Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1243

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-11-2020
Datum publicatie
26-01-2021
Zaaknummer
19/05373
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:110
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Belaging en bedreiging directeur Tbs-kliniek (art. 285 en 285b Sr) en poging tot uitlokking van moord van o.a. familieleden (art. 46a jo. 289 Sr). Afstand van rechtsbijstand. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BI2315 m.b.t. gevallen waarin afstand van rechtsbijstand kan worden gedaan.HR: Het p-v van de tz. in h.b. van 6-11-2019 vermeldt dat A aanwezig was als de o.g.v. art. 509a Sv jo. art. 509c Sv aangewezen raadsman van verdachte. Uit dat p-v blijkt echter ook dat deze advocaat niet daadwerkelijk als raadsman t.b.v. verdachte is opgetreden, omdat hij zonder zijn toga te dragen heeft plaatsgenomen op de publieke tribune van de zittingszaal, hij niet t.b.v. verdachte het woord tot verdediging heeft gevoerd en hij voorafgaand aan het requisitoir van de AG bij het hof de zittingszaal heeft verlaten. In aanmerking genomen dat de beslissing a.b.i. art. 509a Sv berust op de grond dat verdachte niet in staat is zijn belangen in de strafzaak behoorlijk te behartigen en dat daarvoor het optreden van een aangewezen raadsman is vereist, had het hof onder deze omstandigheden de zaak niet op de tz. mogen behandelen en vervolgens het o.t.tz. mogen sluiten en arrest wijzen. Het hof heeft dat miskend. Daarbij verdient opmerking dat als een beslissing a.b.i. art. 509a.1 Sv wordt genomen, vanaf dat moment o.g.v. art.509d.1 Sv o.m. art. 495b Sv overeenkomstige toepassing vindt. Dat betekent dat – anders dan i.c. is gebeurd – de behandeling achter gesloten deuren plaatsvindt, tenzij de voorzitter op 1 van de in art. 495b.2 Sv genoemde gronden een openbare behandeling gelast. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05373

Zitting 24 november 2020

CONCLUSIE

P.C. Vegter

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 20 november 2019 door het hof Den Haag wegens 1. “belaging en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en 2. “poging om een ander door het verschaffen van inlichtingen uit te lokken om een moord te begaan, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Voort is gelast dat hij ter beschikking wordt gesteld en is bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.T. Poort, advocaat te Beverwijk, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het arrest van het hof nietig is. Als grond daarvoor wordt aangevoerd dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nietig is omdat verdachte zowel “het (…) laatste woord als een effectieve verdediging is onthouden.”

4. Voor een goed begrip citeer ik nu onder randnummer 5 eerst twee voor de beoordeling van het middel relevante wettelijke bepalingen en vervolgens geef ik onder randnummer 6 een kort overzicht van de procesgang in de onderhavige zaak, althans voor zover de geciteerde bepalingen aan de orde zijn.

5. Art. 509a, eerste lid, Sv luidde van 1998 tot 1 januari 20201:

“In elken stand der zaak betreffende een verdachte die den leeftijd van achttien jaren bereikt heeft, zal de rechtbank of het gerechtshof, indien vermoed wordt dat de geestvermogens van de verdachte gebrekkig ontwikkeld of ziekelijk gestoord zijn, en dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijne belangen behoorlijk te behartigen, zulks bij beslissing verklaren.”

Art. 509d Sv luidde tot 1 januari 2020:

“1. Van het oogenblik af der beslissing, bij het eerste lid van artikel 509a bedoeld, en, behoudens herroeping, totdat de zaak door een in kracht van gewijsde gegaan arrest of vonnis is beëindigd, vinden de artikelen 14a, 490, derde lid, 493, 495a tot en met 497, 504 en 505 overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bepalingen aangaande ouders of voogd slechts overeenkomstig worden toegepast, indien de verdachte een curator heeft, en in dit geval in dier voege dat zij uitsluitend dezen betreffen

2. Bij niet-verschijning in persoon, als bedoeld bij het tweede lid van artikel 495a, kan de rechtbank of het gerechtshof, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van den raadsman, indien de rechtbank of het gerechtshof van oordeel is, dat de persoonlijke verschijning van den verdachte noch noodzakelijk noch gewenscht is en de raadsman is verschenen en zich daartegen niet verzet, de bepaling van dat lid buiten toepassing laten. In zoodanig geval wordt verstek verleend en het onderzoek der zaak voortgezet; de raadsman blijft met de verdediging belast.

3. De bevoegdheden, bij dit wetboek aan den verdachte toegekend, komen na de beslissing, bij het eerste lid van artikel 509a bedoeld, steeds mede toe aan den raadsman.”

6. Ik schets nu de procesgang, voor zover in het licht van voornoemde bepalingen relevant. De verdachte staat in hoger beroep terecht. Op de zitting in hoger beroep van 19 september 2018 stond mr. Van der Hut verdachte bij en vervolgens op de zitting van 23 januari 2019 mr. Sprenger. Daarna heeft er een pro forma zitting plaatsgevonden waar mr. Feiner de verdachte bijstond. De drie genoemde advocaten hebben ieder voor zich de verdediging neergelegd, mr. Feiner in april 2019. Zij waren telkens toegevoegd.

Op 10 mei 2019 heeft het hof een beslissing als bedoeld in art. 509a e.v. Sv genomen. Er was toen nog geen raadsman voorgesteld. Op de pro forma zitting van 4 juni 2019 is verdachte die afstand heeft gedaan van zijn recht aanwezig te zijn niet verschenen en is als raadsman van de verdachte ter terechtzitting aanwezig mr. P.G.J.M. Boonen, advocaat te Sittard.

Vlak erna, op 13 juni 2019, is een nieuwe beslissing als bedoeld in art. 509a e.v. Sv afgegeven, kennelijk met de bedoeling deze raadsman, mr. Boonen, aan te (laten) wijzen. In juli 2019 heeft mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede, zich gemeld. De verdachte had deze raadsman op het oog, en niet mr. Boonen. Bij mail van 6 augustus 2019 heeft het hof laten weten dat de beslissing als bedoeld in art. 509a e.v. Sv zo dient te worden gelezen dat deze mr. Boone, en niet mr. Boonen wordt bedoeld.

Op 14 augustus 2019 heeft een volgende zitting plaatsgevonden. Mr. Boone heeft om aanhouding van de zaak gevraagd teneinde in staat te worden gesteld om samen met cliënt het dossier door te nemen en te bezien of verzoeken om nader onderzoek nodig zijn. Het aanhoudingsverzoek is gehonoreerd en er is bepaald dat verzoeken om nader onderzoek uiterlijk 15 september 2019 moeten zijn ingediend. In het proces-verbaal is opgenomen dat mr. Boone “als procesbewaker” dient op te treden “in het geval dat de verdachte zich niet langer wenst te laten bijstaan door mr. Boone en hij zijn eigen verdediging wenst te voeren”. De beslissing als bedoeld in art. 509a e.v. Sv is een dag na de zitting, 15 augustus 2019, ‘opnieuw’ genomen en nu met het verzoek mr. Boone toe te voegen. De inhoud van de beslissing is al volgt: Nu wordt vermoed dat de geestvermogens van de verdachte gebrekkig ontwikkeld of ziekelijk gestoord zijn, en dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen, verzoekt het hof het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand een last tot aanwijzing van mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede, te geven. Voorts is nog bepaald “dat de verdachte niet opnieuw zijn raadsman terzijde kan schuiven of afstand kan doen van zijn recht op rechtsbijstand. De raadsman is bevoegd en gehouden op te treden, ook al geeft verdachte te kennen dat hij geen rechtsbijstand wenst of dat hij zich niet kan verenigen met de wijze waarop de raadsman aan die bijstand invulling geeft.”

7. Op de eerstvolgende zitting, die van 6 november 2019, zijn zowel verdachte als mr. Boone aanwezig. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt in, voor zover hier van belang:

“De voorzitter maakt melding van een aan het gerechtshof gerichte brief van de verdachte van 8 september 2019, in welke brief de verdachte aangeeft dat de samenwerking met mr. J.B. Boone is beëindigd.

De voorzitter deelt mede dat het hof op 15 augustus 2019 een beslissing ex artikel 509a van het Wetboek van Strafvordering op naam van mr. J.B. Boone heeft afgegeven, zodat laatstgenoemde - in het geval dat de verdachte zich niet langer wenst te laten bijstaan door mr. Boone en hij zijn eigen verdediging wenst te voeren - als procesbewaker dient op te treden.

De voorzitter merkt op dat mr. Boone zijn toga niet draagt en hij op de publieke tribune van de zittingszaal heeft plaatsgenomen.

(…)

Daartoe in de gelegenheid gesteld door de voorzitter deelt mr. Boone mede dat hij de zittingszaal om 14:30 uur dient te verlaten.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad. Na hervatting van het onderzoek verklaart de verdachte:

Ik wil niets meer naar voren brengen. Ik zou in herhaling vallen.

De voorzitter onderbreekt daarop het onderzoek voor een pauze.

Na hervatting van het onderzoek om 13:45 uur deelt de voorzitter mede dat - mocht mr. J.B. Boone de zitting vroegtijdig verlaten - zulks in het proces-verbaal zal worden opgenomen.

Met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden legt de verdachte een verklaring af, inhoudende:

(…)

Ik wil weg. Ik heb geen behoefte om het requisitoir van de advocaat-generaal aan te horen. Ik ben er helemaal klaar mee.

De voorzitter vraagt de verdachte of hij op dit moment - gelet op de ontstane situatie - gebruik wil maken van zijn recht het laatst te spreken. De verdachte verklaart:

Mijn laatste woord is het gedicht van Ida Gerhardt waar ik zojuist naar verwezen heb. Ik ben er zo klaar mee.

(…)

De verdachte verlaat de zittingszaal onder begeleiding van de parketpolitie.

Mr. Boone verlaat eveneens de zittingszaal.

De advocaat-generaal voert hierna het woord overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde schriftelijke requisitoir en- draagt de vordering voor.

(…)

Het slachtoffer [betrokkene 1] wenst echter wel gebruik te maken van het spreekrecht en zij wordt daartoe in de gelegenheid gesteld. Zij deelt mede:

De zorg om mijn broer blijft onverminderd. Er is geen enkele vooruitgang in zijn situatie. Het is heel triest. We zijn machteloos.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat uitspraak zal worden gedaan ter openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 november 2019 te 13.30 uur.”

8. Eerst de klacht dat “tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak op 6 november 2019 niet voldaan is aan het vereiste van het vierde lid van art. 311 Sv om verdachte het laatste woord te geven.” De klacht betreft alleen de verdachte. Hem is door de voorzitter niet uitdrukkelijk nog eens de bevoegdheid toebedeeld het laatste woord te voeren. De klacht faalt al omdat het feitelijk onmogelijk is de verdachte zelf bij zijn afwezigheid het laatste woord als bedoeld in art. 311, vierde lid, Sv te laten. Voorts wijs ik er op dat de voorzitter gelet op de beslissing van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep niet verder aanwezig te zijn hem voor zijn vertrek de gelegenheid heeft gelaten te spreken. Daarvan heeft hij gebruik gemaakt, zij op een weinig gebruikelijke wijze. Daarmee heeft de voorzitter in ieder geval getracht te handelen in de geest van art. 311, vierde lid, Sv.

9. En dan nu de klacht dat het hof in strijd met art. 509a Sv2 heeft gehandeld “doordat het hof enerzijds op grond van dat artikel een raadsman (mr. J.B. Boone) heeft benoemd waarbij deze bevoegd en gehouden was de verdediging te voeren, doch anderzijds heeft het hof mr. Boone toegestaan de zittingszaal te verlaten alvorens door de advocaat-generaal het requisitoir is voorgedragen.” Deze klacht lees ik mede in het licht van de toelichting op het middel zo dat in de kern wordt geklaagd dat verdachte ondanks de toepasselijkheid van art. 509a e.v. Sv geen rechtsbijstand is verleend (onder meer) omdat de raadsman de zittingszaal heeft verlaten. Uit het onder randnummer 7 geciteerde deel van het proces-verbaal van de terechtzitting is het volgende af te leiden. Mr. Boone zat zonder toga op de publieke tribune. Hij heeft het woord niet gevoerd en ook geen andere bevoegdheid namens verdachte uitgeoefend. Uit de bewoordingen in de mededeling van de voorzitter van het hof leid ik af dat naar zijn oordeel mr. Boone tijdens de zitting niet (verder) de verdediging voert, maar als procesbewaker dient op te treden. Mr. Boone heeft de zittingszaal voor het requisitoir verlaten.

10. Uiteindelijk is op de zitting in hoger beroep waar de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsvond niet de verdediging gevoerd, maar is er een procesbewaker aangesteld en deze heeft kennelijk tot hij de zitting verliet ook als zodanig gefunctioneerd. De term procesbewaker kent ons Wetboek van Strafvordering niet. Kennelijk is hiermee getracht aansluiting te vinden bij een arrest van de Hoge Raad uit 20093. Dan gaat het namelijk om het optreden van een advocaat die niet de verdediging voert, maar wel de belangen van de verdachte behartigt door als procesvertegenwoordiger toe te zien op de gang van zaken. Ik citeer:

“3.3.1. Art. 6, derde lid onder c, EVRM kent de verdachte het recht toe om zichzelf te verdedigen dan wel zich te laten bijstaan door een advocaat. Die verdragswaarborg komt ook tot uitdrukking in het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge art. 28, eerste lid, Sv is de verdachte bevoegd zich door een of meer gekozen of toegevoegde raadslieden te doen bijstaan. De in dat wetboek voorziene toevoeging van een raadsman aan de verdachte is in een aantal gevallen verplicht, onder meer wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt of heeft bevonden (art. 41 Sv).

3.3.2. Of een verdachte zichzelf ter terechtzitting wil verdedigen dan wel zich wil laten verdedigen door een raadsman, is ter vrije keuze van de verdachte. Dat geldt ook indien aan de verdachte een raadsman is toegevoegd. De wet voorziet niet in de mogelijkheid dat een (toegevoegde) raadsman daadwerkelijk optreedt in het geval de verdachte ervoor kiest zichzelf te verdedigen en dus afstand doet van het recht op rechtsbijstand. De wet kent dus niet de mogelijkheid van rechtsbijstand tegen de wil van de verdachte. In dat verband verdient nog opmerking dat ingevolge Regel 9 van de voor advocaten geldende Gedragsregels 1992 het advocaten niet is toegestaan om handelingen te verrichten tegen de kennelijke wil van hun cliënt.

3.3.3. Voor enkele gevallen heeft de wetgever dat stelsel doorbroken. Zo komen, indien de verdachte de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, alle aan de verdachte toekomende bevoegdheden ook toe aan zijn raadsman (art. 503, eerste lid, Sv). Hetzelfde geldt ten aanzien van de berechting van een verdachte bij wie een zodanige gebrekkige ontwikkeling in of ziekelijke stoornis van de geestvermogens wordt vermoed dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen (art. 509a in verbinding met art. 509d, derde lid, Sv). In die gevallen is geen plaats voor afstand van het recht op rechtsbijstand.

De raadsman is dan bevoegd en gehouden op te treden, ook al geeft de verdachte te kennen dat hij geen rechtsbijstand wenst of zich niet kan verenigen met de wijze waarop de raadsman aan die bijstand invulling geeft.”

11. Ik lees rechtsoverweging 3.3.3. zo dat in een geval als hier thans aan de orde afstand van rechtsbijstand geen betekenis heeft. De aangewezen advocaat kan en moet de verdediging voeren en de bevoegdheden uitoefenen die aan de verdachte toekomen (art. 509d, derde lid, Sv). Zowel het hof als de ter terechtzitting aanwezige raadsman heeft daarover kennelijk anders gedacht. Uit het proces-verbaal van de zitting valt niet af te leiden dat de raadsman het woord ter verdediging heeft gevoerd. Het plaatsnemen op de publieke tribune, het niet dragen van een toga en het vertrek uit de zittingszaal voor het requisitoir wijzen er eveneens op dat de raadsman de verdediging niet heeft gevoerd. Dat had echter wel gemoeten.

12. Voor zover het middel dus klaagt over de wijze waarop het hof invulling heeft gegeven aan art. 509a e.v. Sv, is het terecht voorgesteld.

13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De wijzigingen in het eerste lid op 1 januari 2020 zijn niet relevant voor de onderhavige zaak.

2 De schriftuur besteedt geen aandacht aan de vraag of art. 509b, tweede lid, Sv van toepassing is zodat de beslissing van het gerecht als bedoeld in art. 509a Sv niet aan enig rechtsmiddel is onderworpen. Nu tegen de eindbeslissing (het arrest van het hof van 20 november 2019) beroep is ingesteld is dat in het licht van HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0444 geen probleem nu de Hoge Raad kennelijk geen redenen zag om het vierde voorgesteld middel niet inhoudelijk, zij het met art. 81, eerste lid, RO, af te doen. Zie de opmerkingen van de AG bij de Hoge Raad in zijn conclusie onder punt 27.

3 HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2315, NJ 2010/143 m.nt. Schalken.