Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1224

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-11-2020
Datum publicatie
25-01-2021
Zaaknummer
17/05469
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:66
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Opiumwetdelicten; productie van en handel in synthetische drugs in georganiseerd verband vanuit verschillende locaties in Heerlen en Kerkrade in 2011. Taakstrafverbod, art. 22b Sr. Gelet op overgangsbepaling in wet van 17 november 2011 (Stb. 2012, 1), inhoudende dat deze wet geen gevolgen heeft voor feiten die zijn begaan voor i.w.tr. van deze wet, en in aanmerking genomen dat de bewezenverklaarde feiten voor 3 januari 2012 (datum i.w.tr. van deze wet) zijn begaan, heeft hof miskend dat art. 22b Sr buiten toepassing dient te blijven. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Nu het hof als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat een taakstraf hoe dan ook niet passend is, moet de overweging van het hof over de toepasselijkheid van art. 22b Sr als een overweging ten overvloede worden gezien, zodat verdachte geen belang heeft bij zijn klacht. Samenhang met 17/05492.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 17/05469

Zitting 17 november 2020

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 10 november 2017 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 3 “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit” en 4 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde of vijfde lid, en 10a, eerste lid, van de Opiumwet”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof een inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, verbeurd verklaard.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 17/05492. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Deze zaak gaat – kort gezegd – om de productie en handel in synthetische drugs in georganiseerd verband vanuit verschillende locaties in Heerlen en Kerkrade. De verdachte in de onderhavige zaak maakte deel uit van de zogenoemde “organisatie [medeverdachte] ”. De medeverdachte [medeverdachte] stond aan het hoofd van deze organisatie.

  5. Het eerste, tweede en derde middel klagen over het onder 2 bewezenverklaarde feit. Ten behoeve van de leesbaarheid van deze conclusie zal ik ten aanzien van dit feit eerst de bewezenverklaring en – voor zover relevant – de bewijsoverwegingen van het hof weergegeven.

  6. Ten laste van de verdachte is onder bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 29 maart 2011 tot en met 14 juni 2011 in de gemeente Heerlen en in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk heeft bereid en verwerkt en afgeleverd en vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA en amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;”

7. In zijn op Promis-wijze gemotiveerde arrest heeft het hof hieromtrent en voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, het volgende overwogen (onderstreept, vetgedrukt en cursief in het origineel en met weglating van voetnoten):

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Het hof zal in navolging van de rechtbank eerst de in het dossier opgenomen zaakdossiers bespreken voor zover die relevant zijn in de zaak van [verdachte] . Omdat verschillende feiten en omstandigheden voorkomen in de verschillende zaakdossiers, kan het zijn dat enige dubbele vermeldingen te vinden zijn.

Het hof zal na de bespreking van de zaakdossiers daaraan conclusies verbinden met betrekking tot de aan [verdachte] tenlastegelegde feiten.

(…)

Zaakdossier 2

Dit dossier betreft het vermoeden van een productie- en opslaglocatie voor synthetische verdovende middelen op het adres [a-straat 1] te Heerlen.

(…)

Op 16 maart 2011 spreken [betrokkene 1] en [medeverdachte] over twee flessen Bacardi voor 'die ander'. [betrokkene 1] zegt 'Weetje wel. Hij had me gevraagd of ik hem twee liter, twee flessen Bacardi kon geven, weetje wel, waar wij voor bij die eerste vriend waren.' De politie neemt aan dat dit over methanol gaat, dat kan worden gebruikt bij het kristalliseren van amfetamineolie.

Op 29 maart 2011 wordt geobserveerd bij de [a-straat] . Gezien wordt dat een man die later herkend wordt als [verdachte] een witte plastic draagtas uit zijn Opel Corsa pakt en aan [betrokkene 1] geeft. [medeverdachte] en [betrokkene 1] lopen daarna naar de flat aan de [a-straat] waar de nummers [a-straat 1-7] zijn gelegen, gaan aan de achterzijde naar binnen en komen even later weer aan de achterzijde naar buiten.

(…)

Op 5 april 2011 doet de politie de volgende observaties. De Opel Corsa die op naam van [verdachte] staat, komt om vijf over twee 's middags aan bij de [a-straat] . De bestuurder wordt van een foto herkend als [verdachte] . Twee minuten later komt [medeverdachte] uit de toegangsdeur van de flats [a-straat 1-7] . Hij heeft een bigshopper van Albert Heijn bij zich, die niet al te zwaar lijkt. [medeverdachte] legt de bigshopper in de kofferbak van de Corsa en stapt als bijrijder in, waarna de auto wegrijdt. Een kwartier later ziet de politie [medeverdachte] uit de auto stappen. De auto met alleen bestuurder [verdachte] rijdt verder. Om vijf over half drie ziet men dat de Opel Corsa via de Nieuwstraat in Kerkrade en de Kohlbergstrasse in Herzogenrath de grens overgaat naar Duitsland.

(…)

Op 11 april 2011 belt [medeverdachte] in de ochtend met [verdachte] , hij heeft hem nog nodig. [verdachte] moet werken van één tot zes.

Om 17.00 uur die dag ziet men dat [medeverdachte] met ene [betrokkene 2] diens gelijknamige tabakswinkel binnengaat. Om 17.30 uur gaat [medeverdachte] naar buiten, hij loopt te bellen en heeft een rood-geel gekleurde plastic zak met het opschrift 'snack' bij zich. Om 17.36 uur legt hij die tas in de kofferbak van een Toyota Aygo ( [kenteken 1] ), waarna hij met die auto wegrijdt. Een soortgelijke plastic zak is op 8 mei 2011 aangetroffen op de [a-straat 1] .

Om 18.56 uur ontvangt [medeverdachte] een bericht op zijn telefoon van [verdachte] dat deze 10 minuten later zal zijn. Om 19.07 uur belt een Duitssprekende man – met het telefoonnummer dat aan de 'Velgenman' wordt gekoppeld – naar [medeverdachte] met de vraag of hij zich in de dag vergist heeft? Nee,' zegt [medeverdachte] , 'vandaag', en hij gaat hem bellen.

Om 19.09 uur volgt nog een gesprek tussen [medeverdachte] en de Duitssprekende man waarbij [medeverdachte] zegt dat 'die' tien minuten vertraging had. Om 19.10 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte] om te zeggen dat hij er is. [medeverdachte] zegt: 'Dat weet ik, hij heeft mij gebeld.

Op 12 april 2011 belt [medeverdachte] naar [verdachte] . Hij vraagt of hij [verdachte] om kwart voor twee kan zien 'bij de A, bij de ek'. [verdachte] zegt dat het goed is. Ze zien elkaar daar. De observanten zien dat [medeverdachte] en [betrokkene 3] om 13.40 uur bij de flat aan de [a-straat] naar buiten komen. [medeverdachte] draagt een witte draagzak. [verdachte] komt om 13.43 uur met zijn auto ter plaatse en parkeert die vóór de Toyota Aygo. [medeverdachte] pakt een blauwe bigshopper met witte strepen vanaf de bijrijdersplaats van de Aygo en legt die in de kofferbak van de auto van [verdachte] .

Verbalisanten merken nog op dat een soortgelijk bigshopper op 15 juni 2011 bij [betrokkene 4] is aangetroffen met amfetamine erin.

Om 14.08 uur zien de observanten dat de auto van [verdachte] de Nederlands-Duitse grens overgaat in Kerkrade. Op de [b-straat] in Aken, het is dan 14.20 uur, verliezen de observanten de auto uit het oog. De verbalisanten verwijzen naar het aantreffen van een Actiontas met verdovende middelen in een garage aan de [b-straat] te Aken op 15 juni 2011, naar aanleiding van de aanhouding van [betrokkene 4] . Later in de middag probeert [medeverdachte] nog contact te krijgen met [verdachte] en met de telefoon die op naam staat van […] [betrokkene 5] .

Op 16 april 2011 belt [medeverdachte] naar [verdachte] en vraagt of hij kan komen. [verdachte] komt eraan en weet waar hij moet zijn. Even later belt [medeverdachte] weer en zegt dat [verdachte] even naar boven moet komen, dan maakt [medeverdachte] de deur open. (…)

Op 18 april 2011 belt [medeverdachte] naar [verdachte] om af te spreken dat [verdachte] morgen iets moet wegbrengen. Om zeven uur moet hij ergens zijn.

Op 19 april 2011 om 19.10 uur heeft [medeverdachte] contact met een Duitssprekende man. Deze man zegt dat 'hij' niet aangekomen is. [medeverdachte] had met 'hem' een afspraak om 8 uur, maar 'hij' heeft niets teruggestuurd. Volgens [medeverdachte] is er iets gebeurd. Om 19.11 uur belt [medeverdachte] naar [verdachte] . [medeverdachte] zegt dat iemand hem de hele dag nog niets heeft teruggestuurd. Hij vindt het een beetje raar. [verdachte] zegt dat hij daar wel even wacht.

Om 19.53 uur wordt [medeverdachte] gebeld door een NN-man, vanaf het Spaanse nummer dat gebruikt wordt door de 'Velgenman'. [medeverdachte] vraagt of hij om 8 uur daar is. 'Jij zei toch 8 uur,' vraagt de NN-man. [medeverdachte] zegt '7'. De NN-man zegt dat hij dan weer weg is. [medeverdachte] zegt: 'Nee, hij komt.' De NN-man zal wachten. Hij zegt dat hij volgende week, donderdag of vrijdag, komt.

Om 19.55 uur sms't [medeverdachte] naar [verdachte] 'Hij is daar', waarop [verdachte] terug sms't: 'OKE', gevolgd om 20.13 uur door een sms: 'Ik zie hem niet jongen'. [medeverdachte] belt daarop direct naar de NN-man (Velgenman) met de vraag waar hij is, want 'hij' ziet hem niet. De NN-man zegt dat hij hem ook niet ziet.

Om 20.23 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte] dat 'alles Paletti' is. De ander zal volgende week vrijdag naar [medeverdachte] toekomen.

Op 20 april 2011 belt [medeverdachte] naar [verdachte] . [verdachte] zegt dat hij daarachter is geweest voor die Baco, maar die hebben ze deze week niet geleverd, die krijgen ze pas dinsdag, maar hij heeft hem besteld. Volgens de politie wordt met Baco methanol bedoeld.

Op 1 mei 2011 belt [medeverdachte] 's ochtends tegen 11 uur naar [verdachte] en vraagt of [verdachte] naar [medeverdachte] toe kan komen. [verdachte] vindt dat geen probleem en komt tegen 12 uur.

(…)

Uit een kassabon gedateerd 5 mei 2011, die is gevonden bij de doorzoeking van de woning aan de [a-straat 1] , blijkt van aankopen bij de Action op 5 mei 2011. Op opgevraagde camerabeelden is te zien dat [verdachte] deze aankopen heeft gedaan. Het gaat om Actiontassen, verfrollers en bakjes. Deze goederen zijn ook (deels) aangetroffen bij de doorzoeking van de [a-straat 1] .

(…)

Op 6 mei 2011 belt [verdachte] tegen half 10 in de ochtend naar [medeverdachte] . Ze spreken af dat [verdachte] zich om 11 uur na zijn werk bij [medeverdachte] zal melden.

(…)

De verbalisanten zien dat de Toyota Aygo met daarin [medeverdachte] naar de [c-straat] in Heerlen rijdt. Daar zien de verbalisanten dat [medeverdachte] uit de auto stapt, de zojuist gekochte emmers uit de auto pakt en naar de achterzijde van het appartementencomplex [a-straat 1-7] loopt en daar naar binnengaat. De auto van [verdachte] (Opel Corsa) staat geparkeerd op de [a-straat] , ter hoogte van het hetzelfde appartementencomplex.

(…)

Iets na 12 uur zien de verbalisanten [verdachte] uit het appartementencomplex komen. Hij heeft een tas of een koffer bij zich, die hij in de kofferbak van zijn auto legt. Daarna rijdt hij weg.

(…)

Om kwart voor 2 zien de verbalisanten dat [verdachte] uit de woning aan de [d-straat 1] te Kerkrade komt. [medeverdachte] komt ook naar buiten met twee vuilniszakken en hij legt die in de kofferbak van de auto van [verdachte] . [verdachte] rijdt daarop weg.

(…)

Op 7 mei 2011 belt [verdachte] naar [medeverdachte] . Ze spreken af elkaar te treffen bij de A. Bij de Action ziet de verbalisant [medeverdachte] bij [verdachte] in de auto stappen. De auto rijdt naar de [e-straat] . Van daaruit loopt [medeverdachte] naar de achterzijde van de woningen aan de [f-straat] waaronder [f-straat 1] . [verdachte] zet het kofferdeksel van zijn auto open. Even later ziet de verbalisant de auto van [verdachte] weer bij de Action. [medeverdachte] loopt weer naar de achterzijde van de flat aan de [a-straat] , [verdachte] parkeert zijn auto aan de voorzijde.

(…)

Verschillende buren van [betrokkene 6] hebben verklaringen afgelegd over wat zij rond de woning aan de [a-straat 1] hebben gezien. [betrokkene 7] , wonend op [a-straat 2] , heeft verklaard dat hij veel geluidsoverlast van [betrokkene 6] heeft gehad. Sinds enkele jaren kreeg [betrokkene 6] veel bezoek. [betrokkene 6] werkt overdag in de bouw. Bij zijn thuiskomst stonden de eerste personen in auto's te wachten voor [betrokkene 7] ' appartement. [betrokkene 7] heeft de laatste maanden kentekens genoteerd, waaronder het kenteken [kenteken 2] , dat op naam staat van [verdachte] .

(…)

Als aan [betrokkene 3] een observatie van 12 april 2011 wordt voorgehouden, verklaart ze dat de witte draagzak die [medeverdachte] dan vastheeft, drugs bevatte. Ze zijn toen naar 'het achterom' van die flat gereden, waar de zak werd opgehaald door [verdachte] , die zij als [verdachte] aanduidt.

[verdachte] deed dat wel één keer per week. [betrokkene 3] heeft verklaard dat ze [medeverdachte] ook wel vaker met grote witte emmers uit een kamertje in de [a-straat] heeft zien komen. Hij liep daar dan mee naar beneden en dan werden de emmers opgehaald door [verdachte] . Ze is misschien ook weleens met [medeverdachte] lege emmers naar de [a-straat] gaan brengen, die ze gekocht hadden bij Hornbach.

Als aan [betrokkene 3] de getuigenverklaringen worden voorgehouden waarin is verklaard over mensen die zwarte plastic zakken naar binnendroegen, verklaart ze dat ze zich kan herinneren dat ze een keer met [medeverdachte] daar naartoe is gereden en dat ze samen aankwamen met [verdachte] en dat ze toen samen naar boven zijn gegaan. [medeverdachte] had een sleutel van de woning.

(…)

Zaakdossier 3

Dit dossier beschrijft het vermoeden van het hebben van een productie-/opslaglocatie van verdovende middelen op het adres [f-straat 1] te Heerlen, de woning van [betrokkene 8] en [betrokkene 9] .

  • -

    …) Daarop is op de achtergrond te horen dat [medeverdachte] tegen iemand zegt: 'wacht even [verdachte] , ik ben helemaal verkeerd'.

  • -

    [medeverdachte] zegt dan dat hij voor de [f-straat] erin moet, hetgeen wordt bevestigd door [betrokkene 10] .

  • -

    …)

  • -

    Op 7 mei 2011 om 10.20 uur staat de Opel Corsa van [verdachte] bij de Action op de Willem Barentzweg te Heerlen. [medeverdachte] arriveert daar met een rode Peugeot. [medeverdachte] stapt uit en stapt vervolgens in de auto bij [verdachte] . Deze auto rijdt naar de [e-straat] te Heerlen en stopt daar om 10.30 uur. Vervolgens loopt [medeverdachte] naar de achterzijde van de garageboxen aan de [f-straat] . [verdachte] opent de kofferbak van de auto en neemt weer plaats achter het stuur. Om 10.40 uur arriveert de Opel Corsa weer bij de Action. [medeverdachte] stapt uit en loopt naar zijn Peugeot, opent de auto en buigt zich in het voertuig. Hij sluit de Peugeot af en gaat te voet in de richting van de achterzijde van het flatgebouw aan de [a-straat] waarin zich [a-straat 1] bevindt. [verdachte] rijdt met de Opel Corsa in de richting van de voorzijde van het flatgebouw aan de [a-straat] .

Zaakdossier 4

In zaakdossier 4 wordt het vermoeden beschreven inzake het gebruik van de woning van [betrokkene 11] ( [g-straat 1] te Kerkrade) als bereidings- en opslaglocatie van verdovende middelen.

“(…)

Vanaf 9 mei 2011 is er een peilbaken geplaatst in de auto van [verdachte] , de Opel Corsa, kenteken [kenteken 2] .

Op 17 mei 2011 vindt er tussen 14.23 uur en 14.43 uur sms-verkeer plaats tussen [medeverdachte] en [verdachte] . [medeverdachte] vraagt aan [verdachte] hem 'baco' te brengen op de plaats. [verdachte] antwoordt dat hij er aankomt, waarop [medeverdachte] zegt dat hij achterom kan komen.

Uit de peilbakengegevens komt naar voren dat de auto van [verdachte] zich op 17 mei 2011 tussen 14.44 uur en 15.00 uur bevindt aan de [h-straat] te Kerkrade, in de onmiddellijke omgeving van de [g-straat] en nabij de achteringang van de [g-straat 1] te Kerkrade.

Op 20 mei 2011 sms't [medeverdachte] om 10.49 uur aan [verdachte] en vraagt hem: 'baco en een schoenendoos mee te nemen'. Uit de peilbakengegevens komt naar voren dat de auto van [verdachte] zich op 20 mei 2011 rond 12.05 uur bevindt aan de [g-straat] te Kerkrade.

Op 24 mei 2011 sms't [verdachte] om 12.35 uur aan [medeverdachte] : 'He jongen heb baco gehaald groetjes'.

Uit de peilbakengegevens blijkt dat de auto van [verdachte] op 24 mei 2011 rond 11.00 uur is gestopt in de omgeving van de [i-straat] te [plaats] .

Verbalisanten relateren dat in de onmiddellijke omgeving van deze 'stop' een winkel is gelegen waarvan bij de Belgische politie bekend is dat hier grondstoffen worden verkocht voor de productie van verdovende middelen. Onder andere worden op deze locatie literflessen methanol verkocht.

In het kader van een rechtshulpverzoek aan België is op 14 oktober 2011 [betrokkene 12] gehoord. Zij werkt in Doe-het-zelf-shop [A] , gevestigd te [plaats] , [i-straat 1] . In deze winkel wordt methanol verkocht in bussen van vijf liter en in bussen van één liter. Als haar foto's worden getoond herkent zij [verdachte] als een klant van de zaak, die bij hen meermalen methanol heeft gekocht. [verdachte] wilde ook meer liters methanol bestellen, hetgeen niet mogelijk was. [verdachte] kwam, vrij snel nadat de winkel was beleverd, de hele voorraad opkopen.

3 juni 2011

Op 2 juni 2011 om 14.27 uur wordt [medeverdachte] gebeld door een Duitssprekende man die zegt: 'morgen een kwartier na 12 uur, dan weetje het'.

Op 3 juni 2011 om 09.31 uur sms't [medeverdachte] naar [verdachte] : 'goeie morgen, kan je me baco brengen en een schoenendoos vandaag is 12.15'.

Gezien wordt dat [verdachte] op 3 juni 2011 rond 11.15 uur spullen vanuit zijn woning in de kofferbak van zijn auto legt. Hij stapt in zijn auto en om 11.13 uur wordt de auto geparkeerd op de [h-straat] Kerkrade. [verdachte] neemt een zwarte vuilniszak uit de kofferbak en loopt de brandgang tussen de percelen [h-straat 1] en [h-straat 2] in. Rond 11.40 uur komt hij terug bij de auto en legt iets in de auto en gaat weer de brandgang in. Even later komt hij terug bij de auto en stapt in. De auto passeert rond 11.55 uur de grens met Duitsland op de Nieuwstraat te Kerkrade. Om 12.14 uur parkeert [verdachte] zijn auto op de parkeerplaats van de Aldi aan de Susterfeldstrasse te Aken. Hij stapt uit, om even later samen met een onbekende man weer in de auto te stappen. De auto verlaat de parkeerplaats, rijdt een doodlopende straat in en stopt aan het einde van die straat. Om 12.18 uur komt de Opel van [verdachte] met daarin alleen [verdachte] weer uit de doodlopende straat gereden. Aan het einde van die doodlopende straat staat een Opel Combo met Duits kenteken [kenteken 3] . De man die eerder bij [verdachte] in de auto zat staat naast deze Opel Combo en in de Combo zit een onbekende man. De Opel Combo blijkt eigendom van een schilder te zijn. [verdachte] rijdt vervolgens via de [h-straat] te Kerkrade naar de [d-straat] in Kerkrade, zijnde het verblijfadres van verdachte [medeverdachte] .

7 juni 2011

Op 6 juni 2011 om 10.27 uur belt [medeverdachte] met een Duitssprekende man, die tegen [medeverdachte] zegt: 'morgen om 10 over 12 bij het stadion', 'is goed' zegt [medeverdachte] . Op diezelfde dag om 18.06 uur stuurt [medeverdachte] een sms-bericht naar [verdachte] en vraagt hem of hij morgenvroeg om 11 uur drie flessen baco kan brengen. [verdachte] vraagt dan of het ook om half kan omdat hij tot 11 uur moet werken, waarop [medeverdachte] zegt dat dit geen probleem is. Op 7 juni 2011 rond 11.20 uur parkeert [verdachte] zijn auto op de [h-straat] te Kerkrade ter hoogte van de brandgang richting achterzijde [g-straat] . [verdachte] stapt uit en loopt met een gevulde AH-draagtas de brandgang in. En paar minuten later komt hij terug bij de auto, weer met een gevulde draagtas en stapt in. De auto stopt vervolgens om 11.26 uur bij het adres [d-straat 1] in Kerkrade, alwaar [verdachte] , met de gevulde blauwe draagtas van AH, naar binnen gaat. Vervolgens komt hij om 12.03 uur samen met [medeverdachte] uit de woning. [verdachte] heeft de tas dan weer bij zich. Beiden stappen in de auto van [verdachte] . De auto stopt om 12.14 uur op de parkeerplaats van de Burger King aan de Roda J.C. Ring. [medeverdachte] stapt uit en loopt naar een VW-pick-up met Duits kenteken: [kenteken 4] . Hij heeft contact met een onbekende man om vervolgens om 12.17 uur weer in de auto bij [verdachte] te stappen. De auto van [verdachte] stopt om 12.35 uur op het [j-straat] in Heerlen ter hoogte van [j-straat 1] . [verdachte] gaat met een gevulde blauwe plastic blauwe tas de woning binnen.

8 juni 2011

Op 6 juni 2011 sms't [medeverdachte] naar [verdachte] dat [verdachte] woensdag om 8 uur bij Venlo in de buurt moet zijn, 'je weet wel'. [verdachte] vraagt dan nog of het de oude of nieuwe plaats moet zijn. Op 7 juni 2011 sms't [medeverdachte] met het Duitse nummer [telefoonnummer] . [medeverdachte] vraagt of het de oude of nieuwe plek is. De ander sms't: 'neue', waarop [medeverdachte] doorgeeft 'oke 8 uhr ist er da'. [medeverdachte] geeft dit vervolgens door aan [verdachte] . De dag erna vraagt [medeverdachte] om 13.27 uur aan [verdachte] via sms of [verdachte] om half vier de was komt ophalen, 'je weet wel waar'.

Om 15.28 uur parkeert [verdachte] zijn auto op de [h-straat] . [verdachte] loopt de brandgang in.

Hij heeft dan niets zichtbaars bij zich. Om 15.29 uur loopt [betrokkene 11] richting het pand [g-straat 1] .

Om 15.37 uur parkeert [betrokkene 13] zijn auto op de [h-straat] ter hoogte van [h-straat 3] , stapt uit en loopt de brandgang in. Hij heeft niets zichtbaars bij zich. Om 15.50 uur komt [verdachte] samen met [betrokkene 13] uit de brandgang lopen. [verdachte] draagt dan twee witte plastic vijfliteremmertjes met hengsel. [betrokkene 13] draagt een kennelijk goed gevulde, groene plastic big shopper. Emmertjes en big shopper worden in de kofferbak van de auto van [betrokkene 13] gelegd. [verdachte] stapt in zijn auto en rijdt weg. [betrokkene 13] rijdt eveneens weg.

[verdachte] stopt vervolgens op de [g-straat 1] , opent de kofferbak en loopt naar de voordeur. Even later komt hij uit genoemd pand samen met een man met een herdershond. [verdachte] draagt een donkerkleurige bigshopper en zet die in de kofferbak van zijn auto.

De man met de herdershond gaat weer naar binnen. [verdachte] rijdt weg. Om 15.55 uur rijdt [betrokkene 3] in haar auto over de [h-straat] met als bijrijder [medeverdachte] . Een minuut later staat auto stil ter hoogte van [g-straat 1] .

Om 18.45 uur komt [verdachte] uit zijn woning gelopen, stapt in, rijdt weg en stopt om 19.57 uur op een parkeerplaats aan de Catharinastraat te Wellerlooi. Gezien wordt dat [verdachte] op enig moment spreekt met de bestuurder van een auto met Duits kenteken [kenteken 5] , zijnde [betrokkene 14] , waarna beide auto's weer wegrijden en gezamenlijk zonder te stoppen over diverse wegen in de buitengebieden van Wellerlooi rijden.

(…)

Zaakdossier 7

In het zaakdossier 7 (..) wordt het onderzoek beschreven betreffende de deelneming aan een criminele organisatie.

(…)

Cryptisch taalgebruik

Onder het tussenkopje 'Cryptisch taalgebruik' wordt erop gewezen dat uit eerdere onderzoeken bekend is dat in het kader van de handel in verdovende middelen versluierd taalgebruik wordt gebezigd. Zo zou de mogelijke betekenis van 'Baco' methanol zijn. In een gesprek tussen [medeverdachte] en [verdachte] van 20 mei 2011 wordt over het meenemen van 'baco' gesproken. In een gesprek tussen beiden van 24 mei 2011 over het halen van 'baco'. Uit onderzoek is gebleken dat de auto van [verdachte] op dezelfde dag in de buurt van een winkel is gestopt, waar hij meermalen methanol heeft gekocht.”

(…)

Conclusies

(…)”

8. Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde heeft het hof vervolgens het volgende geconcludeerd (cursief in het origineel en met weglating van voetnoten):

“Voor zover aan [verdachte] onder feit 2 ten laste is gelegd dat hij verdovende middelen heeft geproduceerd en verwerkt in Kerkrade, is het hof met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat dat ten aanzien van [verdachte] niet kan worden bewezen voor wat betreft de productielocatie aan de [k-straat 1] , met bijbehorende garages aan de [l-straat] , in die plaats. [verdachte] komt in dat zaakdossier niet voor.

Voor zover aan [verdachte] onder feit 2 ten laste is gelegd dat hij verdovende middelen heeft geproduceerd, verwerkt, vervoerd enzovoorts in Heerlen, ziet dat allereerst op de productielocatie van [medeverdachte] aan de [a-straat 1] in die plaats; de woning van [betrokkene 6] en vervolgens op [medeverdachte] opslaglocatie aan de [f-straat 1] te Heerlen: de woning van [betrokkene 8] . Het hof acht evenals de rechtbank op basis van wat hiervoor met betrekking tot zaakdossier 2 is vermeld wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] op de [a-straat] verdovende middelen heeft geproduceerd en verwerkt. Voor feitelijke betrokkenheid van [verdachte] bij de productie of het verwerken zelf is geen bewijs in het dossier voorhanden. Het hof acht in navolging van de rechtbank op basis van wat hiervoor met betrekking tot zaakdossier 2 is vermeld wel wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de daar geproduceerde en verwerkte verdovende middelen opzettelijk heeft vervoerd, afgeleverd en aanwezig gehad.

Het hof acht evenals de rechtbank bewezen dat de productielocatie aan de [a-straat 1] in Heerlen bij [medeverdachte] en [betrokkene 1] in gebruik is geweest in de periode van medio januari 2011 tot 8 mei 2011. Immers, de eerste, geregistreerde telefonische contacten tussen [medeverdachte] en [betrokkene 6] / [betrokkene 15] dateren van 19 januari 2011 en de productielocatie is ontmanteld bij de doorzoeking op 8 mei 2011.

Met betrekking tot de opslaglocatie [f-straat 1] in Heerlen concludeert het hof met de rechtbank uit hetgeen hiervoor met betrekking tot zaakdossier 3 is vermeld dat [betrokkene 8] zijn woning, waar hij samen met zijn vrouw en kind verbleef, voor geld ter beschikking heeft gesteld aan [medeverdachte] , zodat [medeverdachte] hier goederen kon stallen die betrekking hadden op de productie van synthetische drugs.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [betrokkene 8] alles wat in de woning [f-straat 1] in Heerlen aan verdovende middelen, dan wel grondstoffen is aangetroffen opzettelijk aanwezig heeft gehad in de periode van 1 april 2011, de dag nadat [betrokkene 10] met [medeverdachte] heeft gebeld over een nieuwe locatie, tot en met de dag van de doorzoeking, 15 juni 2011. Wat is aangetroffen was van [medeverdachte] , zodat sprake is van medeplegen.

Ten aanzien van [verdachte] stelt het hof vast dat deze aldaar in beeld is gekomen onder dezelfde omstandigheden als bij de andere locaties van [medeverdachte] : in gezelschap van [medeverdachte] , met zijn auto, de kofferbak openend. Op zichzelf zou dat onvoldoende zijn om betrokkenheid van [verdachte] bij dit adres vast te stellen, maar gezien in het licht van het hele dossier en de daarin zichtbare handelwijzen van met name [medeverdachte] en [verdachte] , stelt het hof evenals de rechtbank vast dat [verdachte] medepleger is geweest van [medeverdachte] en [betrokkene 8] bij - in elk geval - het opzettelijk aanwezig hebben van de verdovende middelen aan de [f-straat] .

Het hof concludeert evenals de rechtbank uit hetgeen hiervoor, met betrekking tot zaakdossier 4 is vermeld dat [betrokkene 11] zijn woning ter beschikking heeft gesteld aan [medeverdachte] en de zijnen, om aldaar amfetamine te bereiden of te verwerken. Dat er ook daadwerkelijk een deel van het productieproces plaatsvond blijkt uit de verschillende sms-berichten die tussen [medeverdachte] en [verdachte] werden verstuurd (bijvoorbeeld op 17 mei 2011, op 20 mei 2011 en 3 juni 2011), waarin [verdachte] wordt opgedragen 'baco' naar [medeverdachte] te brengen en op basis van de daarop volgende observaties waarbij wordt waargenomen dat [verdachte] telkens na zo'n sms'je te hebben ontvangen met zijn auto naar het adres aan de [g-straat 1] te Kerkrade gaat, om aldaar spullen af te leveren. Tot bewijs draagt verder bij hetgeen in de woning van [betrokkene 11] is aangetroffen. Behalve grondstoffen voor het verwerken van amfetamine in de kelder werden in het tuinhuisje en de tuin ook afval en restproducten gevonden.

Gelet op de vele contacten die er zijn tussen [medeverdachte] en [verdachte] en gelet op de observaties waarbij [verdachte] vele malen bij de [g-straat 1] wordt gezien kan [verdachte] worden aangemerkt als medepleger ten aanzien van het vervoeren, afleveren en opzettelijk aanwezig hebben van amfetamine, voor zover die handelingen zien op de productielocatie aan de [g-straat] te Kerkrade.”1

9. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, onder 2 heeft bewezenverklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen meermalen hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA en amfetamine heeft bereid en verwerkt. Hoewel het hof overweegt dat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan het (medeplegen van) bereiden en verwerken van synthetische drugs, heeft het hof dit wél bewezen verklaard, aldus het middel.

10. Het heeft hof ten aanzien van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat hij zich tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk bereiden en verwerken en afleveren en vervoeren en het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen in Heerlen en Kerkrade.2 Uit de hiervoor onder randnummer 8 weergegeven conclusies van het hof inzake het onder 2 bewezenverklaarde volgt dat geen bewijs voorhanden is dat de verdachte feitelijk betrokken is geweest bij de productie of het verwerken van de verdovende middelen. Wel acht het hof bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk vervoeren, afleveren en het opzettelijk aanwezig hebben van de in de [a-straat 1] te Heerlen geproduceerde en verwerkte verdovende middelen. Ten aanzien van de in de [f-straat 1] te Heerlen geproduceerde en verwerkte verdovende middelen heeft de verdachte zich volgens het hof schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van die middelen en ten aanzien van de in de [g-straat 1] te Kerkrade heeft het hof vastgesteld dat de verdachte kan worden aangemerkt als medepleger aan het opzettelijke vervoer en afleveren en het opzettelijk aanwezig hebben van de aldaar verwerkte en geproduceerde verdovende middelen. Gezien het voorgaande houdt de uitspraak dus niets in waaruit kan worden afgeleid dat ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde sprake was van bereiden en verwerken van verdovende middelen. Het middel klaagt daarover terecht.

11. Tot cassatie hoeft het voorgaande evenwel niet te leiden. Dat berust op het volgende. Het onder 2 bewezenverklaarde feit is strafbaar gesteld bij art. 2 onder B van de Opiumwet (hierna: Opw) en art. 2 onder C van de Opw. Art. 2 onder B van de Opw verbiedt het telen, bereiden, bewerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van de op lijst I genoemde middelen en art. 2 onder C van de Opw het aanwezig hebben van die middelen. Het opzettelijk in strijd handelen met het in art. 2 onder B van de Opw gestelde verbod wordt ingevolge art. 10, vierde lid, van de Opw bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste 8 jaren of geldboete van de vijfde categorie en het opzettelijk in strijd handelen met het in art. 2 onder C van de Opw gestelde verbod wordt ingevolge art. 10, derde lid, Opw bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. Het (voor)bereiden en verwerken van verdovende middelen wordt dus met dezelfde straf bedreigd als het afleveren en vervoeren daarvan. Nu het hof daarbij bewezen heeft verklaard dat de verdachte de verdovende middelen ook opzettelijk aanwezig heeft gehad én aan hem een gevangenisstraf van 30 maanden heeft opgelegd – derhalve ver beneden het strafmaximum – heeft de verdachte onvoldoende belang bij cassatie.

12. Het middel is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie.

13. Het tweede middel klaagt over de motivering van het onder 2 bewezenverklaarde, omdat het hof met onvoldoende mate van nauwkeurigheid heeft aangegeven waaraan het heeft ontleend dat de politie aanneemt dat ‘twee flessen Bacardi’ gaat over methanol en dat “Volgens de politie (…) met Baco methanol (wordt) bedoeld”. Daartoe wordt aangevoerd dat het (Promis)arrest van het hof – voor zover hier van belang – (slechts) het volgende inhoudt:

“Door het hof gebruikte bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

(…)

Op 16 maart 2011 spreken [betrokkene 1] en [medeverdachte] over twee flessen Bacardi voor 'die ander'. [betrokkene 1] zegt 'Weetje wel. Hij had me gevraagd of ik hem twee liter, twee flessen Bacardi kon geven, weetje wel, waar wij voor bij die eerste vriend waren.3 De politie neemt aan dat dit over methanol gaat, dat kan worden gebruikt bij het kristalliseren van amfetamineolie.

(…)

Op 20 april 2011 belt [medeverdachte] naar [verdachte] . [verdachte] zegt dat hij daarachter is geweest voor die Baco, maar die hebben ze deze week niet geleverd, die krijgen ze pas dinsdag, maar hij heeft hem besteld.4 Volgens de politie wordt met Baco methanol bedoeld.”

14. Het middel gaat er kennelijk, maar ten onrechte, vanuit dat nu de laatste zin in beide citaten in de bewijsoverwegingen niet zijn voorzien van een voetnoot, niet blijkt aan welk wettig bewijsmiddel het hof heeft ontleend dat met ‘Bacardi’ en ‘Baco’ methanol wordt bedoeld. Uit het bestreden arrest – zie (onder meer) de onder randnummer 7 relevante geciteerde delen daarvan – blijkt dat verschillende zaakdossiers die deel uitmaken van het onderliggende strafdossier de schriftelijke weergave van telefoongesprekken, alsmede de tekst van sms-berichten bevatten, waarin wordt gesproken over ‘bacardi’ of ‘baco’s’. Het arrest verwijst vervolgens onder het kopje “Door het hof gebruikte bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs” naar een stamproces-verbaal van zaakdossier 7 van 18 januari 2012, waarin op p. 1749-1750 wordt gewezen op versluierd taalgebruik dat in het kader van de handel in verdovende middelen wordt gebezigd. Daarin wordt vervolgens gerelateerd dat de mogelijke betekenis van ‘Baco’ methanol zou zijn en daaraan wordt toegevoegd:

“In een gesprek tussen [medeverdachte] en [verdachte] van 20 mei 2011 wordt over het meenemen van 'baco' gesproken. In een gesprek tussen beiden van 24 mei 2011 over het halen van 'baco'. Uit onderzoek is gebleken dat de auto van [verdachte] op dezelfde dag in de buurt van een winkel is gestopt, waar hij meermalen methanol heeft gekocht.”

15. Gelet op het voorgaande, is het middel dat klaagt dat het onder 2 bewezenverklaarde ontoereikend is gemotiveerd, gebaseerd op een te beperkte lezing van het bestreden arrest. Daarbij ga ik er – als feit van algemene bekendheid – vanuit dat ‘baco’ een afkorting is voor ‘bacardi-cola’.

16. Het middel faalt.

17. Het derde middel klaagt over (de motivering van) het onder 2 bewezenverklaarde voor zover betrekking hebbende op het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van MDMA en Amfetamine in een pand gelegen aan de [f-straat 1] te Heerlen.

18. De steller van het middel betoogt dat op basis van de bewijsoverwegingen van het hof (slechts) kan worden vastgesteld dat de verdachte op 11 april 2011 in de buurt van de woning aan de [f-straat 1] te Heerlen is geweest en dat hij op 7 mei 2011 wederom in de nabijheid van die woning is geweest en aldaar de kofferbak van zijn auto heeft geopend. Uit die vaststellingen kan volgens het middel niet worden afgeleid het bewezenverklaarde medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van de verdovende middelen afkomstig uit de woning aan de [f-straat] .

19. Gezien het hiervoor weergegeven oordeel van het hof – in onderlinge samenhang bezien – is de klacht gebaseerd op een te beperkte lezing van het arrest. Ten aanzien van de [f-straat] overweegt het hof immers dat de verdachte “aldaar in beeld is gekomen onder dezelfde omstandigheden als bij de andere locaties van [medeverdachte] : in gezelschap van [medeverdachte] , met zijn auto, de kofferbak openend. Op zichzelf zou dat onvoldoende zijn om betrokkenheid van [verdachte] bij dit adres vast te stellen, maar gezien in het licht van het hele dossier en de daarin zichtbare handelwijzen van met name [medeverdachte] en [verdachte] , stelt het hof evenals de rechtbank vast dat [verdachte] medepleger is geweest van [medeverdachte] en [betrokkene 8] bij – in elk geval – het opzettelijk aanwezig hebben van de verdovende middelen aan de [f-straat].” Uit de overige vaststellingen van het hof blijkt vervolgens niet onbegrijpelijk op welke “omstandigheden” en “handelwijzen” het hof daarbij het oog heeft. Uit hetgeen het hof ten aanzien van de [a-straat] heeft vastgesteld, blijkt bijvoorbeeld dat de medeverdachte [medeverdachte] en de verdachte regelmatig telefonisch en sms contact hebben over – naar het blijkt – druggerelateerde zaken, dat zij samen zijn gezien met tassen (vaak bigshoppers) in en om de auto van de verdachte en in de buurt van de verschillende panden – de [a-straat] en de [f-straat] te Heerlen en de [g-straat] te Kerkrade – waar verdovende middelen zijn aangetroffen. In ieder geval in één van die tassen is later amfetamine aangetroffen.5 Voorts is de verdachte gezien terwijl hij het pand aan de [a-straat] uitkomt met een tas of een koffer die hij in zijn auto legt waarna hij wegrijdt.6 Ook acht ik van belang dat deze door het hof vastgestelde gedragingen allen – en deels overlappend – in de (relatief korte) tenlastegelegde periode van januari 2011 tot en met juni 2011 hebben plaatsgevonden.

20. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat voor het “aanwezig hebben” niet noodzakelijk is dat de verdovende middelen de verdachte toebehoren, noch dat hij enige beschikkings- en/of beheersbevoegdheid ten aanzien van die verdovende middelen heeft en dat voldoende is dat de middelen zich in de machtssfeer van de (mede)verdachte bevinden, zoals de bestuurder van een auto wiens passagier drugs bij zich heeft,7 acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen (onder meer aan de [f-straat] te Heerlen) niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

21. Het middel faalt.

22. Het vierde middel klaagt over de motivering van de strafoplegging, nu het hof heeft overwogen dat het opleggen van een taakstraf gelet op het taakstrafverbod van art. 22b, tweede lid, Sr niet mogelijk is, terwijl de bewezenverklaarde feiten zijn begaan vóór de inwerkingtreding van voormelde bepaling.

23. Het bestreden arrest bevat, voor zover van belang, de volgende strafmaatoverweging (onderstreept in het origineel):

Op te leggen straffen

De verdediging heeft verzocht aan verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, alsmede een taakstraf. Zij heeft daartoe - zeer kort samengevat - aangevoerd dat met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde anders dan de rechtbank moet worden uitgegaan van een kortere periode en dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof overweegt hieromtrent - gedeeltelijk overeenkomstig de rechtbank - als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich gedurende ongeveer 2,5 maand schuldig gemaakt aan overtredingen van de Opiumwet. Verdachte maakte deel uit van een organisatie die zich bezighield met de productie van synthetische drugs. Binnen de organisatie werd gebruik gemaakt van verschillende opslag- en productieplaatsen. Verdachte is langdurig en veelvuldig betrokken geweest bij activiteiten van de criminele organisatie van [medeverdachte] , die de leider was van de organisatie. Verdachte was ook betrokken bij drugstransporten naar Duitsland, waarbij verdachte verantwoordelijk was voor het vervoeren van de drugs. Het ging daarbij om een groot aantal kilo's.

Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs grote gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van overlast en criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Daarnaast is het grensoverschrijdende transport van verdovende middelen een groot probleem. Dat geldt in het bijzonder voor de regio Zuid-Limburg. Als gevolg van de geografische ligging tussen België en Duitsland, is transport vanuit deze regio naar het buitenland relatief gemakkelijk te doen. Omdat de prijsverschillen tussen Nederland en de ons omringende landen naar bekend is aanzienlijk zijn, kan veel geld verdiend worden met dergelijke transporten. Verdachte heeft slechts uit oogpunt van geldelijk gewin deze strafbare feiten gepleegd.

Uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 7 augustus 2017, de verdachte betreffend, blijkt dat hij al eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet. Bij die veroordeling is aan verdachte een taakstraf opgelegd, hetgeen verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden om opnieuw dergelijke feiten te plegen.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het vorenstaande en gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Een taakstraf als door de verdediging verzocht is op grond van het taakstrafverbod van art. 22b, tweede lid, aanhef en onder a en b, Sr. niet mogelijk, omdat aan verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane feiten wegens soortgelijke misdrijven taakstraffen zijn opgelegd (bij vonnissen van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 10 maart 2009, parketnummers 03-630552-08 en 03-630606-08 en verdachte deze taakstraffen heeft verricht. Een taakstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in art. 22b lid 3 Sr. is niet aan de orde, omdat dat naar het oordeel van het hof onvoldoende recht zou doen aan de ernst, de veelheid en de duur van de feiten.

(…)”8

24. Art. 22b (oud) Sr luidde in de periode van 3 januari 2012 tot 1 januari 2020 aldus:

“1. Een taakstraf wordt niet opgelegd in geval van veroordeling voor:

a. een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad;

b. een van de misdrijven omschreven in de artikelen 181, 240b, 248a, 248b, 248c en 250.

2. Een taakstraf wordt voorts niet opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien:

1° aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en

2° de veroordeelde deze taakstraf heeft verricht dan wel op grond van artikel 22g de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.

3. Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.”9

25. Sinds de inwerkingtreding op 3 januari 2012 van de Wet beperking oplegging taakstraf10 wordt de rechter in de in art. 22b Sr bepaalde gevallen beperkt in de mogelijkheid om een “kale” taakstraf op te leggen. Aldus is er volgens de Memorie van Toelichting sprake van verandering in de wetgeving als bedoeld in art. 1, tweede lid, Sr en bepaalt artikel II van de Wet beperking oplegging taakstraf dat deze wet geen gevolgen heeft voor feiten die zijn begaan voor de inwerkingtreding van deze wet.11 Het nieuwe art. 22b Sr is daarmee niet van toepassing op strafbare feiten die zijn begaan vóór 3 januari 2012.

26. De verdediging heeft het hof bij pleidooi verzocht aan de verdachte, naast een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf op te leggen. Het hof is aan dit verzoek voorbij gegaan en heeft daartoe overwogen dat de door de verdediging verzochte taakstraf op grond van het taakstrafverbod van art. 22b, tweede lid, aanhef en onder a en b, Sr niet mogelijk is, omdat aan de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane feiten wegens soortgelijke misdrijven taakstraffen zijn opgelegd (bij vonnissen van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 10 maart 2009, parketnummers 03-630552-08 en 03-630606-08) en de verdachte deze taakstraffen heeft verricht. Daarnaast heeft het hof overwogen dat een taakstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in art. 22b, derde lid, Sr ook niet aan de orde is, omdat dat naar het oordeel van het hof onvoldoende recht zou doen aan de ernst, de veelheid en de duur van de feiten.

27. De steller van het middel voert aan dat alle door het hof bewezenverklaarde feiten zijn begaan vóór de inwerkingtreding van het taakstrafverbod op 3 januari 2012, waardoor de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd. Deze klacht is terecht voorgesteld, nu het hof heeft overwogen dat het taakstrafverbod van art. 22b, tweede lid, aanhef en onder a en b, Sr aan de oplegging een taakstraf in de weg staat, terwijl alle bewezenverklaarde feiten vóór 16 juni 2011, en daarmee vóór de inwerkingtreding van art. 22b Sr, zijn begaan en daarop dus niet van toepassing is. Dit leidt bij gebrek aan belang evenwel niet tot cassatie, omdat het hof tevens heeft overwogen dat een taakstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf of maatregel naar het oordeel van het hof onvoldoende recht zou doen aan de ernst, de veelheid en de duur van de feiten. In dit oordeel ligt besloten dat een en ander ook in de weg staat aan het opleggen van een taakstraf naast een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf.

28. Het middel is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie.

29. Het vijfde middel behelst de klacht dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Aangevoerd wordt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden en dat voorts de Hoge Raad niet binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep arrest zal wijzen.

30. Namens de verdachte is op 17 november 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 20 april 2020 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden met 1 jaar en negen maanden is overschreden. Voorts verliep de termijn om binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep arrest te wijzen op 17 november 2019. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van dertig maanden.

31. Het eerste middel en het vierde middel zijn terecht voorgesteld, maar leiden niet tot cassatie. Het tweede middel en het derde middel falen. Het vijfde middel slaagt. De overige middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

32. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

33. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf wegens de geconstateerde inbreuk op het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie het arrest van het hof van 10 november 2017, p. 37-38.

2 Zie de onder randnummer 6 weergegeven bewezenverklaring.

3 Stamproces-verbaal d.d. 18 januari 2012, p. 758.

4 Stamproces-verbaal d.d. 18 januari 2012, p. 784.

5 Zie het arrest van het hof van 10 november 2017, p. 10.

6 Zie het arrest van het hof van 10 november 2017, p. 12.

7 Zie: T. Blom in: Tekst & Commentaar Strafrecht, commentaar op artikel 2 Opw, aant. 9 (online bijgewerkt tot 1 juli 2020). Zie ook: HR 15 september 1986, ECLI:NL:PHR:1986:AC4312.

8 Zie het arrest van het hof van 10 november 2017, p. 41.

9 Sinds 1 januari 2020 verwijst art. 22b, tweede lid, onder 2° Sr niet langer naar art. 22g Sv, maar naar art. 6:3:3 Sv.

10 Stb. 2012, 1.

11 Zie: Kamerstukken II 2009/10, 32169, nr. 3, p. 12.