voor de overdracht van de in beslag genomen goederen, omdat het rechtshulpverzoek is ingehaald door de indictment. Het verzoek om overdracht van de stukken kan alleen nog gebaseerd zijn op artikel 17 van het Uitleveringsverdrag, Ik ben daarom van mening dat hierop moet worden beslist in de uitleveringszaak. Voor de overdracht gelden dan dezelfde vereisten als voor de toelaatbaarheid van de uitlevering. Als de uitlevering niet toelaatbaar wordt verklaard, kunnen de goederen ook niet worden overgedragen.

Wanneer de rechtbank, met de officier van justitie, van oordeel is dat het rechtshulpverzoek de grondslag is voor de inbeslagname en de overdracht van de goederen, zal het wel als een aparte zaak moeten worden behandeld.

De officier van justitie deelt mede:

Hetgeen de raadsvrouw aanvoert, gaat over de indictment. Het uitleveringsverzoek vervangt niet het rechtshulpverzoek. In dit geval heb ik contact gehad met de Amerikaanse autoriteiten. Zij hebben uitdrukkelijk gekozen voor het indienen van een apart rechtshulpverzoek omdat zij door willen kunnen gaan met het onderzoek. Het is dus een zelfstandige procedure.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.

De voorzitter deelt na hervatting van het onderzoek mede dat de rechtbank als volgt heeft beslist.

De rechtbank gaat uit van twee afzonderlijke zaken. De redenering van de raadsvrouw dat het rechtshulpverzoek is ingehaald door de indictment volgt de rechtbank niet. Er is een apart rechtshulpverzoek ingediend en dat is de grondslag voor de inbeslagname en op basis daarvan moet een beslissing worden genomen ten aanzien van het verzoek tot overdracht van de goederen. Het wordt dus als aparte zaak behandeld.

De raadsvrouw voert het woord overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities. De pleitnotities zijn aan dit proces-verbaal gehecht en maken daarvan deel uit.

De raadsvrouw deelt in aanvulling op haar pleitnotities mede:

Punt 58: als het rechtshulpverzoek wordt gezien als grondslag voor de verzochte overdracht van de goederen en die overdracht bij ongegrondverklaring van het beklag daadwerkelijk plaatsvindt, is dat heel onwenselijk. Dan kunnen de Amerikaanse autoriteiten deze goederen al onderzoeken, terwijl de uitleveringszaak nog loopt en daarin mogelijk zal worden beslist dat de uitlevering in zijn geheel of voor een deel van de indictment ontoelaatbaar is.

De officier van justitie voert het woord overeenkomstig de door hem overgelegde notities. Hij concludeert tot ongegrondverklaring van het beklag. Deze notities zijn aan dit proces-verbaal gehecht en maken daarvan deel uit.”

4.5.

De relevante bepalingen luiden:

Art. 6 lid 1 en 2 Rechtshulpverdrag

“1. De aangezochte Staat geeft gevolg aan verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming overeenkomstig zijn wetten en gebruiken, indien op het desbetreffende feit krachtens de wetten van beide Verdragsluitende Partijen een vrijheidsstraf is gesteld van meer dan een jaar, of, indien daarop een kortere vrijheidsstraf is gesteld dat feit is vermeld in de aanhangsel bij dit Verdrag. De bevoegde autoriteiten bedoeld in artikel 14 kunnen schriftelijk wijzigingen van het Aanhangsel overeenkomen. Dergelijke wijzigingen treden in werking op een in een diplomatieke notawisseling vast te stellen datum.

2. Een feit wordt geacht krachtens de wetten van de aangezochte Staat strafbaar te zijn gesteld indien het beweerde handelen of nalaten, wanneer het onder gelijksoortige omstandigheden in de aangezochte Staat zou hebben plaatsgevonden, een strafbaar feit zou hebben opgeleverd krachtens de wetten van die Staat. Voor de toepassing van dit lid worden rechtsmachtbepalende elementen van strafbare feiten, opgenomen in federale wetten van de Verenigde Staten, zoals het gebruik van de posterijen of van de handel tussen de staten, niet beschouwd als wezenlijke elementen van die strafbare feiten.”

Art. 18 lid 1 Rechtshulpverdrag

“1. De rechtshulp en procedures, voorzien in dit Verdrag, doen niet af aan enigerlei rechtshulp of procedure, die kan worden verleend of kan worden gevolgd krachtens andere internationale overeenkomsten of regelingen of krachtens de interne wetten van de Verdragsluitende Partijen, noch verhinderen of beperken zij deze.”

Art. 17 lid 1 Uitleveringsverdrag

“1. Op verzoek van de verzoekende Partij worden, voor zover dat naar het recht van de aangezochte Staat is toegestaan en behoudens de rechten van derden, die naar behoren dienen te worden geëerbiedigd, alle voorwerpen, werktuigen, zaken van waarde of stukken, die verband houden met het strafbare feit, ongeacht of zij voor het plegen daarvan zijn gebruikt, of die op enige andere wijze bewijsmateriaal voor het openbaar ministerie kunnen vormen, in beslag genomen en overgedragen nadat de uitlevering is toegestaan. De in dit artikel vermelde voorwerpen worden overgedragen zelfs wanneer de uitlevering niet kan plaatsvinden ten gevolge van het overlijden, de ontvluchting of de verdwijning van de opgeëiste persoon.”

4.6.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Inbeslagneming en afgifte van voorwerpen wordt ook wel aangeduid als secundaire of ‘kleine rechtshulp’. Deze vorm van wederzijdse rechtshulp wordt in het algemeen geregeld in verdragen die daarvoor in het bijzonder in het leven zijn geroepen. Een van die verdragen is het Rechtshulpverdrag tussen de VS en Nederland. Ook het Europees Rechtshulpverdrag valt in deze categorie.9 Niettemin voorzien ook bepaalde uitleveringsverdragen in regelingen die de inbeslagneming en overdracht van voorwerpen mogelijk maken in het kader van de uitlevering. Art. 17 Uitleveringsverdrag is hiervan een voorbeeld. Op grond van deze verdragsbepaling kunnen op verzoek van de verzoekende staat bepaalde voorwerpen die tot het bewijs kunnen dienen van het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht of die van het strafbare feit afkomstig zijn, in beslag worden genomen en worden overgedragen nadat uitlevering wordt toegestaan. Art. 46 en 47 Uitleveringswet voorziet in de nationale regeling hiervan. Deze vorm van rechtshulp is dus gekoppeld aan de uitlevering en kan tezamen met het verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon in dezelfde uitleveringsprocedure door de rechter worden getoetst. Dat ligt anders bij een rechtshulpverzoek tot inbeslagneming en overdracht van voorwerpen dat is gebaseerd op een rechtshulpverdrag. Een dergelijk rechtshulpverzoek wordt beheerst door de procedurele regeling van art. 5.1.1 t/m 5.1.11 Sv. Een betrokkene kan tegen de inbeslagneming op grond van een rechtshulpverzoek een klaagschrift indienen ex art. 552a Sv. Het gaat dan dus om een afzonderlijke procedure die los staat van de uitlevering.10

4.7.

Het middel gaat uit van de opvatting dat een overdrachtsverzoek dat eerder op basis van een rechtshulpverdrag is gedaan, wordt ingehaald door een nadien gedaan overdrachtsverzoek dat op een uitleveringsverdrag wordt gebaseerd. De steller van het middel beroept zich er daarbij op dat uit de tekst van de laatste overdrachtsverzoeken blijkt dat deze op art. 17 Uitleveringsverdrag zijn gebaseerd en dus het verzoek dat is gedaan op grond van het rechtshulpverdrag hebben “ingehaald”. Deze interpretatie van de verhouding tussen art. 17 Uitleveringsverdrag en het Rechtshulpverdrag ligt volgens haar ook voor de hand nu, in het geval de uitlevering niet zou worden toegestaan, er geen goede gronden zijn te bedenken om de overdracht van de goederen wel toelaatbaar te achten.

4.8.

Deze redenering, die impliceert dat geen sprake kan zijn van parallel lopende overdrachtsverzoeken die zijn gebaseerd op een uitleveringsverdrag respectievelijk een rechtshulpverdrag, vindt naar mijn oordeel geen steun in het recht. Geen rechtsregel staat er immers aan in de weg dat, geheel onafhankelijk van de uitlevering, op grond van een rechtshulpverzoek de overdracht van in beslag genomen voorwerpen wordt verzocht.11 Dat een nadien gedaan uitleveringsverzoek de werking van het eerder gedane rechtshulpverzoek zou kunnen blokkeren, in die zin dat vanaf dat moment pas nádat de uitlevering is toegestaan, op grond van het Uitleveringsverdrag tot overdracht van de voorwerpen kan worden beslist, lijkt mij bovendien niet de bedoeling noch wenselijk.12 Een verzoekende staat is er immers juist bij gebaat via de weg van een afzonderlijk rechtshulpverzoek inbeslagneming en afgifte van voorwerpen die voor het bewijs van het strafbare feit waarvan de betrokkene wordt verdacht te kunnen verzoeken. Zo kan een staat immers bewijsmateriaal verkrijgen dat kan worden gebruikt in het strafrechtelijk onderzoek en een (eventueel daarop volgend) uitleveringsverzoek. Als een verzoekende staat moet wachten totdat op een reeds gedaan uitleveringsverzoek is beslist en de uitlevering is toegestaan, wordt dat onderzoek feitelijk geblokkeerd. Dit wordt bevestigd door hetgeen de officier tijdens de behandeling in raadkamer heeft aangevoerd, namelijk dat er contact is geweest met de Amerikaanse autoriteiten en dat zij uitdrukkelijk hebben gekozen voor het indienen van een apart rechtshulpverzoek omdat zij door willen kunnen gaan met het onderzoek (zie hiervoor onder 2.4). Mede gelet hierop kan evenmin worden gezegd dat uit de tekst van de aanvullende overdrachtsverzoeken van de Verenigde Staten (zoals weergeven onder 2.3) moet worden opgemaakt dat het verzoek dat is gebaseerd op art. 17 Uitleveringsverdrag in de plaats komt van het verzoek dat op het Rechtshulpverdrag is gebaseerd.

4.9.

Mijn conclusie is dat het oordeel van de rechtbank dat art. 6 Rechtshulpverdrag als grondslag voor de inbeslagname en overdracht van de voorwerpen dient te gelden en niet art. 17 Uitleveringsverdrag, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. Gelet daarop behoeft het middel voor het overige geen bespreking.

4.10.

Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1.

Het middel bevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte althans onbegrijpelijk overdracht van de goederen heeft toegestaan en het beklag ongegrond heeft verklaard en daarbij dubbele strafbaarheid heeft aangenomen voor feit 1, voor zover dit ziet op bepaalde items, en voor feit 3, voor zover dit ziet op bepaalde items.

5.2.

Het middel valt uiteen in meerdere deelklachten en vertoont overlap met klachten die eveneens zijn voorgedragen in de samenhangende uitleveringszaak. Ik zal hier volstaan met een verwijzing naar en korte samenvatting van de bespreking van de klachten in de conclusie van mijn ambtgenoot Paridaens, ECLI:NL:PHR:2020:156. Ik sluit mij bij de inhoud van deze bespreking aan.

5.3.

Ten aanzien van de deelklacht die opkomt tegen de kwalificatie van feit 1 als overtreding van art. 140 Sr en de deelklacht die opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat het Nederlandse art. 225 Sr hetzelfde rechtsgoed zou beschermen als het Amerikaanse Titel 18 U.S.C. sectie 371, verwijs ik naar de bespreking van het tweede middel van dezelfde klachten door mijn ambtgenoot Paridaens in haar conclusie in de samenhangende uitleveringszaak. Zij gaat in randnummers 31 t/m 39 nader in op deze klachten en maakt in dit verband ambtshalve opmerkingen onder randnummers 44 t/m 77. De conclusie uit deze bespreking is dat de rechtbank op grond van de feiten die blijken uit de Affidavit en de Indictment het voor art. 140 Sr vereiste gestructureerde samenwerkingsverband en oogmerk en daarmee dubbele strafbaarheid heeft kunnen aannemen en dat de rechtbank verzuimd heeft bij feit 1 art. 326 Sr te vermelden bij de toepasselijke wetsbepalingen, welk verzuim de Hoge Raad kan herstellen waarna aan de laatste klacht feitelijke grondslag komt te ontvallen. Daarnaast wordt ambtshalve voorgesteld dat de Hoge Raad de toepasselijke wetsbepalingen verbeterd leest in die zin dat de uitspraak berust op art. 2 Besluit strategische goederen in verband met art. 1, eerste lid onder 1°, WED, art. 2, eerste lid WED en art. 6, eerste lid, onder 1° WED en de art. 45, 140, 225 en 326 Sr.

De conclusie in onderhavige beklagzaak is dan ook dat de eerste deelklacht faalt en de tweede deelklacht niet tot cassatie kan leiden.

5.4.

Ook ten aanzien van de klacht dat in het geheel niet blijkt wat de verdenking tegen de klager is ten aanzien van de goederen waarvan de rechtbank heeft vastgesteld dat voldaan is aan het vereiste van dubbele strafbaarheid, kan worden volstaan met een verwijzing naar de conclusie van Paridaens, in het bijzonder naar de bespreking van het eerste middel onder de randnummers 40 t/m 42. Deze deelklacht faalt omdat de Affadavit inhoudt dat met name klager veel goederen van Amerikaanse oorsprong naar Iran heeft gestuurd en dat op 15 december 2015 een gereguleerde uitvoer van geïntegreerde schakelingen door Amerikaanse rechtshandhavingsautoriteiten is gestopt.

5.5.

Het middel faalt in alle onderdelen.

6 Het derde middel

6.1.

Het middel bevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte althans onbegrijpelijk overdracht van de goederen heeft toegestaan en het beklag ongegrond heeft verklaard terwijl ten aanzien van het overgrote deel van de Amerikaanse verdenking geen dubbele strafbaarheid bestaat.

6.2.

De steller van het middel wijst erop dat door de rechtbank geen enkele beperking is aangebracht ten aanzien van welke feiten de over te dragen goederen als bewijsmateriaal mogen worden gebruikt. Uit een verlofbeschikking van de Hoge Raad van 18 oktober 1994, NJ 1996/410 met annotatie van Swart leidt zij, als ik het goed begrijp, af dat de rechtbank in een verlofprocedure (ex art. 552p (oud) Sv) het gebruik van het over te dragen bewijsmateriaal kon beperken tot die feiten waarvoor verlof werd verleend. De steller van het middel erkent dat in de thans geldende wettelijke regeling, de verlofprocedure niet van toepassing is en is vervangen door de beklagprocedure ex art. 552a Sv waarin slechts over de overdracht van de voorwerpen zelf en het uitblijven van een last tot teruggave kan worden geklaagd. Omdat de VS bij ongegrondverklaring van het beklag de volledige, onbeperkte beschikking krijgt over de in beslag genomen goederen, wordt in het middel de stelling ingenomen dat de rechtbank het beklag ten onrechte ongegrond heeft verklaard, omdat daarmee de overdracht van de goederen wordt toegestaan voor feiten waarvan is vastgesteld dat geen dubbele strafbaarheid bestaat.

6.3.

De steller van het middel doet hiermee in feite een beroep op het specialiteitsbeginsel waarmee de beklagrechter volgens haar rekening had moeten houden. Het principe van de ‘specialiteit’ is ontwikkeld op het terrein van het uitleveringsrecht. Het houdt in dat de uitgeleverde persoon in de verzoekende staat in beginsel alleen kan worden vervolgd en berecht voor die feiten waarvoor zijn uitlevering toelaatbaar wordt verklaard, behalve voor zover de feiten zijn gepleegd na de uitlevering (zie bijvoorbeeld art. 15 Uitleveringsverdrag met de VS). De minister kan wel achteraf toestemming geven voor de vervolging van andere feiten. De ratio van het specialiteitsbeginsel is in de kern gelegen in de bescherming van de rechtsmacht van de aangezochte staat en niet in de rechtsbescherming van de opgeëiste persoon.13 Het specialiteitsbeginsel is niet onverkort van toepassing in de kleine rechtshulp, maar kan tussen staten met zoveel woorden worden overeenkomen.14 Veel rechtshulpverdragen hebben als uitgangspunt dat de verzoekende staat bewijsmateriaal, dat als gevolg van een rechtshulpverzoek is verkregen, alleen mag gebruiken in de zaak, waarop het verzoek betrekking had en tegen de daarin gewezen verdachte. Ook het Rechtshulpverdrag met de VS heeft in art. 11bis een dergelijke bepaling opgenomen. Deze bepaling luidt:

“1. De verzoekende Staat kan van de aangezochte Staat verkregen bewijsmateriaal of gegevens gebruiken:

a. ten behoeve van zijn strafrechtelijke onderzoeken en strafrechtelijke procedures;

b. ter voorkoming van een onmiddellijke, ernstige bedreiging van zijn openbare veiligheid;

c. voor zijn niet-strafrechtelijke gerechtelijke of administratieve procedures die rechtstreeks verband houden met onderzoeken of procedures:

i. als bedoeld onder (a); of

ii. waarvoor rechtshulp is verstrekt ingevolge artikel 1, eerste lid bis, van dit Verdrag;

d. voor enig ander doel, indien de gegevens of het bewijsmateriaal openbaar zijn gemaakt in het kader van een procedure waarvoor zij zijn verstrekt, of in enige andere situatie omschreven onder (a), (b) en (c); en

e. voor enig ander doel, uitsluitend na voorafgaande toestemming van de aangezochte Staat.

2 a. Het eerste lid laat onverlet de mogelijkheid van de aangezochte Staat in een concrete zaak nadere voorwaarden te stellen indien het desbetreffende verzoek om rechtshulp bij gebreke van die voorwaarden niet kan worden ingewilligd. Wanneer uit hoofde van dit onderdeel nadere voorwaarden zijn gesteld, kan de aangezochte Staat van de verzoekende Staat verlangen dat deze inlichtingen verstrekt over het gebruik dat wordt gemaakt van het bewijsmateriaal of de informatie.

b. Algemene beperkingen met betrekking tot de rechtsnormen van de verzoekende Staat voor het verwerken van persoonsgegevens mogen door de aangezochte Staat echter niet als een voorwaarde uit hoofde van onderdeel (a) worden verbonden aan het verschaffen van bewijsmateriaal of gegevens.

3 Indien de aangezochte Staat, nadat hij het verlangde bewijsmateriaal en de gegevens aan de verzoekende Staat heeft verstrekt, op de hoogte raakt van omstandigheden die in een concreet geval aanleiding zouden geven aanvullende voorwaarden te stellen, kan de aangezochte Staat met de verzoekende Staat overleggen om te bepalen in hoeverre het bewijsmateriaal en de gegevens kunnen worden beschermd.”

6.4.

Hieruit volgt dat de aangezochte staat om toestemming kan worden gevraagd om het overgedragen bewijsmateriaal voor andere doelen aan te wenden en aangenomen moet worden dat bij de overdracht van voorwerpen daaromtrent ook voorwaarden kunnen worden worden bedongen door de minister.15 Een dergelijke benadering sluit aan bij de toepassing van het specialiteitsbeginsel in het uitleveringsrecht. Volgens de Hoge Raad kan een opgeëiste persoon zich niet met succes op een dreigende schending van het specialiteitsbeginsel beroepen, omdat het vertrouwen dat de verzoekende staat zich overeenkomstig het specialiteitsbeginsel zal beperken, alleen opzij kan worden gezet wanneer een dreigende schending van het specialiteitsbeginsel tevens een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM zou opleveren en tegen een dergelijke schending geen daadwerkelijk rechtsmiddel openstaat in de zin van art. 13 EVRM.16 Hetzelfde uitgangspunt geldt mijns inziens mutatis mutandis voor het specialiteitsbeginsel in het kader van kleine rechtshulp. Het lijkt mij te ver strekken, zoals door de steller van het middel kennelijk wordt betoogd, dat de beklagrechter het beklag gegrond zou moeten verklaren omdat niet voor alle feiten dubbele strafbaarheid is aangenomen. Wat dat betreft sluit ik mij aan bij de door de steller van het middel aangehaalde annotatie van Swart onder de uitspraak van 18 oktober 1994, NJ 1996/410:

“Maar in meer ingewikkelde zaken waarin rechtshulp voor verschillende feiten wordt verlangd en waarin een en hetzelfde document waarde kan hebben voor het bewijs van meer feiten, ligt het niet voor de hand het gehele rechtshulpverzoek af te wijzen om de reden dat sommige van deze feiten naar Nederlands recht niet strafbaar zijn. De meest vanzelfsprekende oplossing is dan inderdaad dat de verzochte staat het toegestane gebruik van bewijsmateriaal beperkt tot de feiten die ook naar zijn recht strafbaar zijn gesteld. Dat lijkt me, mede in het licht van de bij het rechtshulpverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten gewisselde nota's, ook niet in strijd met de bepalingen van dit verdrag.”

6.5.

De opvatting dat de rechter het beklag gegrond dient te verklaren, vanwege het ontbreken van de mogelijkheid in de beklagprocedure eventuele restricties aan te brengen ten aanzien van het gebruik van de over te dragen inbeslaggenomen voorwerpen door de VS, is dan ook onjuist.

6.6.

Het middel faalt.

7 Het vierde middel

7.1.

Het middel bevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte althans onbegrijpelijk overdracht van de goederen heeft toegestaan en het beklag ongegrond heeft verklaard terwijl het EU Blocking Statute zich tegen erkenning of uitvoering van rechterlijke uitspraken en besluiten van bestuurlijke autoriteiten op grond van de in de bijlage opgenomen wetten of daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen verzet. Subsidiair wordt de Hoge Raad verzocht hierover prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie te stellen.

7.2.

Voor de bespreking van deze klacht verwijs ik eveneens naar de bespreking van het vierde middel in de conclusie in de samenhangende uitleveringszaak van mijn ambtgenoot Paridaens ECLI:NL:PHR:2020:156 (randnummers 100 t/m 117). De conclusie van deze bespreking komt er kort gezegd op neer dat het EU Blocking Statute (Antiboycotverordening) niet van toepassing is op de klager. De verwerping door de rechtbank van het beroep op het EU Blocking Statute is daarom terecht.

7.3.

Het middel faalt.

8 Conclusie

8.1.

De middelen falen. Het tweede en vierde middel kunnen, indien en waar nodig onder verwijzing naar het arrest in de samenhangende uitleveringszaak, worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

8.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

8.3.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 I.w.tr. 1 juli 2018 bij Wet herziening regeling internationale samenwerking in strafzaken, Stb. 2017, 246.

2 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 12 juni 1981.

3 Ik baseer mij hierbij op de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 lid 1 Sv toegezonden en in het dossier bevindende stukken. Daarbij merk ik op dat de rechtbank in haar beschikking uitgaat van andere data en slechts vermeldt dat op 30 augustus 2018 een rechtshulpverzoek is gedaan en op 3 september 2018 een aanvullend rechtshulpverzoek is verstuurd. Ik neem aan dat met het laatste verzoek van 3 september 2018 gedoeld wordt op het verzoek om voorlopige aanhouding van 31 augustus 2018, omdat de begeleidende brief van de Minister van Justitie en Veiligheid van 3 september dateert (hetgeen overigens verwarrend is omdat het aanvullende verzoek van 30 augustus 2018 óók vergezeld is van een brief van 3 september 2018.

4 Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 24 juni 1980 (hierna: Uitleveringsverdrag).

5 Verordening (EG) nr. 2271/96 van de Raad van 22 november 1996 tot bescherming tegen de gevolgen van de extraterritoriale toepassing van rechtsregels uitgevaardigd door een derde land daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen (hierna: EU blocking statute).

6 Art. VI luidt: “Op de inwilliging en de uitvoering van een verzoek om rechtshulp dat wordt ontvangen vóór inwerkingtreding van deze wet, is de wettelijke regeling van toepassing zoals die luidt op het moment van ontvangst van het verzoek om rechtshulp.”

7 ECLI:NL:PHR:2020:58.

8 Zie het proces-verbaal van uitvoer rechtshulpverzoek Verenigde Staten van Amerika, Zaak 26Willows, p. 4-5.

9 Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, Straatsburg 20 april 1959, Trb. 1965, 10 (i.w.tr. op 15 mei 1969).

10 Zie J.M. Reijntjes, ‘Opsporingshulp en kleine rechtshulp’, in: R. van Elst & E. Van Sliedregt, Handboek internationaal strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015. Voorts: H. Sanders, Handboek uitleverings- en overleveringsrecht, Deventer: Kluwer 2014, hfst. I.3, J.M. Sjöcrona, De kleine rechtshulp, Deventer: Kluwer 1990 en A.H.J. Swart, Nederlands uitleveringsrecht, W.E.J. Tjeenk Willink: Zwolle 1986, hfst. 22.

11 Vgl. Remmelink, Uitlevering, Gouda Quint: Arnhem 1990, p. 158-159. Remmelink wijst daarbij op een expliciet voorbehoud dat België heeft gemaakt op het Benelux Uitlevering- en Rechtshulpverdrag (BUV) dat kort gezegd inhoudt dat rogatoire commissies strekkende tot huiszoeking of inbeslagneming slechts worden uitgevoerd voor feiten die op grond van het BUV aanleiding kunnen geven tot uitlevering. Zie ook, zij het cryptischer, S. Sjöcrona, De kleine rechtshulp, Deventer: Kluwer 1990, p. 288-289 en Ouwerkerk & Verrest in T&C bij art. 46 UW: “Het wil nog wel eens voorkomen dat de rechtbank verzuimt een beslissing te nemen conform art. 47; in de praktijk wordt in dergelijke gevallen vaak een art. 5.1.10 Sv-procedure gestart teneinde de stukken alsnog te kunnen overdragen. Het zou meer voor de hand liggen om cassatie in te stellen, echter dit zou de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon kunnen vertragen wanneer de opgeëiste persoon zelf niet tegen de beslissing van de uitleveringsrechter in cassatie gaat.” .

12 Opmerking verdient dat P. Verrest in T&C bij Wetboek van Strafvordering V, titel 1, afdeling 1, aant. 9 schrijft dat “Voor de verlening van kleine rechtshulp dit soort verdragen (TS: uitleveringsverdragen) slechts toepasbaar [is] onder de conditie dat tussen Nederland en de verzoekende staat niet al een ‘gewoon’ rechtshulpverdrag van kracht is dat in de gevraagde daad van rechtshulp voorziet.”. Hoe deze aantekening moet worden begrepen is onduidelijk. Als dat wat hij schrijft zo moet worden begrepen dat een rechtshulpverdrag vóór een uitleveringsverdrag gaat, lijkt dit niet verenigbaar met art. 18 lid 1 Rechtshulpverdrag, welke bepaling kort gezegd inhoudt dat de rechtshulp in het Rechtshulpverdrag niet af doet aan enigerlei rechtshulp die kan worden verleend of kan worden gevolgd krachtens andere internationale overeenkomsten of regelingen.

13 Vgl. o.m. V.H. Glerum en N. Rozemond, ‘Uitlevering’, in R. van Elst & E. Van Sliedregt, Handboek internationaal strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 174-176.

14 S. Sjöcrona, De kleine rechtshulp, Deventer: Kluwer 1990 p. 156-158.

15 Zie in dit verband J.M. Reijntjes, ‘Opsporingshulp en kleine rechtshulp’, in: R. van Elst & E. Van Sliedregt, Handboek internationaal strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 354 waarin hij opmerkt dat het uitgangspunt geldt dat de verzoekende staat materiaal, dat ingevolge een verzoek om rechtshulp is verkregen, alleen mag gebruiken in de zaak , waarop het verzoek betrekking had en de tegen daarin geïdentificeerde verdachte en dat gebruik voor andere doeleinden dan alleen is geoorloofd indien er afzonderlijke toestemming voor is gegeven.

16 Zie V.H. Glerum en N. Rozemond, ‘Uitlevering’, in in: R. van Elst & E. Van Sliedregt, Handboek internationaal strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 174, en de daar aangehaalde jurisprudentie.