Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1251

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-12-2020
Datum publicatie
20-04-2021
Zaaknummer
19/04229
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:510
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Middel over ingenomen uos. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/04233.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/04229 P

Zitting 8 december 2020

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[betrokkene],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de betrokkene.

Het cassatieberoep

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij uitspraak van 4 september 2019 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op een bedrag van € 33.532,58 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

2. De zaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene met nummer 19/04233. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

4. Het middel behelst de klacht dat het hof is afgeweken van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten zonder in het bijzonder de redenen op te geven die tot afwijking van die standpunten hebben geleid.

5. Ingevolge art. 511e Sv is art. 359, tweede lid, Sv van overeenkomstige toepassing in een ontnemingszaak. In art. 511g, tweede lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv is art. 511e Sv van overeenkomstige toepassing verklaard op de ontnemingsprocedure in hoger beroep. Dat betekent dat het hof ingeval het afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in het bijzonder de redenen moet opgeven die daartoe hebben geleid.

6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 augustus 2019 blijkt dat de betrokkene aldaar een verklaring heeft afgelegd met de strekking dat hij de bedrijfsruimte waarin de hennepkwekerij is aangetroffen aan mensen heeft verhuurd en daarvoor eenmalig een geldbedrag van € 3.500,- heeft ontvangen. Daarnaast houdt het proces-verbaal in dat de raadsman het woord tot verdediging heeft gevoerd en daarbij de standpunten heeft ingenomen zoals weergegeven in het arrest.

7. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De verdediging heeft primair het standpunt ingenomen dat de veroordeelde de ruimte slechts ter beschikking heeft gesteld en daarvoor een vergoeding van € 3.500,00 heeft ontvangen. Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat niet kan worden uitgegaan van meer dan één oogst. Daarbij volgt uit het dossier dat minimaal twee andere personen betrokken waren bij de hennepkwekerij, waardoor de opbrengst van de oogst gedeeld dient te worden door drie.

Het primaire en subsidiaire verweer wordt verworpen op basis van de bewezenverklaring in de onderliggende strafzaak.”

8. Met de verwerping van het subsidiaire verweer heeft het hof kennelijk het oog op het verweer dat uit het dossier volgt dat bij de hennepkwekerij minimaal twee andere personen waren betrokken. Het daaraan voorafgaand in de weergave van de gevoerde verweren als subsidiair aangemerkte betoog dat niet kan worden uitgegaan van meer dan één oogst, heeft het hof immers gehonoreerd.

9. Het hof heeft het primaire en het subsidiaire verweer verworpen op basis van de bewezenverklaring in de strafzaak. Het hof heeft daarmee in het bijzonder de redenen opgegeven die hebben geleid tot de afwijking van de standpunten van de verdediging. Voor zover wordt geklaagd dat het hof dat heeft verzuimd, mist het middel feitelijke grondslag.

10. De bewezenverklaring in de met deze ontnemingsprocedure verband houdende strafzaak waarnaar het hof verwijst, houdt in dat de betrokkene in de periode van 19 augustus 2015 tot en met 28 september 2015 te Velsen-Noord in een pand aan [a-straat 1] opzettelijk een groot aantal hennepplanten heeft geteeld. Met de overweging dat het primaire en het subsidiaire verweer worden verworpen op basis van de bewezenverklaring in de onderliggende strafzaak verwijst het hof kennelijk naar de omstandigheid dat is bewezen dat de betrokkene het telen van hennep als pleger heeft begaan. Het hof heeft de betrokkene vrijgesproken van medeplegen door het onderdeel in de tenlastelegging “tezamen en in vereniging met een ander of anderen” weg te strepen. Door te verwijzen naar de bewezenverklaring in de hoofdzaak heeft het hof tot uitdrukking gebracht waarom het wederrechtelijk verkregen voordeel volledig aan de betrokkene moet worden toegerekend. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk en behoefde, mede in het licht van het door de verdediging in hoger beroep aangevoerde, geen nadere motivering.

11. Het middel faalt.

Slotsom

12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG