Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2020:1211

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-11-2020
Datum publicatie
05-01-2021
Zaaknummer
19/05928
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:222, Gevolgd
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Overeenkomstenrecht. Opdracht. Declaratiegeschil tussen advocaten. Art. 7:405 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05928

Zitting 20 november 2020

CONCLUSIE

B.J. Drijber

In de zaak van

[eiser]

eiser tot cassatie,

hierna: [eiser],

advocaat: R.K. van der Brugge

tegen

[de maatschap]

verweerster in cassatie,

hierna: [de maatschap],

advocaat: E.J.H. Zandbergen

Deze zaak betreft een lang aanslepend declaratiegeschil tussen advocaten. [eiser], destijds advocaat, heeft in de periode 2010-2013 [de maatschap] in diverse zaken ingeschakeld voor de behandeling van (civiele) cassaties. [de maatschap] vordert betaling van haar declaraties, die in elk van de betrokken zaken onbetaald zijn gebleven. In de laatste zaak, waartoe het geschil in cassatie is beperkt, heeft [eiser] zich verweerd door te stellen dat [de maatschap] buiten zijn medeweten om een andere cassatieadvocaat een groot deel van het werk heeft laten doen. De daarmee gemoeide kosten kunnen volgens hem niet als loon in de zin van art. 7:405 lid 2 BW aan hem in rekening worden gebracht. De kantonrechter heeft de vorderingen van [de maatschap] toegewezen, welk oordeel door het hof is bekrachtigd. [eiser] komt daar tegen in cassatie op. M.i. tevergeefs.

1 Feiten

1.1

In deze zaak kan van het volgende worden uitgegaan.1

1.2

[de maatschap] heeft in opdracht en voor rekening van [eiser] in een viertal dossiers procesbijstand verleend ter zake van cassatieberoepen bij de Hoge Raad.

1.3

In drie dossiers heeft [de maatschap] de door hem verrichte werkzaamheden bij declaraties van 21 en 26 november 2013 in rekening gebracht tot een bedrag van, bij elkaar opgeteld, € 5.961,04.

1.4

In het vierde dossier, de zaak […]/[…], heeft [eiser] bij e-mail van 28 augustus 2013 [de maatschap] verzocht om procesbijstand te verlenen en heeft [de maatschap] op 30 augustus 2013 een opdrachtbevestiging toegezonden. De Hoge Raad heeft het door [de maatschap] in die zaak ingestelde cassatieberoep gegrond bevonden.2 [de maatschap] heeft voor de in dit dossier verrichte werkzaamheden op 16 juni 2015 aan [eiser] een declaratie gestuurd van € 10.430.82.3 Ook deze factuur is onbetaald gebleven.

1.5

Daarvoor al, bij dagvaarding van 11 maart 2014, heeft [de maatschap] gevorderd om [eiser] te veroordelen tot betaling van € 5.961.04, vermeerderd met rente en kosten. Tegen deze vordering heeft [eiser] verweer gevoerd.

1.6

Bij vonnis van 3 december 2014 heeft de kantonrechter te Tilburg zich onbevoegd verklaard van de vordering kennis te nemen en daartoe het volgende overwogen:

“Het meest verstrekkende verweer van gedaagde is de stelling dat in deze de kantonrechter niet bevoegd is, doch de Nederlandse Orde van Advocaten. Dit verweer, dat reeds bij conclusie van antwoord is geponeerd, is door de eisende partij niet weersproken.

Naar het oordeel van de kantonrechter slaagt dit verweer. Vast staat dat de omvang van de gevorderde declaraties worden betwist en aldus is er sprake van een geschil dat betrekking heeft op de omvang van declaraties van een advocaat in de zin van de Wet tarieven in burgerlijke zaken. In een dergelijke geval dient de uit deze wet voortvloeiende begrotingsprocedure te worden gevolgd. De vordering dient op de voet van artikel 32 van bedoelde wet ter begroting worden voorgelegd aan de Raad van Toezicht in het arrondissement.”

1.7

[de maatschap] heeft tegen dit vonnis van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 16 augustus 2016 het vonnis vernietigd, behoudens de proceskostenbeslissing, en de zaak terugverwezen naar de kantonrechter.4 Het hof overwoog (rov. 3.2.2):

“Nu de begrotingsprocedure per 1 januari 2015 is afgeschaft – en er feitelijk in de maanden vóór die datum door de Raden van Toezicht al geen nieuwe begrotingen meer in behandeling werden genomen; door [eiser] wordt niet betwist dat dat op 11 maart 2014 ook al het geval was, zoals [de maatschap] stelt (12 mvg/mva) - kon, en kan ook thans daaraan geen toepassing meer worden gegeven en dienen de geschillen over de hoogte van het loon van de advocaat door de burgerlijke rechter te worden beslist. Dit brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter van 3 december 2014 in het bevoegdheidsincident – dat immers tot uitgangspunt neemt dat die procedure nog gevolgd zou kunnen worden en dat op de geschillen langs die weg de declaraties begroot konden worden - niet juist is en niet in stand kan blijven.”

1.8

Bij exploot van 3 april 2017 is de zaak die door het hof was terugverwezen naar de kantonrechter, opnieuw aangebracht. De kantonrechter heeft die zaak aangehouden in afwachting van het verloop van de onderhavige procedure.

2 Procesverloop

Eerste aanleg

2.1

[de maatschap] heeft [eiser] – opnieuw – in eerste aanleg gedagvaard en gevorderd dat [eiser] zal worden veroordeeld tot betaling van (in eerste instantie) € 5.961,04, te vermeerderen met rente en kosten. Bij vonnis van 18 maart 2015 heeft de kantonrechter te Tilburg deze vordering bij verstek toegewezen. In de daarop volgende verzetprocedure heeft [de maatschap] haar eis vermeerderd met het bedrag van haar declaratie in het dossier […]/[…] (zie hiervoor, 1.4) tot in totaal € 16.391,86 (plus rente en kosten).

2.2

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 11 april 2016 een deskundigenbericht bevolen over de vraag of het door [de maatschap] in rekening gebrachte aantal uren in de desbetreffende vier dossiers in overeenstemming is met wat een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat in de gegeven omstandigheden aan de werkzaamheden in de dossiers qua tijd zou hebben besteed. Die vraag is door de benoemde deskundige, mr. M.J. van Basten Batenburg (zelf cassatieadvocaat), bevestigend beantwoord. Bij eindvonnis van 15 februari 2017 heeft de kantonrechter het verstekvonnis bekrachtigd en het bij eisvermeerdering gevorderde bedrag toegewezen (plus rente en kosten).

Hoger beroep

2.3

Bij exploot van 3 april 2017 is [eiser] bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (hierna: het hof) in hoger beroep gekomen. [eiser] heeft vijf grieven aangevoerd. [de maatschap] heeft verweer gevoerd.5

2.4

Het hof heeft bij de behandeling van de grieven vooropgesteld dat deze zich niet richten tegen de vaststelling dat [de maatschap] in opdracht en voor rekening van [eiser] in de betreffende vier dossiers procesbijstand heeft verleend. De grieven richten zich evenmin tegen het oordeel dat de door [de maatschap] aan deze zaken bestede tijd redelijk is geweest en het (impliciete) oordeel dat het daarvoor in rekening gebrachte loon redelijk is (rov. 9.4.2.).

2.5

Het hof heeft vervolgens het oordeel van de kantonrechter onderschreven dat geen sprake is van misbruik van procesrecht, dan wel een gebrek aan belang, doordat [de maatschap] zijn vorderingen in deze procedure opnieuw aanhangig heeft gemaakt (rov. 9.5.2.). De klacht van [eiser] dat de kantonrechter de vordering van [de maatschap] had moeten toetsen aan de regeling uit de tot 1 januari 2015 geldende Wet tarieven burgerlijke zaken is eveneens door het hof verworpen (rov. 9.6.1.-9.6.2.).

2.6

Het hof bespreekt vervolgens de stellingen van [eiser] waarom hij de declaratie in de zaak […]/[…] niet zou hoeven te voldoen. Ten eerste zou hij voor de door [de maatschap] zelf verrichte werkzaamheden niet hoeven te betalen omdat mr. H.H.M. [de maatschap] ten tijde van de behandeling van die zaak niet langer bevoegd was op te treden als cassatieadvocaat als gevolg van de inwerkingtreding per 1 juli 2012 van de Wet versterking cassatierechtspraak. 6 Ten tweede zou [eiser] niet voor werkzaamheden van de door [de maatschap] ingeschakelde cassatieadvocaat, [betrokkene 1], hoeven betalen omdat hij er door [de maatschap] niet van in kennis was gesteld dat zij [betrokkene 1] om bijstand had gevraagd.

2.7

Het hof heeft de eerste stelling verworpen. Art. IV lid 1 van de Wet versterking cassatierechtspraak bepaalt dat de advocaat die op 1 juli 2012 kantoor houdt in het arrondissement Den Haag, voor zover de advocaat als advocaat bij de Hoge Raad optreedt, tot uiterlijk twee jaar na die datum uit dien hoofde advocaat bij de Hoge Raad is, en daarna uitsluitend voor zaken die op dat moment aanhangig zijn bij de Hoge Raad en waarin hij in eigen naam optreedt. Uit deze overgangsbepaling volgt dat [de maatschap] mocht optreden als cassatieadvocaat, van het begin tot het eind (rov. 9.7.3.).7

2.8

Over het verweer van [eiser] ter zake van de inschakeling van [betrokkene 1] heeft het hof als volgt geoordeeld:

“9.7.5. De stelling van [eiser] dat [de maatschap] zonder kennisgeving aan of instemming van [eiser] [betrokkene 1] heeft ingeschakeld vindt geen steun in de verklaring van [betrokkene 1] van 18 mei 2017 die [eiser] ter ondersteuning van zijn stelling aanhaalt (productie 11 ingediend door [eiser] ten behoeve van de comparitie na aanbrengen). Integendeel, [betrokkene 1] merkt daarin op dat volgens hem [eiser] van meet af aan ervan op de hoogte was dat [de maatschap] en hij gezamenlijk de zaak hebben behandeld. In lijn daarmee zijn de e-mails die door [de maatschap] aan [eiser] zijn verstuurd op 28 oktober 2013 en 13 november 2013 (memorie van antwoord, productie 1) waarmee de betrokkenheid van [betrokkene 1] voor [eiser] kenbaar was en die voor hem kennelijk geen reden waren tot het vragen om opheldering over diens rol. Gelet hierop is het hof van oordeel dat [eiser] zijn stelling over de inschakeling van [betrokkene 1] onvoldoende heeft onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbijgaat. Aan een beoordeling van de rechtsgevolgen die deze stelling volgens [eiser] met zich zou brengen, komt het hof dus niet toe. Daarmee falen grieven 1, 2 en 3.”

2.9

Op grond van het voorgaande heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Cassatie

2.10

[eiser] heeft – tijdig – cassatieberoep ingesteld. [de maatschap] heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. [eiser] heeft gerepliceerd en [de maatschap] heeft gedupliceerd.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Beide onderdelen richten zich tegen rov. 9.7.5. van het bestreden arrest. Dat maakt het debat in cassatie overzichtelijk zeker in vergelijking met de “kluwen van procedures” in feitelijke aanleg.8

Onderdeel 1

3.2

Onderdeel 1 betoogt allereerst dat het oordeel in rov. 9.7.5. over de wetenschap die [eiser] moet hebben gehad van het door [de maatschap] inschakelen van [betrokkene 1], en het onvoldoende onderbouwd zijn van het verweer van [eiser] ter betwisting van deze wetenschap, onbegrijpelijk is. [eiser] voert daartoe – aan het slot van het onderdeel – aan dat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is waarom een schriftelijke verklaring van [betrokkene 1] uit 2017, dus vier jaar later, afbreuk kan doen aan de verweren van [eiser]. Hetzelfde zou gelden voor de e-mails van 28 oktober en 13 november 2013, waarnaar het hof heeft verwezen.

3.3

Met het bestreden oordeel heeft het hof gerespondeerd op de stellingen in de memorie van grieven, p. 6-8, dat [eiser] niet op de hoogte was van het inschakelen van [betrokkene 1]. [eiser] heeft deze stelling onderbouwd door overlegging van e-mail correspondentie tussen hem en [de maatschap] inzake de procedure […] / […].9 In deze e-mails is [betrokkene 1] niet ingekopieerd, noch wordt daarin over hem, of het voornemen hem in te schakelen, gerept. Daarnaast heeft [eiser] verwezen naar een e-mail van [betrokkene 1] van 18 mei 2017 aan de betreffende cliënt, waarnaar het hof in de eerste zin van rov. 9.7.5. verwijst.10 Pas uit deze e-mail – en dus enkele jaren later – zou [eiser] begrepen hebben dat [betrokkene 1] (destijds) door [de maatschap] was ingeschakeld.

3.4

Het hof heeft deze stelling van [eiser] verworpen. Het heeft overwogen dat [betrokkene 1] in zijn bericht aan de cliënt opmerkt dat volgens hem [eiser] van begin af aan op de hoogte was van zijn inschakeling. Daarnaast heeft het hof overwogen dat de betrokkenheid van [betrokkene 1] voor [eiser] kenbaar was uit een tweetal door [de maatschap] overgelegde e-mails.11 De e-mail van 28 oktober 2013, afkomstig van [de maatschap], is zowel aan [eiser] als aan [betrokkene 1] gericht en heeft als aanhef “Geachte confrères” (meervoud). De e-mail van 13 maart 2014 is gericht aan [eiser], met [betrokkene 1] ingekopieerd. Beide e-mails betreffen klaarblijkelijk (onder meer) het dossier […] / […].

3.5

Het oordeel van het hof dat [eiser] zijn stelling over de inschakeling van [betrokkene 1] onvoldoende heeft onderbouwd kan, verweven als het is met de aan de feitenrechter voorbehouden waardering van feiten en omstandigheden, in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Onbegrijpelijk is dit oordeel niet, mede in het licht van de door het hof genoemde e-mails en de verklaring van [betrokkene 1]. Aan het oordeel behoefde niet af te doen dat [eiser] heeft verwezen naar e-mails waarin [betrokkene 1] niet was ingekopieerd. Dat sluit immers geenszins uit dat [eiser] wel van de inschakeling van [betrokkene 1] op de hoogte was. Het oordeel van het hof behoefde evenmin nadere motivering. Zelfs indien een ander oordeel even goed mogelijk was geweest, leidt dat er nog niet toe dat het gegeven oordeel daardoor onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is.12 De eerste klacht van het onderdeel faalt derhalve.

3.6

Onderdeel 1 betoogt verder dat het zojuist besproken oordeel onjuist is omdat een cassatieadvocaat geen recht heeft op een redelijk loon (ex art. 7:405 lid 2 BW) wanneer, zoals hier, de in rekening gebrachte, inhoudelijke werkzaamheden in werkelijkheid zijn verricht door een andere (niet aan het kantoor van de opdrachtnemer verbonden) cassatieadvocaat. Dit honorarium zou uitsluitend als onkosten in rekening kunnen worden gebracht (art. 7:406 BW), en hierover moet rekening en verantwoording worden afgelegd.

3.7

Het hof heeft in rov. 9.7.1. de stellingen van [eiser] weergegeven, waaronder de stelling dat art. 7:405 lid 2 BW niet van toepassing is. Blijkens de een na laatste zin van rov. 9.7.4. heeft het hof de stellingen van [eiser] aldus uitgelegd, dat het betoog dat art. 7:405 lid 2 BW toepassing mist, gegrond is op de stelling dat [eiser] niet van de inschakeling van [betrokkene 1] op de hoogte was (zie ook onderdeel 2 hierna). Met het passeren van die laatste, feitelijke, stelling is het hof niet meer toegekomen aan een oordeel over de toepasselijkheid van art. 7:405 lid 2 BW, zoals het hof ook zelf, met zoveel woorden, in de een na laatste zin van rov. 9.7.5. heeft overwogen. Daarop strandt de klacht.

3.8

Ook de laatste klacht van het onderdeel faalt. Die klacht houdt in dat het hof zou hebben miskend dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de vraag of het [de maatschap] was toegestaan om het honorarium van de door haar ingeschakelde externe advocaat aan [eiser] door te berekenen, bij [de maatschap] zou berusten en niet bij [eiser]. Ook aan dat punt is het hof verder niet toegekomen, vanwege het passeren van de feitelijke stelling over de kenbaarheid van het inschakelen van [betrokkene 1]. Voor zover het onderdeel mede zou willen betogen dat het hof ten onrechte de stelplicht en bewijslast van de stelling inzake het inschakelen van [betrokkene 1] bij [eiser] heeft gelegd, faalt de klacht eveneens. [eiser] heeft die stelling ingenomen en zich op de gevolgen daarvan beroepen, zodat de stelplicht en bewijslast op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv bij hem berusten.

3.9

Slotsom is dat alle klachten van onderdeel 1 tevergeefs zijn voorgesteld.13

Onderdeel 2

3.10

Onderdeel 2 van het middel betoogt dat het hof niet heeft gerespondeerd op een essentiële stelling van [eiser]. Het zou gaan om de stelling dat art. 7:405 lid 2 BW ook toepassing zou missen in het geval [eiser] wist, of kon weten, dat door [de maatschap] een beroep was gedaan op de bijstand van [betrokkene 1]. Het onderdeel verwijst naar de toelichting op grief 2 in de memorie van grieven (p. 6-8).

3.11

Ik overwoog hiervoor (onder 3.7) dat het hof de stellingen van [eiser] aldus heeft uitgelegd, dat het betoog dat art. 7:405 lid 2 BW toepassing mist, gegrond is op de stelling dat [eiser] niet van de inschakeling van [betrokkene 1] op de hoogte was. Het onderdeel bestrijdt in wezen dat oordeel. Bij de behandeling van die klacht stel ik voorop dat de uitleg van processtukken en van standpunten van partijen van feitelijke aard is en in cassatie dan ook niet op juistheid kan worden onderzocht.14

3.12

In de passages in de memorie van grieven waar het onderdeel naar verwijst, valt te lezen dat [eiser] zijn betoog dat art. 7:405 lid 2 BW toepassing mist, op twee grondslagen stoelt. De eerste grondslag is het argument dat [de maatschap] ten tijde van de zaak […]/[…] geen cassatieadvocaat meer was. Deze stelling is door het hof in rov. 9.7.3. verworpen (zie hiervoor, 2.7). De tweede grondslag is dat [de maatschap] de inschakeling van [betrokkene 1] heeft verzwegen, onder verwijzing naar de e-mails waarin [betrokkene 1] niet is ingekopieerd (hiervoor, 3.3). Die stelling is door het hof in rov. 9.7.5. verworpen, tegen welk oordeel onderdeel 1 vergeefs opkomt. Dat het hof in deze passages in de memorie van grieven niet de stelling heeft ontwaard dat art. 7:405 lid 2 BW ook toepassing zou missen als [eiser] wel wetenschap had gehad van de inschakeling van [betrokkene 1], is niet onbegrijpelijk. Bij die stand van zaken mist het verwijt dat het hof niet op die (beweerdelijke) stelling heeft gerespondeerd feitelijke grondslag.

3.13

Tot slot wijs ik erop dat [eiser] noch in feitelijke instantie noch in de procesinleiding een betoog heeft gehouden over het verschil dat kan bestaan tussen het uurtarief van de opdrachtnemer ([de maatschap]) en het uurtarief van de door deze in geschakelde hulppersoon ([betrokkene 1]). Zoals door [de maatschap] wordt opgemerkt in de schriftelijke dupliek (punten 16 en 17), gaat het hier om een feitelijk novum in cassatie. [eiser] heeft bovendien geen belang bij een klacht over een mogelijk verschil in honorarium omdat door de kantonrechter is vastgesteld dat het aantal bestede uren (en daarmee impliceert: het honorarium) redelijk is geweest, tegen welk oordeel [eiser] niet heeft gegriefd (zie hiervoor, 2.4).

3.14

Slotsom is dat ook onderdeel 2 doel mist.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 9.2. van het bestreden arrest (ECLI:NL:GHSHE:2019:3589).

2 Zie HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2798 ([…]/[…]).

3 [de maatschap] declareerde kennelijk maar één keer, aan het einde van de zaak. Zie blz. 8 van het deskundigenbericht van mr. M.J. van Basten Batenburg dat op 22 augustus 2016 aan de kantonrechter is uitgebracht.

4 ECLI:NL:GHSHE:2016:3688, door [de maatschap] overgelegd als prod. 1 bij Akte uitlaten deskundigenbericht van 20 september 2016.

5 [eiser] heeft tevens een incidenteel verzoek tot vernietiging en/of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 april 2017 ingediend. Deze incidentele vordering is door het hof afgewezen bij arrest van 26 september 2017. Later heeft [eiser] in een executiekortgeding schorsing gevorderd van de tenuitvoerlegging van (i) het vonnis van de kantonrechter van 15 maart 2015, (ii) het arrest van het hof van 16 augustus 2016 en (iii) het vonnis van de kantonrechter van 15 februari 2017. De voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 25 februari 2019 de gevraagde voorzieningen geweigerd. Dat vonnis is overgelegd door [de maatschap] bij brief van 17 juli 2019 met het oog op de pleitzitting van 20 augustus 2019.

6 Stb. 2012/116.

7 [betrokkene 1] trad in de zaak […]/[…] niet op als cassatieadvocaat. Dat was uitsluitend [de maatschap]. Het cassatieberoep is gegrond geoordeeld. Dat wijst erop dat ook de Hoge Raad ervan is uitgegaan dat partij […] werd vertegenwoordigd door een cassatieadvocaat.

8 Zie de verzuchtingen van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant in het in voetnoot 5 genoemde vonnis van 25 februari 2019, rov. 4.1: “Deze zaak heeft in oorsprong betrekking op collegiale dienstverlening binnen de advocatuur. Men zou toch mogen verwachten dat de financiële afwikkeling daarvan tussen deze professionele partijen soepel zou kunnen verlopen, zulks in de prettige wetenschap dat, als de advocaat het niet te bont maakt, al diens heilzame werkzaamheden uiteindelijk aan de cliënt kunnen worden doorberekend. Het stemt treurig dat deze in de kern simpele incassokwestie tot dit kluwen van procedures heeft geleid. (…).

9 Productie 17 en 18 bij memorie van grieven.

10 Productie 11 [eiser], overgelegd voor de comparitie na aanbrengen d.d. 22 augustus 2017.

11 Door [de maatschap] overgelegd als (ongenummerde) producties bij de memorie van antwoord.

12 Vgl. A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/69.

13 [de maatschap] wijst bij schriftelijke dupliek, punten 12-16, erop dat de schriftelijke toelichting van [eiser] enkele feitelijke nova bevatten. Ik laat die stellingen onbesproken omdat de klachten reeds falen op de door mij hiervoor genoemde gronden.

14 Zie bijv. HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3072, NJ 2015/85 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2015/30 m.nt. K.P. Hoogenboezem (Eurostrip/Velenturf), rov. 4.2.