Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1239

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-11-2020
Datum publicatie
19-01-2021
Zaaknummer
19/02673
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:70
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verdachte n-o, niet (tijdig) middelen ingediend. Samenhang met 19/02582, 19/02584, 19/02643 en 19/02645.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02673

Zitting 17 november 2020

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 22 mei 2019 door het gerechtshof Den Haag wegens 1 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, 3 “diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” en 11 “diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming”, veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest omschreven. Tot slot heeft het hof ten aanzien van een inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp de teruggave aan [betrokkene 1] gelast.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/02582, 19/02584, 19/02643 en 19/02645. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Namens de verdachte heeft mr. M.J.A. Bakker, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 8 mei 2020 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie wordt ingediend. De schriftuur is echter eerst bij de Hoge Raad ingekomen op 17 juli 2020.1

5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Namens de verdachte is op 3 juli 2020 weliswaar een schriftuur bij de Hoge Raad ingekomen waarop het zaaknummer van de onderhavige zaak was vermeld, maar deze schriftuur bleek middelen te bevatten, gericht tegen een arrest van gerechtshof Den Haag van 27 mei 2019. Die zaak is bij de Hoge Raad geregistreerd als 19/02700.