Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1244

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-11-2020
Datum publicatie
26-01-2021
Zaaknummer
19/01783
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:113
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bijstandsfraude door o.a. niet melden dat verdachte een gezamenlijke huishouding voerde met medeverdachte (art. 227b en art. 416 Sr) en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (art. 26.1 WWM). 1. gezamenlijke huishouding; gebondenheid begripsuitleg bestuursrechter?, 2. motiveringsklacht bewezenverklaring i.h.l.v. gevoerde uos en 3. opzet/bewustheid voorhanden hebben wapen en munitie? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/01784.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01783

Zitting 24 november 2020

CONCLUSIE

P.C. Vegter

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 3 april 2019 door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens het onder 1 en 2 bewezenverklaarde “de eendaadse samenloop van: in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking en opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken” en onder 3 bewezenverklaarde “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek als bedoeld in art. 27(a) oud Sr en onttrekking aan het verkeer van de in het arrest genoemde voorwerpen.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 19/01784. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. De eerste twee middelen betreffen de sterk samenhangende feiten 1 en 2.1 Het derde middel betreft feit 3.2

4. Ten laste van verdachte is in het bestreden arrest bewezen verklaard dat:

“1. zij in de periode van 29 augustus 2001 tot en met 29 augustus 2013 te [plaats] , in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 65 van de Algemene Bijstandswet en/of artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking, te weten een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet en/of Wet Werk en Bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking, immers heeft zij, verdachte, daar telkens opzettelijk nagelaten tijdig te melden en verzwegen dat zij, verdachte,

- duurzaam een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [medeverdachte] en

- in het bezit is geweest en/of een vermogen had in de vorm van meerdere motorvoertuigen en

- in het bezit is geweest en/of een vermogen had in de vorm van een hoeveelheid geld,

zulks terwijl dat toen wel het geval was;

2. zij in de periode van 29 augustus 2001 tot en met 29 augustus 2013 te [plaats] , opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld, te weten geld van (een) door [medeverdachte] (met wie zij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in de Algemene Bijstandswet en/of Wet Werk en Bijstand), door middel van het (door die [medeverdachte] ) opzettelijk niet voldoen aan de inlichtingenverplichting(en), uit hoofde van de Algemene Bijstandswet en/of Wet Werk en Bijstand verkregen uitkering, welk geld geheel of gedeeltelijk werd besteed aan het huishouden waarvan zij, verdachte, deel uitmaakte;

3. zij op 29 augustus 2013 te [plaats] , een wapen van categorie III, te weten een revolver met daarin munitie van categorie III, te weten 7 scherpe patronen kaliber 7,65mm (.32Auto) voorhanden heeft gehad.”

5. Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverweging (met weglating van de noten):

“De verdediging heeft vrijspraak van het onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde bepleit.

Daartoe heeft de raadsman van de verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2 onder meer aangevoerd dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . De raadsman heeft daarbij verwezen naar de zich bij de gedingstukken bevindende uitspraak van de meervoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken in de rechtbank Midden-Nederland van 7 juli 2016. De rechtbank heeft in de bestuursrechtelijke zaak onder meer beslist dat, in de tenlastegelegde periode, tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] geen sprake was van een gezamenlijke huishouding. De raadsman heeft aangevoerd dat de bestuursrechtelijke zaak onlosmakelijk verweven is met de strafzaak en dat het van de strafrechter mag worden verwacht dat hij gevolg geeft aan de uitspraak van de bestuursrechter. Ook heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen werkzaamheden heeft verricht en/of inkomsten heeft genoten die zij had moeten melden aan de uitkeringsinstantie en dat verdachte niet in het bezit is geweest en/of vermogen had in de vorm van een hoeveelheid geld en/of voertuigen. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat met betrekking tot de feiten 1 en 2 sprake is van eendaadse samenloop. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte ontkent enige wetenschap te hebben gehad van het aangetroffen wapen en de aangetroffen munitie.

Het hof neemt onderstaande overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. De overwegingen van de rechtbank houden het volgende in:

‘Het oordeel van de rechtbank

Aan verdachte werd met ingang van 1 december 1996 een uitkering toegekend in het kader van de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) volgens de norm ‘alleenstaande ouder ’ en vanaf 1 maart 2006 volgens de norm ‘alleenstaande deze uitkering is d.d. 1 januari 2005 omgezet naar een uitkering in het kader van de Wet Werk en Bijstand (hierna: WWB).

Gezamenlijke huishouding

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben ontkend dat zij een gezamenlijke huishouding voeren dan wel hebben gevoerd. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] woonachtig is op het adres [a-straat 1] te [plaats] . De rechtbank dient te beoordelen of er sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding en de rechtbank overweegt het volgende.

In de woning aan de [a-straat 2] , op welk adres verdachte staat ingeschreven, zijn tijdens een doorzoeking d.d. 29 augustus 2013 diverse goederen in beslag genomen, waaronder gegevensdragers met daarop foto ’s in huiselijke sfeer in de woning aan de [a-straat 2] , waarop verdachte en medeverdachte [medeverdachte] staan af geheeld. Ook zijn er diverse vakantiefoto’s aangetroffen, waarop beiden staan afgebeeld, waaronder een foto van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] met als bestandsnaam ‘vakantie Spanje’ en een DVD met opschrift ‘Vakanzie 01-05-05’. Op laatstgenoemde DVD is onder meer te zien dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij een waterval zwemmen en elkaars hand vasthouden.

Bovendien zijn er tijdens de doorzoeking in voornoemde woning allerlei persoonlijke spullen van medeverdachte [medeverdachte] aangetroffen, waaronder:

- een Rabobankpas en een Agis Zorgverzekeringspas op naam van medeverdachte [medeverdachte] (in de portemonnee van verdachte);

- zeven medicijndoosjes op naam van medeverdachte [medeverdachte] , waarbij zich in alle doosjes medicijnen bevonden;

- foto ’s met de tekst “ [medeverdachte] 50 jaar ” (welke leeftijd medeverdachte [medeverdachte] reeds in 2010 heeft bereikt) en foto ’s waarop verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (deels gezamenlijk) op staan, waaronder vakantiefoto’s;

- kerstkaartjes met daarop de voornamen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] ;

- documenten/administratie op naam van medeverdachte [medeverdachte] en documenten van beide verdachten met betrekking tot een cruisereis die zij samen hebben gemaakt.

Voorts is er een DVD aangetroffen met de tekst ‘Het 25 jarig bruidsfeest van [medeverdachte] en [verdachte] ’. De voorzijde van de DVD-hoes is voorzien van een foto van beide verdachten in hun jonge jaren en op de achterzijde staat een recente foto van hen en de kinderen van verdachte. Bovendien staat op de achterzijde de volgende tekst:

“Op 7 mei 2005 vierden [medeverdachte] en [verdachte] hun 25 jarige huwelijksfeest. Samen met kinderen, kleinkinderen, familie, vrienden en bekenden werd het een groot feest waar het niemand aan iets ontbrak. Grote artiesten deden hun opwachting en brachten alle gasten in vervoering. Kortom, een feest om nooit te vergeten.”

Op die DVD is onder meer te zien dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zich samen met de kinderen en kleinkinderen van verdachte in de woning aan de [a-straat 2] bevinden, dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] een cadeau krijgen van de kinderen (te weten een vakantie van acht dagen naar Turkije) en dat de zoon van verdachte tegen medeverdachte [medeverdachte] - tijdens het feliciteren van medeverdachte [medeverdachte] - “nou pa...” zegt. Wanneer verdachte en medeverdachte [medeverdachte] plaats hebben genomen in een Rolls Royce, waarbij hen champagne wordt ingeschonken, zegt verdachte tegen medeverdachte [medeverdachte] : “Nog 25 jaar verder dan maar he”. Vele mensen staan hen bij een gebouw op te wachten, feliciteren hen, overhandigen enveloppen en op enig moment worden zij op het podium geroepen met de tekst: ‘Jarige bruidspaar [medeverdachte] en [verdachte] ’. Vervolgens dansen zij samen, in eerste instantie als enigen, op de dansvloer.

Gelet op voornoemde DVD kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders geconcludeerd worden dan dat het jubileum van de (liefdes)relatie tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] werd gevierd, welke overtuiging de rechtbank bovendien heeft bekomen na het bekijken van delen van die DVD tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Dat er sprake zou zijn van een grap, waarbij er naar het zich laat aanzien kosten noch moeite zijn bespaard, acht de rechtbank zeer ongeloofwaardig. In het kader van die viering werd hen een cadeau aangeboden, te weten een vakantie naar Turkije, welke vakantie zij met zijn tweeën hebben gevierd.

Dat medeverdachte [medeverdachte] woonachtig zou zijn in een caravan aan de [a-straat 1] te [plaats] , acht de rechtbank evenmin geloofwaardig. Er is onderzoek gedaan naar het waterverbruik op dit adres. Van het betreffende perceel zijn geen gebruiksgegevens bekend bij Vitens. Tijdens de doorzoeking op het woonwagencentrum ‘ [A] ’ werd op dit adres geen bebouwing aangetroffen en ook geen sporen van bebouwing (het betrof een braakliggend terrein), terwijl er op het moment van de doorzoeking (onder meer) medicijnen van medeverdachte [medeverdachte] werden aangetroffen in de woning aan de [a-straat 2] . Bij Nuon is bovendien geen contractant toegewezen op dit adres. Bovendien heeft medeverdachte [medeverdachte] tijdens een interview (zienswijze) op 6 december 2011 verklaard dat hij sinds 20 mei 2010 eigenaar is van de kavel aan de [a-straat 2] te [plaats] . Gelet op het voorgaande en gelet op voornoemde persoonlijke spullen van medeverdachte [medeverdachte] die zijn aangetroffen in de woning van verdachte, acht de rechtbank bewezen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden aan de [a-straat 2] te [plaats] .

Voorgaande bewijsmiddelen geven bovendien blijk van wederzijdse zorg voor elkaar. Die wederzijdse zorg en de daarin besloten liggende financiële verstrengeling blijkt bovendien uit het navolgende. Verdachte heeft in de periode van 30 september 2009 tot en met 11 april 2013 via een service van GWK Travelex N.V. 174 transacties uitgevoerd, te weten betalingen aan derden (welke transacties een totaalbedrag van € 33.590,56 behelst), onder meer 27 transacties (van in totaal € 5.961,32) ten behoeve van medeverdachte [medeverdachte] .

De voor medeverdachte [medeverdachte] verrichte transacties betreffen onder meer betalingen aan de Belastingdienst en Avero Achmea (waarbij onder meer naar een polisnummer wordt verwezen).

Voorts blijkt die wederzijdse zorg uit de aankoop van een voertuig. Het voertuig - een BMW - met kenteken [kenteken 1] staat vanaf 7 juli 2012 op naam van verdachte geregistreerd. Getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat de auto op 7 juli 2012 is verkocht aan verdachte voor een bedrag van € 28.000,-. Nadat er een auto werd ingeruild, moest er nog € 22.500,- worden betaald, welk bedrag in contanten is voldaan. Verdachte is tweemaal geweest (waaronder eenmaal voor een proefrit), steeds met medeverdachte [medeverdachte] (die door getuige werd herkend op een foto). De getuige heeft aangegeven dat aangenomen mag worden dat de man - medeverdachte [medeverdachte] - betaald heeft. Het voorgaande geeft blijk van het doen van een gezamenlijke aankoop van voornoemd voertuig.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden - in onderling verbanden samenhang bezien - is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de tenlastegelegde periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met medeverdachte [medeverdachte] , waarbij zij hun gezamenlijke hoofdverblijf hadden op het adres [a-straat 2] te [plaats] .

Vermogensbestanddelen:

Gedurende de periode dat verdachte een Abw/WWB-uitkering genoot, hebben er een achttal voertuigen op haar naam geregistreerd gestaan, waaronder een Volkswagen Golf in de periode van 5 januari 2005 tot en met 11 november 2010. Dit betrof een nieuwe auto en de nieuwprijs van dat voertuig was ongeveer € 33.955,-. De motorrijtuigenbelasting werd maandelijks van de rekening van verdachte afgeschreven, te weten een bedrag van ongeveer € 125,-. Dat haar moeder die belasting betaalde, zoals verdachte heeft verklaard, is bij die enkele stelling gebleven en niet nader onderbouwd. De moeder van verdachte, getuige [betrokkene 2] , heeft verklaard dat zij diverse auto 's heeft gekocht die op naam van verdachte hebben gestaan, waarbij het eerder aangeschafte voertuig werd ingeruild bij de aankoop van het volgende voertuig. Het geld waarmee die voertuigen werden aangeschaft, kwam uit de nalatenschap van haar overleden man, zo heeft getuige [betrokkene 2] verklaard. Verdachte heeft vervolgens tijdens het onderzoek ter terechtzitting een verklaring afgelegd waaruit de contante aankoop van de eerder genoemde BMW ( [kenteken 1] ) nagenoeg exact kan worden verklaard. Echter, de overige aankopen van voertuigen volgen niet uit die verklaringen. De rechtbank acht de verklaring die verdachte ter zitting heeft afgelegd, waar die contante aankoop van die BMW nagenoeg exact uit zou kunnen volgen, niet geloofwaardig, te meer nu zij die verklaring niet eerder heeft afgelegd en haar moeder bovendien moet rondkomen van een AOW-uitkering en er na die aankoop geen geld meer voor haar resteerde.

Dat het voertuig op naam werd gezet van verdachte, nu verdachte en haar moeder in de veronderstelling zouden verkeren dat men geen auto kan verzekeren zonder rijbewijs, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Bovendien werd er bij de aankoop van voornoemde BMW een Mercedes CLK320 met kenteken [kenteken 2] ingeruild, waarvoor de verkoper € 5.500 heeft gegeven. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat deze auto van zijn ouders was en dat zijn moeder die auto aan verdachte heeft geschonken. Uit het voorgaande volgt derhalve dat verdachte haar eigen auto heeft ingeruild bij de aankoop van voornoemde BMW en dat zij derhalve (mede)eigenaar was van die Mercedes en die BMW.

Verdachte heeft in het kader van haar Abw-uitkering op de rechtmatigheidsformulieren geen melding gemaakt van haar gezamenlijke huishouding met verdachte [medeverdachte] en over het beschikken over enig vermogen evenmin. Vanaf de periode 1 januari 2006 tot en met 29 augustus 2013 heeft verdachte [verdachte] bovendien, in het kader van haar WWB-uitkering, evenmin melding gemaakt van voornoemde gezamenlijke huishouding en vermogensbestanddelen. Zij heeft slechts eenmaal melding gemaakt van een vakantie middels het indienen van een zogenaamd Mutatieformulier, terwijl uit het voorgaande reeds volgt dat verdachte vaker op vakantie is geweest, en wel met medeverdachte [medeverdachte] .

De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna [...] omschreven. De rechtbank acht het gedachtestreepje dat ziet op het verrichten van werkzaamheden en/of het genieten van inkomsten niet bewezen en zat verdachte ten aanzien daarvan vrij spreken.

Ten aanzien van feit 2:

Op grond van de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen heeft de rechtbank wettig en overtuigend bewezen geacht dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, waarbij zij hun hoofdverblijf hadden op het adres [a-straat 2] te [plaats] . Bovendien was er sprake van een zorg voor elkaar, zoals bedoeld in artikel 3 lid 3 van de Wet Werk en Bijstand.

Beide verdachten ontvingen geen (geregistreerde) inkomsten uit werk (in loondienst dan wel als zelfstandige). Verdachte heeft bovendien verklaard dat zij wist dat verdachte een uitkering ontving. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij wist dat een alleenstaande die een uitkering ontvangt geen recht meer op die (volledige) uitkering heeft indien deze een gezamenlijke huishouding voert.

Mede gelet op het bestaan van de DVD met betrekking tot het 25-jarige huwelijksfeest, dat op 7 mei 2005 werd gehouden, komt de rechtbank tot het oordeel dat beide verdachten een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het moment dat zij afzonderlijk van elkaar een Abw-uitkering volgens de norm alleenstaande hadden aangevraagd en toegekend hadden gekregen. Die uitkering werd aan verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op respectievelijk 1 december 1996 en 1 april 1997 toegekend. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben willens en wetens een Abw-uitkering aangevraagd als alleenstaande, terwijl zij op dat moment reeds partners waren en een gezamenlijke huishouding voerden, waarvan zij geen melding hadden gemaakt. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben beiden voordeel getrokken uit de aan de ander toegekende uitkering. Nu zij geen andere inkomsten hadden, kan het niet anders zijn dan dat de uitkering van beiden werd besteed aan hun gezamenlijke huishouding, zoals de kosten voor gas, licht, water en boodschappen, alsmede de gezamenlijke vakanties en hebben zij daarmee opzettelijk voordeel getrokken uit door misdrijf verkregen opbrengsten.

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna [...] omschreven.

Ten aanzien van feit 3:

In de woning aan de [a-straat 2] te [plaats] werd tijdens een doorzoeking een op een vuurwapen gelijkend voorwerp alsmede munitie aangetroffen. Het vuurwapen is aangetroffen bovenop de kledingkast in de ouderslaapkamer. De cilinder was voorzien van munitie. Verdachte heeft verklaard dat dit haar kamer betreft.

In de kamer - gelegen direct na binnenkomst van de betreffende woning - werd in een koffer een hoeveelheid munitie aangetroffen.

Het aangetroffen vuurwapen en de aangetroffen munitie is nader onderzocht. Het betrof een revolver met daarin zeven scherpe patronen van het kaliber 7,65 mm (.32Auto). De in de tenlastelegging opgenomen munitie, patroonmagazijnen en de patroonhuls vallen allen binnen Categorie III van de Wet wapens en munitie.

Voor de vraag of verdachte en/of medeverdachte [medeverdachte] voornoemde voorwerpen voorhanden hebben gehad, is van belang of zij daarover konden beschikken. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hadden hun gemeenschappelijk hoofdverblijf in de woning waarin het wapen, de munitie, de patroonmagazijnen en de patroonhuls werden aangetroffen. Bovendien werd het vuurwapen aangetroffen op een kast in de ouder slaapkamer. Daarmee bevonden die voorwerpen zich in de onmiddellijke nabijheid van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Uit de plaatsen waar die voorwerpen werden aangetroffen, kan worden afgeleid dat bij verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bovendien de bewustheid van de aanwezigheid van die voorwerpen bestond. [...] Bovendien is op diezelfde kledingkast waarop de revolver werd aangetroffen, een cd met het opschrift ‘ [medeverdachte] , back-up HP Pavilion […] -01-03-2009’ aangetroffen. Deze cd is onderzocht en bevatte 20 mappen, waarvan één met de naam [internetsite] .nl’. Voorts bevat deze cd diverse foto ’s waarop beide verdachten staan afgebeeld. Derhalve zijn er persoonlijke spullen aangetroffen op die kledingkast die aan beide verdachten kunnen worden toegeschreven, terwijl op diezelfde kledingkast eveneens een revolver is aangetroffen.’

In aanvulling op de overwegingen van de rechtbank overweegt het hof als volgt.

Ter terechtzitting van het hof hebben beide verdachten niet eerder dan in hoger beroep verklaard dat zij de rechtmatigheidsformulieren die zich in het strafdossier bevinden (merendeels) gezamenlijk en in elkaars bijzijn hebben ingevuld. Verdachte vulde daarbij het formulier van de medeverdachte inhoudelijk in waarbij de medeverdachte zijn eigen formulier in haar bijzijn ondertekende. Verdachten hebben voorts over en weer verklaard dat de verklaring van de medeverdachte op dat punt juist is. Het hof overweegt met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit dat verdachten, gelet op het voorgaande, van elkaar geweten moeten hebben dat zij de rechtmatigheidsformulieren vals invulden, nu daarop nimmer is ingevuld dat verdachten samenwoonden terwijl zij - zo volgt uit de door het hof overgenomen overweging van de rechtbank - in de tenlastegelegde periode wel degelijk een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, waarbij zij hun gezamenlijke feitelijke hoofdverblijf hadden op het adres [a-straat 2] te [plaats] .

Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde feit heeft de rechtbank bewezen verklaard dat verdachte het wapen en de munitie tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] voorhanden heeft gehad. Het hof zal verdachte echter vrijspreken van het medeplegen, nu aan de hand van het dossier niet valt vast te stellen dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten met betrekking tot het voorhanden hebben van het wapen en de munitie.

Wel acht het hof met de rechtbank bewezen dat verdachte het wapen voorhanden heeft gehad. Zij heeft dat als pleger gedaan. Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26 van de Wet wapens en munitie is vereist dat sprake is geweest van een meerdere of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent dat wapen of die munitie. Het hof acht die bewustheid bewezen, waarbij het in het bijzonder heeft gelet op het feit dat uit het dossier volgt dat de politie tijdens de doorzoeking het wapen zichtbaar liggend aantrof op een kast in een slaapkamer van de door verdachte en haar medeverdachte gezamenlijk bewoonde woning. Behalve de ontkenning van verdachte dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde met de medeverdachte, is van de zijde van de verdediging nog aangevoerd dat 'in het kamp' iedereen in- en uitloopt. Maar die stelling is verder in het geheel niet onderbouwd, met name niet door aan te geven wie degene zou moeten zijn geweest die het wapen in de slaapkamer voor een ander zichtbaar op de kast zou hebben neergelegd. Het hof acht een dergelijk (vaag) scenario niet aannemelijk. Aldus heeft verdachte geen redelijke verklaring gegeven voor het aantreffen van het wapen in de slaapkamer.

Met betrekking tot het voorhanden hebben van de andere munitie dan in de revolver en het voorhanden hebben van de wapenmagazijnen zal het hof verdachte vrijspreken nu evenmin valt vast te stellen dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten terwijl wettig bewijs van individuele directe betrokkenheid tot de munitie van verdachte niet aanwezig is.

Met betrekking tot het gevoerde verweer van de raadsman inhoudende dat door de strafrechter gevolg dient te worden gegeven aan de uitspraak van de bestuursrechter, overweegt het hof dat in het geval waarin het gaat om de waardering van feiten, de strafrechter bij zijn oordeel over het tenlastegelegde feit niet gebonden is aan een eerdere uitspraak van de bestuursrechter over de feiten. De strafrechter dient zich naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting daarover een zelfstandig oordeel te vormen. Het staat de strafrechter vrij om tot een eigen waardering van het bewijs te komen, ook als deze afwijkt van de eerder door genoemde bestuursrechter gegeven waardering. Het hof verwerpt aldus het verweer van de raadsman.

Gelet op het voorgaande komt het hof tot een bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten, zoals hieronder wordt weergegeven. Met betrekking tot de feiten 1 en 2 is sprake van eendaadse samenloop, zoals terecht is betoogd door de raadsman.”

6. Voor wat betreft het eerste en tweede middel is van belang dat in de bewezenverklaarde periode eerst art. 3 oud Algemene bijstandswet (Abw) gold en later art. 3 oud Wet werk en bijstand (Wwb). De inhoud van beide bepalingen is gelijkluidend:

“Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.”

7. Het eerste middel houdt in dat het hof aan het begrip gezamenlijke huishouding een verkeerde uitleg heeft gegeven. Het hof heeft daarbij miskend dat het was gebonden aan de uitleg van dit begrip door de bestuursrechter en voorts heeft het de grondslag van de tenlastelegging verlaten, aldus de steller van het middel.

8. In de toelichting op het middel wordt geciteerd uit een “(onherroepelijke) uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland” van naar ik begrijp 7 juli 2016. Ik citeer de nrs. 11.1 t/m 11.6 uit het vonnis van de bestuursrechter zoals weergegeven in de cassatieschriftuur:

“11.1. Ter onderbouwing van de stelling dat [medeverdachte] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf op het adres [a-straat 2] te [plaats] heeft gehad, heeft verweerder verwezen naar de volgende bewijsmiddelen dan wel feiten en omstandigheden:

a. de bevindingen tijdens een doorzoeking ter plaatse van het perceel met de aanduiding [a-straat 1] te [plaats] van 29 augustus 2013;

b. luchtfoto's van het perceel met de aanduiding [a-straat 1] te [plaats] , genomen in de periode van 2007 tot en met 2012;

c. informatie van nutsbedrijven, waaruit blijkt dat met betrekking tot het perceel met de aanduiding [a-straat 1] te [plaats] geen verbruiksgegevens bekend zijn;

d. het feit dat [medeverdachte] met ingang van 21 mei 2010 eigenaar is van het perceel met de aanduiding [a-straat 3] te [plaats] ;

e. de verklaring van [medeverdachte] van 6 december 2011 dat hij sinds 20 mei 2010 eigenaar is van het perceel met de aanduiding [a-straat 2] te [plaats] ;

f. informatie van Vitens met betrekking tot het adres [a-straat 2] te [plaats] , waaruit blijkt dat over de periode van september 2007 tot en met augustus 2012 water is verbruikt dat overeenkomt met een landelijk bekend gemiddeld waterverbruik voor een zespersoonshuishouden;

g. hetgeen blijkt uit diverse foto's en dvd's, die in beslag zijn genomen tijdens de doorzoeking in de woning van eiseres van 29 augustus 2013;

h. afschriften van transacties, die zijn verricht op 19 juli 2011 en 1 februari 2013 ten name van [medeverdachte] en waarop het adres van [a-straat 2] te [plaats] staat vermeld;

i. hetgeen is aangetroffen tijdens de doorzoeking van 29 augustus 2013 zoals blijkt uit de gemaakte foto's daarvan.

11.2. De rechtbank is van oordeel dat uit de bevindingen en de luchtfoto's zoals hiervoor vermeld onder 11.1. a. en b. alsook de informatie vermeld onder 11.1.C, niet volgt dat [medeverdachte] zijn hoofdverblijf had op [a-straat 2] te [plaats] . Deze gegevens zien immers op het perceel met de aanduiding [a-straat 1] te [plaats] . Uit deze gegevens zou hooguit kunnen volgen dat [medeverdachte] zijn hoofdverblijf niet had op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Ook uit het feit zoals vermeld onder 11.1.d. en de verklaring zoals vermeld onder 11.1.e. blijkt dat niet. Het enkel bezitten dan wel eigenaar zijn van een perceel levert geen bewijs op van het hebben van hoofdverblijf op dat perceel. Overigens is tussen partijen niet in geschil dat [medeverdachte] juridisch gezien niet de eigenaar is van het perceel met de aanduiding [a-straat 2] te [plaats] .

11.3. De rechtbank is van oordeel dat de waterverbruiksgegevens zoals hiervoor vermeld onder 11.1.f. die duiden op een zespersoonshuishouden, niet als ondersteunend bewijs kunnen dienen voor de stelling dat [medeverdachte] zijn hoofdverblijf had op [a-straat 2] te [plaats] . Immers, blijkens de BRP-gegevens zoals vermeld in de gedingtukken, waren in de te beoordelen periode naast eiseres, ook vier volwassenen en twee kinderen ingeschreven op dat adres. Dat [betrokkene 3] tot en met 17 december 2002 op het adres [a-straat 2] te [plaats] ingeschreven heeft gestaan en dat [betrokkene 4] en haar twee kinderen sinds 1 juni 2004 op hetzelfde adres hebben ingeschreven gestaan, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

11.4. De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat [medeverdachte] op 29 september 2006 en op 24 december 2006 in de woning van eiseres was, zoals blijkt uit de onder 11.1.g. vermelde foto's, evenmin tot de conclusie kan leiden dat [medeverdachte] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf op het adres [a-straat 2] te [plaats] heeft gehad. Hierbij is van belang dat niet in geschil is dat eiseres en [medeverdachte] elkaar kennen en in dat verband elkaar ontmoeten. De dvd met het opschrift "Het 25 jarige bruidsfeest van [medeverdachte] en [verdachte] " bevat beelden van gebeurtenissen op 24 mei 2005 die beginnen in de woning van eiseres en eindigen in een zaal waar feest is gevierd. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit dit beeldmateriaal niet worden afgeleid dat in de te beoordelen periode [medeverdachte] zijn hoofdverblijf had op [a-straat 2] te [plaats] . Dat uit dit beeldmateriaal volgt dat eiser en [verdachte] een relatie hebben, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

11.5. Uit de hiervoor onder 11.1.h. vermelde afschriften blijkt weliswaar dat [medeverdachte] op twee dagen het adres [a-straat 2] te [plaats] heeft gebruikt, maar de rechtbank is van oordeel dat ook dat onvoldoende is om het hoofdverblijf van [medeverdachte] in de te beoordelen periode op dat adres vast te stellen.

11.6. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen is aangetroffen tijdens de doorzoeking als bedoeld onder 11.1.i. onvoldoende is om het hoofdverblijf van [medeverdachte] op [a-straat 2] te [plaats] vast te stellen. Hierbij is van belang dat uit de bevindingen tijdens de doorzoeking van 29 augustus 2013 niet blijkt dat persoonlijke spullen van [medeverdachte] , zoals kleding, schoeisel en verzorgingsproducten, die een sterke aanwijzing kunnen zijn voor het hebben van hoofdverblijf in die woning, zijn aangetroffen.”

9. De eerste klacht van het middel die inhoudt dat het hof de inhoud van de beslissing van de bestuursrechter heeft miskend steunt op de aanname dat het hof een ander juridisch criterium voor gezamenlijke huishouding/gemeenschappelijk hoofdverblijf heeft gebruikt dan de bestuursrechter. Het hof is daarbij echter volgens de steller van het middel gebonden aan de criteria van de bestuursrechter.

10. Uit de onder randnummer 5 opgenomen overwegingen van het hof blijkt vrijwel aan einde het standpunt van het hof: in het geval waarin het gaat om de waardering van feiten is de strafrechter bij zijn oordeel over het tenlastegelegde feit niet gebonden is aan een eerdere uitspraak van de bestuursrechter over de feiten. Daarbij verwijst het hof naar een uitspraak van de Hoge Raad uit 20043 en heeft het kennelijk het oog op de volgende overweging:

“3.6. Hier doet zich het geval voor dat de strafrechter in een latere uitspraak op basis van nagenoeg hetzelfde feitenmateriaal tot een ander oordeel komt dan de bestuursrechter met betrekking tot een feitelijke vraag, te weten of kan worden aangenomen dat de verdachte in een bepaalde periode niet meer woonachtig was onderscheidenlijk geen hoofdverblijf meer had in [woonplaats]. In een dergelijk geval, waarin het slechts gaat om de waardering van feiten, is de strafrechter bij zijn oordeel over het tenlastegelegde feit niet gebonden aan een eerdere uitspraak van de bestuursrechter over de feiten. De strafrechter dient zich naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting daarover een zelfstandig oordeel te vormen. Het oordeel van het Hof dat het de strafrechter vrijstaat om tot een eigen waardering van het bewijs te komen, ook als deze afwijkt van de eerder door genoemde bestuursrechter gegeven waardering, is dan ook juist.”

11. Met de steller van het middel kan worden ingestemd dat het primaat van de uitleg van (deels juridische en voor de kwalificatie als strafbaar relevante) begrippen als gezamenlijke huishouding en (gemeenschappelijk) hoofdverblijf in de Algemene bijstandswet en de Wet werk en inkomen ligt bij de bestuursrechter.4 Anders dan zij meent, is daarvan in het onderhavige geval echter geen sprake. De bestuursrechter doet niet meer of minder dan een aantal (vermeende) aanwijzingen die naar voren zijn gebracht om aannemelijk te maken dat er sprake was van gezamenlijke huishouding en (gemeenschappelijk) hoofdverblijf langs te lopen. Ik zie niet in dat er criteria worden geformuleerd. De aanwijzingen acht de bestuursrechter ieder voor zich, maar ook in samenhang onvoldoende om te oordelen dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding en (gemeenschappelijk) hoofdverblijf. Dat is een feitelijk oordeel dat afhankelijk is van waarderingen en daarom kan en mag de strafrechter tot een ander oordeel komen.

12. De tweede klacht van het eerste middel betreffende de grondslagverlating wordt in de cassatieschriftuur als volgt toegelicht:

“17. Zoals de bestuursrechter in de hiervoor genoemde uitspraak heeft overwogen moet de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding, worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Die objectieve criteria staan vermeld in art. 3 lid 3 van de Abw en zijn opvolger, de Wwb en betreffen het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning en (cumulatief) blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

18. Uit de overwegingen van het gerechtshof kan niet blijken dat deze criteria juist zijn toegepast. Het gerechtshof heeft de beoordeling dat van hoofdverblijf van [medeverdachte] in de woning van verzoekster sprake is geweest immers, na uitvoerige beschrijving van hetgeen in de woning van verzoekster is aangetroffen aan foto- en filmmateriaal, gebaseerd op de constatering dat tussen hen sprake is van een (liefdes)relatie en op het feit dat niet aannemelijk wordt geoordeeld dat [medeverdachte] woonachtig is op het door hem opgegeven adres [a-straat 1] in [plaats] . Dat hij wel woonachtig zou zijn op het adres [a-straat 2] leidt het gerechtshof enkel af uit aantreffen op dat adres van medicijnen en enkele documenten waarop zijn naam staat vermeld.

19. Door de in de tenlastelegging voorkomende en aan de wet ontleende term ‘gezamenlijke huishouding’ aldus in te vullen heeft het gerechtshof bij bewezenverklaring de grondslag van de tenlastelegging verlaten. Het arrest lijdt als gevolg daarvan aan nietigheid.”

13. Ik kan dit niet volgen, maar dat hoeft niet te verbazen nu de klacht vrijwel samenvalt met de eerste klacht. Ik lees geen eigen onjuiste interpretatie van wettelijke termen in het arrest van het hof, maar een kwalificatie als gemeenschappelijke huishouding/gezamenlijk hoofdverblijf op grond van een vaststelling van de feiten. Dat de door het hof vastgestelde feiten geen gemeenschappelijke huishouding/gezamenlijk hoofdverblijf kunnen opleveren lees ik niet in het middel en een dergelijke klacht lijkt mij hier kansloos.

14. Het tweede middel betreft de motivering van de bewezenverklaring naar ik begrijp vooral in het licht van naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.

15. De steller van het middel heeft gelijk dat een (mogelijke) relatie tussen verdachte en [medeverdachte] niet dwingend kan leiden tot de slotsom dat [medeverdachte] hoofdverblijf had in de woning van verdachte (schriftuur p. 21 punt 10). Ik volsta met de opmerking dat ik een dergelijk oordeel in het arrest van hof niet lees en evenmin lees dat er sprake was van hoofdverblijf door de (affectieve) relatie. Iets anders is dat een (affectieve) relatie zo kan worden gewogen dat het één van de factoren is die in onderling verband en samenhang met andere factoren maakt dat er van gemeenschappelijk hoofdverblijf sprake is.

16. Onder verwijzing naar een uitvoerig citaat uit de in hoger beroep voorgedragen pleitnota wordt vervolgens gesteld dat verzuimd is te reageren op ‘een’ uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (schriftuur p. 23 onder 12). Voor zover daarmee wordt gedoeld op het op. p. 21 onder 11 bedoelde standpunt dat [medeverdachte] woonde op [a-straat 1] is de stelling in cassatie kennelijk dat het hof niet is ingegaan op de “door de raadsman op al de van de overwegingen deel uitmakende aspecten van dat perceel, het waterverbruik, de elektriciteit, (sporen) van bebouwing , eigendom.”

17. Uit de onder randnummer 5 door het hof overgenomen bewijsoverwegingen van de rechtbank blijkt dat het hof een afzonderlijke alinea heeft gewijd aan het standpunt van de verdediging dat [medeverdachte] woonachtig zou zijn in een caravan aan de [a-straat 1] (verder ook: [a-straat 1] ) te [plaats] . In zoverre kan al niet worden gezegd dat het standpunt van de verdediging buiten bespreking is gebleven. Het hof gaat hierop in het kader van het bewijs van een gezamenlijke huishouding in nadat eerst drie andere dragende factoren zijn uitgewerkt (kort gezegd): gegevensdragers, persoonlijke spullen van [medeverdachte] aangetroffen in perceel [a-straat 2] (verder ook: [a-straat 2] ) en een DVD. Dat [medeverdachte] woonachtig zou zijn in een caravan op [a-straat 1] wordt door het hof ongeloofwaardig geacht: geen gegevens waterverbruik bij Vitens bekend, tijdens doorzoeking geen (sporen van) bebouwing aangetroffen, bij Nuon geen contractant aangewezen voor [a-straat 1] . De steller van het middel heeft gelijk voor zover ze zou menen dat het hof hiermee de aanwezigheid op andere in de bewezenverklaarde periode vallende momenten van een caravan al dan niet voorzien van stroom en gas op (voormalig) [a-straat 1] niet uitsluit, maar ik zie dat in de context van de overige in de overwegingen genoemde omstandigheden als een detail als bedoeld in het standaardarrest over de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.5 Het hof heeft naar ik begrijp aan één van die omstandigheden door deze in dit kader te noemen bijzondere betekenis toegekend: verdachte heeft zelf verklaard eigenaar van [a-straat 2] te zijn.

18. Als gezegd heeft het hof de aanwezigheid van persoonlijke spullen van [medeverdachte] in [a-straat 2] als één van de dragende factoren voor een gezamenlijke huishouding beschouwd. Uit de overwegingen van het hof blijkt dat het hier gaat om pasjes, medicijndoosjes, foto’s, kerstkaartjes gericht aan verdachte en [medeverdachte] en reisdocumenten op naam van beiden. Het hof heeft inderdaad niet uitdrukkelijk gereageerd op het standpunt van de verdediging dat het – naar ik begrijp en in mijn woorden - geen bewijswaarde heeft dat de medicijndoosjes bij verdachte (in [a-straat 2] ) liggen. In feitelijke aanleg was aangevoerd: “ [medeverdachte] kan bijvoorbeeld niet lezen en schrijven. Hij kan niet eens zijn medicijndoosjes lezen om te zien wat voor wat is en hoeveel hij moet nemen. [verdachte] heeft [medeverdachte] onder andere hiermee als een goede vriendin betaamd mee geholpen. Vandaar dat de medicijnen bij [verdachte] liggen.”

19. De onderbouwing van dit standpunt is dermate gebrekkig dat het hof niet gehouden was tot enige nadere reactie. Voor zover al vaststaat dat [medeverdachte] niet kan lezen, is dat op zichzelf nog geen reden om medicatie bij een ander te bewaren die wel kan lezen. Overigens in het geval aan de aangetroffen doosjes geen betekenis wordt toegekend, ontkracht dit de betekenis die het hof heeft gegeven aan de overige aangetroffen spullen nog niet. Anders gezegd in dat geval ontbreekt het belang bij cassatie.

20. Het hof heeft geoordeeld dat de vier factoren die de gezamenlijke huishouding dragen (in [a-straat 2] aangetroffen gegevensdragers, persoonlijke spullen, DVD alsmede het ontbreken van aanwijzingen voor gebruik van [a-straat 1] ) tevens blijk geven van persoonlijke zorg voor elkaar. In het kader van de persoonlijke zorg worden daarenboven nog twee factoren aan het bewijs daarvan toegevoegd: door verdachte ten behoeve van [medeverdachte] uitgevoerde financiële transacties en de aankoop van een voertuig (een BMW).

21. In feitelijke aanleg is aangevoerd dat verdachte voor iedereen op het kamp de rekeningen contant betaalde bij het GWK en dus “onvermijdelijk” ook voor [medeverdachte] omdat hij niet kon lezen en schrijven. Ter onderbouwing zijn transactiebewijzen overgelegd waaruit blijkt dat verdachte ook voor andere bewoners van het kamp heeft betaald. Inderdaad is het hof, zoals de steller van het middel opmerkt, hierop in de bewijsoverwegingen niet nader ingegaan. Het komt mij voor dat het hof ook dit standpunt als onvoldoende onderbouwd buiten beschouwing kon laten. Niet te volgen is namelijk waarom het nodig zou zijn te kunnen lezen en schrijven voor een contante betaling bij het GWK. De klacht faalt.

22. De klacht over de aankoop van de BMW als bouwsteen voor de wederzijdse zorg betreft niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, maar er wordt geklaagd dat de betaling (contante deel: € 22.500,-) door [medeverdachte] onvoldoende is voor bewijs van wederzijdse zorg en dat de vaststelling dat [medeverdachte] heeft betaald slechts steunt op een veronderstelling. Ik ben het de steller van het middel eens dat die enkele betaling niet doorslaggevend kan zijn voor wederzijdse zorg, maar dat is ook niet de redenering van het hof. Het is een factor naast (vele) andere. Dan de klacht over de veronderstelling die kennelijk betrekking heeft op art. 342, eerste lid, Sv nu een veronderstelling geen mededeling is van feiten en omstandigheden welke de getuige zelf heeft waargenomen of ondervonden.6 De overweging van het hof luidt: “De getuige [ [betrokkene 1] ] heeft aangegeven dat aangenomen mag worden dat de man - medeverdachte [medeverdachte] - heeft betaald.” De getuige heeft hiermee tot uitdrukking gebracht dat hij het (gelet op de context) zo heeft ervaren dat [medeverdachte] de betaling heeft verricht.7 De klachten falen.

23. Voorts wordt in cassatie de overweging van het hof over de vermogensbestanddelen (acht voertuigen op naam van verdachte) bestreden nu die overweging geen reactie bevat op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Zie randnummer 5 hierboven. De steller van het middel wijst er in de vorm van een citaat uit de pleitnota op dat in feitelijke aanleg is bestreden dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten gegevens te verstrekken over bezit van of vermogen hebben in de vorm van meerdere motorvoertuigen, maar zonder toelichting kan ik niet volgen dat hier sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. De klacht faalt.

24. Voorts wordt geklaagd dat de overweging over de vermogensbestanddelen niet een (afdoende) reactie bevat op het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat er weliswaar voertuigen op naam van verdachte stonden, maar dat anderen (economisch) eigenaar van die voertuigen waren en dat de waarde van de voertuigen het vrij te laten vermogen niet oversteeg.

25. In de aan het hof overgelegde pleitnota wordt melding gemaakt van op naam van verdachte staande auto’s. Het hof (zie randnummer 5) stelt op grond van een verklaring van een getuige vast dat een Mercedes eigendom was van verdachte. Die Mercedes is ingeruild bij de aankoop van een BMW en onder meer daaruit leidt het hof af dat verdachte (tenminste) mede-eigenaar was van de BMW. Na de aankoop van een nieuwe VW Golf betaalt verdachte maandelijks ongeveer € 125,- motorrijtuigenbelasting door afschrijving van haar rekening. Dat haar moeder die belasting heeft betaald is wel gesteld, maar niet onderbouwd, aldus het hof. Dat haar moeder nog andere auto’s heeft gefinancierd is onaannemelijk nu moeder na haar aandeel in de koop van de BMW niet meer over ander geld dan haar AOW-uitkering beschikte. Dit oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk en bevat een toereikende reactie op het standpunt voor zover dit inhoudt dat er nog andere eigenaren dan verdachte waren nu het hof heeft toegelicht dat verdachte van de op haar naam staande auto’s die volgens haar eigendom van haar moeder waren zelf eigenaar was. Voor nog andere auto’s heeft ze weliswaar gesteld dat er een ander eigenaar was, maar tot veel meer dan die stelling is het niet gekomen zodat het hof niet gehouden was daarop nader in te gaan. De klacht faalt.

26. Voor zover nog geklaagd wordt dat op het standpunt dat de gemeentelijke waardebepaling geen stand kan houden, niet door het hof is gereageerd merk ik op dat ik in de geciteerde pleitnota niet lees wat er nu precies niet deugt aan de taxatie. Nu in zoverre van een onderbouwd standpunt geen sprake was, was het hof niet gehouden op dit standpunt te reageren. Dan nog het standpunt dat de waarde van de voertuigen geen betekenis heeft nu die waarde het vrij te laten vermogen niet te boven gaat. Ik stel voorop dat het geven van inlichtingen er mede toe strekt vast stellen of de waarde van de voertuigen het vrij te laten vermogen te boven gaat. In de pleitnota wordt bovendien in het midden gelaten van welke waarde van de voertuigen dan wel moet worden uitgegaan. Dat inlichtingen over de aankoop van een nieuwe auto met een waarde van bijna € 34.000,- niet nodig zijn, ontgaat mij zonder nadere toelichting. Van een onderbouwd standpunt in verband met de waarde van de voertuigen is dan ook geen sprake zodat het hof niet gehouden was nader op de betekenis van die waarde in te gaan. Ook deze klacht kan niet slagen.

27. Dan wordt nog geklaagd over de motivering van de bewezenverklaring gelet op een in hoger beroep ingenomen standpunt over de inlichtingenplicht inzake vermogen en geld. De schriftuur citeert hetgeen in feitelijke aanleg naar voren is gebracht:

“Ook is niet gebleken dat zij in het bezit zijn geweest en/of een vermogen hadden in de vorm van een hoeveelheid geld. Dit standpunt heeft de gemeente laten vallen na het zien van de GWK transactiebewijzen ten behoeve van het gehele kamp, het gebrek aan nader bewijs aan contant geld en de nadere schriftelijke verklaring van [B] , (productie 3).”

28. Hoewel het hof dit niet uitdrukkelijk overweegt, ligt in het oordeel van het hof besloten dat verdachte er een levensstijl op na hield waarvoor zoveel geld nodig is dat een (bijstands)uitkering verre van toereikend is. Zie bijvoorbeeld de aankoop van een nieuwe auto, de eigendom van een aantal auto’s alsmede hetgeen wordt gerelateerd over het grote feest waarbij het niemand aan iets ontbrak. Verder komt naar voren dat er contant wordt betaald. In dat licht is de bewezenverklaring van het niet nakomen van de inlichtingenplicht betreffende vermogen en geld niet ontoereikend of onbegrijpelijk. Dat de gemeente (kennelijk in het kader van de bestuursrechtelijke procedure) over de aanwezigheid van geld/vermogen anders is gaan denken, maakt geen verschil nu de strafrechter, zoals eerder naar voren kwam, hier tot een eigen afweging kan en mag komen. Het hof heeft in het kader van de bewijsoverwegingen ook toegelicht niet aan het oordeel van de bestuursrechter te zijn gebonden en daaraan kan ook betekenis worden toegekend als het gaat om standpunten van partijen in die bestuurlijke procedure. Voor zover geoordeeld zou worden dat het hof over een en ander (dus ook over het bewijs) meer uitdrukkelijk een standpunt had moeten innemen, leidt het slagen van de klacht nog niet tot cassatie omdat dit onderdeel van de bewezenverklaring van nogal ondergeschikte betekenis is voor de aard en de ernst daarvan en daarmee ook voor de strafoplegging. Ook deze klacht kan dus niet tot cassatie leiden.

29 Het eerste en tweede middelfalen in alle onderdelen.

30. Het derde middel betreft de onder 3 bewezenverklaarde overtreding van de Wet wapens en munitie (WWM). Zie onder randnummer 4 en voor de bewijsconstructie randnummer 5. Het middel bevat twee onderdelen en wel een klacht over de zogenaamde bronjurisprudentie en een klacht over de opzet/bewustheid van het voorhanden hebben.

31. Beide klachten betreffen in het bijzonder de volgende overweging van het hof:

“Het hof acht die bewustheid bewezen, waarbij het in het bijzonder heeft gelet op het feit dat uit het dossier volgt dat de politie tijdens de doorzoeking het wapen zichtbaar liggend aantrof op een kast in een slaapkamer van de door verdachte en haar medeverdachte gezamenlijk bewoonde woning.”

32. Als gezegd betreft de eerste klacht de zogenaamde bronjurisprudentie. Het standaardarrest van de Hoge Raad daarover bevat de volgende overweging8:

“3.3. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging

(a) die feiten of omstandigheden aan te duiden, en

(b) het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.”

33. De klacht is nu dat het hof niet heeft verantwoord wat de bron is waaraan het zichtbaar aantreffen van het wapen door de politie is ontleend. Hoewel een meer precieze aanduiding van de bron niet had misstaan, meen ik dat er geen twijfel over kan bestaan dat het hof doelt op een waarneming van de verbalisanten zoals deze is gerelateerd in het proces-verbaal van de doorzoeking zoals dat zich in het dossier bevindt.9 Het hof heeft daarmee voldaan aan het vereiste uit het standaardarrest. De eerste klacht faalt.

34. Bij de bespreking van de tweede klacht is de volgende overweging van de Hoge Raad van betekenis10:

“2.4. Voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen is vereist dat de verdachte het wapen bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of tot de exacte locatie van dat wapen. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad (vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992).

Voorts houdt het aanwezig hebben van een wapen in dat de verdachte feitelijke macht over het wapen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen voorhanden had in de zin van art. 13, eerste lid, WWM. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen.”

35. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof uit het zichtbaar aantreffen van een wapen in een slaapkamer van de door verdachte en de medeverdachte bewoonde woning afleidt dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het wapen en daarmee van het voorhanden hebben van het wapen. Het is napleiten als in cassatie nu naar voren wordt gebracht dat zichtbaarheid kennelijk beperkt was door een opstaande rand. Datzelfde geldt voor (op zich zelf al weinig relevante stelling) dat (volwassen)(klein)kinderen stonden ingeschreven op het adres van de woning.

36 Het derde middelfaalt in beide onderdelen.

37. Alle middelen falen. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

38. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

39. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Dat de (meeste) klachten aangevoerd in het kader van feit 1 ook gelden voor feit 2 valt nog te lezen in de nrs. 25 en 26 van de schriftuur (p. 29). Ik lees geen klachten die uitsluitend voor feit 2 zouden gelden en dus besteed ik aan dat feit hier geen afzonderlijke aandacht.

2 Blijkens een daartoe op 21 augustus 2020 opgemaakte akte is het beroep in cassatie met betrekking tot feit 3 ingetrokken voor zover het betreft de gegeven vrijspraak van de onder 3 tenlastegelegde gedragingen.

3 HR 11 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5690, NJ 2004/606 m.nt. Buruma. Mijn voormalig ambtgenoot Jörg verwijst in zijn conclusie (onder 10) naar: Y. Buruma en E.J. Daalder, Formele rechtskracht in het strafrecht, RM Themis 1994, p. 320 - 334; J.L. Cluysenaer, De toetsing van administratieve beschikkingen door de strafrechter, NJB 1970, p. 1000-1007; noot Corstens onder HR 10 februari 1987, ECLI:NL:HR:AC1284, NJ 1987/848; conclusie Remmelink vóór HR 11 november 1986, ECLI:NL:HR:AC2213, NJ 1987/861.

4 Zie nader en voor meer rechtspraak ook de conclusies van mijn ambtgenoten Keulen (ECLI:NL:PHR:2019:1220 m.n. onder 7 en 8) en Harteveld (ECLI:NL:PHR:2020:107).

5 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma.

6 In de schriftuur wordt verwezen naar HR 4 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0478, NJ 1996/633.

7 Vgl. onder andere al HR 2 juni 1987, NJ 1988/178 (’Ik denk dat hij de eigenaar is’).

8 HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70 m.nt. Borgers. De steller verwijst naar HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4435.

9 Proces-verbaal van bevindingen van 29 augustus 2013, nr 110048-6016314/2 van de Sociale Recherche Flevoland, opgemaakt door [verbalisant 1] , sociaal rechercheur, inhoudende: “Ik, verbalisant, zag hierbij dat collega [verbalisant 2] bezig was met het doorzoeken van de linker lade van de kledingkast en hoorde hierbij collega [verbalisant 3] zeggen dat hij iets op de kast zag liggen. Ik, verbalisant, zag hierbij dat collega [verbalisant 3] een zwartkleurige lap stof, vanaf de rechter bovenzijde van deze kast oppakte en in een beweging op het dekbed neerlegde. Ik, verbalisant, zag hierbij dat tussen de lap stof, naar later bleek een washand, een klein model zwartkleurige revolver tevoorschijn kwam. (…)”

10 HR 31 maart 2020, ECL:NL:HR:2020:510, NJ 2020/252 m.nt. Sackers.