Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1272

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-11-2020
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
19/04707
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:329
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Overtreding art. 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffen (meermalen gepleegd) door rechtspersoon. Vervoer gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor, waarbij niet alle daarop betrekking hebbende veiligheidsvoorschriften zijn nageleefd. Klachten over de toerekening van de tlgd. gedragingen aan de rechtspersoon. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/04710 en 19/04711.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/04707 E

Zitting 24 november 2020

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte],

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: de verdachte.

1. De verdachte1 is bij arrest van 8 oktober 2019 door de economische kamer van het Gerechtshof Den Haag wegens het onder 2, 3, 4, 5 en 6 telkens bewezen verklaarde ‘overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon’, veroordeeld. Het hof heeft wegens het onder 2, 4 en 6 bewezenverklaarde telkens een voorwaardelijke geldboete van € 10.000,- met een proeftijd van twee jaren opgelegd en wegens het onder 3 en 5 bewezenverklaarde telkens een geldboete van € 9.000,-.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/04710 en 19/04711. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. N. van Schaik en mr. S.D. Groen, beiden advocaat te Utrecht, hebben vijf middelen van cassatie voorgesteld.

4. De middelen behelzen bewijsklachten. Kort gezegd houden zij in dat ‘s hofs oordeel dat de onder 2 tot en met 6 tenlastegelegde gedragingen aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend onbegrijpelijk, althans onvoldoende is gemotiveerd. Gelet daarop zal ik eerst de bewezenverklaring onder 2 tot en met 6, de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverweging van het hof weergeven. Ook zal ik elementen uit de toepasselijke regelgeving weergeven.

Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverweging

5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

‘2.

zij, in de periode van 20 maart 2013 tot en met 21 maart 2013 op het spoortraject van Oldenzaal naar Amersfoort,

in strijd met het bepaalde bij en krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen,

gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor heeft vervoerd, te weten, 2 reservoirwagens, namelijk:

-wagen nummer 3380 7809 229-7 en

-wagen nummer 3380 7809 240-4

die elk beladen waren met chloor (UN 1017), zijnde die stof een gevaarlijke stof, als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen,

zonder door Onze Minister gestelde regels in de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG) en de bij de VSG behorende bijlagen in acht te nemen, immers,

in strijd met voorschrift 1.9.5.4 NE van bijlage 2 van de VSG (Aanvullende voorschriften):

heeft de machinist ([betrokkene 1]) niet elke afwijking van meer dan vijf minuten ten opzichte van de vastgestelde dienstregeling onverwijld aan de verkeersleiding van Post Amersfoort gemeld;

3.

zij, op 2 januari 2014 in de gemeente Rotterdam,

in strijd met het bepaalde bij en krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen,

een vervoermiddel, waarin zich gevaarlijke stoffen bevinden, heeft laten staan op het rangeeremplacement Waalhaven-Zuid,

te weten, 7 open wagens, namelijk:

- wagen nummer 3385 4576 375-1 (volgnummer 4), beladen met Amine, vloeibaar, bijtend n.e.g. (UN 2735, klasse 8) en met milieu gevaarlijke vloeistof n.e.g. (Fatty alcohol) (UN 3082, klasse 9),

- wagen nummer 3385 4506 806-0 (volgnummer 5), beladen met milieugevaarlijke vloeistof n.e.g. (Epikote), (UN 3082, klasse 9) en met Hars, oplossing, (UN 1866, klasse 3),

- wagen nummer 3385 4576 550-9 (volgnummer 8), beladen met Esters, n.e.g. (Methyl proxitol acetate) (UN 3272, klasse 3) en/of met l-Methoxy-2-Propanol (UN 3092, klasse 3),

- wagen nummer 3385 4576 571-5 (volgnummer 17), beladen met Ethylacetaat (UN 1173, klasse 3),

- wagen nummer 3385 4575 233-3 (volgnummer 18), beladen met Argon, sterk gekoeld, vloeibaar (UN 1951, klasse 2),

- wagen nummer 3385 4575 131-9 (volgnummer 20), beladen met Milieugevaarlijke vaste stof, n.e.g. (Dodecan-l-ol) (UN 3077, klasse 9) en/of

- wagen nummer 3385 4561 014-2 (volgnummer 21), beladen met Brandbare vloeistof, n.e.g. (Vinyltrimethoysilane), (UN 1993, klasse 3)

zijnde die stoffen gevaarlijke stoffen, als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen,

zonder door Onze Minister gestelde regels in de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG) en de bij de VSG behorende bijlagen in acht te nemen, immers,

in strijd met voorschrift 1.4.2.2.5 van bijlage 1 van de VSG (RID):

heeft zij, verdachte, als vervoerder niet gewaarborgd dat ProRail B.V., zijnde de beheerder van de gebruikte spoorweginfrastructuur, te allen tijde gedurende het vervoer snel en/of onbeperkt toegang kon krijgen tot de informatie die het haar mogelijk maakte te voldoen aan de voorschriften van 1.4.3.6 b) van het RID, aangezien ProRail B.V. van haar, verdachte, beladingsgegevens van een groep overstaande goederenwagens (spoor 342) had ontvangen waarop informatie over de UN-nummers van de gevaarlijke goederen die in of op genoemde wagens werden vervoerd, ontbrak;

4.

zij, op 16 juni 2014 in de gemeente Haren,

in strijd met het bepaalde bij en krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen,

een vervoermiddel, waarin zich resten van gevaarlijke stoffen bevinden, heeft laten staan op het rangeeremplacement Onnen,

te weten, 7 reservoirwagens, namelijk:

- wagen nummer 3380 7844 844-0,

- wagen nummer 3380 7844 841-6,

- wagen nummer 3380 7844 847-3,

- wagen nummer 3380 7844 872-1,

- wagen nummer 3380 7836 378-9,

- wagen nummer 3380 7844 876-2 en

- wagen nummer 3380 7844 879-6,

die elk leeg en ongereinigd waren van Aardoliedestillaten N.E.G. (UN 1268, klasse 3) zijnde die stoffen gevaarlijke stoffen, als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen,

zonder door Onze Minister gestelde regels in de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG) en de bij de VSG behorende bijlagen in acht te nemen, immers,

in strijd met voorschrift 1.4.2.2.5 van bijlage 1 van de VSG (RID): heeft zij, verdachte,

als vervoerder niet gewaarborgd dat ProRail B.V., zijnde de beheerder van de gebruikte spoorweginfrastructuur, te allen tijde gedurende het vervoer snel en/of onbeperkt toegang kon krijgen tot de informatie die het haar mogelijk maakte te voldoen aan de voorschriften van 1.4.3.6 b) van het RID,

aangezien ProRail B.V. van haar, verdachte, niet de juiste gegevens had ontvangen met betrekking tot de samenstelling van de trein (op spoor 304), de UN-nummers van de vervoerde gevaarlijke stoffen en de plaats van de wagens met gevaarlijke stoffen in die trein;

5.

zij, in de periode van 20 februari 2015 tot en met 22 februari 2015, in de gemeente Zwijndrecht,

in strijd met het bepaalde bij en krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen,

telkens een vervoermiddel, waarin zich gevaarlijke stoffen bevinden, heeft laten staan op het rangeeremplacement Kijfhoek, te weten,

(trein 44785/ spoor 152)

20 reservoirwagens, beladen met methanol (UN 1230, klasse 3, verpakkingsgroep II) en

(trein 42607/ spoor 153)

3 open wagens, namelijk:

- wagen nummer 3385 4506 650-2, beladen met brandbare vloeistof n.e.g. (tetrahydrofurufryl) (UN 1993, klasse 3),

- wagen nummer 8385 4561 097-7, beladen met methaansulfonylchloride (UN 3246, klasse 6.1) en/of

- wagen nummer 8385 4933 188-5, beladen met acetonitril (UN 1648, klasse 3),

zijnde die stoffen gevaarlijke stoffen, als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen,

zonder door Onze Minister gestelde regels in de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG) en de bij de VSG behorende bijlagen in acht te nemen, immers,

in strijd met artikel 1.9.5.1 NE, vierde lid, van Bijlage 2 van de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (Aanvullende voorschriften) heeft zij, verdachte,

als vervoerder geen registratie bijgehouden van de controle en het onder toezicht staan als bedoeld in het derde lid van artikel 1.9.5.1 NE van die vervoermiddelen, dit, terwijl die vervoermiddelen beladen waren met stoffen met een hoog gevarenpotentieel als bedoeld in randnummer 1.10.3.1.2 van het RID;

6.

zij, op 23 september 2014 in de gemeente Venlo,

in strijd met het bepaalde bij en krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen,

gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor heeft vervoerd,

te weten,

- 21 reservoirwagens, beladen met milieugevaarlijke vloeistof, n.e.g. (UN 3082, klasse 9) zijnde die stof een gevaarlijke stof, als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen,

zonder door Onze Minister gestelde regels in de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG) en de bij de VSG behorende bijlagen in acht te nemen, immers,

in strijd met voorschrift 4.3.2.3.5 van bijlage 1 van de VSG (RID):

bevonden zich tijdens dat vervoer aan de buitenzijde van die reservoirwagens gevaarlijke resten van de vervoerde stof (UN 3082).’

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

Feit 2 tot en met 6

1.

De verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte.

De vertegenwoordiger van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 17 juli 2019 verklaard -zakelijk weergegeven-:

Alle feitelijke gebeurtenissen en/of gedragingen zoals die zijn opgenomen in de verschillende processen-verbaal zijn correct weergegeven en worden niet bestreden.

Feit 2

2.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 mei 2013 van de Inspectie Leefomgeving en Transport (…) van Onderzoek Chloortrein 2013. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 20 maart 2013 te 22.41 uur is trein 47797 Oldenzaal gepasseerd en op 21 maart 2013 te 01.04 uur is de trein op rangeeremplacement Amersfoort aangekomen. De machinist was genaamd: [betrokkene 1]. De vervoerder was [A] N.V. De trein was samengesteld uit twee spoorwagens, beladen met UN 1017 Chloor. De wagennummers waren:

- 3380 7809 229-7; en

- 3380 7809 240-4.

3.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 juni 2013 van de Inspectie Leefomgeving en Transport (…) van Onderzoek Chloortrein. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

De reservoirwagens 33807809229-7 en 33807809240-4 zijn spoorwagens zogenoemde 'reservoirwagens' als bedoeld in sectienummer 1.2.1. van het Reglement vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG).

Uit de van Pro Rail ontvangen treingegevens blijkt dat trein 47797 op 21 maart 2013 meermalen een afwijking had van meer dan vijf minuten ten opzichte van de vastgestelde dienstregeling op het traject, vallend onder de Post Amersfoort. De machinist heeft geen melding gedaan van de afwijkingen. Trein 47797 was samengesteld uit twee spoorwagens, welke beladen waren met UN 1017 Chloor, zijnde een gevaarlijke stof in de zin van artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Aan de hand van bovenstaande bevindingen is gebleken dat in strijd met sectienummer 1.9.5.4 NE onder 1h van het VSG werd gehandeld.

Feit 3

4.

Een proces-verbaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport d.d. 6 februari 2014 (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Op 2 januari 2014 hebben wij op het rangeeremplacement Waalhaven-Zuid te Rotterdam een inspectie uitgevoerd. Bij inzage van de overzichtslijst van spoorbezetting, ingediend door [A] N.V, zagen wij dat op spoor 342 23 open wagens waren geplaatst. Op de overzichtslijst waren geen gegevens aangegeven in de kolommen GEVI en UN-nummer. Wij hebben bij het kantoor van [A] N.V. een laadlijst van de wagens ontvangen, waaruit bleek dat 7 van de open wagens op spoor 342 beladen waren met gevaarlijke stoffen, namelijk:

- 3380 4576 375-1, volgnummer 4, beladen met UN 2735 Amine, vloeibaar, bijtend n.e.g. (klasse 8) en UN 3082 Milieugevaarlijke vloeistof n.e.g. (Fatty alcohol, klasse 9);

- 3385 4506 806-0, volgnummer 5, beladen met UN 3082 Milieugevaarlijke vloeistof n.e.g. (Epikote, klasse 9) en UN 1866 Hars, oplossing (klasse 3);

- 3385 4576 550-9, volgnummer 8, beladen met UN 3272 Esters, n.e.g. (Methyl proxitol acetate, klasse 3) en UN 3092 1-Methoxy-2-Propanol (klasse 3);

- 3385 4576 571-5, volgnummer 17, beladen met UN 1173 Ethylacetaat (klasse 3);

- 3385 4575 233-3, volgnummer 18, beladen, met UN 1951 Argon, sterk gekoeld, vloeibaar (klasse 2);

- 3385 4575 131-9, volgnummer 20, beladen met UN 3077 Milieugevaarlijke vaste stof n.e.g. (Dodecan-1-ol, klasse 9); en

- 3385 4561 014-2, volgnummer 21, beladen met UN 1993 Brandbare vloeistof n.e.g. (Vinyltrimethoysilane, klasse 3).

Alle voornoemde stoffen zijn gevaarlijke stoffen in de zin van artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Aan de hand van bovenstaande bevindingen is gebleken dat de vervoerder [A] N.V. niet heeft gewaarborgd dat de beheerder van de gebruikte infrastructuur (ProRail) te allen tijde gedurende het vervoer snel en onbeperkt toegang had tot de informatie die het de beheerder van de infrastructuur mogelijk maakt te voldoen aan de voorschriften van randnummer 1.4.3.6.b).

5.

Een proces-verbaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport d.d. 2 april 2014 (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven-:

als de op 2 april 2014 afgelegde verklaring van [betrokkene 2], veiligheidsadviseur bij [A] N.V.:

De treingegevens waren onvolledig in het Rail Cargo systeem van [A] gezet. De door ProRail gevraagde gegevens worden geleverd uit voornoemd systeem. Hierdoor zijn onvolledige gegevens bij ProRail aangeleverd.

Feit 4

6.

Een proces-verbaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport d.d. 3 juli 2014 (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 16 juni 2014 heb ik op het emplacement Onnen in de gemeente Haren een inspectie uitgevoerd. Per e-mail heb ik een sporenoverzicht van ProRail B.V. ontvangen. Op het sporenoverzicht zag ik dat op de sporen 414a en 415a wagens met gevaarlijke stoffen waren geplaatst. Bij inspectie van diverse sporen op het emplacement zag ik dat op spoor 304 zeven reservoirwagens stonden met de volgende nummers:

- 3380 7844 844-0;

- 3380 7844 841-6;

- 3380 7844 847-3;

- 3380 7844 872-1;

- 3380 7836 378-9;

- 3380 7844 876-2 en

- 3380 7844 879-6.

Ik zag dat de wagens waren voorzien van oranje kenmerking, waarop als stofidentificatienummer 1268 stond vermeld. Deze stof (Aardoliedestillaten n.e.g.) is een stof van de klasse 3 als bedoeld in sectienummer 2.2.2 van bijlage 1 van de VSG en opgesomd in 3.2.1 van die bijlage. Ik zag dat de 7 wagens leeg en ongereinigd waren van voornoemde stof. Ik zag op het sporenoverzicht dat op spoor 304 geen wagens beladen met gevaarlijke stoffen aanwezig zouden moeten zijn.

Aan de hand van bovenstaande bevindingen is gebleken dat in strijd met sectienummer 1.4.2.2.5 van bijlage 1 van de VSG de vervoerder [A] N.V. niet heeft gewaarborgd dat de beheerder van de gebruikte infrastructuur (ProRail) te allen tijde gedurende het vervoer snel en onbeperkt toegang had tot de informatie die het de beheerder van de infrastructuur mogelijk maakt te voldoen aan de voorschriften van randnummer 1.4.3.6.b).

De beheerder van de infrastructuur had niet van de vervoerder, [A] N.V., de juiste gegevens ontvangen met betrekking tot de samenstelling van de trein, de UN-nummers van de vervoerde gevaarlijke stoffen en de plaats van de wagens met gevaarlijke stoffen in de trein.

7.

Een proces-verbaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport d.d. 7 juli 2014 (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in- zakelijk weergegeven -:

als de op 7 juli 2014 afgelegde verklaring van [betrokkene 2], veiligheidsadviseur bij [A] N.V.:

Dat de gegevens van spoor 414a niet klopten in IGS had te maken met het feit dat de verplaatsing van de trein naar spoor 304 nog niet was uitgevoerd door de procescoördinator van [A] N.V.

Feit 5

8.

De verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte.

De vertegenwoordiger van de verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 september 2017 verklaard -zakelijk weergegeven-:

Ten aanzien van feit 5 stel ik mij op het standpunt dat de controle niet is afgetekend.

9.

Een proces-verbaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport d.d. 13 maart 2015 (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Op 22 februari 2015 hebben wij op het rangeeremplacement Kijfhoek te Zwijndrecht een inspectie uitgevoerd. Wij zagen dat op spoor 152 van het rangeeremplacement Kijfhoek een trein stilstond, waarin zich 20 spoorwagens bevonden, zogenoemde "reservoirwagens".

De 20 reservoirwagens in trein 44785 waren beladen met 336, UN 1230, Methanol, 3, VG II. Voornoemde stof is een stof van de klasse 3 als bedoeld in sectienummer 2.2.3 van het VSG en opgesomd in 3.2.1 van het VSG en is een gevaarlijke stof in de zin van artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Wij zagen dat op spoor 153 een trein stilstond, waarin zich 25 spoorwagens beladen met containers en tankcontainers bevonden, zogenoemde "open wagens".

Wij zagen dat op wagennummer 33854506650-2 een tankcontainer was geplaatst met nummer BAFU 890119-7 met daarop een etiket met UN-nummer 1993.

Wij zagen dat op wagennummer 83854561097-7 een tankcontainer was geplaatst met nummer YANU021032-1 met daarop een etiket met als stofidentificatienummer 3246.

Wij zagen dat op wagennummer 83854933188-5 een tankcontainer was geplaatst met nummer UTCU 492008-6 met daarop een etiket met als stofidentificatienummer 1648.

Aan de hand van de aan ons verstrekte vervoersdocumenten en treinlijsten bleek het navolgende;

- Tankcontainer BAFU 890119-7 was beladen met 33, UN 1993 brandbare vloeistof neg (tetrahydrofurufryl), 3, VG II;

- Tankcontainer YANU021032-1 was beladen met 668, UN 3246, methaansulfonychloride, 6.1, (8) VG I;

- Tankcontainer UTCU 492008-6 was beladen met 33, UN 1648, acetonitril, 3, VG II.

Voornoemde stoffen zijn gevaarlijke stoffen in de zin van artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

De stoffen methanol, tetrahydrofurufryl, acetonitril en methaansulfonychloride zijn stoffen met een hoog gevarenpotentieel als bedoeld in sectienummer 1.10.3.1 van het VSG en de 20 reservoirwagens in trein 44785 en de 3 tankcontainers in trein 42607 waren alle beladen met een hoeveelheid van meer dan 3000 liter als bedoeld in tabel 1.10.3.1.2 van het VSG.

Bij inzage van de aftekenlijst parkeercontrole per spoor van [A] zagen wij dat er geen registratie vermeld stond voor de sporen 152 en 153. De onderliggende wagenlijsten van de treinen op spoor 152 en 153 waren niet aanwezig bij de aftekenlijst parkeercontrole per spoor en door medewerker [betrokkene 3] werd aan ons medegedeeld dat deze lijsten aan hem niet waren verstrekt.

Aan de hand van bovenstaande bevindingen is gebleken dat in strijd met randnummer 1.9.5.1 NE onder 4 van het VSG is gehandeld.

Feit 6

10.

Een proces-verbaal van de Inspectie Leefomgeving, en Transport d.d. 11 december 2014 (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 23 september 2014 heb ik op het emplacement Venlo gelegen in de gemeente Venlo een inspectie uitgevoerd. Per e-mail heb ik een sporenoverzicht van ProRail B.V. ontvangen. Ik zag dat op spoor 13 21 wagens met gevaarlijke stoffen waren geplaatst. Bij inspectie van spoor 13 zag ik een trein met 21 reservoirwagens staan. Ik zag dat op alle wagens stofidentificatienummer 3082 stond vermeld. Deze stof (milieugevaarlijke vloeistof n.e.g.) is een stof van klasse 9 en is een gevaarlijke stof in de zin van artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Ik zag aan de hand van de vervoersdocumenten, welke ik heb opgevraagd bij [A] N.V., dat de 21 reservoirwagens beladen waren met zware stookolie. Tijdens de controle aan de afsluiters zag en voelde ik dat er een zwarte stroperige vloeistof aan de buitenzijde van de schroefkappen van alle reservoirwagens zat. Het is mij ambtshalve bekend dat zware stookolie een zwarte, stroperige, milieugevaarlijke stof is.

Aan de hand van bovenstaande bevindingen is gebleken dat is gehandeld in strijd met sectienummer 4.3.2.3.5 van het VSG. Tijdens het vervoer mogen zich aan de buitenzijde van de tanks geen gevaarlijke resten van de vervoerde stof bevinden.’

7. Het hof heeft – voor zover van belang - de volgende nadere bewijsoverweging aan de bewezenverklaring gewijd:

Beoordeling van de tenlastelegging

Toerekenbaarheid

Het hof stelt voorop dat de verdachte als de geadresseerde van de ten laste gelegde normen valt aan te merken. Een (verboden) gedraging of (verboden) nalaten kan in redelijkheid aan een rechtspersoon worden toegerekend als de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Naar het oordeel van het hof is hiervan sprake voor wat betreft de ten laste gelegde feiten, aangezien de handelingen bedoeld in de tenlastelegging werkzaamheden zijn die tot de taken van medewerkers van de verdachte behoren en passen in de normale bedrijfsvoering van de verdachte.’

Toepasselijke regelgeving

8. De artikelen 1a en 2 WED luidden ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen – voor zover relevant – als volgt:2

Artikel 1a

Economische delicten zijn eveneens:

overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:

(…)

de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, de artikelen (…) 5’

‘Artikel 2

1. De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 1° en 2°, en artikel 1a, onder 1° en 2°, zijn misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan; voor zover deze economische delicten geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen.’

9. De artikelen 1, 2, 3 en 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (verder ook wel WVGS) luidden ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen voor zover van belang als volgt:3

‘Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

b. gevaarlijke stoffen:

1o. ontplofbare stoffen en voorwerpen,

2o. samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen,

3o. brandbare vloeistoffen,

4o. brandbare vaste stoffen,

5o. voor zelfontbranding vatbare stoffen,

6o. stoffen die bij aanraking met water brandbare gassen ontwikkelen,

7o. stoffen die de verbranding bevorderen,

8o. organische peroxiden,

9o. giftige stoffen,

10o. infectueuze stoffen,

11o. bijtende stoffen,

12o. andere stoffen die voor de mens of het milieu gevaarlijk kunnen zijn, indien zij krachtens artikel 3 zijn aangewezen;

c. vervoermiddel: voertuig of vaartuig;’

‘Artikel 2

1. Deze wet is van toepassing op:

a. het vervoeren van gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel over land, per spoor en over de binnenwateren;

b. (…)

c. het laten staan en het laten liggen van een vervoermiddel, waarin of waarop zich gevaarlijke stoffen of resten daarvan bevinden’

‘Artikel 3

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden gevaarlijke stoffen of categorieën van gevaarlijke stoffen aangewezen, ten aanzien waarvan het verrichten van de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, en het verrichten van deze handelingen met bij of krachtens die maatregel aangewezen vervoermiddelen:

a. niet is toegestaan; of

b. is toegestaan mits de bij of krachtens die maatregel terzake gestelde regels in acht zijn genomen.’

Artikel 5

Het is verboden de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, te verrichten ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels.’

10. De artikelen 1 en 2 Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (verder ook wel BVGS) luidden ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen als volgt:4

Artikel 1:

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. wet: Wet vervoer gevaarlijke stoffen;

b. ADR: Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route;

c. ADNR: Règlement pour le transport des matières dangereuses sur le Rhin;

d. RID: Règlement concernant le transport international ferroviaire des marchandises dangereuses.

Artikel 2

1. Overeenkomstig het ADR, het ADN, het RID dan wel anderszins ter uitvoering van verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties, worden bij ministeriële regeling gevaarlijke stoffen of categorieën van gevaarlijke stoffen aangewezen ten aanzien waarvan het verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet met daarbij aangewezen vervoermiddelen:

a. niet is toegestaan; of

b. is toegestaan mits daarbij gestelde regels in acht zijn genomen.

2. Een regeling als bedoeld in het eerste lid kan aanvullende voorschriften bevatten.’

11. Uit de definities in art. 1 BVGS wordt duidelijk dat het wettelijk kader van het vervoer van gevaarlijke stoffen in belangrijke mate uitwerking geeft aan internationale verdragen. Nederland is onder meer partij bij het COTIF.5 Bijlage C bij het COTIF houdt de Regulation concerning the International Carriage of Dangerous Goods by Rail (RID) in. In het RID worden voorschriften gegeven voor het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorwegen. Het RID wordt tweejaarlijks gereviseerd.

12. Richtlijn 2008/68/EG betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land, in het bijzonder Bijlage II bij die richtlijn, integreert het RID in de Europese rechtsorde.6 De toepasselijke bepalingen van deze richtlijn luidden in de oorspronkelijke richtlijn, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 1

Toepassingsgebied

1. Deze richtlijn is van toepassing op het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, het spoor en de binnenwateren binnen of tussen lidstaten, met inbegrip van de activiteiten met betrekking tot het laden en lossen, de overbrenging van of naar een andere vervoersmodaliteit en het noodzakelijke oponthoud tijdens het vervoer.’

‘Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

(…)

2. „RID”: het Reglement betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, als opgenomen in bijlage C bij het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF), gesloten te Vilnius op 3 juni 1999, als gewijzigd;

(…)

5. „wagen”: spoorvoertuig zonder eigen aandrijving dat op eigen wielen op rails rijdt en wordt gebruikt voor het vervoer van goederen;’

‘Artikel 3

Algemene bepalingen

1. Onverminderd artikel 6 worden gevaarlijke goederen niet vervoerd wanneer zulks is verboden door bijlage I, deel I.1, bijlage II, deel II.1, of bijlage III, deel III.1.’

‘BIJLAGE II

VERVOER PER SPOOR

II.1. RID

Bijlage bij het RID, als opgenomen in bijlage C bij het COTIF, zoals van toepassing vanaf 1 januari 2009.’7

13. Het RID en - later - Richtlijn 2008/68/EG zijn in Nederland geïmplementeerd door de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (VSG). De daarin opgenomen voorschriften zijn ook van toepassing op het nationale vervoer van gevaarlijke stoffen.8 De artikelen 1, 2 en 3 VSG luidden ten tijde van de ten laste gelegde gedragingen – voor zover van belang - als volgt:9

Artikel 1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

a. Minister: Minister van Infrastructuur en Milieu;

b. bevoegde autoriteit:

1°. Minister,

2°. een in bijlage 3 bij deze regeling erkende instantie,

3°. een met toepassing van de Regeling erkende instanties vervoer gevaarlijke stoffen erkende instantie;

4o. (…)

c. COTIF: Convention relative aux transports internationaux ferroviaires;

d. richtlijn nr. 2008/68/EG: richtlijn nr. 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PbEU L 260).

2. De in bijlage 1 opgenomen begripsbepalingen zijn van toepassing op de bijlagen 2 en 3 voorzover daarin niet anders is bepaald.’

‘Artikel 2

Bij deze regeling behoren drie bijlagen:

a. bijlage 1: voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen op Nederlands grondgebied over de spoorweg, zijnde de Nederlandse vertaling van het RID;

b. bijlage 2: voorschriften in afwijking van of in aanvulling op bijlage 1;’

‘Artikel 3

Met voorwaardelijk tot het vervoer over de spoorweg toegelaten gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage 1 mogen de handelingen, bedoeld in artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen, worden verricht, mits de in deze regeling gestelde voorschriften in acht worden genomen.’

14. Uit dit samenstel van regelingen kan worden afgeleid dat de vermelding van de Nederlandse vertaling van het RID in art. 2 VSG, als bij de regeling behorende ‘bijlage’, dient te worden opgevat als een aanwijzing bij ministeriële regeling van gevaarlijke stoffen of categorieën van gevaarlijke stoffen ten aanzien waarvan handelingen als bedoeld in art. 2, eerste lid, WVGS niet zijn toegestaan of zijn toegestaan mits de daarbij gestelde regels in acht zijn genomen (zie art. 2, eerste lid, BVGS). Bijlage 2 is vervolgens een regeling die aanvullende voorschriften bevat ( art. 2, tweede lid, BVGS).

15.Ten tijde van het onder 2 tenlastegelegde feit luidde voorschrift 1.9.5.4 NE van bijlage 2 van de VSG als volgt:

1.9.5.4 NE. Melding, toezicht en afwikkeling van het vervoer van UN 1017 chloor

Voor het vervoer van UN 1017 chloor in reservoirwagens of tankcontainers gelden de volgende voorschriften:

a. het vervoer vindt slechts plaats in treinen of rangeerdelen waarin geen andere reservoirwagens of tankcontainers zijn opgenomen dan reservoirwagens of tankcontainers met UN 1017 chloor;

b. tijdens het vervoer is de snelheid van de trein niet hoger dan zestig kilometer per uur;

c. in tunnels waar voor goederentreinen een hogere adviessnelheid geldt dan zestig kilometer per uur, wordt die adviessnelheid aangehouden;

d. naast het reguliere communicatiesysteem is de trein voorzien van een communicatiesysteem bedoeld voor veiligheidsberichten tussen machinist en treindienstleider, dat in bedrijfsvaardige staat verkeert;

e. voorafgaand aan het vervoer maakt de vervoerder aan de verkeersleiding duidelijk kenbaar dat de desbetreffende trein UN 1017 chloor vervoert;

f. in de verkeersinformatiesystemen van de verkeersleiding wordt een trein die UN 1017 chloor vervoert duidelijk als zodanig gemarkeerd;

g. de verkeersleiding volgt een trein met UN 1017 chloor continu op het verkeersinformatiesysteem;

h. de machinist meldt elke afwijking van meer dan vijf minuten ten opzichte van de vastgestelde dienstregeling onverwijld aan de verkeersleiding. Indien nodig, wordt in overleg tussen vervoerder en verkeersleiding, afhankelijk van de oorzaak, de aard en de omvang van de afwijking, een nieuwe dienstregeling vastgesteld;

i. de verkeersleiding meldt een afwijking als bedoeld in onderdeel h, aan de Centrale meldkamer van de dienst Spoorwegpolitie van de Landelijke Eenheid;

j. reservoirwagens en tankcontainers met UN 1017 chloor worden bij het rangeren niet geheuveld of afgestoten, maar geplaatst met behulp van een gekoppeld krachtvoertuig;

k. het vervoer vindt, indien mogelijk, plaats op een tijdstip waarop zo weinig mogelijk interactie met ander verkeer plaats kan vinden.

2. De voorschriften van deze NE-bepaling zijn, met uitzondering van de onderdelen d en j van het eerste lid, niet van toepassing op lege reservoirwagens en tankcontainers die nog niet zijn gereinigd van UN 1017 chloor.

16. Ten tijde van de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten luidde voorschrift 1.4.2.2.5 van bijlage 1 van de VSG (RID 2013) als volgt:

‘De vervoerder moet waarborgen dat de beheerder van de gebruikte spoorweginfrastructuur te allen tijde gedurende het vervoer snel en onbeperkt toegang kan krijgen tot de informatie die het hem mogelijk maakt te voldoen aan de voorschriften van 1.4.3.6 b).’

17. Ten tijde van het onder 5 tenlastegelegde feit gold het RID 2015. Voorschrift 1.10.3.1.2 van het RID 2015 luidde als volgt:10

18. Voorts gold ten tijde van het onder 5 tenlastegelegde feit voorschrift 1.9.5.1 NE van bijlage 2 bij de VSG. Dit voorschrift luidde destijds als volgt:11

1.9.5.1 NE. Laten staan van spoorwagens

1. In deze NE-bepaling wordt verstaan onder:

1 a. laten staan: het feitelijk aanwezig zijn van een wagen of van wagens in stilstand op een spoorweg buiten de inrichting van de afzender of geadresseerde, nadat het rangeerproces op het desbetreffende rangeeremplacement is afgesloten;

b. onregelmatigheid: een voorval waarbij de desbetreffende wagen of de lading niet meer voldoet aan de voorschriften van deze regeling.

2. Het laten staan van wagens met de in de randnummers 1.10.3.1.2 en 1.10.3.1.3 van bijlage 1 bedoelde gevaarlijke goederen met een hoog gevarenpotentieel en wagens waarop zich – conform randnummer 1.1.4.4 van bijlage 1 in het gecombineerde rail/wegvervoer gebruikte – wegvoertuigen met dergelijke goederen bevinden, is slechts toegestaan indien de leden 3 tot en met 6 in acht wordt genomen.

3. Alvorens de in het tweede lid bedoelde wagens te laten staan, worden deze gecontroleerd op onregelmatigheden. Deze controle wordt tijdens het laten staan ten minste elke acht uur herhaald, tenzij de wagens onder voortdurend toezicht staan.

4. Van de controle en het onder toezicht staan wordt een registratie bijgehouden. Hierin worden ten minste de volgende gegevens aangegeven:

a. wagennummer;

b. datum en tijdstip van de controle;

c. geconstateerde onregelmatigheden;

d. eventueel genomen maatregelen.

5. De controle en het onder toezicht staan als bedoeld in het derde lid en de registratie, bedoeld in het vierde lid, geschieden onder verantwoordelijkheid van de vervoerder.

6. De registratie, bedoeld in het vierde lid wordt gedurende ten minste drie maanden bewaard.’

19. Ten tijde van het onder 6 tenlastegelegde feit luidde voorschrift 4.3.2.3.5 van bijlage 1 van de VSG (RID 2015) als volgt:

‘Tijdens het vervoer mogen zich aan de buitenzijde van de tanks geen gevaarlijke resten van

de vervoerde stof bevinden.’

Bespreking van de middelen

20. Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de gedraging bedoeld in het onder 2 tenlastegelegde feit in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend onbegrijpelijk, althans onvoldoende is gemotiveerd, onder meer nu op het eerste gezicht sprake zou zijn van een incidentele fout van een werknemer en het hof niets heeft vastgesteld over ‘de houding van de rechtspersoon c.q. (het toezicht op) het beleid van de rechtspersoon ten aanzien van deze gedraging.’ In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof het feit aan de verdachte zou hebben toegerekend op basis van de omstandigheid ‘dat de overtreding is verricht door een werknemer binnen de – geabstraheerde – normale bedrijfsvoering’. Het hof zou niet hebben vastgesteld dat sprake zou zijn ‘van een bedrijfsorganisatieklimaat waarbinnen het begaan van deze overtredingen wordt bevorderd, of dat géén zorg wordt betracht om de overtredingen te voorkomen’. Van structureel niet-naleven zou evenmin blijken. De stellers van het middel wijzen ook op hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting door de wettelijk vertegenwoordiger van de verdachte is aangevoerd, in het bijzonder ook in het ‘slotwoord van de verdachte’.12 Dat houdt onder meer in:

‘[verdachte] ziet het als haar taak hierbij in de ‘champions league’ te spelen. Hiertoe zetten dagelijks in Nederland zo’n 700 en in Europa zo’n 28.000 professionals zich in. Daarbij is training nodig. Iedere machinist, rangeerder en andere medewerker die met de afhandeling van het vervoer van gevaarlijke stoffen te maken heeft, krijgt regelmatig onderricht. Iedere werknemer, van ‘laag tot hoog’ in de organisatie krijgt training om de veiligheid van binnen uit, de veiligheid die niet van buitenaf opgelegd wordt, de veiligheid die tussen de oren van de mensen moet zitten te bewerkstelligen. Dit beleid lijkt zijn vruchten af te werpen, het aantal onregelmatigheden neemt af.’

21. Volgens de stellers van het middel heeft de wettelijk vertegenwoordiger daarmee aangevoerd dat er ‘middels onderricht en beleid alles aan wordt gedaan om (dergelijke) onregelmatigheden te vermijden en te voorkomen’.

22. De stellers van het middel beargumenteren het standpunt dat ’s hofs vaststellingen ontoereikend zijn met verwijzingen naar jurisprudentie en literatuur, in het bijzonder het proefschrift van Hornman.13 In de conclusie in de samenhangende zaak met tien middelen (19/0471) is het eerste middel nagenoeg identiek onderbouwd. Kortheidshalve verwijs ik naar de bespreking van dat middel. Ik heb daar, in lijn met het Drijfmestarrest14, het standpunt betrokken dat afhankelijk van de omstandigheden van het geval (waarbij de delictsomschrijving in het bijzonder van belang is), daderschap van de rechtspersoon kan worden gebaseerd op de omstandigheden dat ‘het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon’ en/of dat ‘de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon’. En dat er geen goede reden is om het niet betracht hebben van zorg door de rechtspersoon in alle gevallen tot een bewijsthema te maken.

23. Uit de bewijsmiddelen volgt dat trein 477797 op 20 maart 2013 om 22.41 uur Oldenzaal is gepasseerd en op 21 maart 2013 om 1.04 uur op rangeeremplacement Amersfoort is aangekomen. Verdachte was de vervoerder. De trein was samengesteld uit twee spoorwagens beladen met UN 1017 Chloor (bewijsmiddel 2). Deze spoorwagens waren reservoirwagens. Uit de van Pro Rail ontvangen treingegevens blijkt dat deze trein meermalen een afwijking had van meer dan vijf minuten ten opzichte van de vastgestelde dienstregeling op het traject en dat de machinist geen melding heeft gedaan van de afwijkingen (bewijsmiddel 3). Daaruit heeft het hof kunnen afleiden dat in strijd met voorschrift 1.9.5.4 NE onder 1h van bijlage 2 bij de VSG is gehandeld.

24. Het hof heeft overwogen dat de verdachte als de geadresseerde van de ten laste gelegde normen valt aan te merken. En dat een (verboden) gedraging of (verboden) nalaten in redelijkheid aan een rechtspersoon kan worden toegerekend als de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Naar het oordeel van het hof is hiervan sprake nu ‘de handelingen bedoeld in de tenlastelegging werkzaamheden zijn die tot de taken van medewerkers van de verdachte behoren en passen in de normale bedrijfsvoering van de verdachte’. Daarmee heeft het hof beide eerder weergegeven in het Drijfmestarrest genoemde omstandigheden aan de toerekening van de tenlastegelegde gedragingen aan de rechtspersoon ten grondslag gelegd.

25 In ’s hofs vaststellingen ligt besloten dat het gaat om handelen van een machinist die werkzaam was ten behoeve van de rechtspersoon. Over deze vaststelling van het hof wordt in cassatie niet geklaagd. Het hof heeft deze vaststelling kunnen betrekken bij het oordeel dat de verdachte ‘gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor heeft vervoerd’ en daarbij niet elke afwijking van meer dan vijf minuten ten opzichte van de vastgestelde dienstregeling onverwijld aan de verkeersleiding van Post Amersfoort heeft gemeld. Het tenlastegelegde feit betreft ‘handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon’. Ik betrek daarbij, dat het om handelen van de machinist ging dat in het kader van die dienstbetrekking plaatsvond.

26. Het hof heeft voorts uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de handelingen bedoeld in de tenlastelegging passen in de normale bedrijfsvoering van de verdachte. Uit bewijsmiddel 2 volgt dat verdachte de vervoerder was van de gevaarlijke stoffen. Ik betrek daarbij dat het gaat om overtreding van een veiligheidsvoorschrift dat rechtstreeks met het vervoer van gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor samenhangt. Over ’s hofs vaststelling dat de tenlastegelegde handelingen passen in de normale bedrijfsvoering van de verdachte wordt in cassatie ook niet geklaagd. De klacht is, in de kern, dat ’s hofs vaststellingen ontoereikend zijn. Het middel berust evenwel op een verkeerde rechtsopvatting voor zover het ervan uitgaat dat toerekening van gedragingen aan de verdachte slechts redelijk is als (is vastgesteld dat) sprake is van een bedrijfsorganisatieklimaat waarbinnen het begaan van de betreffende overtredingen wordt bevorderd, geen zorg wordt betracht om deze overtredingen te voorkomen, dan wel het betreffende voorschrift structureel niet wordt nageleefd.

27. Het eerste middel faalt.

28. Het tweede middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de gedraging bedoeld in het onder 3 tenlastegelegde feit in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is, onder meer nu op het eerste gezicht sprake is van een incidentele fout van een werknemer en het hof niets heeft vastgesteld over ‘de houding van de rechtspersoon c.q. (het toezicht op) het beleid van de rechtspersoon ten aanzien van deze gedraging.’ In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof het feit aan de verdachte zou hebben toegerekend op basis van de omstandigheid ‘dat de overtreding is verricht door een werknemer binnen de – geabstraheerde – normale bedrijfsvoering’. Het hof zou niet hebben vastgesteld dat sprake zou zijn ‘van een bedrijfsorganisatieklimaat waarbinnen het begaan van deze overtredingen wordt bevorderd, of dat géén zorg wordt betracht om de overtredingen te voorkomen’. Dat sprake is van structureel niet-naleven zou evenmin blijken uit de bewijsconstructie.

29. Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 2 januari 2014 een inspectie is uitgevoerd op rangeeremplacement Waalhaven-Zuid te Rotterdam. Bij inzage van de overzichtslijst van spoorbezetting ingediend door de verdachte zagen verbalisanten dat op spoor 342 drieëntwintig open wagens waren geplaatst; op die lijst waren geen gegevens aangegeven in de kolommen GEVI en UN-nummer. Bij het kantoor van de verdachte werd een laadlijst verkregen waaruit bleek dat 7 van de open wagens waren beladen met gevaarlijke stoffen. Daaruit wordt door verbalisanten afgeleid dat verdachte niet heeft gewaarborgd dat de beheerder van de gebruikte infrastructuur (ProRail) te allen tijde gedurende het vervoer snel en onbeperkt toegang had tot de informatie die het de beheerder van de infrastructuur mogelijk maakt te voldoen aan de voorschriften van randnummer 1.4.3.6.b) (bewijsmiddel 4). De veiligheidsadviseur van verdachte heeft bevestigd dat de treingegevens onvolledig in het Rail Cargo systeem van verdachte zijn gezet en dat daardoor onvolledige gegevens bij ProRail zijn aangeleverd (bewijsmiddel 5).

30. Het hof heeft overwogen dat de verdachte als de geadresseerde van de ten laste gelegde normen valt aan te merken. En dat een (verboden) gedraging of (verboden) nalaten in redelijkheid aan een rechtspersoon kan worden toegerekend als de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Naar het oordeel van het hof is hiervan sprake nu ‘de handelingen bedoeld in de tenlastelegging werkzaamheden zijn die tot de taken van medewerkers van de verdachte behoren en passen in de normale bedrijfsvoering van de verdachte’. Daarmee heeft het hof beide eerder weergegeven in het Drijfmestarrest genoemde omstandigheden aan de toerekening van de tenlastegelegde gedragingen aan de rechtspersoon ten grondslag gelegd.

31. In ’s hofs vaststellingen ligt besloten dat het gaat om handelen en nalaten van medewerkers van verdachte. Over deze vaststelling van het hof wordt in cassatie niet geklaagd. Het hof heeft deze vaststelling kunnen betrekken bij het oordeel dat de verdachte ‘een vervoermiddel, waarin zich gevaarlijke stoffen bevinden, heeft laten staan op het rangeeremplacement Waalhaven-Zuid’ en daarbij als vervoerder niet heeft gewaarborgd dat ProRail toegang kon krijgen tot de informatie die het haar mogelijk maakte te voldoen aan voorschrift 1.4.3.6 b) RID. Het tenlastegelegde feit betreft ‘handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon’. Ik betrek daarbij, dat het bij het niet waarborgen van toegang tot de informatie ging om nalaten dat in het kader van die dienstbetrekking plaatsvond.

32. Het hof heeft voorts uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de handelingen bedoeld in de tenlastelegging passen in de normale bedrijfsvoering van de verdachte. Uit bewijsmiddel 4 volgt dat verdachte de vervoerder was van de gevaarlijke stoffen. Ik betrek daarbij dat het gaat om overtreding van een verplichting die rechtstreeks met het vervoer van gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor samenhangt. Over ’s hofs vaststelling dat de tenlastegelegde handelingen passen in de normale bedrijfsvoering van de verdachte wordt in cassatie ook niet geklaagd. De klacht is, in de kern, dat ’s hofs vaststellingen ontoereikend zijn. Zoals aangegeven berust het middel evenwel op een verkeerde rechtsopvatting voor zover het ervan uitgaat dat toerekening van gedragingen aan de verdachte slechts redelijk is als (is vastgesteld dat) sprake is van een bedrijfsorganisatieklimaat waarbinnen het begaan van de betreffende overtredingen wordt bevorderd, geen zorg wordt betracht om deze overtredingen te voorkomen, dan wel het betreffende voorschrift structureel niet wordt nageleefd.

33. Het tweede middel faalt.

34. Het derde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de gedraging bedoeld in het onder 4 tenlastegelegde feit in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is, onder meer nu op het eerste gezicht sprake zou zijn van een incidentele fout van een werknemer en het hof niets heeft vastgesteld over ‘de houding van de rechtspersoon c.q. (het toezicht op) het beleid van de rechtspersoon ten aanzien van deze gedraging.’ In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof het feit aan de verdachte zou hebben toegerekend op basis van de omstandigheid ‘dat de overtreding is verricht door een werknemer binnen de – geabstraheerde – normale bedrijfsvoering’. Het hof zou niet hebben vastgesteld dat sprake zou zijn ‘van een bedrijfsorganisatieklimaat waarbinnen het begaan van deze overtredingen wordt bevorderd, of dat géén zorg wordt betracht om de overtredingen te voorkomen’. Dat sprake is van structureel niet-naleven zou evenmin blijken uit de bewijsconstructie.

35. Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 16 juni 2014 op het emplacement Onnen in de gemeente Haren een inspectie is uitgevoerd. Daarbij bleek dat op spoor 304 zeven reservoirwagens stonden met oranje kenmerking, waarop als stofidentificatienummer 1268 (Aardoliedestillaten n.e.g.) vermeld stond. Blijkens het van ProRail ontvangen sporenoverzicht zouden op spoor 304 geen wagens beladen met gevaarlijke stoffen aanwezig moeten zijn. Daaruit wordt afgeleid dat de verdachte in strijd met voorschrift 1.4.2.2.5 van bijlage 1 van de VSG niet heeft gewaarborgd dat de beheerder van de gebruikte infrastructuur te allen tijde toegang had tot de informatie die het de beheerder mogelijk maakte te voldoen aan voorschrift 1.4.3.6.b) (bewijsmiddel 6). De veiligheidsadviseur van verdachte heeft verklaard dat (het feit dat) de gegevens van spoor 414a niet klopten in IGS te maken had ‘met het feit dat de verplaatsing van de trein naar spoor 304 nog niet was uitgevoerd door de procescoördinator’ van de verdachte (bewijsmiddel 7). Deze verklaring sluit niet naadloos aan bij het bewezenverklaarde feit. Nu daar in cassatie niet over wordt geklaagd kan daaraan bij de bespreking van het middel voorbij worden gegaan.

36. Het hof heeft overwogen dat de verdachte als de geadresseerde van de ten laste gelegde normen valt aan te merken. En dat een (verboden) gedraging of (verboden) nalaten in redelijkheid aan een rechtspersoon kan worden toegerekend als de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Naar het oordeel van het hof is hiervan sprake nu ‘de handelingen bedoeld in de tenlastelegging werkzaamheden zijn die tot de taken van medewerkers van de verdachte behoren en passen in de normale bedrijfsvoering van de verdachte’. Daarmee heeft het hof beide eerder weergegeven in het Drijfmestarrest genoemde omstandigheden aan de toerekening van de tenlastegelegde gedragingen aan de rechtspersoon ten grondslag gelegd.

37. In ’s hofs vaststellingen ligt besloten dat het gaat om handelen of nalaten van medewerkers van verdachte. Over deze vaststelling van het hof wordt in cassatie niet geklaagd. Het hof heeft deze vaststelling kunnen betrekken bij het oordeel dat de verdachte ‘een vervoermiddel, waarin zich resten van gevaarlijke stoffen bevinden, heeft laten staan op het rangeeremplacement Onnen’ en daarbij als vervoerder niet heeft gewaarborgd dat ProRail toegang kon krijgen tot de informatie die het haar mogelijk maakte te voldoen aan voorschrift 1.4.3.6 b) RID. Het tenlastegelegde feit betreft ‘handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon’. Ik betrek daarbij, dat het bij het niet waarborgen van toegang tot de informatie ging om nalaten dat in het kader van die dienstbetrekking plaatsvond.

38. Het hof heeft voorts uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de handelingen bedoeld in de tenlastelegging passen in de normale bedrijfsvoering van de verdachte. Uit bewijsmiddel 6 volgt dat verdachte de vervoerder was van de gevaarlijke stoffen. Ik betrek daarbij dat het gaat om overtreding van een verplichting die rechtstreeks met het vervoer van gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor samenhangt. Over ’s hofs vaststelling dat de tenlastegelegde handelingen passen in de normale bedrijfsvoering van de verdachte wordt in cassatie ook niet geklaagd. De klacht is, in de kern, dat ’s hofs vaststellingen ontoereikend zijn. Zoals aangegeven berust het middel evenwel op een verkeerde rechtsopvatting voor zover het ervan uitgaat dat toerekening van gedragingen aan de verdachte slechts redelijk is als (is vastgesteld dat) sprake is van een bedrijfsorganisatieklimaat waarbinnen het begaan van de betreffende overtredingen wordt bevorderd, geen zorg wordt betracht om deze overtredingen te voorkomen, dan wel het betreffende voorschrift structureel niet wordt nageleefd.

39. Het derde middel faalt.

40. Het vierde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de gedraging bedoeld in het onder 5 tenlastegelegde feit in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is, onder meer nu op het eerste gezicht sprake zou zijn van een incidentele fout van een werknemer en het hof niets heeft vastgesteld over ‘de houding van de rechtspersoon c.q. (het toezicht op) het beleid van de rechtspersoon ten aanzien van deze gedraging.’ In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof het feit aan de verdachte zou hebben toegerekend op basis van de omstandigheid ‘dat de overtreding is verricht door een werknemer binnen de – geabstraheerde – normale bedrijfsvoering’. Het hof zou niet hebben vastgesteld dat sprake zou zijn ‘van een bedrijfsorganisatieklimaat waarbinnen het begaan van deze overtredingen wordt bevorderd, of dat géén zorg wordt betracht om de overtredingen te voorkomen’. Dat sprake is van structureel niet-naleven zou evenmin blijken uit de bewijsconstructie.

41. Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 22 februari 2015 op rangeeremplacement Kijfhoek te Zwijndrecht een inspectie is uitgevoerd. Daarbij zagen verbalisanten dat op spoor 152 een trein stilstond met twintig reservoirwagens beladen met methanol. Op spoor 153 stond een trein stil met 25 open wagens. Op drie wagens bevonden zich tankcontainers met andere stoffen met een hoog gevarenpotentieel als bedoeld in voorschrift 1.10.3.1 van het VSG. De drie tankcontainers en twintig reservoirwagens waren alle beladen met een hoeveelheid van meer dan 3000 liter. Bij inzage van de aftekenlijst parkeercontrole bleek dat geen registratie was vermeld voor de sporen 152 en 153; de onderliggende wagenlijsten van beide treinen waren niet aanwezig. Een medewerker deelde mee dat deze lijsten niet aan hem waren verstrekt. Verbalisanten leiden uit deze bevindingen af dat in strijd met voorschrift 1.9.5.1 NE onder 4 van het VSG is gehandeld (bewijsmiddel 9). De vertegenwoordiger van de verdachte heeft verklaart ‘dat de controle niet is afgetekend’ (bewijsmiddel 8).

42. Het hof heeft overwogen dat de verdachte als de geadresseerde van de ten laste gelegde normen valt aan te merken. En dat een (verboden) gedraging of (verboden) nalaten in redelijkheid aan een rechtspersoon kan worden toegerekend als de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Naar het oordeel van het hof is hiervan sprake nu ‘de handelingen bedoeld in de tenlastelegging werkzaamheden zijn die tot de taken van medewerkers van de verdachte behoren en passen in de normale bedrijfsvoering van de verdachte’. Daarmee heeft het hof beide eerder weergegeven in het Drijfmestarrest genoemde omstandigheden aan de toerekening van de tenlastegelegde gedragingen aan de rechtspersoon ten grondslag gelegd.

43. In ’s hofs vaststellingen ligt besloten dat het gaat om handelen of nalaten van medewerkers van verdachte. Over deze vaststelling van het hof wordt in cassatie niet geklaagd. Het hof heeft deze vaststelling kunnen betrekken bij het oordeel dat de verdachte ‘een vervoermiddel, waarin zich gevaarlijke stoffen bevinden, heeft laten staan op het rangeeremplacement Kijfhoek’ en daarbij als vervoerder geen registratie heeft bijgehouden van de controle en het onder toezicht staan van die vervoermiddelen terwijl die vervoermiddelen beladen waren met stoffen met een hoog gevarenpotentieel. Het tenlastegelegde feit betreft ‘handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon’. Ik betrek daarbij, dat het bij het nalaten een registratie bij te houden ging om nalaten dat in het kader van die dienstbetrekking plaatsvond.

44. Het hof heeft voorts uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de handelingen bedoeld in de tenlastelegging passen in de normale bedrijfsvoering van de verdachte. Uit de bewijsmiddelen 8 en 9 volgt dat verdachte de vervoerder was van de gevaarlijke stoffen. Ik betrek daarbij dat het gaat om overtreding van een verplichting die rechtstreeks met het vervoer van gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor samenhangt. Over ’s hofs vaststelling dat de tenlastegelegde handelingen passen in de normale bedrijfsvoering van de verdachte wordt in cassatie ook niet geklaagd. De klacht is, in de kern, dat ’s hofs vaststellingen ontoereikend zijn. Zoals aangegeven berust het middel evenwel op een verkeerde rechtsopvatting voor zover het ervan uitgaat dat toerekening van gedragingen aan de verdachte slechts redelijk is als (is vastgesteld dat) sprake is van een bedrijfsorganisatieklimaat waarbinnen het begaan van de betreffende overtredingen wordt bevorderd, geen zorg wordt betracht om deze overtredingen te voorkomen, dan wel het betreffende voorschrift structureel niet wordt nageleefd.

45. Het vierde middel faalt.

46. Het vijfde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de gedraging bedoeld in het onder 6 tenlastegelegde feit in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is, nu op het eerste gezicht sprake zou zijn van een incidentele fout van een werknemer en het hof niets heeft vastgesteld over ‘de houding van de rechtspersoon c.q. (het toezicht op) het beleid van de rechtspersoon ten aanzien van deze gedraging.’15 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof het feit aan de verdachte zou hebben toegerekend op basis van de omstandigheid ‘dat de overtreding is verricht door een werknemer binnen de – geabstraheerde – normale bedrijfsvoering’. Het hof zou niet hebben vastgesteld dat sprake zou zijn ‘van een bedrijfsorganisatieklimaat waarbinnen het begaan van deze overtredingen wordt bevorderd, of dat géén zorg wordt betracht om de overtredingen te voorkomen’. Dat sprake is van structureel niet-naleven zou evenmin blijken uit de bewijsconstructie.

47. Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 23 september 2014 een inspectie is uitgevoerd op het emplacement Venlo. Daarbij bleek dat op spoor 13 een trein met 21 reservoirwagens stond. Uit de bij verdachte opgevraagde vervoersdocumenten bleek dat deze reservoirwagens beladen waren met zware stookolie. Tijdens de controle aan de afsluiters zag en voelde verbalisant dat er een zwarte stroperige vloeistof aan de buitenzijde van de schroefkappen van alle reservoirwagens zat. Verbalisant verklaart dat hem ambtshalve bekend is dat zware stookolie een zwarte, stroperige, milieugevaarlijke stof is. Hij leidt uit een en ander af dat in strijd is gehandeld met voorschrift 4.3.2.3.5 van het VSG.

48. Het hof heeft overwogen dat de verdachte als de geadresseerde van de ten laste gelegde normen valt aan te merken. En dat een (verboden) gedraging of (verboden) nalaten in redelijkheid aan een rechtspersoon kan worden toegerekend als de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Naar het oordeel van het hof is hiervan sprake nu ‘de handelingen bedoeld in de tenlastelegging werkzaamheden zijn die tot de taken van medewerkers van de verdachte behoren en passen in de normale bedrijfsvoering van de verdachte’. Daarmee heeft het hof beide eerder weergegeven in het Drijfmestarrest genoemde omstandigheden aan de toerekening van de tenlastegelegde gedragingen aan de rechtspersoon ten grondslag gelegd.

49. In ’s hofs vaststellingen ligt besloten dat de tenlastegelegde gedraging handelen of nalaten van één of meer medewerkers van verdachte betreft. Over deze vaststelling van het hof wordt in cassatie niet geklaagd. Het hof heeft deze vaststelling kunnen betrekken bij het oordeel dat de verdachte ‘gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor heeft vervoerd’ terwijl zich tijdens dat vervoer aan de buitenzijde van die reservoirwagens gevaarlijke resten van de vervoerde stof bevonden. Het tenlastegelegde feit betreft ‘handelen van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon’. Ik betrek daarbij, dat het bij het vervoer om handelen ging dat in het kader van die dienstbetrekking plaatsvond.

50. Het hof heeft voorts uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de handelingen bedoeld in de tenlastelegging passen in de normale bedrijfsvoering van de verdachte. Uit bewijsmiddel 10 volgt dat verdachte de vervoerder was van de gevaarlijke stoffen. Ik betrek daarbij dat het gaat om overtreding van een verplichting die rechtstreeks met het vervoer van gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel per spoor samenhangt. Over ’s hofs vaststelling dat de tenlastegelegde gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de verdachte wordt in cassatie ook niet geklaagd. De klacht is, in de kern, dat ’s hofs vaststellingen ontoereikend zijn. Zoals aangegeven berust het middel evenwel op een verkeerde rechtsopvatting voor zover het ervan uitgaat dat toerekening van gedragingen aan de verdachte slechts redelijk is als (is vastgesteld dat) sprake is van een bedrijfsorganisatieklimaat waarbinnen het begaan van de betreffende overtredingen wordt bevorderd, geen zorg wordt betracht om deze overtredingen te voorkomen, dan wel het betreffende voorschrift structureel niet wordt nageleefd.

51. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

52. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De verdachte rechtspersoon heette ten tijde van de bewezen verklaarde feiten ‘[A] N.V.’. Uit het arrest van het hof blijkt dat ten tijde van de uitspraak van het hof de naam van de rechtspersoon is gewijzigd in ‘[verdachte]’.

2 De strafbaarstelling van art. 5 WVGS is ingevoegd bij de inwerkingtreding van deze wet (zie Stb. 1995, 525).

3 Art. 5 WVGS is niet gewijzigd sinds het in werking treden van deze wet (zie Stb. 1995, 525). De artikelen 2 en 3 zijn gewijzigd bij de Wet van 7 april 2006, Stb. 217. Art. 1 WVGS was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten niet gewijzigd.

4 Het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen dateert uit 1996 (Stb. 297) en is wat de geciteerde onderdelen van beide artikelen betreft in de relevante periode alleen in zoverre gewijzigd dat het ADNR is vervangen door het ADN: Accord Européen relatif au Transport International des Marchandises Dangereuses par voie de Navigation (Stb. 2012, 424).

5 In het Frans Convention relative aux transports internationaux ferroviaires en in het Engels Convention concerning International Carriage by Rail. In het Nederlands: Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF), met Protocol en bijlagen, Bern 9 mei 1980, Trb. 1980, 160. In werking getreden op 1 mei 1985, Trb. 1985, 12. Zie verder www.verdragenbank.overheid.nl.

6 PbEU 2008, L 260. De voorloper van deze Richtlijn is Richtlijn 96/49/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor. Zie PbEG 1996, L 235.

7 De vermelding van de bijlage is nadien regelmatig aangepast. Vgl. Richtlijn 2012/45/EU, PbEU L332 voor de aanpassing aan het RID 2013 en Richtlijn 2014/103/EU, PbEU L355 voor de aanpassing aan het RID 2015.

8 Zie reeds Stb. 1996, 297, p. 8-9 (Nota van Toelichting).

9 Deze regeling dateert uit 1998 (Stcrt. 241 en 250). Het geciteerde deel van art. 1 is deels gewijzigd in 2004 (Stcrt. 42), 2009 (Stcrt. 61 en 19725) en 2010 (Stcrt. 20336). De thans geldende versie is in werking getreden op 1 mei 2015 (Stcrt. 11506). Het geciteerde deel van art. 2 is deels gewijzigd in 2001 (Stcrt. 222) en 2004 (Stcrt. 42). Art. 3 is sinds de invoering niet gewijzigd.

10 Uit de tenlastelegging in combinatie met het voorschrift en de bewijsmiddelen volgt dat het gaat om gevaarlijke stoffen van klasse 3 (methanol en tetrahydrofurufryl en acetonitril, alle verpakkingsgroep II) alsmede een gevaarlijke stof van klasse 6.1 (methaansulfonylchloride).

11 Zie Stcrt. 2013, 1497.

12 Dit slotwoord is niet aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 juli 2019 gehecht. In dat proces-verbaal staat op pagina 6 echter vermeld dat de vertegenwoordiger van de verdachte het (laatste) woord heeft gevoerd overeenkomstig het ‘overgelegde en in het procesdossier gevoegde geschrift ‘slotwoord van de verdachte’.’ Ik ga er derhalve vanuit dat dit namens de verdachte is voorgedragen. In de met deze zaak samenhangende zaken is dat slotwoord wel aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gehecht. Dat slotwoord bevat de passage die in de cassatieschriftuur in de onderhavige zaak is geciteerd.

13 M. Hornman, De strafrechtelijke aansprakelijkheid van leidinggevenden van ondernemingen. Een beschouwing vanuit multidimensionaal perspectief, Den Haag: BJu 2016, p. 48-49.

14 HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006/328 m.nt. Mevis. Zie nadien nog HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375 m.nt. Wolswijk.

15 Het middel vermeldt het ‘onder 5 tenlastegelegde feit’. Uit de kop van het middel en de toelichting daarop volgt evenwel dat bedoeld wordt te klagen over het onder 6 bewezen verklaarde.