Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1221

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
31-12-2020
Datum publicatie
29-01-2021
Zaaknummer
20/00162
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

A-G Ettema heeft conclusie genomen in vijf accijnszaken, waaronder deze. Alle zaken spelen tegen de achtergrond dat van de belanghebbenden accijns is nageheven omdat bij hen partijen minerale olie zijn aangetroffen op hun schip. In een gemeenschappelijke bijlage onderzoekt zij hoe in het kader van artikel 2(1) b van de Wet op de accijns (WA) de bewijslast tussen partijen moet worden verdeeld en welke rol herkomstbescheiden daarbij spelen.

In het bijzonder spelen in deze zaak de vragen of de inspecteur onderzoek had moeten verrichten naar de door belanghebbende overgelegde bunkerbonnen respectievelijk dat dat niet nodig was omdat de aangetroffen olie niet de voorgeschreven minimale hoeveelheid herkenningsmiddel bevat. Daarnaast speelt de vraag of de Inspecteur heeft gesteld dat voorafgaand aan het tijdstip dat de belanghebbende de gasolie voorhanden kreeg al een belastbaar feit is ontstaan en over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving.

A-G Ettema komt tot de slotsom dat het Hof de bewijslast juist heeft verdeeld.

Het middel faalt ook voor het overige, omdat de Inspecteur niet heeft gesteld dat eerder een belastbaar feit is ontstaan en over het goed geen accijns is geheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-01-2021
FutD 2021-0316
NTFR 2021/511 met annotatie van De redactie
DouaneUpdate 2021-0091
NLF 2021/0422 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00162

Datum 31 december 2020

Belastingkamer A

Onderwerp/tijdvak Accijns / 1 mei 2015 – 31 mei 2015

Nr. Gerechtshof BK-19/00277

Nr. Rechtbank SGR 18/5971

CONCLUSIE

C.M. Ettema

in de zaak van

de staatssecretaris van Financiën

tegen

[X] B.V.

1 Overzicht

Vooraf

1.1

Van belanghebbende is accijns nageheven omdat partijen fiscaal gemerkte gasolie zijn aangetroffen in zogeheten bunkertanks van zijn schip. Belanghebbende gebruikt de olie voor de aandrijving van zijn schip. De minerale olie is hem geleverd met toepassing van de bunkervrijstelling van artikel 66(1) Wet op de accijns (WA).1 Van recente leveringen van gasolie heeft belanghebbende facturen getoond. Naar aanleiding van een douanecontrole heeft de Inspecteur vastgesteld dat alleen de olie die is aangetroffen in de bunkertank aan de voorzijde van het schip het voorgeschreven gehalte van het herkenningsmiddel bevat. De naheffingsaanslag is aan belanghebbende opgelegd op de grond dat hij de minerale olie in de andere bunkertanks voorhanden heeft gehad als bedoeld artikel 2(1)aanhef en b WA. Die bepaling verstaat onder uitslag tot verbruik het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving.

1.2

In de gemeenschappelijke bijlage bij deze zaak en vier andere zaken onderzoek ik hoe in het kader van artikel 2(1) b WA de bewijslast tussen partijen moet worden verdeeld en welke rol herkomstbescheiden daarbij spelen. In deze conclusie beperk ik mij tot de bijzonderheden van deze specifieke zaak.

De feiten en het procesverloop (voor zover relevant in cassatie)

1.3

Op 30 mei 2015 heeft aan boord van de tanklichter “[A]” een douanecontrole plaatsgevonden. De controleurs hebben vastgesteld dat 37.010 liter gasolie aanwezig was in de vier bunkertanks van het schip. Uit de bunkertanks genomen monsters hebben zij voor onderzoek naar het Douanelaboratorium gestuurd. Uit dezelfde tanks zijn ook contra- monsters genomen, die verzegeld aan boord zijn achtergelaten. Tijdens de controle heeft de schipper aan de controleurs een bunkerbon overhandigd die vermeldt dat het schip op 15 mei 2015 4.545 liter gasolie bij een bunkerstation heeft gebunkerd.

1.4

Bij brieven van 24 juni 2015 heeft het Douanelaboratorium bekendgemaakt dat alle monsters een rode kleur hebben en dat de bunkertank aan de voorzijde van het schip het voorgeschreven gehalte van het herkenningsmiddel Solvent Yellow bevat en dat het zwavelgehalte niet hoger is dan het toegestane gehalte. De monsters van de tanks aan bak- en stuurboordzijde van het achterschip bevatten niet in voldoende mate het voorgeschreven gehalte Solvent Yellow en een te hoog zwavelgehalte.2 De gemeten gehaltes zijn Solvent Yellow 4,4, 4,5 en 4,9 gram per 1000 liter en zwavel 16, 15 en 13 milligram per kilogram.

1.5

Naar aanleiding van het onderzoek van het Douanelaboratorium heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht de herkomstbescheiden van de aangetroffen gasolie over te leggen. Belanghebbende heeft bunkerbonnen overgelegd van januari tot en met mei 2015 afkomstig van drie verschillende bunkerstations. Op alle tankbonnen wordt de geleverde gasolie omschreven als “Diesel ULS 2011 (excl. Accijns)” dan wel “EN590”.

1.6

De Inspecteur heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat belanghebbende de herkomst van de in de bunkertanks aan bak- en stuurboordzijde van het achterschip aanwezige gasolie niet heeft aangetoond. Hij stelt dat sprake is van het voorhanden hebben buiten een accijnsschorsingsregeling van een hoeveelheid onveraccijnsde gasolie van 35.210 liter en heeft in verband daarmee aan belanghebbende, de eigenaar van het schip, over het tijdvak 1 mei tot en met 31 mei 2015 een naheffingsaanslag van € 16.973 aan accijns van minerale oliën en € 281 voorraadheffing opgelegd3 en bij beschikkingen een verzuimboete van € 1.725 opgelegd en € 53 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.7

De rechtbank Den Haag4 (de Rechtbank)oordeelt dat belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden die ingevolge artikel 66 WA worden gesteld. Belanghebbende heeft niet de herkomst van de aangetroffen olie aangetoond en evenmin dat reeds accijns is geheven. Dat belanghebbende mogelijk niet wist dat de aanwezige gasolie niet conform de wettelijke bepalingen in de heffing was betrokken, leidt de Rechtbank niet tot een ander oordeel.

1.8

Het gerechtshof Den Haag5 (het Hof) heeft belanghebbende in het gelijk gesteld. Het Hof stelt voorop dat het ter beoordeling van het voorhanden hebben als bedoeld in de WA in dit geval van belang is of met betrekking tot de olie die bij belanghebbende is aangetroffen al een belastbaar feit is ontstaan en de olie niet overeenkomstig de bepalingen van de WA in de heffing is betrokken en dat die een situatie afhankelijk is van het handelen van andere personen dan belanghebbende. Omdat de Inspecteur geen onderzoek heeft verricht naar de herkomst van de olie en niet heeft gesteld dat de olie niet overeenkomstig de WA in de heffing is betrokken, moet naar het oordeel van het Hof ervan worden uitgegaan dat de olie wel in de heffing is betrokken op het moment dat belanghebbende de olie voorhanden kreeg. Het Hof vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, de uitspraak van de Rechtbank, de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking belastingrente.

Het geding in cassatie

1.9

De Staatssecretaris stelt het volgende middel voor:

“Schending van het recht, met name van artikel la, derde lid en artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en artikel 66, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de accijns (hierna: Wet) in samenhang met artikelen 19, 20 en 34, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit accijns en artikel 13, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling accijns en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur de herkomst van de gecontroleerde olie niet heeft onderzocht en niet heeft gesteld dat de olie niet overeenkomstig de Wet in de heffing is betrokken, de grond onder de opgelegde naheffingsaanslag komt te ontvallen, zulks in verband met het hiernavolgende ten onrechte althans op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen. Met betrekking tot de bewijslastverdeling heeft het Hof -met dit oordeel- een verkeerde maatstaf toegepast.”

Mocht het Hof de bewijslast wel juist hebben verdeeld, dan volgt uit de toelichting op het middel dat ’s Hofs oordeel dat de Inspecteur niet heeft gesteld dat de olie niet overeenkomstig de WA in de heffing is betrokken, niet voldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is.

1.10

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.11

De Staatssecretaris heeft afgezien van het indienen van een conclusie van repliek.

2 Beoordeling van het middel

2.1

Op de gronden als vermeld in de gemeenschappelijke bijlage concludeer ik dat ‘s Hof oordeel uitgaat van een juiste rechtsopvatting omtrent de verdeling van de bewijslast. Het middel faalt in zoverre.

2.2

Het middel faalt ook voor het overige. Uit de stukken blijkt niet dat de Inspecteur heeft gesteld dat voorafgaand aan het tijdstip dat de belanghebbende de gasolie voorhanden kreeg al een belastbaar feit is ontstaan en over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving. Dat volgt ook niet uit de passage die de Staatssecretaris citeert in de motivering van het beroepschrift in cassatie.

2.3

Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren met verwijzing naar artikel 81(1) RO.

2.4

Mocht de Hoge Raad anders oordelen, dan rijst nog de vraag of voor toepassing van artikel 51(1)b WA is vereist dat belanghebbende wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de goederen voorhanden worden gehouden buiten een accijnsschorsingsregeling zonder dat de verschuldigde accijns is geheven. Ik verwijs voor dit aspect naar onderdeel 1.3 van de gemeenschappelijke bijlage.

3 Conclusie

Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën ongegrond te verklaren.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 De in deze conclusie genoemde wetteksten zijn geldend in 2015, tenzij anders vermeld.

2 Als herkenningsmiddel wordt, blijkens artikel 13(2) Uitvoeringsregeling accijns, aan gasolie toegevoegd per 1.000 liter, ten minste 6 gram en niet meer dan 9 gram Solvent Yellow.

3 Voor een hoeveelheid van 35.210 liter gasolie.

4 Rechtbank Den Haag 2 april 2019, nr. SGR 18/5971 (ECLI:NL:RBDHA:2019:2986).

5 Hof Den Haag 29 november 2019, nr. BK-19/00277, ECLI:NL:GHDHA:2019:3695, NLF 2020/0494 m.nt. Hollebeek.