Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1225

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-11-2020
Datum publicatie
25-01-2021
Zaaknummer
17/05492
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:67
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Opiumwetdelicten; productie van en handel in synthetische drugs in georganiseerd verband vanuit verschillende locaties in Heerlen en Kerkrade in 2011. Taakstrafverbod, art. 22b Sr. Gelet op overgangsbepaling in wet van 17 november 2011 (Stb. 2012, 1), inhoudende dat deze wet geen gevolgen heeft voor feiten die zijn begaan voor i.w.tr. van deze wet, en in aanmerking genomen dat de bewezenverklaarde feiten voor 3 januari 2012 (datum i.w.tr. van deze wet) zijn begaan, heeft hof miskend dat art. 22b Sr buiten toepassing dient te blijven. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Nu het hof als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat een taakstraf hoe dan ook niet passend is, moet de overweging van het hof over de toepasselijkheid van art. 22b Sr als een overweging ten overvloede worden gezien, zodat verdachte geen belang heeft bij zijn klacht. Samenhang met 17/05469.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 17/05492

Zitting 17 november 2020

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 10 november 2017 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. “medeplegen van handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 3 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, 4 “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”, 5 “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit” en 6 “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde of vijfde lid, en 10a, eerste lid, van de Opiumwet” veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de teruggave aan de verdachte gelast van in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 17/05469. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel klaagt over de motivering van het onder 2 bewezenverklaarde, omdat – verbeterd gelezen – het hof met onvoldoende mate van nauwkeurigheid heeft aangegeven waaraan het heeft ontleend dat de politie aanneemt dat ‘twee flessen Bacardi’ gaat over methanol en dat “Volgens de politie (…) met Baco methanol (wordt) bedoeld”.

  5. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 29 maart 2011 tot en met 14 juni 2011 in de gemeente Heerlen en in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk heeft bereid en verwerkt en afgeleverd en vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA en amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I”.

6. In zijn (op Promis-wijze gemotiveerde) arrest heeft het hof met betrekking tot het bewijs – voor zover voor de bespreking van het middel van belang – het volgende overwogen (vet en onderstreept in origineel en met weglating van voetnoten):

“Het hof zal in navolging van de rechtbank eerst de in het dossier opgenomen zaakdossiers bespreken voor zover die relevant zijn in de zaak van [verdachte]. Omdat verschillende feiten en omstandigheden voorkomen in de verschillende zaakdossiers, kan het zijn dat enige dubbele vermeldingen te vinden zijn.

Het hof zal na de bespreking van de zaakdossiers daaraan conclusies verbinden met betrekking tot de aan [verdachte] tenlastegelegde feiten.

[…]

Zaakdossier 2

Dit dossier betreft het vermoeden van een productie- en opslaglocatie voor synthetische verdovende middelen op het adres [a-straat 1] te Heerlen.

[…]

Op 16 maart 2011 spreken [betrokkene 1] en [verdachte] over twee flessen Bacardi voor 'die ander'. [betrokkene 1] zegt 'Weetje wel. Hij had me gevraagd of ik hem twee liter, twee flessen Bacardi kon geven, weetje wel, waar wij voor bij die eerste vriend waren.' De politie neemt aan dat dit over methanol gaat, dat kan worden gebruikt bij het kristalliseren van amfetamineolie.

[…]

Op 20 april 2011 belt [verdachte] naar [medeverdachte]. [medeverdachte] zegt dat hij daarachter is geweest voor die Baco, maar die hebben ze deze week niet geleverd, die krijgen ze pas dinsdag, maar hij heeft hem besteld. Volgens de politie wordt met Baco methanol bedoeld.

[…]

Zaakdossier 4

In zaakdossier 4 wordt het vermoeden beschreven inzake het gebruik van de woning van [betrokkene 11] ([g-straat 1] te Kerkrade) als bereidings- en opslaglocatie van verdovende middelen.

[…]

Op 17 mei 2011 vindt er tussen 14.23 uur en 14.43 uur sms-verkeer plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte]. [verdachte] vraagt aan [medeverdachte] hem 'baco' te brengen op de plaats. [medeverdachte] antwoordt dat hij er aankomt, waarop [verdachte] zegt dat hij achterom kan komen.

Uit de peilbakengegevens komt naar voren dat de auto van [medeverdachte] zich op 17 mei 2011 tussen 14.44 uur en 15.00 uur bevindt aan de [h-straat] te Kerkrade, in de onmiddellijke omgeving van de [g-straat] en nabij de achteringang van de [g-straat 1] te Kerkrade.

Op 20 mei 2011 sms't [verdachte] om 10.49 uur aan [medeverdachte] en vraagt hem: 'baco en een schoenendoos mee te nemen'. Uit de peilbakengegevens komt naar voren dat de auto van [medeverdachte] zich op 20 mei 2011 rond 12.05 uur bevindt aan de [g-straat] te Kerkrade.

Op 24 mei 2011 sms't [medeverdachte] om 12.35 uur aan [verdachte]: 'He jongen heb baco gehaald groetjes'.

Uit de peilbakengegevens blijkt dat de auto van [medeverdachte] op 24 mei 2011 rond 11.00 uur is gestopt in de omgeving van de [i-straat] te [plaats].

Verbalisanten relateren dat in de onmiddellijke omgeving van deze 'stop' een winkel is gelegen waarvan bij de Belgische politie bekend is dat hier grondstoffen worden verkocht voor de productie van verdovende middelen. Onder andere worden op deze locatie literflessen methanol verkocht.

In het kader van een rechtshulpverzoek aan België is op 14 oktober 2011 [betrokkene 12] gehoord. Zij werkt in Doe-het-zelf-shop [A], gevestigd te [plaats], [i-straat 1]. In deze winkel wordt methanol verkocht in bussen van vijf liter en in bussen van één liter. Als haar foto's worden getoond herkent zij [medeverdachte] als een klant van de zaak, die bij hen meermalen methanol heeft gekocht. [medeverdachte] wilde ook meer liters methanol bestellen, hetgeen niet mogelijk was. [medeverdachte] kwam, vrij snel nadat de winkel was beleverd, de hele voorraad opkopen.

3 juni 2011

[…]

Op 3 juni 2011 om 09.31 uur sms't [verdachte] naar [medeverdachte]: 'goeie morgen, kan je me baco brengen en een schoenendoos vandaag is 12.15'.

7 juni 2011

[…]

Op 6 juni 2011 om 10.27 uur belt [verdachte] met een Duitssprekende man, die tegen [verdachte] zegt: 'morgen om 10 over 12 bij het stadion', 'is goed' zegt [verdachte]. Op diezelfde dag om 18.06 uur stuurt [verdachte] een sms-bericht naar [medeverdachte] en vraagt hem of hij morgenvroeg om 11 uur drie flessen baco kan brengen.

[…]

Zaakdossier 7

In het zaakdossier 7 […] wordt het onderzoek beschreven betreffende de deelneming aan een criminele organisatie.

[…]

Cryptisch taalgebruik

Onder het tussenkopje 'Cryptisch taalgebruik' wordt erop gewezen dat uit eerdere onderzoeken bekend is dat in het kader van de handel in verdovende middelen versluierd taalgebruik wordt gebezigd. Zo zou de mogelijke betekenis van 'Baco' methanol zijn. In een gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte] van 20 mei 2011 wordt over het meenemen van 'baco' gesproken. In een gesprek tussen beiden van 24 mei 2011 over het halen van 'baco'. Uit onderzoek is gebleken dat de auto van [medeverdachte] op dezelfde dag in de buurt van een winkel is gestopt, waar hij meermalen methanol heeft gekocht.”

[…]

Conclusies

[…]

Met betrekking tot feit 2:

Het hof concludeert evenals de rechtbank uit hetgeen hiervoor met betrekking tot zaakdossier 4 is vermeld dat [betrokkene 11] zijn woning ter beschikking heeft gesteld aan [verdachte] en de zijnen, om aldaar amfetamine te bereiden of te verwerken. Dat er ook daadwerkelijk een deel van het productieproces plaatsvond blijkt uit de verschillende sms-berichten die tussen [verdachte] en [medeverdachte] werden verstuurd (bijvoorbeeld op 17 mei 2011, op 20 mei 2011 en 3 juni 2011), waarin [medeverdachte] wordt opgedragen 'baco' naar [verdachte] te brengen en op basis van de daarop volgende observaties waarbij wordt waargenomen dat [medeverdachte] telkens na zo'n sms'je te hebben ontvangen met zijn auto naar het adres aan de [g-straat 1] te Kerkrade gaat, om aldaar spullen af te leveren. Tot bewijs draagt verder bij hetgeen in de woning van [betrokkene 11] is aangetroffen. Behalve grondstoffen voor het verwerken van amfetamine in de kelder werden in het tuinhuisje en de tuin ook afval en restproducten gevonden.

[…]”

7. Het middel behelst de klacht dat het hof ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde niet met voldoende mate de wettige bewijsmiddelen heeft aangegeven waaraan is ontleend dat de politie aanneemt dat met ‘Bacardi’ en met ‘Baco’ methanol wordt bedoeld. Daartoe wordt aangevoerd dat het (Promis)arrest van het hof – voor zover hier van belang – (slechts) het volgende inhoudt:

“Door het hof gebruikte bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

(…)

Op 16 maart 2011 spreken [betrokkene 1] en [verdachte] over twee flessen Bacardi voor 'die ander'. [betrokkene 1] zegt 'Weetje wel. Hij had me gevraagd of ik hem twee liter, twee flessen Bacardi kon geven, weetje wel, waar wij voor bij die eerste vriend waren.1 De politie neemt aan dat dit over methanol gaat, dat kan worden gebruikt bij het kristalliseren van amfetamineolie.

(…)

Op 20 april 2011 belt [verdachte] naar [medeverdachte]. [medeverdachte] zegt dat hij daarachter is geweest voor die Baco, maar die hebben ze deze week niet geleverd, die krijgen ze pas dinsdag, maar hij heeft hem besteld.2 Volgens de politie wordt met Baco methanol bedoeld.”

8. Het middel gaat er kennelijk, maar ten onrechte, vanuit dat nu de laatste zin in beide citaten in de bewijsoverwegingen niet zijn voorzien van een voetnoot, niet blijkt aan welk wettig bewijsmiddel het hof heeft ontleend dat met ‘Bacardi’ en ‘Baco’ methanol wordt bedoeld. Uit het bestreden arrest – zie (onder meer) de hiervoor geciteerde delen daarvan – blijkt dat verschillende zaakdossiers die deel uitmaken van het onderliggende strafdossier de schriftelijke weergave van telefoongesprekken, alsmede de tekst van sms-berichten bevatten, waarin wordt gesproken over ‘bacardi’ of ‘baco’s’. Het arrest verwijst vervolgens onder het kopje “Door het hof gebruikte bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs” naar een stamproces-verbaal van zaakdossier 7 van 18 januari 2012, waarin op p. 1749-1750 wordt gewezen op versluierd taalgebruik dat in het kader van de handel in verdovende middelen wordt gebezigd. Daarin wordt vervolgens gerelateerd dat de mogelijke betekenis van ‘Baco’ methanol zou zijn en daaraan wordt toegevoegd:

“In een gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte] van 20 mei 2011 wordt over het meenemen van 'baco' gesproken. In een gesprek tussen beiden van 24 mei 2011 over het halen van 'baco'. Uit onderzoek is gebleken dat de auto van [medeverdachte] op dezelfde dag in de buurt van een winkel is gestopt, waar hij meermalen methanol heeft gekocht.”

9. Gelet op het voorgaande, is het middel dat klaagt dat het onder 2 bewezenverklaarde ontoereikend is gemotiveerd, gebaseerd op een te beperkte lezing van het bestreden arrest. Daarbij ga ik er – als feit van algemene bekendheid – vanuit dat ‘baco’ een afkorting is voor ‘bacardi-cola’.

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel klaagt over de ontoereikende motivering van de strafoplegging en valt uiteen in twee deelklachten. Allereerst wordt geklaagd dat het hof heeft overwogen dat het opleggen van een taakstraf gelet op het taakstrafverbod van art. 22b, tweede lid, Sr niet mogelijk is, terwijl de bewezenverklaarde feiten zijn begaan vóór de inwerkingtreding van voormelde bepaling. Voorts wordt geklaagd dat het hof heeft overwogen dat de verdachte kwetsbare mensen heeft betrokken bij de bewezenverklaarde overtredingen van de Opiumwet, terwijl van deze omstandigheid niet uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

12. Het bestreden arrest bevat, voor zover van belang, de volgende strafmaatoverweging:

“Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich gedurende ruim zes maanden schuldig gemaakt aan overtredingen van de Opiumwet. Verdachte was de leider van een organisatie die zich bezighield met de productie van synthetische drugs. Verdachte heeft daar kwetsbare mensen bij betrokken. Binnen de organisatie werd gebruik gemaakt van verschillende opslag- en productieplaatsen. Verdachte heeft daarnaast samen met anderen drugstransporten naar Duitsland gefaciliteerd. Het ging daarbij om een groot aantal kilo's. Ook had verdachte harddrugs voorhanden.

Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs grote gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van overlast en criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Daarnaast is het grensoverschrijdende transport van verdovende middelen een groot probleem. Dat geldt in het bijzonder voor de regio Zuid-Limburg. Als gevolg van de geografische ligging tussen België en Duitsland, is transport vanuit deze regio naar het buitenland relatief gemakkelijk te doen. Omdat de prijsverschillen tussen Nederland en de ons omringende landen naar bekend is aanzienlijk zijn, kan veel geld verdiend worden met dergelijke transporten. Verdachte heeft slechts uit oogpunt van geldelijk gewin deze strafbare feiten gepleegd.

Uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 7 augustus 2017, de verdachte betreffend, blijkt dat hij al meermalen onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet. Bij die veroordelingen is aan verdachte een taakstraf opgelegd, maar ook gevangenisstraffen van aanzienlijke duur. Deze straffen hebben kennelijk weinig indruk op verdachte gemaakt, omdat hij na zijn vrijlating zijn criminele activiteiten gewoon weer heeft voortgezet.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het vorenstaande en gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die on voorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Op dezelfde gronden kan in beginsel niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd.

Een taakstraf als door de verdediging verzocht is op grond van het taakstrafverbod van art. 22b, tweede lid, aanhef en onder a en b, Sr. niet mogelijk, omdat aan verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane feiten wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd (bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 10 november 2008, parketnummer 03-640343-08) en verdachte deze taakstraf heeft verricht. Een taakstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in art. 22b lid 3 Sr. is niet aan de orde, omdat dat naar het oordeel van het hof onvoldoende recht zou doen aan de ernst, de veelheid en de duur van de feiten.

[…]”

13. Art. 22b (oud) Sr luidde in de periode van 3 januari 2012 tot 1 januari 2020 aldus:

“1. Een taakstraf wordt niet opgelegd in geval van veroordeling voor:

a. een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad;

b. een van de misdrijven omschreven in de artikelen 181, 240b, 248a, 248b, 248c en 250.

2. Een taakstraf wordt voorts niet opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien:

1° aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en

2° de veroordeelde deze taakstraf heeft verricht dan wel op grond van artikel 22g de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.

3. Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.”3

14. Sinds de inwerkingtreding op 3 januari 2012 van de Wet beperking oplegging taakstraf4 wordt de rechter in de in art. 22b Sr bepaalde gevallen beperkt in de mogelijkheid om een “kale” taakstraf op te leggen. Aldus is er volgens de Memorie van Toelichting sprake van verandering in de wetgeving als bedoeld in art. 1, tweede lid, Sr en bepaalt artikel II van de Wet beperking oplegging taakstraf dat deze wet geen gevolgen heeft voor feiten die zijn begaan voor de inwerkingtreding van deze wet.5 Het nieuwe art. 22b Sr is daarmee niet van toepassing op strafbare feiten die zijn begaan vóór 3 januari 2012.

15. De verdediging heeft het hof bij pleidooi verzocht aan de verdachte (uitsluitend) een taakstraf van in totaal 1.440 uren (bestaande uit 240 uren per feit) op te leggen. Het hof is aan dit verzoek voorbij gegaan en heeft daartoe overwogen dat de door de verdediging verzochte taakstraf op grond van het taakstrafverbod van art. 22b, tweede lid, aanhef en onder a en b, Sr niet mogelijk is, omdat aan de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane feiten wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd (bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 10 november 2008, parketnummer 03-640343-08) en de verdachte deze taakstraf heeft verricht.6 Daarnaast heeft het hof overwogen dat een taakstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in art. 22b, derde lid, Sr ook niet aan de orde is, omdat dat naar het oordeel van het hof onvoldoende recht zou doen aan de ernst, de veelheid en de duur van de feiten.

16. De steller van het middel voert aan dat alle door het hof bewezenverklaarde feiten zijn begaan vóór de inwerkingtreding van het taakstrafverbod op 3 januari 2012, waardoor de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd. Deze klacht is terecht voorgesteld, nu het hof heeft overwogen dat het taakstrafverbod van art. 22b, tweede lid, aanhef en onder a en b, Sr aan de oplegging een taakstraf in de weg staat, terwijl alle bewezenverklaarde feiten vóór 16 juni 2011, en daarmee vóór de inwerkingtreding van art. 22b Sr, zijn begaan en daarop dus niet van toepassing is. Dit leidt bij gebrek aan belang evenwel niet tot cassatie, omdat het hof tevens heeft overwogen dat een taakstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf of maatregel naar het oordeel van het hof onvoldoende recht zou doen aan de ernst, de veelheid en de duur van de feiten. In dit oordeel ligt besloten dat een en ander ook in de weg staat aan het opleggen van uitsluitend een taakstraf.

17. Het middel is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie.

18. De tweede deelklacht richt zich tegen de overweging van het hof dat de verdachte kwetsbare mensen heeft betrokken bij de productie van synthetische drugs, nu daarvan niet uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ik ben het met de steller van het middel eens dat dit uit (de stukken van) het onderzoek ter terechtzitting niet zonder meer kan volgen. Uit het requisitoir van de officier van justitie blijkt weliswaar dat (bijvoorbeeld) de medeverdachte [betrokkene 11], die ook deel uit maakte van de criminele organisatie van de verdachte, geen strafblad had en volgens de reclassering “gevoelig was voor intimidatie en bedreiging waarmee men hem zou hebben gedwongen MDMA in zijn woning op te slaan en te verwerken”,7 maar of de bestreden overweging van het hof daarop ziet heeft het hof niet (voldoende) duidelijk gemaakt. Dat hoeft mijns inziens echter opnieuw niet tot cassatie te leiden. Ook als de gewraakte zinsnede uit de strafmotivering zou worden weggelaten, is de opgelegde straf voldoende gemotiveerd. Het hof heeft bij de oplegging van die straf immers (uitgebreid gemotiveerd) betrokken de ernst van het door de verdachte strafbare feit, eerdere door hem gepleegde vergelijkbare strafbare feiten, zijn persoonlijke omstandigheden en de (overschrijding van de) redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Daarom meen ik dat de verdachte geen rechtens te respecteren belang heeft bij het voorgestelde middel.

19. Het tweede middel is terecht voorgesteld, maar kan niet tot cassatie leiden.

20. Het derde middel behelst de klacht dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Aangevoerd wordt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden en dat voorts de Hoge Raad niet binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep arrest zal wijzen.

21. Namens de verdachte is op 17 november 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 20 april 2020 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden met 1 jaar en negen maanden is overschreden. Voorts verliep de termijn om binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep arrest te wijzen op 17 november 2019. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zes jaren.

22. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan de art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het tweede middel is terecht voorgesteld, maar kan niet tot cassatie leiden. Het derde middel slaagt.

23. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf wegens de geconstateerde inbreuk op het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Stamproces-verbaal d.d. 18 januari 2012, p. 758.

2 Stamproces-verbaal d.d. 18 januari 2012, p. 784.

3 Sinds 1 januari 2020 verwijst art. 22b, tweede lid, onder 2° Sr niet langer naar art. 22g Sv, maar naar art. 6:3:3 Sv.

4 Stb. 2012, 1.

5 Zie: Kamerstukken II 2009/10, 32169, nr. 3, p. 12.

6 Waarop het middel de klacht baseert dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 augustus 2017 blijkt deze taakstraf niet zou zijn verricht, is mij niet duidelijk. Een blik over de papieren muur leert dat uit voornoemde documentatie (slechts) blijkt dat de politierechter te Maastricht bij beslissing van 10 november 2008 (parketnummer 03-640343-08) de verdachte – onder meer – een werkstraf van 100 uren heeft opgelegd en dat die straf op 25 november 2008 onherroepelijk is geworden.

7 Zie het aan het proces-verbaal van de terechtzittingen van het hof van 6 oktober 2017 en 30 oktober 2017 gehecht requisitoir van de advocaat-generaal, p. 36.