Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:134

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-02-2020
Datum publicatie
13-02-2020
Zaaknummer
18/01059
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1149
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen afpersing, meermalen gepleegd (art. 317.1 en 317.3 jo. 312.2.2 Sr) en oplichting door jonge vrouw door samenweefsel van verdichtsels te bewegen tot aangaan van schulden in de vorm van telefoonabonnementen en afbetalingsregeling voor MacBook (art. 326.1 Sr). 1. Bewijsklacht oplichting. Had aangeefster onjuiste voorstelling van zaken moeten doorzien? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:2892 m.b.t. vereiste dat iemand door oplichtingsmiddel wordt 'bewogen' tot in art. 326.1 Sr bedoelde handelingen. Oplichting in de zin van art. 326.1 Sr is niet aan de orde is, wanneer middel is gebruikt dat in het algemeen niet is geëigend ander te bedriegen en het tevens dermate evident is dat sprake is van onjuiste voorstelling van zaken dat moet worden aangenomen dat i.h.a. in maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid die ander aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen (vgl. wetsgeschiedenis). Hof heeft vastgesteld dat aangeefster heeft gereageerd op advertentie van verdachte die inhield dat zij ‘vandaag nog’ 1.000 euro kon verdienen. Zij is vervolgens samen met hem achtereenvolgens naar 4 winkels gegaan, waar zij in totaal 5 telefoonabonnementen heeft afgesloten en 5 bijbehorende ‘gratis’ telefoons heeft ontvangen. Verdachte had aangeefster vooraf uitgelegd hoe het in zijn werk zou gaan met telefoons en haar voorgehouden dat zijn zwager vanwege diens functie “op hoofdkantoor dat samenwerkt met alle providers” abonnementen uit systeem kon halen, zodat er niks op haar naam zou blijven staan. Bij vijfde winkel heeft aangeefster Macbook op afbetaling gekocht, waarvoor zij van verdachte nog 700 euro extra zou krijgen. Verdachte zei vervolgens tegen aangeefster dat hij dat geldbedrag nog moest halen maar is niet meer teruggekomen en aangeefster heeft geen geld gekregen. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat geen sprake was van situatie zoals hiervoor bedoeld, waarin beoogd slachtoffer gelet op i.h.a. in maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Dat oordeel is niet z.m. begrijpelijk in het licht van wat hof heeft vastgesteld over aard van in bewezenverklaring bedoelde mededelingen en context waarin deze zijn gedaan, waaruit o.m. naar voren komt dat aangeefster ermee bekend was dat alle handelingen van verdachte erop waren gericht apparatuur uit winkels te verkrijgen zonder daarvoor (volledig) te betalen en dat verdachte haar had toegezegd dat haar naam uit systemen van providers zou worden verwijderd ondanks verstrekking van gratis telefoons en afsluiting van telefoonabonnementen. Gelet hierop is bewezenverklaring van oplichting onvoldoende gemotiveerd. HR zal om doelmatigheidsredenen verdachte t.z.v. dit feit vrijspreken. Daardoor wordt aard en ernst van hetgeen in bestreden uitspraak overigens ten laste van verdachte is bewezenverklaard niet aangetast, zodat vernietiging t.z.v. oplegging van in arrest vermelde gevangenisstraf van 26 maanden op deze grond achterwege kan blijven.

Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte verplichting opgelegd om aan Staat ten behoeve van in arrest genoemd slachtoffer in arrest vermeld bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest genoemd aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/01059

Zitting 11 februari 2020

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 23 februari 2018 door het gerechtshof Amsterdam wegens het onder 1 primair, 3, 4 primair en 5 primair bewezenverklaarde telkens “medeplegen van afpersing” en het onder 6 bewezenverklaarde “oplichting”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen over inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander zoals in het bestreden arrest vermeld. Verder heeft het hof de vorderingen van twee benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen tot de in het arrest genoemde bedragen en aan de verdachte voor diezelfde bedragen schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Tot slot heeft het hof de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toegewezen en gelast dat de gedeelten van twee eerder opgelegde vrijheidsstraffen die als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer zijn gelegd, alsnog geheel worden ondergaan.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. I.A. van Straalen, advocaat te 's-Gravenhage, heeft zeven middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het gaat om het volgende. De verdachte wordt vervolgd voor het afpersen/oplichten van jonge vrouwen door samen met ene [betrokkene 1] hen te bewegen om (op afbetaling) mobiele telefoons aan te schaffen en op hun eigen naam telefoonabonnementen af te sluiten, en om (op afbetaling) een MacBook Pro aan te schaffen. De verdachte en/of zijn mededader namen de telefoons en/of laptop successievelijk in. De zaak kreeg landelijke aandacht door een uitzending van het tv-programma Tros Opgelicht van 29 maart 2016, waarin de handelwijze van de verdachte en [betrokkene 1] aan de kaak werd gesteld.

4. Alle zeven middelen behelzen motiveringsklachten over de bewijsvoering, waarin veel herhaling valt te bespeuren. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

1 primair :

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2015 tot en met 8 oktober 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere mobiele telefoons en een laptop, toebehorende aan [slachtoffer 1] , en tot het aangaan van meerdere schulden, te weten het afsluiten van telefoonabonnementen en het treffen van een afbetalingsregeling voor de aanschaf van een MacBook Pro Retina laptop,

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of diens mededader

tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd "Ik weet precies waar je woont. Ik weet alles over je vrienden. Als je met meewerkt kom ik naar je toe en doe ik je vrienden wat aan"

en tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd "Je komt nu naar Amsterdam en gaat abonnementen afsluiten voor mij. Ik ken mensen en ik weet waar je woont. Als je niet meewerkt blijf ik je opbellen En als je niet meewerkt pak ik je vrienden"

en tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd "Je moet vier abonnementen afsluiten anders laat ik je niet gaan"

en met die [slachtoffer 1] is/zijn meegelopen naar een Vodafone winkel en aldaar buiten op die [slachtoffer 1] heeft/hebben gewacht;

en aldus een voor die [slachtoffer 1] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen;

3 :

hij op 21 oktober 2015, te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon en een laptop, toebehorende aan [slachtoffer 2] en tot het aangaan van meerdere schulden, te weten het afsluiten van telefoonabonnementen en het treffen van een lening voor de aanschaf van een MacBook Pro Retina 13 laptop,

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of diens mededader

heeft/hebben gezegd: "Ik heb een mes en ook nog geweren. U doet wat ik zeg en ik ben tot veel in staat"

en tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd "Je moet geen spelletjes met mij spelen. Je moet meewerken met mij. Ik heb een geweer waarmee ik je ook wat kan aandoen in de winkel Ik ben niet alleen er zijn meer mensen met wie ik samenwerk"

en tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd "Je ziet wel niemand ontkomt mij"

en tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd "Mensen komen nooit meer van ons af”

althans woorden van gelijke dreigende strekking en aldus een voor die [slachtoffer 2] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen;

4 primair:

hij op 22 oktober 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meerdere mobiele telefoons en een laptop toebehorende aan [slachtoffer 3] , en tot het aangaan van een of meerdere schulden, te weten het afsluiten van telefoonabonnementen, en het treffen van een afbetalingsregeling voor de aanschaf van een MacBook Pro laptop

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of diens mededader,

tegen die [slachtoffer 3] heeft/hebben gezegd dat zij telefoonabonnementen moest afsluiten en tegen die [slachtoffer 3] heeft/hebben gezegd dat hij/zij wist(en) wie haar vriend was en waar zij ( [slachtoffer 3] ) en haar ouders woonden

en tegen die [slachtoffer 3] heeft/hebben gezegd dat als zij niet zou meewerken hij een mannetje naar haar ouders zou sturen

en die [slachtoffer 3] heeft/hebben gezegd "Als je het niet doet dan weet ik je te vinden"

en aldus een voor die [slachtoffer 3] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen;

5 primair:

hij op 26 oktober 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere mobiele telefoons, toebehorende aan [slachtoffer 4] , en tot het aangaan van meerdere schulden, te weten het afsluiten van meerdere telefoonabonnementen,

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij verdachte en/of diens mededader

tegen die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd dat zij telefoonabonnementen moest afsluiten

en tegen die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd "Maar meisje vertel dit tegen niemand want de consequentie hiervan dat wil jij niet weten. Je familie zou dit ook niet willen weten, want we weten waar je woont en weten datje ouders een eigen bedrijf hebben en waar dat is dus schatje maak geen grapjes met ons en werk gewoon mee"

en tegen die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd "Maak geen grapjes meid want ik weet waar je familie woont en dan zullen ze het wel voelen"

en buiten een KPN winkel op die [slachtoffer 4] heeft/hebben gewacht

en die [slachtoffer 4] heel doordringend heeft/hebben aangekeken en tegen die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd "Meisje geen grapjes, je weet wat we net gezegd hebben"

althans telkens woorden van gelijke dreigende aard/strekking, en aldus een voor die [slachtoffer 4] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen”

5. De bewezenverklaring steunt op 35 bewijsmiddelen, weergegeven in het bestreden arrest op de pagina’s 13 tot en met 44. Gemakshalve verwijs ik daarnaar.

6. In respons op bewijsverweren heeft het hof in het bestreden arrest bovendien de volgende bewijsmotivering opgenomen (p. 10-13):

Bespreking van verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

a) De verklaringen met betrekking tot de afpersingen zijn ongeloofwaardig en onbetrouwbaar en dienen van het bewijs te worden uitgesloten. De aangeefsters hebben immers een motief om in strijd met de waarheid te verklaren dat zij onder dwang hebben gehandeld; alleen op die manier komen zij mogelijk nog onder de door hen afgesloten contracten uit.

b) Ten aanzien van [slachtoffer 1] (feit 1 primair)

De stelling dat [slachtoffer 1] bedreigd zou zijn, blijkt enkel uit haar verklaring en de modus operandi is niet identificerend. Bovendien verschilt de wijze waarop met [slachtoffer 1] contact is gelegd aanzienlijk van de verklaringen van de overige aangeefsters. De betrokkenheid van de verdachte kan dus (ook) niet door middel van schakelbewijs worden aangetoond en er is geen ander bewijs waaruit blijkt dat [slachtoffer 1] is afgeperst.

Daarnaast heeft [slachtoffer 1] verklaard alleen contact te hebben gehad met de medeverdachte en niet met iemand anders. De Rechtbank heeft de betrokkenheid van de verdachte bij dit feit geconstrueerd aan de hand van telefoonnummers. Er is echter geen (dwingend) bewijs dat de verdachte (op enig moment) de gebruiker is geweest van het nummer eindigend op * [001] . Geconcludeerd wordt dat de verdachte de gebruiker is van het nummer eindigend op * [001] , één van de telefoonnummers behorend bij de abonnementen die [slachtoffer 1] heeft afgesloten. Het nummer * [001] is in een telefoon geplaatst waaraan eerder het telefoonnummer was gekoppeld waarmee [slachtoffer 1] , volgens de Rechtbank “door (..) één van de daders van de oplichting” op 8 oktober 2015 is gebeld. Deze overweging is feitelijk onjuist nu [slachtoffer 1] slechts over één dader heeft verklaard, het is een en dezelfde persoon die zij telefonisch spreekt en die zij ontmoet.

Indien wordt aangenomen dat het telefoonnummer * [001] wel bij de verdachte in gebruik is geweest, is die enkele conclusie niet dragend voor de aanname dat hij voordien de betreffende telefoon met dat eerdere nummer in gebruik had, met name niet nu [slachtoffer 1] verklaart slechts met één persoon, te weten de medeverdachte contact te hebben gehad.

Uit het onderzoek is verder gebleken dat met een nummer dat toebehoort aan [betrokkene 2] is gebeld met het nummer van [slachtoffer 1] . [betrokkene 2] is daar niet over gehoord. Van belang hierbij is echter, net als met betrekking tot alle andere nummers die contact hebben gehad met het nummer van [slachtoffer 1] , dat [slachtoffer 1] verklaart dat het steeds ‘ [betrokkene 3] ” was. Op basis van de verklaring van [slachtoffer 1] is er geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat zij nog door een ander is gebeld, en dus ook niet dat de verdachte haar heeft gebeld.

De conclusie behoort dan te zijn dat “ [betrokkene 3] ” kennelijk eerder die telefoon in gebruik heeft gehad. Dat is in ieder geval meer aannemelijk dan het scenario dat de verdachte de gebruiker was van dat eerdere nummer, nu dat scenario slechts speculatief van aard is en niet door enig bewijs wordt gestaafd.

Daarbij kan - indien het voorgaande wordt gepasseerd - het voeren van enkele telefonische contacten niet dragend zijn voor het aannemen van medeplegen, te meer niet nu de inhoud van de betreffende gesprekken ongewis is. Andere scenario’s, bijvoorbeeld waarbij de gebruiker van dat nummer de verdachte belt op het nummer van [betrokkene 2] , zijn evenmin uit te sluiten.

c) Ten aanzien van [slachtoffer 2] (feit 3)

[slachtoffer 2] heeft steeds contact gehad met één persoon en heeft de medeverdachte herkend. Bij gebreke aan het dwingende bewijs dat de verdachte de gebruiker is van de * [001] , dient tot vrijspraak te worden gekomen van het medeplegen.

d) Ten aanzien van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] (feit 4 primair en 5 primair)

[betrokkene 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] hebben de verdachte niet herkend als één van de daders. De auto van [betrokkene 2] wordt gezien maar [betrokkene 2] is daar niet naar bevraagd en het aannemen dat de verdachte toen en daar gebruik maakte van die auto is speculatief van aard nu dat nergens uit blijkt. Indien ook niet gekomen wordt tot het bewijs dat de verdachte de gebruiker - met uitsluiting van anderen - was van het telefoonnummer eindigend op * [001] , ontbreekt ook hier het bewijs van zijn betrokkenheid.

e) Ten aanzien van [betrokkene 5] (feit 6)

[betrokkene 5] stelt dat haar gezegd is dat er iemand was die, na het verkrijgen van de mobiele telefoons en de laptops, haar naam uit de systemen van de providers zou verwijderen. Zij wist derhalve dat zij een bijdrage zou leveren aan de oplichting van de providers en dat zij derhalve een strafbaar feit pleegde. Onder die omstandigheden kan men niet betogen dat de gedane mededeling zodanig vertrouwenwekkend was dat men daarop zou kunnen vertrouwen, zeker niet indien men daarbij de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid betrekt. Zij verklaart voorts nergens dat zij door die voorstelling van zaken bewogen is tot het afsluiten van abonnementen. Haar is voorgehouden dat zij geld hiervoor zou krijgen en zij heeft ook daadwerkelijk geld, te weten € 500, hiervoor gekregen. Dat er nog van een bedrag van € 700 werd gesproken moge zo zijn, maar [betrokkene 5] heeft het bedrag gekregen dat was afgesproken. Dit betekent dat het samenweefsel van verdichtsels alleen bestaat uit de mededeling dat de abonnementen uit het systeem zouden worden verwijderd. Een enkele mededeling die in strijd met de waarheid is, levert geen samenweefsel van verdichtsels op.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.

Ad a) In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd en ook overigens ziet het hof geen aanleiding om de verklaringen van de aangeefsters van het bewijs uit te sluiten. Het hof acht de verklaringen van de aangeefsters betrouwbaar en geloofwaardig. In dit verband is van belang dat de verklaringen passen in het beeld dat naar voren komt uit de uitzending van Avrotros Opgelicht/Tros Opgelicht waarin de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 1] te zien zijn tijdens hun praktijken, die overeenkomen met hetgeen de aangeefsters is overkomen. Verder ondersteunen de verklaringen van aangeefsters elkaar onderling. Dat [slachtoffer 2] aanvankelijk niet volledig naar waarheid verklaard heeft, maakt dat niet anders. Het handelen van de verdachte en de medeverdachte vormen een identificerende modus operandi, waarbij kwetsbare vrouwen het doelwit worden van het handelen van de daders en (met uitzondering van [betrokkene 5] ) ermee bedreigd worden dat als zij niet meewerken hun vrienden en/of familie iets aangedaan zal worden.

Ad b) Anders dan de raadsman is het hof van oordeel, zoals reeds overwogen, dat wel degelijk sprake is van een identificerende modus operandi, zodat de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij bedreigd is, ondersteuning vindt in de verklaringen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ten aanzien van de bedreigingen.

Ten aanzien van hetgeen overigens is aangevoerd geldt het volgende.

De aangeefster [slachtoffer 1] heeft [betrokkene 1] herkend in de uitzending van tv-programma Tros Opgelicht. Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 1] de medeverdachte [betrokkene 1] is.

De verdachte kan met de afpersing in verband worden gebracht door middel van telefoonnummer [001] (hierna: * [001] ). Dit telefoonnummer hoort bij een van de abonnementen die de aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 heeft moeten afsluiten. Dit nummer is vanaf 8 oktober 2015 om 21.11 uur gebruikt in een toestel waarmee aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 een aantal keren was gebeld door één van de daders van de afpersing. Dit telefoonnummer * [001] blijkt voorts meerdere malen uit te peilen nabij het woonadres van de verdachte aan de [a-straat] te [plaats] . Op 14, 22 en 24 oktober 2015 heeft dit telefoonnummer contact gehad met telefoonnummer [002] dat op naam staat van [betrokkene 2] , de vriendin van de verdachte. Dat [betrokkene 2] zijn vriendin is, heeft de verdachte ook niet ontkend. Voorts peilt dit telefoonnummer op 26 oktober 2015 in De Meern uit. Op die dag zijn [slachtoffer 4] en [betrokkene 4] door de twee daders in een witte Peugeot met kenteken [kenteken] opgehaald. Die auto staat op naam staat van [betrokkene 2] , de vriendin van de verdachte. Daarnaast kan de verdachte in verband worden gebracht met de afpersing door middel van telefoonnummer [003] . Dit is het telefoonnummer dat ‘ [betrokkene 3] ’ tijdens het uitgaan aan [slachtoffer 1] heeft gegeven, en is hetzelfde telefoonnummer waarmee de aangeefster [betrokkene 5] contact heeft gehad. [betrokkene 5] heeft de dader van de oplichting als de [verdachte] van Tros Opgelicht herkend. Die [verdachte] blijkt [verdachte] te zijn.

Het hof is, gelet op dit alles, van oordeel dat [slachtoffer 1] telefonisch contact heeft gehad met [verdachte] en [betrokkene 1] heeft ontmoet. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan het medeplegen van afpersing.

Ad c) [slachtoffer 2] heeft contact gehad met telefoonnummer * [001] . Het hof is, zoals reeds overwogen, van oordeel dat de verdachte kan worden aangemerkt als de gebruiker van telefoonnummer * [001] . Dat [slachtoffer 2] de medeverdachte heeft herkend doet hier niet aan af. Zij heeft kennelijk telefonisch contact gehad met de verdachte en de medeverdachte ontmoet. Het hof is van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van afpersing.

Ad d) [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] hadden contact met een dader die het telefoonnummer * [001] gebruikte. De verdachte kan als gebruiker van dat telefoonnummer worden aangemerkt. [slachtoffer 4] en [betrokkene 4] zijn op 26 oktober 2015 in De Meern door de daders opgehaald in een witte Peugeot met kenteken [kenteken] , die op naam staat van [betrokkene 2] , de vriendin van de verdachte. Het telefoonnummer [001] peilde toen uit in De Meern. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte één van de daders is. Dat [betrokkene 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] de verdachte niet hebben herkend en [betrokkene 2] niet is bevraagd over wie haar auto gebruikte, doet daar niet aan af.

Zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 4] zijn via [betrokkene 4] in contact gekomen met de daders. Het hof gaat, gelet op hun verklaringen, ervan uit dat dezelfde daders betrokken zijn geweest bij de afpersingen van zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 4] .

[slachtoffer 4] heeft bij het kijken van de uitzending van ‘avros tros opgelicht’ [betrokkene 1] herkend. Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 1] de medeverdachte [betrokkene 1] is.

Gelet op het voorafgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van afpersing van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .

Ad e) De aangeefster [betrokkene 5] had contact met ene “ [betrokkene 6] ”. Haar is voorgehouden dat een zwager van “ [betrokkene 6] ” als leidinggevende op een hoofdkantoor werkte dat met alle providers samenwerkte en dat hij, vanwege zijn functie, abonnementen uit het systeem zou kunnen halen. Aldus zou zij een abonnement af kunnen sluiten waarbij je een gratis telefoon krijgt. Vervolgens zou het abonnement uit het systeem worden verwijderd zodat er niets op haar naam zou blijven staan. Voorts is [betrokkene 5] voorgehouden dat zij € 700 extra zou krijgen voor het kopen op afbetaling van een Macbook. Dit geld heeft zij echter niet gekregen. Er is aldus sprake geweest van een samenweefsel van verdichtsels en niet van een enkele onjuiste mededeling zoals door de raadsman gesteld. [betrokkene 5] heeft verklaard dat zij op 19 september (het hof begrijpt: 2015) met “ [betrokkene 6] ” had afgesproken bij de Jumbo aan de [b-straat 1] te Haarlem. De politie heeft de camerabeelden gericht op de in/-uitgang van de Jumbo bekeken en heeft geconcludeerd dat NN 1, wat betreft uiterlijke kenmerken grote overeenkomsten met de verdachte vertoont. Voorts heeft de politie contact opgenomen met [betrokkene 5] en gevraagd of zij de uitzending van et tv-programma Tros Opgelicht van 29 maart 2016 heeft gezien, hetgeen het geval bleek te zijn. [betrokkene 5] gaf aan één van de jongens op de beelden te herkennen als zijnde de persoon die haar telefoonabonnementen had laten afsluiten op 19 september 2015. Zij heeft verklaard kort samengevat:

[...] Ik herken die ene jongen, die [verdachte] . Dat is de jongen die mij ook telefoonabonnementen heeft laten afsluiten. Ik weet het 99% zeker. Hij heeft exact dezelfde stem en hetzelfde uiterlijk. [...]”. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de oplichting van [betrokkene 5].”

7. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft gebruikgemaakt van schakelbewijs voor de bewezenverklaring van de feiten 1 primair, 3, 4 primair en 5 primair.

8. Volgens de steller van het middel berust elk van de voornoemde bewezenverklaringen op een schakelbewijsconstructie, zonder toepassing waarvan de aangiftes alleen staan. Wat betreft de bedreiging met geweld ondersteunt geen enkel ander bewijsmiddel dat onderdeel van de tenlastelegging, aldus de klacht.

9. De toelichting op het middel maakt onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad en een conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee een principiële kwestie van het gebruik van schakelbewijs in de bewijsvoering en wijst op de beperkingen die aan deze bewijsconstructie zouden kleven. Daarover eerst het volgende.

10. ‘ ‘Schakelbewijs’ is de naam voor een categorie van bewijsconstructies die berusten op het vergelijken van onderscheidende kenmerken van een delict met die van een of meer andere delicten. Bijvoorbeeld vindt een vergelijking plaats van de modus operandi van de delicten, dat wil zeggen: de wijze waarop het delict is uitgevoerd.1 Het resultaat van zo’n vergelijking kan zijn dat er op dit punt opvallende gelijkenissen tussen bepaalde delicten worden waargenomen. De vraag rijst dan of dat toevallig is, of dat er een verband is tussen deze delicten doordat zij zijn begaan door dezelfde dader(groep). Wanneer de variatie in een bepaald gedragspatroon tussen verschillende personen (de interindividuele variatie) voldoende groot is, en de variatie in dat gedragspatroon van één persoon (de intra-individuele variatie) voldoende klein is, kan een bepaald gedragspatroon onderscheidend zijn voor een individu ten opzichte van andere individuen.2 Indien de aangevers van verschillende delicten in hun beschrijving van de toedracht van die delicten (onafhankelijk van elkaar) overeenkomstige melding maken van een dergelijk kenmerkend gedragspatroon, kunnen de bedoelde gelijkenissen in een bepaalde mate beter worden verklaard wanneer wordt aangenomen dat deze delicten door een en hetzelfde individu zijn begaan dan wanneer wordt aangenomen dat zij door verschillende individuen zijn begaan en de gelijkenissen (dus) louter op toeval berusten. Indien bovendien op bepaalde feitelijke gronden mag worden aangenomen dat het eerstbedoelde ene individu de verdachte betreft, mag de rechter die verhoogde kans ten bezware van de verdachte in aanmerking nemen bij de bewijsvoering voor de desbetreffende delicten. Waar het bij schakelbewijs met name om gaat is dat de rechter in dat geval bewijsmateriaal voor een van die delicten ook mag gebruiken als indirect bewijs voor bepaalde bestanddelen van de andere delicten. Dat heet ‘schakelen’.

11. Hiervoor werd een onderscheidend ‘gedragspatroon’ bij het begaan van twee of meer delicten (een kenmerkende modus operandi) tot voorbeeld genomen. Dit gedragsaspect is voor het gebruik van schakelbewijs evenwel inwisselbaar voor iedere specifieke omstandigheid waarvan de constatering bij twee of meer verschillende delicten invloed heeft op de kans dat die delicten door hetzelfde individu zijn begaan. Schakelen komt dus mogelijk voor toepassing in aanmerking wanneer bij de vergelijking van delicten specifieke, onderscheidende overeenkomsten worden waargenomen, terwijl significante verschillen ontbreken, ten aanzien van de plaats en/of het tijdstip van de delicten (bijvoorbeeld twee inbraken kort na elkaar in buurpanden), het object van het delict, en het instrument van het delict, maar ook bij overeenkomstig bewijsmateriaal ten aanzien van bijvoorbeeld handschrift, taalgebruik, locatiegegevens van een mobiel toestel, enzovoort.3

12. Het voorgaande spreekt meer voor zich ingeval de signalementen van de dader die door de aangevers van verschillende delicten zijn opgegeven over en weer corresponderen en voldoende kenmerkend zijn voor één individu, of indien forensisch-technische (of andere) sporen die bij het onderzoek naar verschillende delicten zijn veiliggesteld onderling corresponderen en voldoende kenmerkend zijn voor één individu. Te denken valt aan het (fictieve) geval waarin in een korte periode op diverse locaties in het land ’s nachts inbraken in Apple-stores worden gepleegd, en iedere keer wordt op het tijdstip van de inbraak in de omgeving van de PD dezelfde mobiele telefoon gepeild, niet toebehorend aan een veiligheidsmanager van Apple. Illustratief kan ook het geval zijn waarin het slachtoffer van verschillende delicten telkens dezelfde persoon betreft. Een vrouw wordt bijvoorbeeld door een (vooralsnog) onbekende man lastiggevallen over de telefoon, terwijl in diezelfde periode haar werkgever door een onbekende man wordt benaderd met lasterlijke informatie over haar. Of het geval waarin in een betrekkelijk korte periode tweemaal wordt ingebroken in dezelfde woning, vermoedelijk om de spullen die na de eerste inbraak ter vervanging van de buit zijn aangeschaft ook weer weg te nemen, geen ongebruikelijk fenomeen onder criminelen.

13. Verwarrend is in zoverre wel de overweging van de Hoge Raad in HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118, NJ 2018/84, over schakelbewijs, te weten: “Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt.” Naar mijn inzicht heeft de Hoge Raad hiermee echter niet tot uitdrukking willen brengen dat schakelen van bewijsmateriaal uitsluitend mogelijk is bij gelijkenissen in ‘de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan’ (de modus operandi), maar wel dat in dát geval de modus operandi ten minste ‘op essentiële punten overeenkomt’. Duidelijker is HR 15 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ8600, NJ 2012/279. Daarin betrok de Hoge Raad bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de bewijsvoering niet alleen de modus operandi, maar tevens de overeenkomsten in het signalement en de woonplaats van de dader, en de (overeenstemmende) inhoud van hetgeen de dader aan twee verschillende slachtoffers had meegedeeld.4 In HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1455, NJ 2019/467, rov. 3.3.2, accordeerde de Hoge Raad het oordeel van het hof dat voor het bewijs redengevend is de overeenkomsten tussen de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, hetgeen een ruimer begrip is dan alleen de wijze waarop de feiten zijn begaan. Terzijde laat de Hoge Raad in die uitspraak – m.i. terecht – weten dat schakelbewijs ook van betekenis kan zijn voor de vraag of er überhaupt delicten zijn begaan.5

14. Ik zie in deze jurisprudentie bevestiging van mijn hierboven ingenomen standpunt over de toepassing van schakelbewijs. De kernvraag daarbij is dus steeds of bij de vergelijking van verschillende delicten specifieke, kenmerkende overeenkomsten worden waargenomen die – ook met inachtneming van de waargenomen verschillen – in voldoende mate beter worden verklaard wanneer wordt aangenomen dat deze delicten door hetzelfde individu zijn begaan dan wanneer wordt aangenomen dat zij door verschillende individuen zijn begaan en de waargenomen overeenkomsten louter op toeval berusten. Zo ja, dan mag de feitenrechter dat gegeven betrekken in zijn bewijsoordelen over de desbetreffende delicten, en bewijsmateriaal voor het ene delict voor zover relevant als circumstantial evidence gebruiken voor de bewijsvoering van een ander delict. Dat betreft geen rechtsvraag, maar de toepassing van probabilistische logica in de bewijsvoering, die zich in cassatie leent voor toetsing op haar begrijpelijkheid. In beginsel kan bij de beantwoording van deze vraag elke vorm van betrouwbare informatie over delicten (‘elke omstandigheid’) in aanmerking worden genomen.

15. Terug naar de klachten van het eerste middel. Voor zover zij het voorgaande miskennen, falen zij.

16. Als ik het goed begrijp klaagt het middel bovendien over het ontbreken van voldoende kenmerkende gelijkenissen op het punt van de bedreiging met geweld.

17. Het hof heeft de handelwijze “waarbij kwetsbare vrouwen het doelwit worden van het handelen van de daders en (met uitzondering van [betrokkene 5] ) ermee bedreigd worden dat als zij niet meewerken hun vrienden en/of familie iets aangedaan zal worden” ‘identificerend’ geacht. Aldus geformuleerd hebben de desbetreffende delicten kenmerken gemeenschappelijk die m.i. kunnen bijdragen aan het oordeel dat deze delicten door dezelfde dader(s) zijn begaan. Daarvoor hoeven die gemeenschappelijke kenmerken niet uniek te zijn. Slechts is vereist dat de bewijsvoering in haar geheel beschouwd in voldoende mate uitsluit dat anderen dan de verdachte en de [betrokkene 1] de tenlastegelegde misdrijven hebben begaan.

18. Ik voeg daaraan toe dat het hof kennelijk ook op andere gronden bewijsmiddelen heeft geschakeld. Dat zijn de door het hof waargenomen overeenkomsten in de persoon van de medeverdachte ( [betrokkene 1] ), het gebruik van voorwerpen (een auto of een mobiel toestel (* [002] )6) op naam van de vriendin van de verdachte, of het bellen met een door een dader gebruikt toestel náár een telefoonnummer van de vriendin van de verdachte, etc. Niet steeds hoeven de overeenkomende kenmerken aan alle delicten gemeenschappelijk te zijn. ’s Hofs kennelijke oordeel dat het bewijs van de bedreigingen over en weer steun vindt in de verklaringen van de onderscheidene aangeefsters is daarmee niet onbegrijpelijk.

19. Het middel faalt.

20. Het tweede middel klaagt over de bewezenverklaring van het feit onder 1 primair, waarvan [slachtoffer 1] de aangeefster is.

21. Het middel klaagt onder 2.5 dat noch uit de bewijsmiddelen, noch anderszins uit de bewijsconstructie kan volgen dat het telefoonnummer * [001] zou zijn gebruikt in een telefoontoestel waarmee aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 een aantal malen zou zijn gebeld.

22. Het hof heeft overwogen, ik herhaal voor het leesgemak:

De verdachte kan met de afpersing in verband worden gebracht door middel van telefoonnummer [001] (hierna: * [001] ). Dit telefoonnummer hoort bij een van de abonnementen die de aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 heeft moeten afsluiten. Dit nummer is vanaf 8 oktober 2015 om 21.11 uur gebruikt in een toestel waarmee aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 een aantal keren was gebeld door één van de daders van de afpersing. Dit telefoonnummer * [001] blijkt voorts meerdere malen uit te peilen nabij het woonadres van de verdachte aan de [a-straat] te [plaats] . Op 14, 22 en 24 oktober 2015 heeft dit telefoonnummer contact gehad met telefoonnummer [002] dat op naam staat van [betrokkene 2] , de vriendin van de verdachte. Dat [betrokkene 2] zijn vriendin is, heeft de verdachte ook niet ontkend. Voorts peilt dit telefoonnummer op 26 oktober 2015 in De Meern uit. Op die dag zijn [slachtoffer 4] en [betrokkene 4] door de twee daders in een witte Peugeot met kenteken [kenteken] opgehaald. Die auto staat op naam staat van [betrokkene 2] , de vriendin van de verdachte.

23. De steller van het middel heeft hier een punt. Het hof heeft overwogen dat het telefoonnummer * [001] “vanaf 8 oktober 2015 om 21.11 uur [is] gebruikt in een toestel waarmee aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 een aantal keren was gebeld door één van de daders van de afpersing.” Een voldoende nauwkeurige verwijzing naar het bewijsmiddel dat blijk geeft van deze omstandigheid ontbreekt echter in het bestreden arrest en in de bewijsmiddelencatalogus.

24. Tot cassatie hoeft dit verzuim echter niet te leiden. Uit de gegevens op de bladzijden 2.050 en 2.051 van het proces-verbaal ‘algemeen dossier [...] ’ kan worden opgemaakt dat met behulp van een mobiel telefoontoestel met het telefoonnummer * [004] op 8 oktober 2015 acht keer is gebeld naar *2161, het telefoonnummer van aangeefster [slachtoffer 1] . Tevens heeft [slachtoffer 1] meermalen gebeld naar * [004] . Het toestel waarmee dit telefoonnummer * [004] is gebruikt heeft IMEI-nummer [005] . Vanaf 21.41 uur in de avond van 8 oktober 2015 is het telefoonnummer * [001] in gebruik in het toestel met het genoemde IMEI-nummer.

25. Kortom, de overweging van het hof vindt (vrijwel)7 volledig steun in de genoemde bladzijden van het politiedossier. Met het oog op het bepaalde in artikel 301 lid 4 Sv wijs ik erop dat de advocaat-generaal ter terechtzitting van het hof van 9 februari 2018 voor de wijze waarop telefoonnummer * [001] aan de verdachte kan worden gelinkt heeft verwezen naar het schriftelijk requisitoir in eerste aanleg. Op bladzijde 4 van dat requisitoir zijn de hiervoor genoemde gegevens eveneens (iets korter) weergegeven.

26. Onder 2.6 klaagt het middel over de ontoereikende motivering van het telefonisch contact tussen de verdachte in persoon en [slachtoffer 1] .

27. Deze klacht berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft niet geoordeeld dat [slachtoffer 1] via de telefoon heeft gesproken met de verdachte, alleen dat de verdachte met dit nummer in verband kan worden gebracht. Daaruit maak ik op dat het hof inderdaad van oordeel is dat (ook) de verdachte van een mobiel toestel met dit nummer heeft gebruikgemaakt, maar dat niet met voldoende zekerheid mag worden aangenomen dat de verdachte ook degene was die daadwerkelijk telefonisch contact had met de aangeefster [slachtoffer 1] .

28. Onder de randnummers 2.7 tot en met 2.12 klaagt de steller van het middel puntsgewijs over ’s hofs waardering van het bewijsmateriaal, maar verliest daarbij uit het oog dat niet is vereist dat ieder onderdeel van de bewijsconstructie sluitend is; het gaat in alle gevallen om een beschouwing van de bewijsconstructie in z’n geheel met inachtneming van de samenhang tussen bewijsmiddelen. Daarbij maakt de steller van het middel bovendien – onder meer – geen melding van de herkenning van de verdachte door aangeefster [betrokkene 5] (bewijsmiddel 27, feit 6), en de herkenning van de verdachte op de camerabeelden van de Jumbo (bewijsmiddel 28, met betrekking tot feit 6), en evenmin van de herkenning van de verdachte op de beelden van de uitzending van Tros Opgelicht van 29 maart 2016 (bewijsmiddel 34), waarop hij te zien is in samenwerking met [betrokkene 1] die dan weer wordt herkend door [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] en (“niet voor de volle 100%”) [slachtoffer 2] (bewijsmiddel 33), terwijl het voertuig waarvan [slachtoffer 4] en haar vriend (bewijsmiddelen 12 en 13) melding maken (kentekennummer 55JFN2) is gesteld op naam van de vriendin van de verdachte (bewijsmiddel 14) en door de verdachte meermalen is gebruikt (bewijsmiddel 32).

29. Onder de randnummers 2.13 tot en met 2.16 klaagt de steller van het middel over het bewijs van het medeplegen, op de grond dat over de bijdrage van de verdachte niets valt af te leiden uit de bewijsmiddelen. Weliswaar kan uit de aangifte volgen dat de man met wie [slachtoffer 1] van doen had in contact stond met iemand anders, maar niet wie die andere persoon was en wat zijn bijdrage aan het delict is geweest.

30. Naar mijn inzicht heeft het hof uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte in alle bewezenverklaarde gevallen een – intellectuele en/of materiële – bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan de verwezenlijking van een gezamenlijk (misdadig) doel. In het bijzonder was de verdachte volgens de vaststellingen van het hof telkens aanwezig bij de uitvoering van de delicten en/of was hij bij de uitvoering van het delict telefonisch in overleg met [betrokkene 1] . Er is geen reden om aan te nemen dat dit anders was in het geval van het onder 1 bewezenverklaarde. De omstandigheden zijn dus symptomatisch voor een voldoende gewichtige betrokkenheid van de verdachte. Het hof mocht er – ook – in dit verband bovendien op wijzen dat de “verdachte heeft nagelaten een aannemelijke verklaring te geven voor de hiervoor weergegeven omstandigheden.”8

31. Het middel kan niet slagen.

32. Onder verwijzing naar de unus testis-regel van artikel 342 lid 2 Sv klaagt het derde middel over het gebrek aan wettig bewijs voor de onder 1 primair bewezenverklaarde afpersing van een laptop.

33. In de toelichting op het middel wordt benadrukt dat het bewijs van de afpersing van de laptop alleen berust op de aangifte van [slachtoffer 1] en dat geen enkel ander bewijsmiddel de afpersing van de laptop ondersteunt.

34. Ik volg de steller van het middel hierin niet. De regel van artikel 342 lid 2 Sv wordt nageleefd indien een alleenstaande getuigenverklaring in voldoende mate steun vindt in schakelbewijs.9 Dat geval doet zich hier voor. Het feit onder 1 primair heeft gemeenschappelijk met de feiten die zijn bewezenverklaard onder 3, 4 primair en 6 dat de daders telkens van hun jonge vrouwelijke slachtoffers verlangden dat zij in vervolg op de aanschaf van mobiele telefoons en het afsluiten van drie, vier of vijf telefoonabonnementen ook nog bij de Mediamarkt op krediet een laptop zouden kopen. Telkens moesten de slachtoffers de aldus door hen verkregen mobiele telefoons en laptop afgeven. Daarbij hadden de daders een duidelijke voorkeur voor producten van Apple; de laptop betrof telkens een MacBook Pro. Het oordeel van het hof dat de aangifte van afpersing (feit 1) voldoende steun vindt in de aangiftes van de onder 3, 4 primair en 6 bewezenverklaarde feiten, acht ik dus niet onbegrijpelijk.

35. Het middel deelt het lot van de twee voorgaande middelen.

36. Onder verwijzing naar de unus testis-regel klaagt het vierde middel over het gebrek aan wettig bewijs voor de onder 3 bewezenverklaarde afpersing.

37. Het middel faalt op mutatis mutandis dezelfde gronden als het vorige middel.

38. Het vijfde middel klaagt over de tekortkomingen in de bewijsmotivering van de bewezenverklaring van het feit onder 3.

39. De toelichting op het middel is mutatis mutandis vrijwel identiek aan die op het tweede middel. Dat geldt ook voor mijn standpunt. Het middel faalt op dezelfde gronden als waarop het tweede middel faalt.

40. Het zesde middel klaagt over de bewezenverklaring van het medeplegen van de feiten 4 primair en 5 primair (betreffende de aangeefsters [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ).

41. Ook in de toelichting op dit middel brengt de steller ervan (mutatis mutandis) argumenten naar voren die hierboven onder het tweede middel reeds zijn besproken, en op gelijke gronden niet opgaan. Wat betreft de tegenstrijdigheid die de steller van het middel bespeurt in de verklaring van [betrokkene 4] (bewijsmiddel 7), over de door haar genoemde man 1, man 2 en man 3, merk ik op dat deze verklaring ook een andere uitleg toelaat, namelijk een aanwijzing voor de betrokkenheid van nog een derde persoon, die de bewijsvoering tegen de verdachte op zichzelf nog niet onbegrijpelijk maakt.

42. Het middel faalt.

43. Het zevende middel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring van het feit onder 6, de oplichting waarvan [betrokkene 5] aangifte heeft gedaan.

44. Allereerst klaagt het middel onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 342 lid 2 Sv over het gebrek aan ondersteunend bewijsmateriaal voor de alleenstaande getuigenverklaring van [betrokkene 5] .

45. Deze klacht faalt op de gronden die zijn genoemd bij de bespreking van het derde middel. Dat het delict onder 6 is gekwalificeerd als ‘oplichting’, terwijl de overige delicten door het hof zijn bestempeld als gevallen van afpersing, doet daaraan niet af. Ook onder die omstandigheden kan de modus operandi kenmerkende gelijkenissen vertonen die meebrengen dat bewijsmateriaal dat rechtstreeks betrekking heeft op andere delicten de bewijsvoering van de oplichting ondersteunt.

46. Ten slotte klaagt het middel over het bewijs van het bestanddeel ‘samenweefsel van verdichtsels’ dat de aangeefster heeft bewogen tot het aangaan van schulden bestaande uit het afsluiten van telefoonabonnementen en het treffen van een afbetalingsregeling voor een Macbook Pro 15 inch.

47. Voor zover relevant heeft het hof overwogen (ik herhaal):

De aangeefster [betrokkene 5] had contact met ene “ [betrokkene 6] ”. Haar is voorgehouden dat een zwager van “ [betrokkene 6] ” als leidinggevende op een hoofdkantoor werkte dat met alle providers samenwerkte en dat hij, vanwege zijn functie, abonnementen uit het systeem zou kunnen halen. Aldus zou zij een abonnement af kunnen sluiten waarbij je een gratis telefoon krijgt. Vervolgens zou het abonnement uit het systeem worden verwijderd zodat er niets op haar naam zou blijven staan. Voorts is [betrokkene 5] voorgehouden dat zij € 700 extra zou krijgen voor het kopen op afbetaling van een Macbook. Dit geld heeft zij echter niet gekregen. Er is aldus sprake geweest van een samenweefsel van verdichtsels en niet van een enkele onjuiste mededeling zoals door de raadsman gesteld.

48. Voor de betekenis van het delictsbestanddeel ‘samenweefsel van verdichtsels’ grijp ik terug op een vervlogen verleden.10 Dit bestanddeel werd door de minister van Justitie, H.J. Smidt, in zijn Oorspronkelijk Regerings-Ontwerp voor een Wetboek van Strafregt toegelicht met de mededeling

dat hier niet ligtgeloovigheid en onnoozelheid worden in bescherming genomen, maar dat de aaneenschakeling en het onderlinge verband der verdichte feiten en omstandigheden den bedrogene door de kleur der waarheid of waarschijnlijkheid op het dwaalspoor moeten gebragt hebben.”

49. In het verslag van de commissie van rapporteurs van de Tweede Kamer werden bezwaren geuit tegen dit bestanddeel. Het zou te ver zou gaan

een zamenweefsel van verdichtsels als middel van opligting te erkennen. Tegen onwaarheid alleen moet geen bescherming worden verleend; (…) het publiek behoort daar tegen op zijn hoede te zijn.”

50. Minister Modderman was een ander oordeel toegedaan. Ik citeer uit het Regeringsantwoord:

Met opzet is gekozen het woord samenweefsel, niet te verwarren met opeenstapeling. Het is niet voldoende dat de eene leugen wordt gestapeld op de andere, maar de eene leugen moet door de andere op zoodanige wijze waarschijnlijk werden gemaakt dat de nadenkende mensch zich daartegen evenmin kan wapenen als tegen andere middelen geschikt om de onwaarheid waarschijnlijk te maken. Zoodanig listig samenweefsel van allerlei onware beweringen is inderdaad in het maatschappelijk verkeer hoogst gevaarlijk.”

51. Ofschoon de commissie van rapporteurs een amendement indiende dat er onder meer toe strekte de woorden “hetzij door een samenweefsel van verdichtsels” te doen vervallen uit het (inmiddels) Gewijzigd Ontwerp hield minister Modderman bij de beraadslagingen in de Tweede Kamer voet bij stuk. Ik citeer hem uit de beraadslagingen:

“(…) dit belet niet dat ik zonder inconsequentie in art. 326 naast listige kunstgrepen daarenboven behoefte heb aan de bijvoeging “zamenweefsel van verdichtsels.”

En waarom? Wij zijn het, geloof ik, allen eens dat een eenvoudige leugen voor het misdrijf van art. 326 niet voldoende mag zijn. Volgens eene oude spreuk komt het regt niet te hulp aan dwazen, maar alleen aan hen, die misleid worden door leugens gekleed in zoodanig omhulsel dat ook de burger van gewone voorzigtigheid de dupe kan worden. De vraag is nu maar, waarin dergelijk omkleedsel kan bestaan? Alleen in een bijkomend feit? Zoo ja, dan ware de uitdrukking “listige kunstgrepen” voldoende. Maar de ervaring heeft maar al te zeer geleerd dat, ook zonder bijkomend feit, de eene leugen met den andere op zóó listige wijze kan worden zamengeweven, dat zij elkander wederkeerig een bedriegelijken schijn van waarheid geven. Zou men nu aan die zamenweving (niet te verwarren met opeenstapeling) den naam van “listige kunstgreep” willen geven? Daartegen zou geen bezwaar bestaan indien de uitdrukking listige kunstgrepen splinternieuw was, zoodat wij haar vrijelijk zouden kunnen interpreteren.

Nu echter die uitdrukking veelal in vrij engen zin pleegde te worden opgevat, nu eischt de voorzigtigheid om van “zamenweefsel" afzonderlijk en uitdrukkelijk melding te maken.

Hoevele opligters zijn niet, wegens de beperkte redactie van art. 405 Code Pénal, door de mazen van het net der justitie heengekropen! Ik meen der Kamer de verzwakking der voorgestelde beteugeling van “opligting” ten stelligste te moeten ontraden.”

52. Het lid van de commissie van rapporteurs De Savornin Lohman verdedigde het amendement tevergeefs. Blijkens uitlatingen van de kamerleden Van der Kaay en Van Nispen tot Sevenaer beschikte Minister Modderman over meer overtuigingskracht. Van der Kaay sloot zich aan bij Modderman en drukte dat uit in bewoordingen die in het huidige tijdsgewricht niet veel (meer) in de Tweede Kamer zullen worden gehoord:

En nu geloof ik, dat, wanneer in de wet staat: een samenweefsel van leugens, en er wordt eene dergelijke interpretatie naast gegeven, geen regter zich zal vergissen in de beteekenis van die uitdrukking, en durf ik met volle vertrouwen het oordeel aan hem overlaten.

53. Van Nispen tot Sevenaer liet zich als volgt uit:

De eene uitdrukking, manoeuvres frauduleuses — listige kunstgrepen — onderstelt altijd eene daad, de andere, samenweefsel van verdichtsels, onderstelt alleen woorden, leugens, maar die door een onderlingen band verbonden zijn, zóó listig aaneengekoppeld en tot onderlingen steun gebezigd, dat zij een mensch van gewone verstandelijke ontwikkeling bedriegen kunnen. Of men nu het bedrog pleegt met behulp van woorden alleen, of ook van daden, doet tot het resultaat niets af; ook met woorden alleen is dit te bereiken. Ik voor mij wil ook niet elke eenvoudige leugen als een strafbaar zamenweefsel beschouwd hebben.

Dit laatste is geheel wat anders, en wanneer dit bestaat, kan ook een mensch van gewone verstandelijke ontwikkeling gemakkelijk bedrogen worden; daarom moet zoodanig verband gebragt zijn tusschen verschillende verhalen en beweringen en omstandigheden, dat dit alles één net vormt, waarin 's menschen gewone voorzigtigheid zich laat vangen.

In het voorbeeld, door den heer van der Hoeven aangehaald, kon welligt nog worden gedacht aan manoeuvres frauduleuses; maar men kan zich andere gevallen voorstellen, waarin geen daad hoegenaamd voorkomt, en alleen de zamenwerking van listig bijgebragte beweringen en verzekeringen de prudentie verschalkt. Omdat door zulk zamenweefsel eene goede intelligentie kan worden in de war gebragt en bedrogen, ben ik voor het behoud der woorden: “samenweefsel van verdichtsels.”

54. Het amendement van de commissie van rapporteurs dat strekte tot het doen vervallen van (onder meer) de woorden ‘samenweefsel van verdichtsels’ werd vervolgens met 40 stemmen tegen 10 verworpen. Ook in de Eerste Kamer hield Moddermans Gewijzigd Ontwerp stand.

55. Terug naar het heden. In HR 15 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ8600, NJ 2012/279, overwoog de Hoge Raad:

“Voor het antwoord op de vraag of uit door een verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van een goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326 Sr, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.

56. Over het bestanddeel ‘samenweefsel van verdichtsels’ heeft de Hoge Raad bij arrest van 20 december 2016 overwogen:

Zo gaat het bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Een voorbeeld daarvan was aan de orde in het arrest waarin de verdachte investeerders in strijd met de waarheid voorhield dat de geïnvesteerde bedragen zouden worden terugbetaald met een jaarlijkse rente van 18%, terwijl hij noch de intentie had noch in staat was om de afspraken na te komen en hij door hem ondertekende "promissory notes" afgaf teneinde te doen voorkomen dat de door hem gemaakte afspraken waren gegarandeerd. Uit dit voorbeeld blijkt dat van 'meer dan een enkele leugenachtige mededeling' niet slechts sprake kan zijn indien meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook indien sprake is van een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie.11

57. Uit het voorgaande leid ik voor zover relevant af dat ook een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht kan worden aangemerkt als een samenweefsel van verdichtsels, en dat het wat betreft het gewicht van die leugen aankomt op “de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.” Daarbij zijn tevens van belang “andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie.

58. Wat betreft de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid, wijs ik erop dat de leugen van zodanig gewicht dient te zijn dat ook “de nadenkende mensch” zich daartegen niet kan wapenen. Dat is mogelijk weer anders indien de persoonlijkheid van het slachtoffer of de kwetsbare positie waarin hij of zij verkeert tot een verhoogde mate van bescherming dient te leiden, met name indien de verdachte van een en ander op de hoogte was en van die omstandigheid misbruik heeft gemaakt.

59. In dit licht bezien acht ik de bewijsoverwegingen van het hof echter niet toereikend. De aangeefster [betrokkene 5] had gereageerd op een advertentie op internet van ene [betrokkene 6] , en zij werd vervolgens in een mailbericht van deze [betrokkene 6] voorgehouden “dat een zwager van “ [betrokkene 6] ” als leidinggevende op een hoofdkantoor werkte dat met alle providers samenwerkte en dat hij, vanwege zijn functie, abonnementen uit het systeem zou kunnen halen. Aldus zou zij een abonnement af kunnen sluiten waarbij je een gratis telefoon krijgt.” Het komt mij voor dat dergelijke mededelingen bij de ‘nadenkende mens’ tot argwaan aanleiding hadden moeten geven. Voor niks gaat (alleen) de zon op. Als het te mooi is om waar te zijn, is het dat meestal ook. Dat [betrokkene 5] vanwege haar persoonlijkheid of vanwege een vertrouwensrelatie met de (mede)verdachte rechtens een verhoogde graad van bescherming toekomt, is door het hof niet vastgesteld.

60. In zoverre slaagt het middel.

61. Het zevende middel slaagt. De overige middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.

62. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

63. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van de onder 6 tenlastegelegde oplichting en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en met verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De toepassing van schakelbewijs is geen noviteit. Ik vond als oudste voorbeelden daarvan (onder het vigerende wetboek van strafvordering) HR 24 november 1930, NJ 1931, p. 118-119 (de verklaring van vier jonge jongens); HR 8 juni 1931, NJ 1932, p. 86-87 (wederom ontucht tegen minderjarigen (vier verklaringen)); HR 17 juni 1940, NJ 1940/822 (meer mensen trachten te bewegen tot het afleggen van een valse getuigenverklaring); HR 26 februari 1952, NJ 1952/675 (ontucht minderjarig meisje, ondersteund door de aangifte van een andere minderjarige ten aanzien waarvan de verdachte was vrijgesproken).

2 Zie ook mijn conclusie voorafgaand aan HR 15 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ8600, NJ 2012/279.

3 Spiegelbeeldig is het geval waarin de kans dat twee misdrijven door hetzelfde individu zijn begaan juist kleiner wordt vanwege bepaalde kenmerken van de respectieve delicten, zoals het gegeven dat twee delicten omstreeks hetzelfde tijdstip zijn gepleegd, maar de pleegplaatsen ervan ver uiteen liggen. Het ene delict levert de dader zodoende een alibi voor het andere.

4 Ik citeer uit HR 15 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ8600, NJ 2012/279: “Dat oordeel geeft niet blijk van miskenning van art. 342, tweede lid, Sv. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt in het bijzonder in aanmerking genomen dat, naar het Hof - niet onbegrijpelijk - heeft vastgesteld, de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een (grotendeels) bekennende verklaring heeft afgelegd ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 6, de gehanteerde modus operandi in het geval van [slachtoffer 1] in essentie dezelfde is als de modus operandi in de overige gevallen, de door [slachtoffer 1] gegeven informatie over de verdachte grotendeels gelijkluidend is aan hetgeen de verdachte aan [slachtoffer 2] heeft verklaard, het door [slachtoffer 1] opgegeven signalement van de verdachte op een aantal (essentiële) onderdelen overeenkomt met het signalement van de verdachte, en de onderhavige feiten in de woonplaats van de verdachte zijn begaan. De bewezenverklaringen zijn dan ook toereikend gemotiveerd.”

5 Denk bijvoorbeeld aan het (fictieve) geval waarin in een periode van een jaar afzonderlijk zes verschillende jonge vrouwen die geen bekenden zijn van elkaar om medisch onduidelijke redenen het leven verliezen, en telkens wordt op de rechterhand van de overledene celmateriaal veiliggesteld met hetzelfde DNA-profiel van een en dezelfde onbekende man. Deze omstandigheid verhoogt de kans dat één onbekende man de hand gehad heeft in het (alsdan: niet-natuurlijke) overlijden van deze vrouwen.

6 Ik volg in deze conclusie de gewoonte van het hof om van mobiele telefoonnummers alleen de laatste vier cijfers te vermelden, voorafgegaan door een *.

7 Alleen het tijdstip in de avond van 8 oktober 2015 waarop * [001] actief gebruikt werd in het toestel met het genoemde IMEI-nummer stemt niet geheel overeen (hof: 21.11 uur, pvb: 21.41 uur), maar dat lijkt mij geen relevant verschil.

8 Zie HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413, en HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:967, NJ 2019/264.

9 Zie HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9336, en HR 15 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ8600, NJ 2012/279. Over precies dit onderwerp ging mijn conclusie voorafgaande aan de als tweede genoemde uitspraak. Zie overigens ook HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2955, NJ 2018/309, en HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118, NJ 2018/84.

10 Voor een belangrijk deel ontleend aan mijn conclusie voor HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8600.

11 HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889, NJ 2017/157. Zie van diezelfde dag ook ECLI:NL:HR:2016:2892. De Hoge Raad verwijst in dit verband ook naar: HR 6 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6599, NJ 2003/509, en HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:200, NJ 2015/147. Meest recent is HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1878.